Zaak T‑339/06
Helleense Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van wijnmarkt – Steun aan herstructurering en omschakeling van wijngaarden – Verordening (EG) nr. 1493/1999 – Vaststelling van definitieve financiële toewijzingen aan lidstaten – Beschikking 2006/669/EG – Dwingende termijn van artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 1227/2000 – Beginselen van loyale samenwerking, goede trouw en behoorlijk bestuur, van evenredigheid en van nuttige werking”
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Herstructurerings‑ en omschakelingsteun in wijnsector – Vaststelling van definitieve financiële toewijzingen aan lidstaten
(Verordening nr. 1493/1999 van de Raad, art. 14, leden 1 en 2; verordening nr. 1227/2000 van de Commissie, art. 16, lid 1)
Uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 1493/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, inzonderheid met betrekking tot het productiepotentieel, en uit de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan het een onderdeel vormt, blijkt dat de in dat artikel gestelde termijn dwingend is. Het dwingende karakter van de datum van 10 juli, die de lidstaten is gesteld om de op 30 juni gedane en betaalde uitgaven en de betrokken totale oppervlakte mee te delen, wordt bevestigd door de rol van deze termijn, namelijk een doeltreffende vaststelling van de in artikel 14, leden 1 en 2, van verordening nr. 1493/1999 bedoelde toewijzingen mogelijk te maken, teneinde de indicatieve financiële toewijzingen aan te passen, met name aan de hand van de werkelijke uitgaven.
Het dwingende karakter van die termijn wordt ook bevestigd door het doel van de staat van de uitgaven en de betrokken oppervlakten, nu die uitgaven verbonden zijn aan een lopend begrotingsjaar. De datum 10 juli staat in verband met de datum 15 oktober van hetzelfde jaar en is bedoeld om de Commissie voldoende tijd te geven om de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 bedoelde beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen worden vastgesteld, vóór 15 oktober vast te stellen en bekend te maken. Teneinde de lidstaten in staat te stellen de laatste betalingen, met betrekking tot de krachtens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gedeclareerde uitgaven, te verrichten vóór het einde van het lopende begrotingsjaar en de terugbetaling ervan door de Commissie te verkrijgen vóór het einde van het begrotingsjaar, op de voor dat begrotingsjaar beschikbare begrotingsonderdelen, vereist de nuttige werking van de aan de orde zijnde bepalingen derhalve dat de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor het begrotingsjaar worden vastgesteld, tot stand komt vóór het einde van dat jaar, dus vóór 15 oktober.
(cf. punten 25, 28-31, 35)
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
11 december 2008 (*)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt – Steun aan herstructurering en omschakeling van wijngaarden – Verordening (EG) nr. 1493/1999 – Vaststelling van definitieve financiële toewijzingen aan lidstaten – Beschikking 2006/669/EG – Dwingende termijn van artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 1227/2000 – Beginselen van loyale samenwerking, goede trouw en behoorlijk bestuur, van evenredigheid en van nuttige werking”
In zaak T‑339/06,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door I. Chalkias en S. Papaioannou als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe, M. Konstantinidis en F. Jimeno Fernández als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2006/669/EG van de Commissie van 4 oktober 2006 tot vaststelling, voor het begrotingsjaar 2006, van de definitieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad (PB L 275, blz. 62),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. Prek en V. Ciucă (rapporteur), rechters,
griffier: C. Kantza, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 juli 2008,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1 De regeling inzake de herstructurering en omschakeling van wijngaarden is te vinden in verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 179, blz. 1), en verordening (EG) nr. 1227/2000 van de Commissie van 31 mei 2000 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 1493/1999 met betrekking tot het productiepotentieel (PB L 143, blz. 1), zoals gewijzigd.
2 Artikel 14 van verordening nr. 1493/1999 bepaalt:
„1. De Commissie kent de lidstaten jaarlijks een eerste toewijzing to[e] aan de hand van objectieve criteria waarbij met specifieke situaties en behoeften en met de in het licht van het doel van de regeling te leveren inspanningen rekening wordt gehouden.
2. De eerste toewijzing wordt aangepast aan de werkelijke uitgaven en aan de hand van door de lidstaten ingediende herziene uitgavenramingen, waarbij met het doel van de regeling en met de beschikbare middelen rekening wordt gehouden.
[...]”
3 Artikel 16 van verordening nr. 1227/2000 is onder meer gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1841/2003 van de Commissie van 17 oktober 2003 houdende wijziging van verordening nr. 1227/2000 (PB L 268, blz. 58). Zo luidt het in de versie die voor het begrotingsjaar 2006 gold:
„1. Uiterlijk op 10 juli van elk jaar zenden de lidstaten de Commissie met betrekking tot de herstructurerings‑ en omschakelingsregeling:
a) een staat van de werkelijke uitgaven op 30 juni van het lopende begrotingsjaar, alsmede de totale betrokken oppervlakte;
b) een staat van de betaalde uitgaven op 30 juni van het lopende begrotingsjaar, alsmede de totale betrokken oppervlakte;
[...]
2. Onverminderd de algemene voorschriften inzake begrotingsdiscipline, past de Commissie een tijdelijke en forfaitaire verlaging toe op de voorschotten op afrekening van de landbouwuitgaven, wanneer de gegevens die de lidstaten de Commissie op grond van lid 1 moeten meedelen, onvolledig zijn of niet tijdig werden verstrekt.”
4 Artikel 17 van verordening nr. 1227/2000 is onder meer gewijzigd bij verordening (EG) nr. 315/2003 van de Commissie van 19 februari 2003 (PB L 46, blz. 9), en bij verordening (EG) nr. 1203/2003 van de Commissie van 4 juli 2003 (PB L 168, blz. 9). Zo luidt het in de versie die voor het begrotingsjaar 2006 gold:
„1. Voor elke lidstaat worden de voor een begrotingsjaar gedeclareerde werkelijke uitgaven slechts gefinancierd tot de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a en b, meegedeelde bedragen, voor zover deze in totaal de financiële toewijzing aan de lidstaat zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999, niet overschrijden.
[...]
3. Aanvragen van de lidstaten overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] c, worden in aanmerking genomen naar rato van het bedrag dat beschikbaar blijft nadat alle overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a, gemelde bedragen en de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] b, gedeclareerde bedragen voor alle lidstaten zijn afgetrokken van het totaal van de financiële toewijzingen aan de lidstaten zoals bedoeld in artikel 14 van verordening [...] nr. 1493/1999. De Commissie deelt de lidstaten zo spoedig mogelijk na 30 juni mee in hoeverre hun aanvragen ingewilligd kunnen worden.
4. Ongeacht het bepaalde in de leden 1 en 2, geldt het volgende: wanneer de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a, gemelde totale oppervlakte kleiner is dan het aantal hectares dat aangeven is in de in artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999 bedoelde financiële toewijzing aan de lidstaat voor het betrokken begrotingsjaar, dan worden de voor dat begrotingsjaar gedeclareerde uitgaven slechts gefinancierd tot een maximum dat berekend wordt door de aangegeven totale oppervlakte te vermenigvuldigen met de gemiddelde steun per hectare die resulteert uit de verhouding tussen het aan de lidstaat op grond van artikel 14, lid 1, van verordening [...] nr. 1493/1999 toegekende bedrag en het geplande aantal hectares.
Dit bedrag mag in geen geval hoger zijn dan de overeenkomstig artikel 16, lid 1, [sub] a, gedeclareerde uitgaven.
Voor de toepassing van dit lid geldt voor de gemelde totale oppervlakte een tolerantie van 5 % ten opzichte van die welke is vermeld in de financiële toewijzing voor het betrokken begrotingsjaar.
De bedragen die krachtens het bepaalde in dit lid niet worden gefinancierd, zijn niet beschikbaar voor de toepassing van het bepaalde in lid 3.
[...]
8. Verwijzingen naar een begrotingsjaar gelden als verwijzingen naar betalingen die de lidstaten van 16 oktober tot en met 15 oktober van het daaropvolgende jaar daadwerkelijk hebben verricht.
[...]”
5 Artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103), bepaalt:
„2. De Commissie neemt een besluit over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan.
De uitgaven in oktober worden gerekend tot de maand oktober indien zij zijn gedaan in de periode van 1 tot en met 15 oktober, en tot de maand november indien zij zijn gedaan in de periode van 16 tot en met 31 oktober. De voorschotten worden aan de lidstaat uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding
6 Voor het begrotingsjaar 2006 (16 oktober 2005 – 15 oktober 2006) is de indicatieve verdeling van de middelen die krachtens verordening nr. 1493/1999 worden toegewezen voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden vastgelegd in beschikking 2005/716/EG van de Commissie van 10 oktober 2005 tot vaststelling, voor het wijnoogstjaar 2005/2006, van de indicatieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening nr. 1493/1999 (PB L 271, blz. 45). In de bijlage bij die beschikking is de indicatieve financiële toewijzing aan de Helleense Republiek vastgesteld op 8 574 504 EUR voor een oppervlakte van 1 249 ha.
7 Op 10 juli 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie overeenkomstig artikel 14 van verordening nr. 1493/1999 en artikel 16 van verordening nr. 1227/2000 een staat van de uitgaven in verband met de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland in het begrotingsjaar 2006 gezonden, teneinde financiële toewijzingen te verkrijgen. Volgens deze mededeling bedroegen die uitgaven in totaal 6 829 204,46 EUR voor een oppervlakte van 788,002 ha.
8 Op 22 september 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie een brief gezonden om deze ervan op de hoogte te brengen dat er een tikfout was gemaakt en dat de in aanmerking te nemen oppervlakte 1 102,271 ha bedroeg. Zij hebben gepreciseerd dat deze oppervlakte overeenstemde met de totale oppervlakte die was opgegeven in de bij de brief van 10 juli 2006 gevoegde tabel die de op 30 juni 2006 werkelijk gedane uitgaven voor de herstructurering en de omschakeling van wijngaarden in Griekenland weergaf, namelijk 1 085,391 ha, en met de totale oppervlakte die was opgegeven in de bij de brief van 10 juli 2006 gevoegde tabel die de op 30 juni 2006 betaalde uitgaven voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland weergaf, namelijk 16,88 ha. Zij hebben ook in herinnering gebracht dat de totale uitgaven 6 829 204,46 EUR bedroegen.
9 Op 26 september 2006 hebben de Griekse autoriteiten tijdens de 890e bijeenkomst van het Comité van beheer voor wijn de Commissie opnieuw verzocht om de rechtgezette gegevens in aanmerking te nemen. De Commissie heeft het verzoek van de Griekse autoriteiten mondeling afgewezen met het betoog dat de gecorrigeerde gegevens te laat waren ingediend.
10 Op 4 oktober 2006 heeft de Commissie beschikking 2006/669/EG tot vaststelling, voor het begrotingsjaar 2006, van de definitieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening nr. 1493/1999 (PB L 275, blz. 62) (hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld. Op dezelfde dag heeft een vertegenwoordiger van de Commissie vertegenwoordigers van de Griekse autoriteiten ontmoet aan wie hij heeft uiteengezet dat het, gelet op de termijnen, onmogelijk was om gevolg te geven aan hun verzoek om de op 22 september 2006 meegedeelde rechtgezette gegevens in aanmerking te nemen.
11 Op 16 oktober 2006 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie een brief gezonden met het verzoek om de bijlage bij de bestreden beschikking te wijzigen. De Commissie heeft dit verzoek niet ingewilligd.
Bestreden beschikking
12 In de bestreden beschikking heeft de Commissie voor de Helleense Republiek rekening gehouden met de door de Griekse autoriteiten op 10 juli 2006 meegedeelde gegevens.
13 In punt 6 van de considerans van de bestreden beschikking is vermeld dat de Commissie de Helleense Republiek krachtens artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000 een boete van 1 129 015 EUR heeft opgelegd.
14 In de bijlage bij de bestreden beschikking is de definitieve financiële toewijzing aan de Helleense Republiek voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland vastgesteld op 5 700 190 EUR voor een oppervlakte van 788 ha.
Procesverloop en conclusies van partijen
15 Bij op 30 november 2006 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft de Helleense Republiek het onderhavige beroep ingesteld.
16 De Helleense Republiek concludeert dat het het Gerecht behage de bestreden beschikking nietig te verklaren of te wijzigen voor zover zij betrekking heeft op de verlening van financiële toewijzingen voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland, teneinde rekening te houden met de gecorrigeerde gegevens die op 22 september 2006 aan de Commissie zijn meegedeeld, en haar de desbetreffende middelen te verlenen.
17 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
In rechte
18 Ter onderbouwing van haar beroep voert de Helleense Republiek vijf middelen aan. Volgens het eerste middel is de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bepaalde termijn indicatief en loopt hij op 10 juli van elk jaar af. Het tweede middel betreft schending van het beginsel van loyale samenwerking, het derde middel schending van de beginselen van goede trouw en behoorlijk bestuur, het vierde middel heeft betrekking op schending van het evenredigheidsbeginsel en het vijfde middel is ontleend aan schending van het beginsel van nuttige werking.
Eerste middel: termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 is indicatief
Argumenten van partijen
19 In de eerste plaats betoogt de Helleense Republiek dat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn slechts bindend zou zijn geweest indien uitdrukkelijk was vermeld dat het om een „dwingende termijn” ging. Zij beroept zich met name op de arresten van het Hof van 30 november 1972, Wasaknäcke Knäckebrotfabrik, 32/72, Jurispr. blz. 1181, en 13 december 1972, Walzenmühle Magstadt, 52/72, Jurispr. blz. 1267.
20 In de tweede plaats betoogt de Helleense Republiek dat ook uit artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 blijkt dat bedoelde termijn zuiver indicatief is, aangezien de Commissie op grond van deze bepaling een tijdelijke en forfaitaire verlaging op de voorschotten mag toepassen wanneer de gegevens onvolledig zijn of niet tijdig werden verstrekt.
21 In de derde plaats wordt deze uitlegging volgens de Helleense Republiek bevestigd door artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, dat voorziet in de financiering van de werkelijke uitgaven, hetgeen impliceert dat zelfs na 10 juli van elk jaar kennelijke fouten kunnen worden rechtgezet.
22 De Commissie betwist de argumenten van de Helleense Republiek.
Beoordeling door het Gerecht
23 De Helleense Republiek betoogt dat de gegevens die zij de Commissie op 22 september 2006 heeft meegedeeld, in aanmerking dienden te worden genomen bij de berekening van de definitieve financiële toewijzingen omdat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn niet dwingend is.
24 In de eerste plaats voert de Helleense Republiek met een beroep op twee arresten van het Hof aan dat bedoelde termijn slechts indicatief is, aangezien niet uitdrukkelijk is vermeld dat hij dwingend is.
25 Uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 en uit de algemene opzet en het doel van de regeling waarvan het een onderdeel vormt, blijkt echter duidelijk dat de in dat artikel gestelde termijn dwingend is.
26 Anders dan de Helleense Republiek beweert, is de vermelding dat het om een „dwingende termijn” gaat, immers niet noodzakelijk om de gestelde termijn als een dwingende termijn te beschouwen. In dit verband heeft het Hof in de twee arresten waarop het betoog van de Helleense Republiek berust, geconcludeerd dat de gestelde termijn dwingend was, ook al stond niet in de betrokken bepalingen dat het om een „dwingende termijn” ging.
27 Wat bovendien de vermelding van de uitdrukking „uiterlijk” betreft, staat in bijna alle taalversies van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 dat de lidstaten de Commissie „uiterlijk op” 10 juli van elk jaar de in deze bepaling bedoelde gegevens toezenden. Drie taalversies (namelijk de Griekse, de Portugese en de Roemeense versie) bepalen dat de lidstaten de Commissie „tot” 10 juli van elk jaar bedoelde gegevens toezenden.
28 In dit verband geven de Griekse, de Portugese en de Roemeense versie van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 aan dit artikel geen andere betekenis dan de overige taalversies en wordt het dwingende karakter van de gestelde termijn bevestigd door de rol van deze termijn in het kader van de herstructurerings‑ en omschakelingsregeling voor wijngaarden en door het doel van de staat van de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 vermelde uitgaven en betrokken oppervlakten waarvoor deze termijn is gesteld in het kader van die regeling (zie naar analogie reeds aangehaalde arresten Wasaknäcke Knäckebrotfabrik, punten 2 en 3, en Walzenmühle Magstadt, punten 2 en 3, en arrest Gerecht van 6 juni 2007, Griekenland/Commissie, T‑232/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48).
29 Uit punt 2 van de considerans van verordening nr. 1841/2003, die de datum 10 juli van elk jaar heeft ingevoegd in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, blijkt dat de in deze bepaling gestelde termijn ertoe dient een doeltreffende vaststelling van de in artikel 14, leden 1 en 2, van verordening nr. 1493/1999 bedoelde toewijzingen mogelijk te maken. De datum waarop de lidstaten jaarlijks de gegevens aan de Commissie moeten meedelen, dient dus te worden geëerbiedigd teneinde de indicatieve financiële toewijzingen bedoeld in artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999 aan te passen, met name aan de hand van de werkelijke uitgaven, overeenkomstig artikel 14, lid 2, van deze verordening.
30 Met betrekking tot het doel van de staat van de uitgaven en de betrokken oppervlakten dient in herinnering te worden gebracht dat die uitgaven verbonden zijn aan een begrotingsjaar. Artikel 16, lid 1, sub a, en b, van verordening nr. 1227/2000 vermeldt immers de staten van de op 30 juni van het lopende begrotingsjaar werkelijk gedane en betaalde uitgaven. Bovendien bepaalt artikel 17, lid 8, van verordening nr. 1227/2000 dat verwijzingen naar een bepaald begrotingsjaar gelden als verwijzingen naar betalingen die de lidstaten van 16 oktober tot en met 15 oktober van het daaropvolgende jaar daadwerkelijk hebben verricht.
31 Bijgevolg moet het argument van de Helleense Republiek dat de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn met geen enkele onmiddellijk latere gebeurtenis in verband staat, worden afgewezen. Zoals de Commissie terecht betoogt, staat de datum 10 juli in verband met de datum 15 oktober van hetzelfde jaar en is zij bedoeld om haar voldoende tijd te geven om de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 bedoelde beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen worden vastgesteld, vóór 15 oktober vast te stellen en bekend te maken.
32 Het tijdvak tussen 10 juli en 15 oktober is immers gelet op de door de Commissie ter terechtzitting opgesomde en beschreven procedurele verplichtingen die op haar rusten, noodzakelijk geacht teneinde de Commissie in staat te stellen om de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen worden vastgesteld, vóór het einde van het begrotingsjaar voor te bereiden, vast te stellen en bekend te maken.
33 Bovendien zou, anders dan de Helleense Republiek betoogt, een mogelijk uitstel van de vaststelling van de bestreden beschikking tot na het einde van het begrotingsjaar, voor alle betroken lidstaten of voor één enkele lidstaat, indruisen tegen de nuttige werking van de aan de orde zijnde regeling.
34 Artikel 17, lid 8, van verordening nr. 1227/2000 bepaalt immers dat verwijzingen naar een begrotingsjaar gelden als verwijzingen naar betalingen die de lidstaten van 16 oktober tot en met 15 oktober van het daaropvolgende jaar daadwerkelijk hebben verricht. Bovendien neemt de Commissie krachtens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1258/1999 een besluit over de maandelijkse voorschotten op basis van de uitgaven die door de erkende betaalorganen zijn gedaan, waarbij de uitgaven in oktober worden gerekend tot de maand oktober indien zij zijn gedaan in de periode van 1 tot en met 15 oktober, en tot de maand november indien zij zijn gedaan in de periode van 16 tot en met 31 oktober. Daarenboven worden de voorschotten aan de lidstaat uitbetaald uiterlijk op de derde werkdag van de tweede maand na die waarin de uitgaven zijn gedaan.
35 Teneinde de lidstaten in staat te stellen de laatste betalingen, met betrekking tot de krachtens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gedeclareerde uitgaven, te verrichten vóór het einde van het lopende begrotingsjaar en de terugbetaling ervan door de Commissie te verkrijgen vóór het einde van het begrotingsjaar, op de voor dat begrotingsjaar beschikbare begrotingsonderdelen, vereist de nuttige werking van de aan de orde zijnde bepalingen derhalve dat de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor het begrotingsjaar worden vastgesteld, tot stand komt vóór het einde van dat jaar, dus vóór 15 oktober.
36 Uit de bewoordingen van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 en uit de nuttige werking van dit artikel volgt dus dat de erin gestelde termijn dwingend is.
37 In de tweede plaats doen de argumenten van de Helleense Republiek met betrekking tot artikel 16, lid 2, en artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 aan die conclusie niet af.
38 In dit verband betoogt de Helleense Republiek ten eerste dat artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000, op grond waarvan de Commissie een tijdelijke en forfaitaire verlaging op de voorschotten mag toepassen wanneer de gegevens onvolledig zijn of niet tijdig werden verstrekt, bevestigt dat de gestelde termijn zuiver indicatief is.
39 Dit betoog kan niet worden aanvaard. Artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 betreft de gevolgen van een situatie waarin de betrokken lidstaat de Commissie onvolledige gegevens verstrekt of waarin die lidstaat de voor de verstrekking van deze gegevens gestelde termijn niet naleeft. Aan die bepaling kan geen argument worden ontleend inzake het al dan niet dwingende karakter van bedoelde termijn.
40 Derhalve kan het op artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 gebaseerde argument van de Helleense Republiek volgens welke de termijn van 10 juli van elk jaar indicatief is, niet worden aanvaard.
41 Vervolgens voert de Helleense Republiek aan dat artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bevestigt dat de gestelde termijn indicatief is, aangezien daarin het beginsel is neergelegd dat de Commissie de door de lidstaten werkelijk gedane uitgaven moet financieren, hetgeen impliceert dat de lidstaten hun vergissingen na 10 juli van elk jaar kunnen rechtzetten.
42 Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 betreft echter de financiering van de voor een begrotingsjaar gedeclareerde werkelijk gedane en betaalde uitgaven, en niet alleen uitgaven die werkelijk zijn gedaan. Aangezien het argument van de Helleense Republiek berust op een onvolledig citaat van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, slaagt het niet.
43 Uit het voorgaande volgt dat aangezien bedoelde termijn dwingend is, een lidstaat niet kan eisen dat de Commissie rekening houdt met gegevens die na het verstrijken van die termijn zijn meegedeeld. Derhalve moet het eerste middel worden afgewezen.
Tweede en derde middel: schending van het beginsel van loyale samenwerking en schending van de beginselen van goede trouw en behoorlijk bestuur
Argumenten van partijen
44 In de eerste plaats betoogt de Helleense Republiek dat op grond van het in artikel 10 EG neergelegde beginsel van loyale samenwerking de lidstaten alle maatregelen dienen te nemen die geschikt zijn om de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht te waarborgen en de gemeenschapsinstellingen loyaal en constructief met de lidstaten dienen samen te werken.
45 Volgens de Helleense Republiek had de Commissie de meegedeelde gegevens steeds kunnen controleren en verifiëren. Het verschil van 214,269 ha tussen de gegevens die zijn vermeld in beschikking 2005/716, die op indicatieve wijze de verdeling van de toewijzingen en de te herstructureren oppervlakten vaststelt, en de gegevens in de bestreden beschikking, die deze toewijzingen definitief vaststelt, is aanzienlijk en ongerechtvaardigd, zodat de Commissie zich daarover vragen had moeten stellen.
46 Bovendien beweert de Helleense Republiek dat de Commissie het beginsel van loyale samenwerking heeft geschonden door rekening te houden met kennelijk onjuiste gegevens, en niet met de juiste gegevens die haar op 22 september 2006 zijn meegedeeld, terwijl zij voldoende tijd had om dit te doen en de wijzigingen maar weinig tijd in beslag zouden hebben genomen. In dit verband betoogt de Helleense Republiek dat, anders dan de Commissie stelt, deze in casu geen ingewikkelde beoordeling hoefde te verrichten noch een discretionaire bevoegdheid hoefde uit te oefenen. Bovendien had de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen zijn vastgesteld, met enige vertraging kunnen worden vastgesteld of alle lidstaten behalve de Helleense Republiek kunnen betreffen. Zoniet had de Commissie een wijzigingsbeschikking op basis van nieuwe gegevens kunnen vaststellen, aangezien de rechtzetting van de gegevens met betrekking tot de Helleense Republiek geen invloed zou hebben gehad op de gegevens van de andere lidstaten.
47 In de tweede plaats betoogt de Helleense Republiek dat er een algemeen beginsel bestaat alsmede uitdrukkelijke bepalingen in diverse verordeningen volgens welke een steunaanvraag of enig ander document na de indiening ervan steeds kan worden rechtgezet indien sprake is van een kennelijke vergissing. Zij beroept zich bij wijze van voorbeeld op artikel 12 van verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 327, blz. 11). Dat beginsel, dat voor steunontvangende landbouwers geldt, is dwingend en, gelet op de beginselen van goede trouw en behoorlijk bestuur, des te meer geldig in de verhoudingen tussen de diensten van de Commissie en de diensten van de lidstaten.
48 Bovendien is een redelijke overschrijding van de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 bepaalde datum 10 juli van elk jaar toegestaan wanneer de gegevens zijn ingediend vóór 15 oktober van hetzelfde jaar, de dag waarop het begrotingsjaar eindigt, en sprake is van een rechtzetting van tijdig meegedeelde gegevens of van indiening van de gegevens 24 dagen vóór deze datum. Dat de documenten tijdens de zomervakantie zijn overhandigd, biedt een lidstaat de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn en vóór het einde van het begrotingsjaar de kennelijke berekeningsfouten in de computergegevens die uiterlijk op 10 juli van het betrokken jaar zijn meegedeeld, recht te zetten. Bovendien merkt de Helleense Republiek op dat de Commissie bevestigt dat zij bereid is om in de mate van het mogelijke zelfs gebruik te maken van gegevens die na 10 juli van het betrokken jaar zijn ingediend of rechtgezet.
49 De Commissie betwist de argumenten van de Helleense Republiek.
Beoordeling door het Gerecht
50 Bedoelde twee middelen, waarmee de Helleense Republiek in wezen betoogt dat de vermeende onjuistheid van de gegevens die zij vóór het verstrijken van de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn aan de Commissie heeft meegedeeld, evident was en dat de Commissie dus krachtens de aangevoerde beginselen gehouden was om rekening te houden met de na het verstrijken van die termijn meegedeelde rechtgezette gegevens, moeten samen worden onderzocht.
51 In de eerste plaats staat vast dat de Griekse autoriteiten de Commissie op 10 juli 2006 op basis van artikel 16 van verordening nr. 1227/2000 een staat van de op 30 juni 2006 daadwerkelijk gedane en betaalde uitgaven hebben meegedeeld, alsmede een staat van de totale betrokken oppervlakten, die 788,002 ha bedroegen. Ook staat vast dat de Griekse autoriteiten de Commissie op 22 september 2006 gecorrigeerde gegevens betreffende de totale oppervlakte met betrekking tot de op 30 juni 2006 werkelijk gedane uitgaven hebben meegedeeld, en dat het totaal van de betrokken oppervlakten daardoor 1 102,271 ha bedroeg.
52 Tot slot staat vast dat de Commissie van oordeel was dat de gecorrigeerde gegevens te laat waren meegedeeld en dat zij in de bestreden beschikking rekening heeft gehouden met de op 10 juli 2006 meegedeelde gegevens, te weten 788,02 ha.
53 In de eerste plaats delen de lidstaten de Commissie krachtens artikel 14, lid 2, van verordening nr. 1493/1999 en artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000, in het kader van de herstructurerings‑ en omschakelingsregeling voor wijngaarden hun uitgaven voor het lopende begrotingsjaar alsmede de totale betrokken oppervlakte mee, teneinde een deelneming in de kosten te verkrijgen.
54 Derhalve zijn de lidstaten verantwoordelijk voor de mededeling aan de Commissie van de gegevens met betrekking tot de uitgaven voor het lopende begrotingsjaar alsmede de totale betrokken oppervlakte, opdat deze laatste de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten vaststelt. Bovendien voert de Helleense Republiek geen enkel element aan waaruit blijkt hoe de Commissie zich bewust had kunnen zijn van een onjuistheid in de op 10 juli 2006 meegedeelde gegevens.
55 Daarbij komt nog dat de Helleense Republiek in haar brief van 16 oktober 2006 aan de Commissie ter verklaring van haar vergissing benadrukt dat het herstructurerings‑ en omschakelingsprogramma voor wijngaarden voor haar moeilijkheden oplevert in verband met de controle van de gegevens. Aan de Commissie kan niet worden verweten dat zij zich geen rekenschap heeft gegeven van een onjuistheid die de Helleense Republiek als duidelijk en evident aanmerkt, terwijl deze laatste die zelf pas in september, dus meer dan twee maanden na de mededeling van de oorspronkelijke gegevens, heeft opgebracht.
56 Tot slot heeft artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000 betrekking op de situatie waarin de overeenkomstig artikel 16, lid 1, van deze verordening meegedeelde totale oppervlakte kleiner is dan het aantal hectares dat is vermeld in de indicatieve financiële toewijzing aan de lidstaat krachtens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1493/1999.
57 Bijgevolg lag het geenszins voor de hand dat de op 10 juli 2006 door de Griekse autoriteiten meegedeelde gegevens onjuist waren. Het betoog van de Helleense Republiek berust dus op een feitelijk onjuist uitgangspunt.
58 In de tweede plaats kan een lidstaat, zoals reeds in punt 43 hierboven is uiteengezet, gelet op het dwingende karakter van de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 gestelde termijn niet van de Commissie eisen dat zij rekening houdt met gegevens die na het verstrijken van die termijn zijn meegedeeld.
59 Stellig is het, zoals de Commissie zelf toegeeft, niet volledig uitgesloten dat zij rekening houdt met door een lidstaat laattijdig meegedeelde gegevens, mits het gaat om een korte overschrijding van de gestelde termijn en de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten voor het betrokken begrotingsjaar worden vastgesteld, vóór 15 oktober kan worden gegeven. De Commissie kan daarentegen weigeren om door een lidstaat laattijdig meegedeelde gegevens in aanmerking te nemen indien dit in de weg kan staan aan de tijdige vaststelling van die beschikking. In casu heeft de Helleense Republiek de rechtgezette gegevens pas op 22 september 2006 meegedeeld, te weten meer dan twee maanden na de mededeling van de vermeend onjuiste oorspronkelijke gegevens en pas drie weken vóór de uiterste datum voor de vaststelling van de beschikking, namelijk 15 oktober 2006. In die omstandigheden heeft de Commissie de aangevoerde beginselen niet geschonden door met de rechtgezette gegevens geen rekening te houden.
60 Bijgevolg moeten het tweede en het derde middel worden afgewezen.
Vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
Argumenten van partijen
61 In de eerste plaats heeft volgens de Helleense Republiek de toepassing van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000, dat voorziet in sancties wanneer de meegedeelde gegevens onvolledig zijn of wanneer deze niet „tijdig” op 10 juli van elk jaar zijn ingediend, en van artikel 17, lid 4, van deze verordening, dat voorziet in sancties bij overschrijding van de werkelijke uitgaven van een staat, in strijd met het beginsel ne bis in idem tot gevolg dat haar voor dezelfde handeling twee sancties worden opgelegd.
62 In de tweede plaats betoogt de Helleense Republiek dat de sanctie van het verlies van steun ten bedrage van 1 129 015 EUR niet in verhouding staat tot de door de Griekse autoriteiten begane computerfout.
63 In de derde plaats beweert de Helleense Republiek dat, anders dan de Commissie stelt, deze in casu noch een ingewikkelde beoordeling hoefde te verrichten, noch een discretionaire bevoegdheid hoefde uit te oefenen.
64 De Commissie betwist de argumenten van de Helleense Republiek.
Beoordeling door het Gerecht
65 In de eerste plaats betoogt de Helleense Republiek dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden nu haar een dubbele sanctie is opgelegd door de – met het beginsel ne bis in idem strijdige – cumulatieve toepassing van artikel 16, lid 2, en artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000.
66 Gesteld dat de in artikel 16, lid 2, en artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000 bepaalde maatregelen als „sancties” kunnen worden aangemerkt, blijkt weliswaar uit punt 6 van de considerans van de bestreden beschikking dat artikel 17, lid 4, van deze verordening op de Helleense Republiek is toegepast, maar volgt niet uit de bestreden beschikking dat de Commissie artikel 16, lid 2, van verordening nr. 1227/2000 op haar heeft toegepast.
67 Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt immers dat zij niet van toepassing is wanneer de betrokken lidstaat de Commissie binnen de daarvoor gestelde termijn volledige gegevens heeft meegedeeld, zelfs indien die lidstaat de Commissie vervolgens, na het verstrijken van bedoelde termijn, gewijzigde gegevens meedeelt.
68 In de tweede plaats stelt de Helleense Republiek dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden omdat de sanctie van het verlies van steun ten bedrage van 1 129 015 EUR niet in verhouding staat tot de door de Griekse autoriteiten gemaakte computerfout.
69 In casu was de op 10 juli 2006 meegedeelde totale oppervlakte kleiner dan die welke was vermeld in de beschikking waarbij de indicatieve financiële toewijzingen zijn vastgesteld, zodat de Commissie artikel 17, lid 4, van verordening nr. 1227/2000 heeft toegepast. Zoals de Helleense Republiek zelf te kennen geeft, heeft de Commissie geen beoordelingsbevoegdheid bij de toepassing van dit artikel, aangezien deze toepassing voortvloeit uit de staat van de totale betrokken oppervlakte krachtens artikel 16, lid 1, van die verordening.
70 Indien de Helleense Republiek betoogt dat het verlies van steun ten bedrage van 1 129 015 EUR een onevenredige maatregel is, is de vaststelling van de definitieve financiële toewijzing voor de herstrucuturering en omschakeling van wijngaarden in Griekenland in de bestreden beschikking dus het onvermijdelijke gevolg van de omstandigheid dat de Griekse autoriteiten een totale oppervlakte hebben meegedeeld die kleiner is dan die welke is vermeld in de beschikking waarbij de indicatieve financiële toewijzingen aan de lidstaten zijn vastgesteld, en een kostprijs per hectare die hoger is dan die van de indicatieve financiële toewijzing.
71 Voor het geval de Helleense Republiek betoogt dat de omstandigheid dat met de op 10 juli 2006 meegedeelde gegevens rekening is gehouden, een onevenredige maatregel is, die een verlies van steun ten bedrage van 1 129 015 EUR als gevolg heeft, heeft zij niet aangetoond dat dit een kennelijk ongeschikte en dus een onevenredige maatregel is.
72 Volgens het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, mogen handelingen van de gemeenschapsinstellingen niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (zie arrest Hof van 4 oktober 2007, Geuting, C‑375/05, Jurispr. blz. I‑7983, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 Wat de rechterlijke toetsing van de wijze van uitvoering van een dergelijk beginsel betreft, kan aan de rechtmatigheid van de vastgestelde maatregel slechts worden afgedaan doordat die maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de Commissie nagestreefde doel (zie in die zin arrest Geuting, reeds aangehaald, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Aangezien de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten zouden worden vastgesteld, vóór het einde van het begrotingsjaar op 15 oktober 2006 moest worden gegeven, om deze staten in staat te stellen de desbetreffende betalingen te verrichten en zo de nuttige werking van de aan de orde zijnde bepalingen veilig te stellen (zie punten 31‑35 hierboven), heeft de Commissie een geschikte maatregel vastgesteld door rekening te houden met de binnen de gestelde termijn meegedeelde gegevens en niet met de rechtgezette gegevens die haar op 22 september 2006 zijn meegedeeld.
75 Bijgevolg vormt de vermindering van de definitieve financiële toewijzing aan de Helleense Republiek voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in de bestreden beschikking, ter hoogte van 1 129 015 EUR in verhouding tot de gedeclareerde uitgaven en volgend uit een meegedeelde totale oppervlakte van de wijngaarden in Griekenland die kleiner is dan die welke in beschikking 2005/716 is vermeld, geen onevenredige maatregel.
76 Derhalve dient het vierde middel te worden afgewezen.
Vijfde middel: schending van het beginsel van nuttige werking
Argumenten van partijen
77 De Helleense Republiek betoogt dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op het beginsel van nuttige werking van de relevante voorschriften, namelijk de artikelen 11, 13 en 14 van verordening nr. 1493/1999 en de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1227/2000. De herstructurerings‑ en omschakelingsregeling voor wijngaarden is een belangrijke maatregel om het marktevenwicht te verbeteren, om het communautaire wijnbouwareaal te stabiliseren en kwalitatief te verbeteren en om het aanbod beter op de vraag af te stemmen. Dat de toewijzingen aan de Helleense Republiek wegens een kennelijke tikfout aanzienlijk zijn verminderd, tast deze gemeenschapsdoelstellingen ernstig aan. Bovendien zet de Commissie niet uiteen in hoeverre de aanvaarding van het door de Helleense Republiek laattijdig ingediende verzoek de doeltreffende tenuitvoerlegging van het stelsel voor de toewijzing van middelen voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden in gevaar zou brengen.
78 De Commissie betwist de argumenten van de Helleense Republiek.
Beoordeling door het Gerecht
79 Zoals reeds in de punten 31 tot en met 35 hierboven is vastgesteld, is, teneinde de nuttige werking van de aan de orde zijnde regeling veilig te stellen, de vaststelling van een dwingende termijn noodzakelijk om de Commissie in staat te stellen de beschikking waarbij de definitieve financiële toewijzingen aan de lidstaten worden vastgesteld, vóór het einde van het betrokken begrotingsjaar te geven. Anders dan de Helleense Republiek betoogt, verzet de nuttige werking van die bepalingen zich bijgevolg niet tegen de toepassing van een dwingende termijn en tegen de weigering om rekening te houden met de door een lidstaat na die termijn meegedeelde gegevens, ook al heeft dit tot gevolg dat de toewijzing aan de betrokken lidstaat wordt verminderd.
80 Door geen rekening te houden met de rechtgezette gegevens die de Helleense Republiek na het verstrijken van de dwingende termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 heeft meegedeeld, heeft de Commissie derhalve niet het beginsel van nuttige werking van de bepalingen van de aan de orde zijnde regeling geschonden.
81 Bijgevolg moet het vijfde middel worden afgewezen.
82 Gelet op het voorgaande moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
83 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Vilaras
Prek
Ciucă
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 december 2008.
ondertekeningen
Inhoud
Toepasselijke bepalingen
Voorgeschiedenis van het geding
Bestreden beschikking
Procesverloop en conclusies van partijen
In rechte
Eerste middel: termijn van artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1227/2000 is indicatief
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Tweede en derde middel: schending van het beginsel van loyale samenwerking en schending van de beginselen van goede trouw en behoorlijk bestuur
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Vijfde middel: schending van het beginsel van nuttige werking
Argumenten van partijen
Beoordeling door het Gerecht
Kosten
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy