ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
1 juli 2009 ( *1 )
„Staatssteun — Regeling van door Republiek Polen aan staalproducent verleende herstructureringssteun — Beschikking waarbij steun gedeeltelijk onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast — Protocol nr. 8 inzake herstructurering van Poolse ijzer- en staalindustrie — Rentevoet voor terugbetaling van onverenigbare steun — Verplichting tot nauwe samenwerking met lidstaat — Artikelen 9, lid 4, en 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 794/2004”
In zaak T-288/06,
Regionalny Fundusz Gospodarczy S.A. (voorheen Huta Częstochowa S.A.), gevestigd te Częstochowa (Polen), vertegenwoordigd door C. Sadkowski en D. Sałajewski, advocaten,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Giolito en A. Stobiecka-Kuik als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2006/937/EG van de Commissie van 5 juli 2005 betreffende de staatssteun nr. C 20/04 (ex NN 25/04) ten gunste van Huta Częstochowa S.A. (ex NN 25/04) (PB 2006, L 366, blz. 1), voor zover daarbij een aantal steunmaatregelen onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard en de Republiek Polen tot terugvordering ervan wordt gelast,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: E. Martins Ribeiro, kamerpresident, S. Papasavvas en A. Dittrich (rapporteur), rechters,
griffier: K. Pocheć, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 september 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1
Artikel 8 van protocol nr. 2 betreffende de EGKS-producten bij de Europa-Overeenkomst van 16 december 1991 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Polen, anderzijds (PB 1993, L 348, blz. 2; hierna: „protocol nr. 2”) bepaalt:
„1. Zijn onverenigbaar met de goede werking van de Overeenkomst, indien de handel tussen de Gemeenschap en Polen daardoor ongunstig kan worden beïnvloed:
[…]
iii)
overheidssteun in welke vorm ook, behoudens de uitzonderingen die uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zijn toegestaan.
[…]
4. De partijen erkennen dat [de Republiek] Polen, in afwijking van het bepaalde in lid 1, [sub] iii, gedurende de eerste vijf jaren na de inwerkingtreding van de Overeenkomst bij wijze van uitzondering met betrekking tot EGKS-ijzer- en staalproducten overheidssteun voor herstructurering mag verlenen, mits:
—
het herstructureringsprogramma aansluit bij een algemene rationalisatie en capaciteitsvermindering in Polen;
—
het ertoe leidt dat de begunstigde ondernemingen aan het einde van de herstructureringsperiode onder normale marktvoorwaarden levensvatbaar zijn; en
—
het bedrag en de intensiteit van de steun strikt beperkt blijven tot hetgeen voor dit herstel van de levensvatbaarheid absoluut noodzakelijk is, en ze geleidelijk worden verminderd.
De Associatieraad zal, rekening houdende met de economische situatie van [de Republiek] Polen, beslissen of de periode van vijf jaar eventueel kan worden verlengd.”
2
Besluit nr. 3/2002 van de Associatieraad EU-Polen van 23 oktober 2002 houdende verlenging van de periode bedoeld in artikel 8, lid 4, van protocol nr. 2 (PB 2003, L 186, blz. 38) heeft de periode gedurende welke de Republiek Polen bij wijze van uitzondering overeenkomstig artikel 8, lid 4, van protocol nr. 2 overheidssteun voor herstructurering voor staalproducten mocht verlenen, met ingang van verlengd met acht jaar of tot de datum waarop de Republiek Polen zou toetreden tot de Europese Unie. Artikel 2 ervan luidt:
„[De Republiek] Polen legt de Commissie […] een herstructureringsprogramma en bedrijfsplannen voor die voldoen aan de in artikel 8, lid 4, van protocol nr. 2 genoemde vereisten en die zijn onderzocht door de nationale toezichthoudende instantie voor overheidssteun (de dienst voor mededinging en consumentenbescherming).”
3
Protocol nr. 8 bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, dat betrekking heeft op de herstructurering van de Poolse ijzer- en staalindustrie (PB 2003, L 236, blz. 948; hierna: „protocol nr. 8”), machtigde de Republiek Polen in afwijking van de algemene staatssteunregels, steun voor de herstructurering van haar ijzer- en staalsector te verlenen, mits deze voldeed aan de eisen van het herstructureringsplan en de voorwaarden van dit protocol. Het bepaalt met name:
„1.
Onverminderd de artikelen 87 [EG] en 88 [EG] wordt overheidssteun die door [de Republiek] Polen wordt verleend voor de herstructurering van nader bepaalde delen van de Poolse ijzer- en staalindustrie als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt beschouwd onder de volgende voorwaarden:
—
de periode waarin is voorzien in artikel 8, lid 4, van protocol nr. 2 […] is verlengd tot de datum van toetreding, en
—
er in de periode 2002-2006 is voldaan aan de eisen van het herstructureringsplan op basis waarvan voornoemd protocol werd verlengd,
—
er is voldaan aan de in dit protocol bepaalde voorwaarden, en
—
er na de datum van toetreding geen staatssteun voor herstructurering aan de Poolse staalindustrie behoeft te worden betaald.
2.
[…]
3.
Uitsluitend in bijlage 1 vermelde ondernemingen (hierna ‚begunstigde ondernemingen’ genoemd) komen in aanmerking voor overheidssteun in het kader van het herstructureringsprogramma van de Poolse ijzer- en staalindustrie.
4.
Het is een begunstigde onderneming niet toegestaan:
a)
in geval van een fusie met een niet in bijlage 1 genoemde onderneming, de aan de begunstigde onderneming verleende steun door te geven;
b)
het actief over te nemen van niet in bijlage 1 genoemde ondernemingen die in het tijdvak tot 31 december 2006 failliet worden verklaard.
5.
[…]
6.
De herstructureringssteun die aan de begunstigde ondernemingen wordt verleend, wordt bepaald aan de hand van het goedgekeurde Poolse herstructureringsplan en door de Raad goedgekeurde individuele bedrijfsplannen. Het in de periode 1997-2003 uitbetaalde totaalbedrag ligt in geen geval hoger dan […] 3387070000 [PLN].
[…]
[De Republiek] Polen verleent daarna geen verdere overheidssteun voor herstructurering meer aan de Poolse ijzer- en staalindustrie.
[…]
10.
Voor alle daaropvolgende wijzigingen in het algemene herstructureringsplan en de individuele plannen is de goedkeuring van de Commissie en, waar passend, van de Raad vereist.
[…]
18.
Indien uit het toezicht blijkt dat:
[…]
c)
[de Republiek] Polen in de loop van de herstructureringsperiode bijkomende, onverenigbare overheidssteun heeft verleend aan de ijzer- en staalindustrie en in het bijzonder aan de begunstigde ondernemingen,
gelden de in dit protocol opgenomen overgangsregelingen niet.
De Commissie neemt de passende maatregelen om van betrokken ondernemingen de terugbetaling te eisen van eventuele steun die werd verleend zonder dat de in dit protocol bepaalde voorwaarden werden nagekomen.”
4
Artikel 7, lid 5, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] EG (PB L 83, blz. 1) bepaalt:
„Indien de Commissie tot de bevinding komt dat de aangemelde steun niet met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is, geeft zij een beschikking houdende dat de steun niet tot uitvoering mag worden gebracht […].”
5
Artikel 9 van verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 659/1999 (PB L 140, blz. 1) bepaalt:
„1. Tenzij in een bijzonder besluit anders is bepaald, is het bij terugvordering van in strijd met artikel 88, lid 3, [EG] verleende staatssteun toe te passen rentepercentage, een voor elk kalenderjaar vastgesteld jaarlijks rentepercentage.
Dit percentage wordt berekend op de grondslag van het gemiddelde van de vijfjaarlijkse interbancaire swaprente voor september, oktober en november van het voorgaande jaar, verhoogd met 75 basispunten. In naar behoren met redenen omklede gevallen kan de Commissie dit percentage voor één of meer lidstaten met meer dan 75 basispunten verhogen.
[…]
4. Bij gebreke van betrouwbare of gelijkwaardige gegevens of in uitzonderlijke omstandigheden kan de Commissie, in nauwe samenwerking met de betrokken lidstaat of lidstaten, voor één of meer lidstaten een bij terugvordering van staatssteun toe te passen rentepercentage vaststellen met gebruikmaking van een andere methode en op de grondslag van de gegevens waarover zij beschikt.”
6
Wat de wijze betreft waarop de rente moet worden toegepast, preciseert artikel 11, lid 2, van deze verordening:
„Het rentepercentage wordt op samengestelde grondslag toegepast, tot de datum waarop de steun is terugbetaald. Over de rente die betrekking heeft op het voorgaande jaar is in elk volgende jaar rente verschuldigd.”
Feiten
7
De onderhavige zaak betreft de herstructurering van de Poolse staalproducent Huta Częstochowa S.A. (hierna: „HCz”). HCz werd tussen 2002 en 2005 geherstructureerd. Daartoe werden de activa van HCz overgedragen aan nieuwe vennootschappen:
—
in 2002 werd Huta Stali Częstochowa sp. z o.o. (hierna: „HSCz”) opgericht om de ijzer- en staalproductie van HCz voort te zetten. HSCz huurde HCz’s productie-installaties van de curator en nam het gros van de werknemers over. De moedermaatschappij van HSCz was Towarzystwo Finansowe Silesia sp. z o.o., een vennootschap die voor 100% eigendom van het Poolse ministerie van Financiën was;
—
in 2004 werden de vennootschappen Majątek Hutniczy sp. z o.o. (hierna: „MH”) en Majątek Hutniczy Plus (hierna: „MH Plus”) opgericht. HCz had al hun aandelen in handen. MH kreeg het staal van HCz en MH Plus kreeg een aantal andere voor de productie noodzakelijke activa;
—
de activa die geen verband hielden met de staalproductie alsook het elektriciteitsbedrijf Elsen werden overgedragen aan de vennootschap Operator ARP sp. z o.o., een vennootschap die ressorteert onder de Agencja Rozwoju Przemysłu S.A. (agentschap voor de industriële ontwikkeling van het Poolse Ministerie van Financiën), met het oog op de aflossing van de te herschikken publiekrechtelijke schuldvorderingen (belastingen en socialezekerheidsbijdragen).
8
Bij brief van 19 mei 2004 stelde de Commissie de Republiek Polen in kennis van haar beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure ten aanzien van de aan de staalproducent HCz verleende herstructureringssteun. Deze beschikking is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van (PB C 204, blz. 6; hierna: „inleidingsbeschikking”), in de authentieke taal (Pools), voorafgegaan door een samenvatting in de andere officiële talen. De Commissie verzocht alle belanghebbende partijen om hun opmerkingen over de feiten en de juridische analyse in de inleidingsbeschikking in te dienen. Zij ontving opmerkingen van de Republiek Polen en vier belanghebbende partijen.
9
Na de procedure kwam de Commissie tot de conclusie dat de maatregelen tot herstructurering van HCz overeenkomstig de bepalingen van de Ustawa o pomocy publicznej dla przedsiębiorców o szczególnym znaczeniu dla rynku pracy (wet van 30 oktober 2002 inzake overheidssteun aan ondernemingen die op de arbeidsmarkt van significant belang zijn, Dz. U. nr. 213, post 1800, zoals gewijzigd), anders dan zij aanvankelijk vermoedde, geen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormden. Daarentegen had HCz volgens de Commissie voor de periode van 1997 tot 2002 in verschillende opzichten staatssteun ontvangen. De Commissie kwam tot de conclusie dat deze gedeeltelijk verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, maar eiste terugbetaling van het gedeelte dat zij onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt achtte, namelijk van een bedrag van 19699452 Poolse zloty (PLN) (hierna: „litigieuze steun”).
10
Op 5 juli 2005 stelde de Commissie beschikking 2006/937/CE betreffende de staatssteun nr. C 20/04 (ex NN 25/04) ten gunste van HCz vast (PB 2006, L 366, blz. 1; hierna: „beschikking”). Artikel 3 ervan bepaalt:
„1. De staatssteun ten bedrage van 19699452 PLN, die [de Republiek] Polen aan [HCz] verleende in de periode van 1997 tot mei 2002 in de vorm van exploitatiesteun en steun voor de herstructurering van de werkgelegenheid, is niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
2. [De republiek] Polen neemt alle noodzakelijke maatregelen om van [HCz], Regionalny Fundusz Gospodarczego, [MH] en [Operator ARP] de in lid 1 bedoelde steun, die onterecht aan [HCz] is verleend, terug te verkrijgen. Al deze ondernemingen zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van deze steun.
De terugbetaling van de steun zal onverwijld en in overeenstemming met de nationale gerechtelijke procedures plaatsvinden, op voorwaarde dat deze procedures de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van onderhavige beschikking mogelijk maken. Het terug te betalen bedrag wordt verhoogd met de rente voor de hele periode vanaf de dag dat de steun ter beschikking van [HCz] werd gesteld tot de dag dat deze werkelijk werd terugbetaald. De rente wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van verordening […] nr. 794/2004.
3. […]”
11
Bij overeenkomst van 30 september 2005, die op in werking is getreden, heeft ISD Polska sp. z o.o. (optredend onder de ondernemingsnaam ZPD Steel sp. z o.o.; hierna: „ISD”), een 100%-dochtermaatschappij van Industrial Union of Donbass Corp., alle aandelen van MH en van MH Plus en de overige tien dochtermaatschappijen van HCz van deze laatste overgenomen. Bij overeenkomst van diezelfde datum, die eveneens op in werking is getreden, heeft ISD alle aandelen van HSCz van Towarzystwo Finansowe Silesia sp. z o.o. overgenomen. ISD is aldus eigenaar geworden van HSCz, MH, MH Plus en tien andere dochtermaatschappijen van HCz.
12
Na de verkoop wijzigde HCz haar ondernemingsnaam in Regionalny Fundusz Gospodarczy S.A. (hierna: „verzoekster”). Verzoekster is nog steeds in handen van het Poolse ministerie van Financiën, maar bezit slechts enkele onroerende goederen die geen verband houden met de ijzer- en staalindustrie.
13
Bij brief van 17 februari 2006 verzocht de Commissie de Poolse autoriteiten de rentevoet voor de terugbetaling van de litigieuze steun door de in artikel 3, lid 2, van de beschikking genoemde solidaire schuldenaars mee te delen. In hun antwoord van stelden de Poolse autoriteiten een rentevoet voor de terugbetaling en een methode voor de renteberekening voor. Zij stelden met name voor om, voor de periode van 1997 tot 1999, de rente op vastrentende Poolse staatsobligaties in Poolse zloty met een looptijd van vijf jaar en, voor de periode van 2000 tot de toetreding van de Republiek Polen tot de Europese Unie, de rente op deze obligaties met een looptijd van tien jaar als basis te nemen. Gelet op de toenmalige situatie op de Poolse kapitaalmarkt, die werd gekenmerkt door een zeer hoge, maar snel dalende rente, vroegen zij ook dat deze percentages jaarlijks zouden worden aangepast en dat de rente niet op samengestelde grondslag zou worden berekend.
14
In een brief van 7 juni 2006 aan de Poolse autoriteiten stelde de Commissie vast dat de rentevoet voor de terugbetaling van de steun voor de gehele betrokken periode gelijk diende te zijn aan de rente op vastrentende Poolse staatsobligaties in Poolse zloty met vijf jaar looptijd en dat deze rentevoet krachtens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 794/2004 op samengestelde grondslag moest worden toegepast.
Procesverloop en conclusies van partijen
15
Bij verzoekschrift, neergelegd op 18 oktober 2006 ter griffie van het Gerecht, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
16
Bij dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft verzoekster krachtens artikel 242 EG een verzoek in kort geding tot opschorting van de uitvoering van artikel 3 van de beschikking ingediend. Bij beschikking van 13 december 2006 heeft de president van het Gerecht dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
17
Na de gedeeltelijke vervanging van de leden van het Gerecht is de zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur. Deze rechter is vervolgens aan de Achtste kamer toegevoegd, waaraan de onderhavige zaak bijgevolg is toegewezen.
18
Daar verzoekster de repliek niet heeft ingediend binnen de gestelde termijn, die op 16 maart 2007 is verstreken, is deze niet bij het dossier gevoegd.
19
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, partijen een aantal schriftelijke vragen te stellen en de Commissie uit te nodigen een aantal documenten over te leggen. Partijen hebben daaraan binnen de gestelde termijn voldaan.
20
Ter terechtzitting van 4 september 2008 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
21
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de beschikking nietig te verklaren.
22
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
23
Volgens de Commissie heeft verzoekster met voorbijgaan aan de vormvereisten van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht geen duidelijke en nauwkeurige argumenten aangevoerd ter ondersteuning haar grieven, wat de Commissie de mogelijkheid zou hebben geboden haar verweer voor te bereiden en het Gerecht in staat zou hebben gesteld haar argumenten te toetsen.
24
Verzoekster baseert haar grieven slechts op drie algemene beweringen. De motivering van het verzoekschrift staat nagenoeg volledig in de in het Publicatieblad gepubliceerde samenvatting ervan.
Beoordeling door het Gerecht
25
Volgens de rechtspraak voldoet een inleidend verzoekschrift dat de middelen tot nietigverklaring voldoende duidelijk en nauwkeurig uiteenzet zodat de verweerder nuttig verweer kan voeren en de gemeenschapsrechter zijn rechterlijke controle kan uitoefenen, aan de minimumeisen van artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (zie in die zin arrest Gerecht van 17 maart 1994, Hoyer/Commissie, T-43/91, JurAmbt blz. I-A-91 en II-297, punt 22).
26
Bijgevolg dient in omstandigheden waarin het verzoekschrift beknopt de betrokken middelen aangeeft en noch de verweerder, die de aangevoerde argumenten in zijn verweerschrift heeft beantwoord, noch de gemeenschapsrechter in de onmogelijkheid waren de dienaangaande uiteengezette argumenten te begrijpen, geen niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens niet-inachtneming van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering te worden uitgesproken (zie in die zin arrest Gerecht van 22 juni 1994, Rijnoudt en Hocken/Commissie, T-97/92 en T-111/92, JurAmbt blz. I-A-159 en II-511, punt 71).
27
In casu is het verzoekschrift weliswaar zeer beknopt, maar voldoet het aan voormelde minimumeisen. Zoals blijkt uit het betoog ten gronde in het verweerschrift kon de Commissie op basis van het verzoekschrift namelijk nuttig verweer voeren. Ook kan de gemeenschapsrechter zijn rechterlijke controle uitoefenen.
28
Bijgevolg dient de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie te worden afgewezen.
Ten gronde
29
Verzoekster draagt twee middelen voor: schending van de artikelen 87 EG en 88 EG alsook van artikel 7, lid 5, van verordening nr. 659/1999 en schending van artikel 9, lid 4, van verordening nr. 794/2004.
Eerste middel: schending van de artikelen 87 EG en 88 EG alsook van artikel 7, lid 5, van verordening nr. 659/1999
— Argumenten van partijen
30
Volgens verzoekster staan de artikelen 87 EG en 88 EG alsook artikel 7 van verordening nr. 659/1999 de vaststelling van een beschikking tot onverenigbaarverklaring van door een lidstaat verleende steun met de gemeenschappelijke markt slechts toe in twee gevallen: ingeval de steun na de toetreding van de lidstaat tot de Europese Unie is verleend en ingeval de steun weliswaar vóór de toetreding van de lidstaat tot de Europese Unie is verleend, maar na de datum van toetreding van toepassing blijft.
31
Aangezien de Republiek Polen op 1 mei 2004 tot de Europese Unie is toegetreden en het besluit om HCz tussen 1997 en 2002 steun te verlenen na de toetreding van de Republiek Polen niet is toegepast, was de Commissie volgens verzoekster niet gerechtigd na te gaan of de litigieuze steun al dan niet verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt en mocht zij zich dus niet uitspreken over de renteberekening over de periode tussen de dag waarop de steun aan HCz werd verleend en die van de daadwerkelijke terugvordering. De Commissie mocht pas vanaf (de dag na de inwerkingtreding van de Toetredingsakte) tot de dag van de daadwerkelijke aflossing een verplichting tot betaling van de rente opleggen.
32
De door de Republiek Polen over de periode van 1997 tot 2002 verleende steun kon de intracommunautaire handel niet beïnvloeden, aangezien hij de markt van een land betrof dat ten tijde van de verlening van de litigieuze steun geen lid van de Europese Unie was. Bovendien, aldus verzoekster, vermeldt protocol nr. 8 in haar bijlage 1 HCz niet, zodat de bepalingen ervan voor het grootste deel niet op haar van toepassing zijn. Ten slotte breidt protocol nr. 8 de controle van de Commissie niet uit tot de jaren vóór de toetreding van de Republiek Polen.
33
De Commissie wijst er om te beginnen op dat zij geen verband ziet tussen artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de beschikking en voormelde grieven. Bovendien wijst zij verzoeksters argumenten van de hand.
— Beoordeling door het Gerecht
34
Om te beginnen dient het verband tussen het eerste middel en verzoeksters conclusies, die alleen artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de beschikking betreffen, te worden verduidelijkt.
35
Verzoekster stelt namelijk enerzijds dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de artikelen 87 EG en 88 EG, aangezien de Republiek Polen ten tijde van de feiten nog geen lid van de Europese Unie was en protocol nr. 8 op dat ogenblik niet van toepassing was. Zij betwist dus in wezen de toepasselijkheid ratione temporis en ratione personae van de gemeenschapsregels inzake staatssteun.
36
Anderzijds wordt de litigieuze steun bij artikel 3, lid 1, van de beschikking onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard, terwijl de enige bepaling die verzoekster betwist, namelijk artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de beschikking, slechts de renteberekening betreft.
37
Ter terechtzitting is verzoekster derhalve gevraagd de strekking van haar beroep en conclusies te verduidelijken. Zij heeft in wezen geantwoord dat haar eerste middel weliswaar strekt tot nietigverklaring van de beschikking in haar geheel, maar dat haar directie „om politieke redenen” heeft beslist om te verzoeken dat bij toewijzing van dit middel de nietigverklaring van de beschikking zou worden beperkt tot de bepaling inzake de rente, namelijk artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de beschikking.
38
Het eerste middel moet dus aldus worden opgevat dat het alleen strekt tot nietigverklaring van de rente die is verschuldigd over de periode vóór de toetreding van de Republiek Polen tot de Europese Unie.
39
Wat in de eerste plaats de toepasselijkheid ratione temporis van de gemeenschapsregels inzake staatssteun betreft, staat tussen partijen vast dat de artikelen 87 EG en 88 EG in beginsel niet van toepassing zijn op steunmaatregelen van vóór de toetreding die na de toetreding niet meer gelden.
40
Niettemin baseert de Commissie zich op protocol nr. 8 als lex specialis om haar bevoegdheid te staven. Nagegaan moet dus worden of de bepalingen van protocol nr. 8 de Commissie machtigden om haar controlebevoegdheid inzake staatssteun uit te breiden tot de litigieuze steun, en een afdoende rechtsgrondslag voor het verbod van deze steun vormden.
41
Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat protocol nr. 8 verwijst naar de steun in de periode van 1997 tot 2003. Volgens dit protocol kan voor deze periode (namelijk vóór de toetreding van de Republiek Polen tot de Europese Unie) een beperkt bedrag aan herstructureringssteun worden verleend aan een aantal in bijlage 1 ervan genoemde ondernemingen en is daarentegen elke andere staatssteun voor de herstructurering van de ijzer- en staalindustrie verboden.
42
Punt 6, eerste alinea, van protocol nr. 8 bepaalt in het bijzonder dat de steun in de periode van 1997 tot 2003 hoe dan ook in totaal 3387070000 PLN niet mag overschrijden. Voorts mag de Republiek Polen volgens punt 6, derde alinea, van protocol nr. 8 daarna geen verdere steun voor de herstructurering van de Poolse ijzer- en staalindustrie verlenen. Anders dan verzoekster stelt, kan protocol nr. 8 dus krachtens punt 6 ervan, dat de periode van 1997 tot 2003 betreft, met terugwerkende kracht worden toegepast.
43
Bijgevolg is protocol nr. 8 blijkens de tekst zelf ervan toepasselijk op vóór de toetreding verleende steun. Protocol nr. 8 strekte er namelijk toe een omvattende regeling op te zetten op grond waarvan steun kon worden verleend voor de herstructurering van de Poolse ijzer- en staalindustrie, en niet alleen te voorkomen dat de begunstigde ondernemingen steun cumuleerden.
44
Protocol nr. 8 vormt dus een lex specialis ten aanzien van de artikelen 87 EG en 88 EG, die de controle op staatssteun die de Commissie krachtens het EG-verdrag verricht, uitbreidt tot steun die in de periode van 1997 tot 2003 wordt verleend ten gunste van de reorganisatie van de Poolse ijzer- en staalindustrie.
45
Wat in de tweede plaats het argument inzake de toepasselijkheid ratione personae van protocol nr. 8 betreft, namelijk dat dit protocol niet van toepassing is op de niet in bijlage 1 ervan genoemde ondernemingen, dient te worden vastgesteld dat dit protocol de Poolse ijzer- en staalindustrie in haar geheel betreft, zodat verzoekster per definitie daaronder begrepen is. In protocol nr. 8 wordt namelijk niet alleen — in punt 6, derde alinea — een totaalbedrag voor de steun opgelegd en bepaald dat iedere andere niet genoemde steun is uitgesloten, maar punt 3 ervan bepaalt ook uitdrukkelijk dat alleen de in bijlage 1 genoemde ondernemingen (begunstigde ondernemingen) staatssteun in het kader van het programma voor de herstructurering van de Poolse ijzer- en staalindustrie mogen ontvangen. Indien werd aanvaard dat een niet in bijlage 1 genoemde onderneming vóór de toetreding ontvangen onbeperkte bedragen aan herstructureringssteun mag behouden zonder als tegenprestatie haar productievermogen te verminderen, zou protocol nr. 8 alle betekenis verliezen.
46
Voor zover verzoekster ten slotte de bepalingen van protocol nr. 8 zou betwisten, zou het beroep niet-ontvankelijk zijn, aangezien de bepalingen van protocol nr. 8 tot het primaire recht behoren.
47
Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 9, lid 4, van verordening nr. 794/2004
— Argumenten van partijen
48
Verzoekster verwijt de Commissie dat zij de rentevoet voor de terugbetaling van de litigieuze steun niet in de beschikking heeft vastgesteld. Aangezien Polen vóór haar toetreding tot de Europese Unie geen vijfjaarlijkse interbancaire swaprente kende, hadden de Commissie en de Republiek Polen overeenkomstig artikel 9, lid 4, van verordening nr. 794/2004 op dit punt een overeenkomst moeten sluiten. Het bestaan van deze overeenkomst moet blijken uit de beschikking of uit een andere beslissing van de Commissie, aangezien de marktdeelnemers die staatssteun moeten terugbetalen, alleen aldus ten gronde een geding kunnen voeren tegen de instanties die de rente vaststellen.
49
De Commissie betwist deze argumenten.
— Beoordeling door het Gerecht
50
Voor zover verzoekster de methode voor de berekening van de rente in de beschikking betwist, dient te worden opgemerkt dat de vaststellingen in artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de beschikking louter declaratoir zijn, aangezien zij alleen verwijzen naar de relevante bepalingen van hoofdstuk V van verordening nr. 794/2004. De methode voor de berekening van de rente blijkt namelijk uit verordening nr. 794/2004 zelf. Verzoekster werpt geen exceptie van onwettigheid tegen deze verordening op.
51
Wat de overeenkomst betreft die de Commissie en de Republiek Polen volgens verzoekster hadden moeten sluiten, dient te worden opgemerkt dat de Commissie in punt 147 van de beschikking uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat, aangezien voor Polen geen vijfjaarlijkse interbancaire swaprente bestond voor de periode waarin de litigieuze steun werd verleend, het toe te passen rentetarief voor de terugbetaling ervan overeenkomstig artikel 9, lid 4, van verordening nr. 794/2004 moet worden gebaseerd op een beschikbaar rentetarief dat geschikt voor deze periode wordt geacht.
52
Artikel 9, lid 4, van verordening 794/2004 bepaalt enkel dat de rentevoet voor de terugbetaling van de steun „in nauwe samenwerking” met de betrokken lidstaat moet worden vastgesteld, maar vereist geen „overeenkomst”.
53
Dienaangaande blijkt uit de correspondentie tussen de Commissie en de Poolse autoriteiten, die eerstgenoemde na een vraag van het Gerecht heeft overgelegd, dat de rentevoet voor de terugbetaling van de litigieuze steun daadwerkelijk „in nauwe samenwerking” met de Republiek Polen is vastgesteld. In hun brief van 13 maart 2006 hebben de Poolse autoriteiten immers voorgesteld om de rente op Poolse staatsobligaties met vijf respectievelijk tien jaar looptijd te nemen als rente voor de terugbetaling van de steun. Gelet op de toenmalige situatie op de Poolse kapitaalmarkt, die werd gekenmerkt door een zeer hoge, maar snel dalende rente, verzochten zij ook dat dit percentage jaarlijks zou worden aangepast en dat de rente niet op samengestelde grondslag zou worden berekend.
54
De Commissie heeft deze voorstellen in grote lijnen aanvaard. Weliswaar vond zij dat met het oog op de coherentie alleen de rente op obligaties met vijf jaar looptijd moest worden toegepast over de gehele periode van 1997 tot 2003, en niet twee verschillende rentevoeten, maar zij beschikte voor de vaststelling van de rentevoet overeenkomstig artikel 9, lid 4, van verordening 794/2004 over een bepaalde beoordelingsmarge. Verzoekster heeft de keuze van één enkele rentevoet overigens niet betwist.
55
Wat de methode voor de toepassing van de rente en in het bijzonder de renteberekening op samengestelde grondslag betreft, heeft de Commissie het argument van de Republiek Polen betreffende de rente op rente van de hand gewezen. Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 794/2004 preciseert evenwel uitdrukkelijk dat het rentepercentage op samengestelde grondslag wordt toegepast tot de datum waarop de steun is terugbetaald en dat over de rente die betrekking heeft op het voorgaande jaar, in elk volgend jaar rente verschuldigd is. Bovendien zijn de artikelen 9 en 11 van verordening 794/2004 krachtens artikel 13 ervan van toepassing op alle na de inwerkingtreding van deze verordening ter kennis gebrachte terugvorderingsbeschikkingen. Verordening 794/2004 was ten tijde van de vaststelling van de beschikking van toepassing, aangezien zij in mei 2004 in werking is getreden, zodat de Commissie niet anders kon dan vragen dat de rente op samengestelde grondslag werd berekend.
56
In deze omstandigheden en gelet op het feit dat de Poolse autoriteiten de litigieuze referentievoeten hebben voorgesteld, kan er niet van worden uitgegaan dat de Commissie haar verplichting om de rentevoet voor de terugbetaling van de litigieuze steun in nauwe samenwerking met de Republiek Polen vast te stellen niet is nagekomen of een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
57
Ten slotte was de Commissie niet gehouden de rentevoet voor de terugbetaling van de litigieuze steun in de beschikking aan te geven, aangezien zij zelfs niet was gehouden om het hoofdbedrag van de terugvorderbare steun precies te vermelden en zij zich ertoe kon beperken gewoon de methodes aan te geven op basis waarvan de lidstaat de steun kon berekenen [zie die zin arrest Gerecht van 31 mei 2006, Kuwait Petroleum (Nederland)/Commissie, T-354/99, Jurispr. blz. II-1475, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
58
Het middel inzake schending van artikel 9, lid 4, van verordening 794/2004 moet dus worden afgewezen.
59
Aangezien alle middelen van verzoekster zijn afgewezen, dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.
Kosten
60
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Regionalny Fundusz Gospodarczy S.A. wordt verwezen in de kosten.
Martins Ribeiro
Papasavvas
Dittrich
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 1 juli 2009.
ondertekeningen
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
Feiten
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Ten gronde
Eerste middel: schending van de artikelen 87 EG en 88 EG alsook van artikel 7, lid 5, van verordening nr. 659/1999
— Argumenten van partijen
— Beoordeling door het Gerecht
Tweede middel: schending van artikel 9, lid 4, van verordening nr. 794/2004
— Argumenten van partijen
— Beoordeling door het Gerecht
Kosten
( *1 ) Procestaal: Pools.
Full & Egal Universal Law Academy