Zaak T‑385/06
Aalberts Industries NV e.a.
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Sector van koperen fittingen en fittingen uit koperlegering – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG is vastgesteld – Enkele en voortdurende inbreuk – Deelname aan inbreuk”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Bewijs
(Art. 81, lid 1, EG)
2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs
(Art. 81, lid 1, EG)
3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Inbreuken – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die als één inbreuk kunnen worden behandeld – Begrip
(Art. 81, lid 1, EG)
4. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die één enkele inbreuk vormen – Ondernemingen waaraan inbreuk bestaande in deelneming aan gehele mededingingsregeling ten laste kan worden gelegd – Criteria
(Art. 81, lid 1, EG)
5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Omzet die in aanmerking is genomen – Bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vastgestelde grens
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)
1. Met betrekking tot de levering van het bewijs van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG moet de Commissie nauwkeurig en onderling samenhangend bewijs leveren dat de vaste overtuiging kan dragen dat de gestelde inbreuk is gepleegd. Indien de rechter van de Europese Unie twijfels heeft, dienen deze twijfels in het voordeel te spelen van de adressaat van de beschikking waarbij de inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, indien daarover bij hem twijfel blijft bestaan, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd. Niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen hoeft evenwel noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet.
Voorts is het gebruikelijk dat de activiteiten die met mededingingsbeperkende overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zoals notulen van bijeenkomsten, zijn die doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden.
(cf. punten 44‑46)
2. De verklaringen in het kader van het clementiebeleid spelen een belangrijke rol. Deze verklaringen in naam van ondernemingen hebben een niet te verwaarlozen bewijskracht, aangezien zij aanzienlijke juridische en economische risico’s meebrengen. De verklaring van een onderneming die van deelname aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan evenwel niet worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gemaakt, tenzij zij door ander bewijs wordt gestaafd.
(cf. punten 47, 66)
3. Het begrip „één enkele inbreuk” doelt op een situatie waarin meerdere ondernemingen hebben deelgenomen aan een inbreuk bestaande in een voortgezette gedraging met één enkel economisch doel om de mededinging te beperken dan wel in individuele inbreuken die onderling zijn verbonden door hetzelfde doel (alle elementen hebben hetzelfde doel) en dezelfde subjecten (dezelfde betrokken ondernemingen die welbewust aan het gemeenschappelijke doel deelnemen). Deze uitlegging kan niet worden betwist op grond dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging op zich ook afzonderlijk een schending van artikel 81 EG kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen, wegens hun identiek doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie voor de aansprakelijkstelling voor die handelingen uitgaan van de deelname aan de betrokken inbreuk in haar geheel. Ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden gekwalificeerd, moet dus worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan bedoeld is om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van mededingingsbeperkende gevolgen dat de daders beogen, dit in het kader van een totaalplan met één enkel doel. Dienaangaande moet rekening worden gehouden met elke omstandigheid die dat verband kan aantonen of weerleggen, zoals de toepassingsperiode, de inhoud, met inbegrip van de gehanteerde methoden, en, daarmee samenhangend, het doel van de verschillende handelingen in kwestie.
Inzake gedragingen, waarbij gedurende een aantal jaren geregeld multi‑ en bilaterale contacten tussen concurrerende producenten zijn gelegd om via ongeoorloofde gedragingen de markt van koperen fittingen met name inzake prijzen kunstmatig te laten werken, is het irrelevant dat bepaalde kenmerken of de intensiteit van deze gedragingen na de verificaties door de Commissie wijzigden, als het doel van de mededingingsbeperkende gedragingen hetzelfde bleef, namelijk overleg over de prijs van fittingen. Dienaangaande is plausibel dat een kartel na de verificaties van de Commissie minder gestructureerd en met een meer variabele intensiteit werkte. Dat een kartel bij periodes min of meer intens kan werken, wettigt evenwel niet de conclusie dat het is beëindigd.
(cf. punten 86‑88, 91, 105)
4. Om de deelname van een onderneming aan een mededingingsbeperkende overeenkomst aan te tonen, dient de Commissie te bewijzen dat de onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de materiële gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen, is niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gemaakt. Daarmee dient slechts rekening te worden gehouden bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete.
(cf. punten 89‑90)
5. Indien verschillende adressaten van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd wegens schending van de mededingingsregels, op het tijdstip van de vaststelling van deze beschikking nog een „onderneming” vormen in de zin van de economische entiteit die aansprakelijk is voor de betrokken inbreuk, kan het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond van 10 % op basis van de totale omzet van deze onderneming worden berekend. Indien deze economische entiteit zich ten tijde van de vaststelling van de beschikking in twee onderscheiden entiteiten heeft gesplitst, heeft daarentegen elke adressaat van de beschikking het recht om dit plafond individueel op zich te laten toepassen.
(cf. punt 125)
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
24 maart 2011 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Sector van koperen fittingen en fittingen uit koperlegering – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG is vastgesteld – Enkele en voortdurende inbreuk – Deelname aan inbreuk”
In zaak T‑385/06,
Aalberts Industries NV, gevestigd te Utrecht (Nederland),
Comap SA, voorheen Aquatis Frankrijk SAS, gevestigd te La Chapelle‑Saint‑Mesmin (Frankrijk),
Simplex Armaturen + Fittings GmbH & Co. KG, gevestigd te Argenbühl‑Eisenharz (Duitsland),
aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Wesseling en M. van der Woude, vervolgens door Wesseling, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Nijenhuis, V. Bottka en R. Sauer als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 4180 van de Commissie van 20 september 2006 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/F‑1/38.121 – Fittingen), alsmede subsidiair, verlaging van de bij deze beschikking aan verzoeksters opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro, president, N. Wahl (rapporteur) en A. Dittrich, rechters,
griffier: T. Weiler, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 februari 2010,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beschikking
1 Bij beschikking C(2006) 4180 van 20 september 2006 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/F‑1/38.121 – Fittingen) (samenvatting in PB 2007, L 283, blz. 63; hierna: „bestreden beschikking”) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld dat verschillende ondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door in verschillende perioden tussen 31 december 1988 en 1 april 2004 deel te nemen aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk op de communautaire mededingingsregels in de vorm van een reeks mededingingsbeperkende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt voor koperen fittingen en fittingen uit koperlegering, die zich over het gehele grondgebied van de EER uitstrekten. De inbreuk bestond in prijsafspraken, afspraken inzake prijslijsten, kortingen en rabatten alsmede inzake mechanismen tot vaststelling van prijsverhogingen, verdeling van nationale markten en van klanten en uitwisseling van andere commerciële informatie, en deelname aan geregelde bijeenkomsten en het onderhouden van andere contacten om de inbreuk te vergemakkelijken.
2 Verzoeksters, Aalberts Industries NV (hierna: „Aalberts”), Comap SA, voorheen Aquatis France SAS (hierna: „Aquatis”), en Simplex Armaturen + Fittings GmbH & Co. KG (hierna: „Simplex”) zijn adressaten van de bestreden beschikking.
3 Aalberts is de moedermaatschappij van een op Euronext Amsterdam (Nederland) beursgenoteerde internationale industriegroep. Zij heeft directe of indirecte zeggenschap over verschillende vennootschappen in de productie- of distributiesector voor fittingen. Aalberts verwierf op 30 augustus 2002 alle activiteiten van fabricage en distributie van fittingen van IMI plc, toentertijd gezamenlijk bekend als „Yorkshire Fittings Group”. Zij verwierf daarbij met name alle aandelen van Raccord Orléanais SA (vervolgens Aquatis) en R. Woeste & Co. Yorkshire GmbH (vervolgens Simplex). Deze twee ondernemingen zijn opgenomen in een van de twee hoofdactiviteiten van het Aalberts-concern, namelijk de groep Flow Control.
4 Comap, adressaat van de bestreden beschikking uit hoofde van haar deelname aan de inbreuk onder zeggenschap van Legris Industries SA en verzoekster in zaak T‑377/06, is in maart 2006 overgedragen aan het Aalberts-concern. Volgens een brief aan het Gerecht van 16 april 2007 werden alle activa en passiva van Aquatis overgedragen aan Comap en hield Aquatis op te bestaan als rechtsentiteit. Met het oog op gelijklopende verwijzingen naar deze laatste in het onderhavige arrest en in de bestreden beschikking zal ook hier worden verwezen naar Aquatis.
5 Mueller Industries Inc., een andere producent van koperen fittingen, stelde de Commissie op 9 januari 2001 in kennis van het bestaan van een kartel in de sector fittingen – en in andere daaraan verwante sectoren van de koperen buizenmarkt – en verklaarde zich bereid met de Commissie samen te werken in het kader van de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”) (punt 114 van de bestreden beschikking).
6 Op 22 en 23 maart 2001 verrichtte de Commissie in het kader van een onderzoek betreffende buizen en koperen fittingen onaangekondigde verificaties in de lokalen van meerdere ondernemingen, waaronder IMI, de toenmalige moedermaatschappij van Raccords Orléanais en R. Woeste & Co. Yorkshire, op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204) (punt 119 van de bestreden beschikking).
7 Na deze eerste verificaties splitste de Commissie in april 2001 haar onderzoek betreffende koperen buizen op in drie afzonderlijke procedures, namelijk de procedure betreffende zaak COMP/E-1/38.069 (Koperen leidingbuizen), die betreffende zaak COMP/F‑1/38.121 (Fittingen) en die betreffende zaak COMP/E-1/38.240 (Industriële buizen) (punt 120 van de bestreden beschikking).
8 Op 24 en 25 april 2001 verrichtte de Commissie andere onaangekondigde verificaties in de lokalen van Delta plc, de onderneming aan het hoofd van een internationale engineeringgroep, waarvan de afdeling „Engineering” verschillende fabrikanten van fittingen omvatte. Deze verificaties hadden uitsluitend betrekking op fittingen (punt 121 van de bestreden beschikking).
9 Vanaf februari/maart 2002 zond de Commissie de betrokken partijen verschillende inlichtingenverzoeken toe op grond van artikel 11 van verordening nr. 17, en vervolgens op grond van artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) (punt 122 van de bestreden beschikking).
10 In september 2003 diende IMI een clementieverzoek in krachtens de mededeling inzake medewerking van 1996. Dit verzoek werd gevolgd door soortgelijke verzoeken van de Delta-groep (maart 2004) en van FRA.BO SpA (juli 2004). Het laatste clementieverzoek werd in mei 2005 ingediend door Advanced Fluid Connections plc (hierna: „AFC”). FRA.BO vestigde in haar inlichtingen de aandacht van de Commissie erop dat de inbreuk in de periode 2001‑2004, dat wil zeggen na de verificaties van de Commissie, werd voortgezet (punten 115‑118 van de bestreden beschikking).
11 De Commissie leidde op 22 september 2005 een inbreukprocedure in zaak COMP/F‑1/38.121 (Fittingen) in en stelde een mededeling van punten van bezwaar vast, die onder meer aan verzoeksters werd betekend (punten 123 en 124 van de bestreden beschikking).
12 De Commissie gaf op 20 september 2006 de bestreden beschikking.
13 In artikel 1 van de bestreden beschikking stelde de Commissie vast dat verzoeksters aan de inbreuk hadden deelgenomen over de volgende periodes:
– Aalberts, van 25 juni 2003 tot 1 april 2004;
– Aquatis en Simplex, van 31 januari 1991 tot 22 maart 2001 als leden van de IMI-groep en van 25 juni 2003 tot 1 april 2004 als leden van het Aalberts-concern.
14 De Commissie legde verzoeksters voor deze inbreuk in artikel 2, sub a en b, van de bestreden beschikking de volgende geldboeten op:
„a) [Aalberts]: 100,80 miljoen EUR
waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met:
[Aquatis]: 55,15 miljoen EUR; en
[Simplex]: 55,15 miljoen EUR
b) 1.[IMI], hoofdelijk en gezamenlijk met IMI Kynoch Ltd: 48,30 miljoen EUR
waarvan hoofdelijk en gezamenlijk met:
[...]
[Aquatis]: 48,30 miljoen EUR; en
[Simplex]: 48,30 miljoen EUR
2. [Aquatis] en [Simplex] zijn hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor het bijkomende bedrag: 2,04 miljoen EUR.”
15 Bij artikel 3 van de bestreden beschikking werd de in artikel 1 ervan bedoelde ondernemingen gelast de inbreuk onverwijld te staken tenzij dat reeds was gebeurd, en zich in de toekomst te onthouden van de in artikel 1 bedoelde handelingen en van enige handeling of gedraging met een gelijksoortig doel of gevolg.
16 Voor de vaststelling van de aan elke onderneming opgelegde geldboete paste de Commissie in de bestreden beschikking de methode toe die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 1998”).
17 Wat om te beginnen de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete naargelang van de zwaarte van de inbreuk betreft, kwalificeerde de Commissie de inbreuk als zeer zwaar wegens de aard zelf en de geografische reikwijdte ervan (punt 755 van de bestreden beschikking).
18 De Commissie was vervolgens van mening dat er een aanzienlijk verschil tussen de betrokken ondernemingen bestond, en paste op basis van de relatieve omvang op de betrokken markt een gedifferentieerde behandeling toe naar hun marktaandelen. Op die basis deelde zij de betrokken ondernemingen onder in zes categorieën naar de respectieve omzet van elk van de ondernemingen in het door de onderhavige procedure betrokken product in de EER in 2000, behalve dat zij voor Aalberts en AFC uitging van 2003 (punt 758 van de bestreden beschikking).
19 Aalberts werd ingedeeld in de eerste categorie, namelijk de categorie waarvoor het uitgangsbedrag op 60 miljoen EUR is vastgesteld, terwijl IMI werd ingedeeld in de tweede categorie waarvoor het uitgangsbedrag op 46 miljoen EUR is vastgesteld (punt 765 van de bestreden beschikking).
20 Vervolgens verhoogde de Commissie het uitgangsbedrag van de aan elke betrokken onderneming opgelegde geldboete met 10 % per jaar deelname aan het kartel en in voorkomend geval met 5 % voor elke periode tussen zes maanden en een jaar. Voor de periode van 31 december 1988 tot 31 januari 1991 achtte de Commissie het wegens de toenmalige beperkte geografische reikwijdte van het kartel passend de geldboete te verhogen met 5 % per jaar (punt 775 van de bestreden beschikking).
21 Ten slotte gold de voortgezette deelname aan de inbreuk na de inspecties van de Commissie, namelijk in de periode van 25 juni 2003 tot 1 april 2004, als een verzwarende omstandigheid, die een verhoging met 60 % van het basisbedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete rechtvaardigde (punten 779 en 782 van de bestreden beschikking).
Procesverloop en conclusies van partijen
22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 december 2006, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
23 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht een aantal documenten over te leggen. Zij heeft dit binnen de gestelde termijn gedaan.
24 Partijen zijn ter terechtzitting van 2 februari 2010 gehoord in hun pleidooi en antwoorden op de vragen van het Gerecht.
25 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
– artikel 1, artikel 2, sub a en b, punt 2, en artikel 3 van de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover deze bepalingen hen betreffen;
– subsidiair, de hun opgelegde geldboete aanmerkelijk te verlagen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
26 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeksters te verwijzen in de kosten.
In rechte
27 Verzoeksters baseren hun beroep op vijf middelen, respectievelijk:
– onrechtmatige toerekening aan Aalberts van de aansprakelijkheid voor de inbreuk als moedermaatschappij;
– geen inbreuk op artikel 81 EG;
– geen deelname aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk in de zin van artikel 1 van de bestreden beschikking;
– schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en van de richtsnoeren van 1998;
– schending van artikel 2 van verordening nr. 1/2003 en artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB L 123, blz. 18).
28 In casu acht het Gerecht het passend het tweede en derde middel eerst te onderzoeken.
Tweede middel: geen inbreuk op artikel 81 EG
Argumenten van partijen
29 Volgens verzoeksters toonde de Commissie niet rechtens genoegzaam aan dat de contacten van Aquatis en Simplex met hun concurrenten waarop de Commissie zich in de bestreden beschikking baseerde, een inbreuk op artikel 81 EG vormden.
30 Dienaangaande merken verzoeksters allereerst op dat de vaststelling in artikel 1 van de bestreden beschikking dat Aquatis in de periode van 25 juni 2003 tot 1 april 2004 aan de inbreuk deelnam, alleen is gebaseerd op haar deelneming aan vijf bijeenkomsten van het logistieke comité van de Fédération française des négociants en appareils sanitaires, chauffage, climatisation et canalisations (Franse federatie van de handelaars in sanitair, verwarming, luchtkoeling en leidingen; hierna: „FNAS”), tussen 25 juni 2003 en 20 januari 2004 en op een teleconferentie van 16 februari 2004, die ook plaatsvond in het kader van de FNAS.
31 Ten eerste wijzen zij erop dat het logistieke comité van de FNAS bijeenkwam op verzoek van de Franse groothandelaars, die hun klanten een kleiner aantal fittingen per verpakking wensten aan te bieden, met als gevolg extra kosten en dus een verhoging van de prijs van de producten. Behalve de technische vragen over de invoering van de nieuwe verpakking en de desbetreffende organisatorische problemen werd in deze bijeenkomsten ook ingegaan op financiële vragen in verband met de nieuwe verpakking van de fittingen. Anders dan de Commissie stelt, hadden deze bijeenkomsten geen mededingingsbeperkend doel. Volgens verzoeksters gaat de opmerking van AFC in de context van haar clementieverzoek in dezelfde richting.
32 Ten tweede wijzen verzoeksters er niet alleen op dat het door de Commissie aangevoerde bewijs tot staving van haar conclusie dat sprake is van een mededingingsbeperkende overeenkomst, bestaat uit de notulen van bijeenkomsten die zijn opgesteld door een vertegenwoordiger van het logistieke comité van de FNAS en niet zijn ondertekend door de vertegenwoordigers van de vennootschappen die aan deze bijeenkomsten deelnamen, maar zij betwisten ook de uitlegging ervan door de Commissie.
33 Huns inziens leidden de besprekingen in de werkgroep van het logistieke comité van de FNAS blijkens deze notulen niet tot het sluiten van een overeenkomst of tot uitwisseling van vertrouwelijke inlichtingen.
34 De gestelde deelname van Simplex aan de inbreuk in de periode van 25 juni 2003 tot 1 april 2004 berust, aldus verzoeksters, op slechts twee feiten: een telefoongesprek met FRA.BO op 25 februari 2004 en een bespreking op de handelsbeurs van Essen (Duitsland) op 18 maart 2004.
35 Wat in de eerste plaats het telefoongesprek tussen P. (FRA.BO) en W. (Simplex) betreft, merken verzoeksters op dat het enige document uit die tijd, waarop de Commissie zich tegen Simplex beroept, de aantekeningen in de agenda van P. van 25 februari 2004 zijn. Deze aantekeningen zijn dubbelzinnig en niet concludent. De dubbelzinnigheid van deze aantekeningen en van de uitleg van FRA.BO bracht de Commissie tot de vaststelling in punt 511 van de bestreden beschikking dat de prijsverhoging was bevestigd door de onafhankelijke importeur van Simplex (D.). Bij een dergelijke uitleg moet W. aan P. op 25 februari 2004 hebben meegedeeld dat D. had beslist zijn prijzen vanaf 1 maart 2004 met 5 % te verhogen. Voor zover dat het geval was, kende de markt reeds de informatie over het handelsbeleid van D. en niet over dat van verzoeksters. De alternatieve uitleg van de Commissie in het verweerschrift dat de uitdrukking „bevestigd door [D.]” waarschijnlijk een verklaring van W. betrof dat de prijsverhoging van toepassing was op de verkoop van Simplex via D., toont andermaal aan dat de Commissie de feiten en het gestelde niet analyseerde.
36 In de tweede plaats is het enige bewijs van het gesprek tussen Ha. (IBP Ltd) enerzijds en H. en Be. anderzijds, adviseur respectievelijk werknemer van Simplex, op de handelsbeurs van Essen op 18 maart 2004, aldus verzoeksters, de herinnering van Ha. eraan. Volgens laatstgenoemde sprak hij kort met H. en Be. alsook met K. (Comap), die hem vroegen naar de plannen voor een prijsverhoging van IBP, waarop hij antwoordde dat IBP haar prijzen aan het einde van de maand plande te verhogen. Hij verklaarde ook dat hij zijn klanten daarover reeds had ingelicht zodat de informatie niet langer vertrouwelijk was.
37 In dit verband voeren verzoeksters aan, ten eerste, dat geen enkel ander bewijs de verklaring van Ha. bevestigt en ten tweede, dat H. en Be. het kernidee van deze verklaring betwistten. De verklaringen van laatstgenoemden worden bevestigd doordat Simplex reeds ruim vóór 18 maart 2004 over een prijsverhoging had beslist, die had toegepast en aan zijn klanten had aangekondigd. Volgens verzoeksters hadden H. of Be. dus geen enkele reden om naar de voornemens van Ha. te vragen.
38 Bovendien wijst niets in de eenzijdige verklaring van Ha. over een geplande prijsverhoging op een bestaande overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 81 EG. Evenmin kon de inlichting van Ha. als commercieel delicaat gelden, aangezien de markt ze reeds kende.
39 Ten slotte, aldus verzoeksters, is er geen bewijs voor andere tijdvakken. In deze context verwijzen verzoeksters naar de zogenoemde contacten tussen P. en werknemers van Comap, Simplex en Aquatis. Volgens hen ging het om „drie onbeduidende gesprekken” die niet hebben geleid tot een inbreuk op artikel 81 EG.
40 De Commissie antwoordt dat zij inzake het bewijs van de collusie in het kader van de FNAS-bijeenkomsten waaraan Aquatis deelnam, haar vaststellingen baseerde op de notulen van deze bijeenkomsten. Voorts is er geen reden om aan de geloofwaardigheid van deze notulen te twijfelen.
41 Wat Simplex betreft, zijn volgens de Commissie de aantekeningen in de agenda van P. duidelijk en doen zij geen twijfel rijzen over de inhoud van haar besprekingen met W., namelijk de prijsverhoging met 5 % in Griekenland.
42 Wat de gedachtewisseling op de handelsbeurs van Essen op 18 maart 2004 betreft, wijst de Commissie er ook op dat het contact tussen Ha. en de vertegenwoordigers van Simplex niet „eenzijdig” was aangezien Ha. op een vraag van de vertegenwoordigers van Simplex antwoordde dat IBP een prijsverhoging aan het einde van de maand plande. Bovendien ging het commercieel om gevoelige en inzake de ingangsdatum voldoende nauwkeurige informatie. Ook al had Simplex, zoals verzoeksters stellen, wat haar betreft reeds over een prijsverhoging beslist, de poging om de onzekerheid te verminderen over het welslagen van haar eigen marktgedrag was evenwel mededingingsbeperkend, want zij is in strijd met het vereiste van autonoom marktgedrag.
43 Ten slotte, aldus de Commissie, kan het bewijs inzake de FNAS-bijeenkomsten, de handelsbeurs te Essen en de besprekingen over de Griekse markt alleen leiden tot de conclusie dat verzoeksters opnieuw deelnamen aan de enkele complexe en voortdurende inbreuk die in 1988 begon.
Beoordeling door het Gerecht
44 Om te beginnen herinnert het Gerecht er inzake de bewijslevering van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG aan dat de Commissie nauwkeurig en onderling samenhangend bewijs moet leveren dat de vaste overtuiging kan dragen dat de gestelde inbreuk is gemaakt (zie in die zin arrest Hof van 28 maart 1984, CRAM en Rheinzink/Commissie, 29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679, punt 20). Indien de rechter van de Europese Unie twijfels heeft, dienen deze twijfels in het voordeel te spelen van de adressaat van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De Unierechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, indien daarover bij hem twijfel blijft bestaan, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd (arrest Gerecht van 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T‑38/02, Jurispr. blz. II‑4407, punt 215).
45 Ook is het vaste rechtspraak dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Voorts is het gebruikelijk dat de activiteiten die met mededingingsbeperkende gedragingen en overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers blijkt, zoals notulen van bijeenkomsten, zijn die doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arresten Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punten 55‑57, en 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C‑403/04 P en C‑405/04 P, Jurispr. blz. I‑729, punt 51).
47 De verklaringen in het kader van het clementiebeleid spelen een belangrijke rol. Deze verklaringen in naam van ondernemingen hebben een niet te verwaarlozen bewijskracht, aangezien zij aanzienlijke juridische en economische risico’s meebrengen (zie in die zin arresten JFE Engineering e.a./Commissie, punt 45 hierboven, punten 205 en 211, en Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, punt 46 hierboven, punt 103). De verklaring van een onderneming die van deelname aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan evenwel niet worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gemaakt, tenzij zij door ander bewijs wordt gestaafd (zie arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 45 hierboven, punt 219 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 In casu wordt niet betwist dat sprake is van de door de Commissie verweten gedragingen, namelijk de deelneming aan de FNAS-bijeenkomsten, de contacten van een werknemer van een van verzoeksters met een vertegenwoordiger van FRA.BO en de contacten op de handelsbeurs te Essen. Verzoeksters betwisten daarentegen dat deze gedragingen mededingingsbeperkend waren, hetgeen de conditio sine qua non is voor vaststelling van een inbreuk op artikel 81 EG.
49 Bijgevolg dient te worden nagegaan of de na de inspecties van de Commissie in maart 2001 vastgestelde gedragingen als mededingingsbeperkende contacten moeten worden gekwalificeerd.
50 De Commissie heeft geconcludeerd dat Simplex aan de in artikel 1 van de bestreden beschikking verweten inbreuk in de periode van 25 juni 2003 tot 1 april 2004 (hierna: „litigieuze periode”) heeft deelgenomen op basis van twee gebeurtenissen: een telefoongesprek van P. (FRA.BO) met W. (Simplex) in het eerste halfjaar van 2004 en een ontmoeting op de handelsbeurs te Essen op 18 maart 2004.
51 Volgens punt 511 van de bestreden beschikking lichtte W. FRA.BO in april 2004 in over een mogelijke prijsverhoging met 5 % op de Griekse markt. W. vroeg FRA.BO met hem contact op te nemen om het over deze verhoging eens te worden. Vóór dit contact deelde W. tijdens een telefoongesprek op 25 februari 2004 P. een prijsverhoging met 5 % met ingang van 1 maart 2004 mee. Deze verhoging werd bevestigd door D., de Griekse importeur van Simplex.
52 Allereerst staaft geen enkel bewijs voor 2003 de conclusie van de Commissie dat Simplex gedurende de gehele litigieuze periode aan het kartel deelnam. De Commissie ging namelijk alleen uit van voormelde gebeurtenissen die alle in 2004 plaatsvonden.
53 FRA.BO verklaarde blijkens haar clementieverzoek, zoals samengevat in punt 506 van de bestreden beschikking, dat de uitwisseling van gevoelige informatie tussen de concurrenten na de inspecties van de Commissie vooral via bilaterale contacten voortliep, en merkte met name op dat „deze contacten hadden plaatsgevonden met meerdere personen en in het bijzonder [W.] (IMI/Aalberts) en M. [L.] van Comap”.
54 FRA.BO legde evenwel geen schriftelijk bewijs van veelvuldige telefoongesprekken van Simplex met haar vertegenwoordigers over. De naam van W. kwam niet voor in de bij het antwoord van FRA.BO op de mededeling van punten van bezwaar gevoegde gegevens over telefoongesprekken van P. met B. (FRA.BO) over 2002 tot en met 2004.
55 Vervolgens bevat de agenda van 2004 van P. (FRA.BO) enkele aantekeningen waarvan slechts een aantal Simplex betreft, namelijk die over een telefoongesprek met W. op 25 februari 2004. In dit kader dient te worden vastgesteld dat de Commissie in de bestreden beschikking wees op een contact van W. met P. eind april, waarschijnlijk op 29 april 2004. Behalve dat het contact zou hebben plaatsgevonden na de datum waarop de Commissie in de bestreden beschikking de beëindiging van de inbreuk vaststelde, blijkt uit deze aantekeningen niet dat het ging om een contact met W. Bovendien wijzen deze aantekeningen, gesteld dat het gaat om een contact met W., er niet op dat hij een prijsverhoging op de Griekse markt aankondigde.
56 FRA.BO bleek namelijk in haar clementieverzoek verschillende aantekeningen door elkaar te hebben gehaald. Blijkens haar initiële opmerkingen van 14 juli 2004 verklaarde FRA.BO dat een directeur van IMI, W., haar eind april 2004 op de hoogte had gebracht van een eventuele prijsverhoging op de Griekse markt en dat hij had verzocht om bespreking enkele dagen later om tot een akkoord te komen (mettersi d’accordo). Er werd gesproken over het sluiten van een akkoord in een derde serie aantekeningen in de agenda van P., namelijk over een telefoongesprek van 29 april 2004 enerzijds met B. alleen en anderzijds met Hu., waarbij het sluiten van een akkoord moest worden gezien in het kader van een verhouding leverancier-klant (Aquatis/Raccord Orléanais – FRA.BO).
57 FRA.BO wijzigde in haar memorie van 25 januari 2005 haar standpunt en verklaarde dat op 25 februari 2004 een telefoongesprek van W. met P. plaatsvond waarin een prijsverhoging op de Griekse markt werd besproken. W. kondigde ook aan dat een prijsverhoging van 5 % vanaf 1 maart 2004 was bevestigd wat D betrof.
58 De Commissie sloeg blijkens punt 508 van de mededeling van punten van bezwaar geen acht op de verwarring die was ontstaan tussen de in de punten 55 en 56 hierboven bedoelde drie reeksen van aantekeningen. Evenmin corrigeerde de Commissie, ondanks opmerkingen van verzoeksters over deze verwarring in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar, deze vergissing in punt 511 van de bestreden beschikking, op enkele mineure wijzigingen na (zie punt 51 hierboven).
59 Het enige bewijs van het contact van Simplex met FRA.BO in de litigieuze periode is dus de reeks aantekeningen van 25 februari 2004 in de agenda van P. (FRA.BO), waarvan sprake in punt 511 van de bestreden beschikking, waarin is geschreven: „gesproken met [W.] x verhoging in Griekenland bevestigd x [D.] + 5 vanaf 1 maart 2004”.
60 Dienaangaande vond er blijkens de aantekeningen van 25 februari 2004 die dag werkelijk een bespreking van de prijzen plaats. De aantekeningen zeggen evenwel niet duidelijk wie tot de prijsverhoging besliste. Dat de onafhankelijke importeur van Simplex (D.) besliste tot de prijsverhoging met 5 % vanaf 1 maart 2004, is niet uitgesloten.
61 Aangezien over het contact met W. in slechts één in punt 59 hierboven vermelde enkele reeks aantekeningen in de agenda van P. sprake is, volstond deze reeks aantekeningen op zich alleen niet tot bewijs van de deelname van Simplex aan de in casu verweten inbreuk. Dat dit contact als een alleenstaand incident kan gelden, is namelijk niet uit te sluiten. Voorts kan deze enkele reeks aantekeningen, zoals hiervoor is vastgesteld, evenmin de deelname van Simplex aan het kartel in 2003 aantonen.
62 Inzake de tweede tegen Simplex aangevoerde gebeurtenis, namelijk de in punt 520 van de bestreden beschikking vermelde ontmoeting van Ha. (IBP) met twee vertegenwoordigers van Simplex op de handelsbeurs te Essen op 18 maart 2004, antwoordde Ha blijkens zijn verklaring van 28 november 2005, die is gevoegd bij het antwoord van AFC op de mededeling van de punten van bezwaar en vervolgens is rechtgezet wat de datum van deze gebeurtenis betreft, (daar deze beurs in maart 2004 en niet in 2002 plaatsvond, zoals was aangegeven in het clementieverzoek), op een vraag in verband met de prijzen van IBP. Ha. verklaarde dat hij zich een kort gesprek met H. en Be. (Simplex) en een ander gesprek met K herinnerde. Daarover legde hij de volgende verklaring af:
„Zij vroegen mij naar de prijsvoornemens van IBP Duitsland en ik zei hun dat wij een prijsverhoging aan het einde van de maand planden. De verhoging was het gevolg van gestegen grondstofprijzen. Alleen dat wij de prijs zouden verhogen, is besproken, maar niet wanneer of hoeveel. Vanaf dan denk ik dat ik de klanten reeds had meegedeeld dat we de prijs zouden verhogen zodat de informatie niet langer vertrouwelijk was. Wellicht leidden mogelijke geruchten tot hun vragen over de prijsverhoging. Zij konden er geen bevestiging van krijgen door de klanten gewoon een kopie van de officiële prijslijst van IBP Duitsland te vragen, want die lijst is eerst op 30 maart 2004 bekendgemaakt [...].”
63 Verzoeksters betwisten evenwel dat er mededingingsbeperkende contacten waren. Daartoe legden zij in de administratieve procedure twee verklaringen over welke die van Ha. tegenspreken.
64 Verzoeksters legden ook de verklaring van H. over; hij verklaarde:
„Ik herinner mij [Ha.] aan de stand van Woeste te hebben ontmoet en hem kort te hebben gesproken, maar in geen geval vroeg ik hem om informatie over een mogelijke prijsverhoging van IBP Duitsland. Voor zover ik me herinner, besprak [Ha.] dit evenmin.”
65 Eveneens legden verzoeksters de verklaring van Be. over, die verklaarde dat hij, hoewel hij zich niet meer zeker herinnerde Ha. op deze handelsbeurs te hebben ontmoet, evenwel niet kon uitsluiten hem te hebben gezien, ook al kon hij zich geen gesprek specifiek over prijzen herinneren.
66 In dit kader is het vaste rechtspraak dat een verklaring in het kader van een clementieverzoek op zich geen afdoend bewijs is, indien de juistheid van deze verklaring wordt betwist (zie punt 47 hierboven).
67 Dienaangaande is het Gerecht van oordeel dat de verklaring van Ha., anders dan de Commissie ter terechtzitting stelt, niet geloofwaardiger is dan die van H. en Be., twee vertegenwoordigers van een van de verzoeksters. Dat zowel IBP als de oude dochterondernemingen van IMI zich in het verleden mededingingsbeperkend hebben gedragen, waarbij de prijzen werden besproken, volstaat niet, wat de gebeurtenissen op de handelsbeurs betreft, om aan de verklaring van Ha. meer waarde te hechten dan aan die waarop verzoeksters zich beroepen. De conclusie luidt dus dat de gestelde mededingingsbeperkende inhoud van het contact tussen een vertegenwoordiger van IBP en die van verzoeksters bij gebreke van andere aanwijzingen rechtens ongenoegzaam is bewezen.
68 Uit het voorgaande volgt dat de deelname van Simplex aan een inbreuk op artikel 81 EG in de litigieuze periode rechtens ongenoegzaam is bewezen
69 Bijgevolg moet artikel 1 van de bestreden beschikking nietig worden verklaard voor zover de Commissie daarin vaststelde dat Simplex had deelgenomen aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk in de litigieuze periode.
70 Het Gerecht acht het passender de gestelde deelname van Aquatis aan de inbreuk te onderzoeken in het kader van de analyse van het derde middel.
Derde middel: geen deelname aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk in de zin van artikel 1 van de bestreden beschikking
Argumenten van partijen
71 De Commissie, aldus verzoeksters, toonde niet aan dat er sprake was van één enkele complexe en voortdurende inbreuk die na de inspecties van maart 2001 werd voortgezet, slaagde er niet in een objectieve band tussen het gedrag van Aquatis en een „algemeen restrictief systeem” aan te tonen en toonde niet aan dat Aquatis wist of moest weten dat een dergelijk systeem bestond.
72 Volgens verzoeksters maakten de inspecties van de Commissie in maart 2001 een einde aan de zogenoemde „Super EFMA”-bijeenkomsten, die vóór of na de bijeenkomsten van de European Fittings Manufacturers Association (EFMA, Europese vereniging van fittingproducenten) werden belegd, en aan het „kartel van lange duur”. De Commissie bleef evenwel aannemen dat Raccord Orléanais (vervolgens Aquatis) van juni 2003 tot 1 april 2004 inbreuk maakte op artikel 81 EG. Volgens de Commissie bewezen de door FRA.BO vermelde contacten dat de enkele complexe en voortdurende inbreuk niet was beëindigd.
73 In deze context herinneren verzoeksters eraan dat met het gebruik van het begrip „enkele complexe en voortdurende inbreuk” wordt afgeweken van de regel dat de Commissie moet aantonen op welke wijze een onderneming precies aan een inbreuk heeft deelgenomen. Dat vereist een restrictieve uitlegging net als voor elke andere afwijking op een fundamentele regel. De benadering van de Commissie is in casu in strijd met het vermoeden van onschuld, omdat zij leidt tot een situatie waarin elke reeks van schijnbaar van elkaar losstaande contacten tussen concurrenten kan worden gelijkgesteld met een enkele complexe en voortdurende inbreuk.
74 Zij beroepen zich ook op de zaken die leidden tot de arresten van het Gerecht van 14 mei 1998, Buchmann/Commissie (T‑295/94, Jurispr. blz. II‑813, punt 121), en 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (T‑305/94-T‑307/94, T‑313/94-T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 773). Volgens verzoeksters volgt daaruit dat eerst had moeten worden vastgesteld waarin het „gemeenschappelijke systeem” bestond en in hoeverre het na de inspecties van 2001 daadwerkelijk werd gehandhaafd. Vervolgens was het noodzakelijk aan te tonen dat het gedrag van verzoeksters samenhing met dit „gemeenschappelijke systeem”, en ten slotte had de Commissie moeten bewijzen dat Aquatis wist of redelijkerwijs kon weten dat zij door haar gedrag deelnam aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk, waarmee vóór de inspecties van de Commissie was begonnen.
75 In de eerste plaats, aldus verzoeksters, waren de structuur en de werking van de enkele complexe en voortdurende inbreuk alsook de gebeurtenissen na 2001 volledig verschillend.
76 Het „Super EFMA”-kartel, zoals het vóór de inspecties van maart 2001 werkte, kende een organisatie op drie niveaus, namelijk op pan-Europees, nationaal en regionaal niveau, werkte bilateraal en betrof besprekingen en overeenkomsten over prijsstructuren en prijslijsten voor bepaalde markten. In totaal 27 producenten van koperen fittingen in 13 lidstaten waren erbij betrokken; drie ervan (IBP, IMI en Comap) waren verantwoordelijk voor de organisatie en administratie van de zogenaamde „Super EFMA”-bijeenkomsten. Bovendien vonden deze bijeenkomsten plaats niet alleen vóór de EFMA-bijeenkomsten, maar ook telkens wanneer de marktontwikkeling het vereiste.
77 De enkele complexe en voortdurende inbreuk in de loop van de periode van maart 2001 tot april 2004 is volgens de Commissie daarentegen voortgezet in telefoongesprekken tussen AFC en FRA.BO en tussen Comap en FRA.BO, drie telefoongesprekken tussen de „met Aalberts en FRA.BO verwante vennootschappen”, drie bilaterale contacten tussen Comap en FRA.BO, twee bilaterale contacten op een handelsbeurs in maart 2004 tussen IBP en Simplex en tussen IBP en Comap alsook op bijeenkomsten van het logistieke comité van de FNAS over de verpakking van de producten, waarop de producenten van fittingen in Frankrijk waren uitgenodigd.
78 Verzoeksters betwisten dat voormelde contacten en de reeks bijeenkomsten van de groothandelaars in Frankrijk rechtens genoegzaam bewijzen dat sprake was van één enkele complexe en voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en dat deze „gestelde inbreuk” dezelfde inbreuk vormt als die vóór de inspecties van de Commissie. Zij wijzen erop dat tal van ondernemingen, waaronder IMI, zoals de Commissie vaststelde, na de inspecties van de Commissie niet langer aan de „gestelde inbreuk” deelnamen. De sector werd in 2003 overigens volledig geherstructureerd. Zo ook namen de meeste deelnemers aan de organisatie en de werking van de bijeenkomsten „op hoog niveau” zoals die welke in de periode vóór de inspecties van de Commissie plaatsvonden, niet deel aan de organisatie en werking van de gestelde mededingingsbeperkende contacten in de periode na deze inspecties. Bovendien had een kartel in de sector van de koperen fittingen slechts zin indien het alle lidstaten bestreek, hetgeen niet het geval was na 2001, ongeacht hoe de in punt 566 van de bestreden beschikking aangevoerde elementen worden gelezen of uitgelegd.
79 In de tweede plaats, ingeval het Gerecht oordeelt dat de Commissie erin slaagde aan te tonen dat het algemene systeem van het kartel na maart 2001 werd gehandhaafd, toonde de Commissie volgens verzoeksters niet aan dat het gedrag van Aquatis met dit systeem samenhing.
80 In de derde plaats toonde de Commissie evenmin aan dat Aquatis wist of had moeten weten dat zij zich, door contacten te leggen met concurrenten in de context van de FNAS-bijeenkomsten, aansloot bij het „Super EFMA”-kartel. De Commissie verklaarde in de bestreden beschikking alleen dat verzoeksters waren ingelicht over de inspecties, hetgeen zij niet ontkennen. Verzoeksters wijzen erop dat Aalberts zich in augustus 2002, toen zij alle activiteiten van vervaardiging en distributie van de fittingen van IMI verwierf, ervan verzekerde dat IMI en haar dochterondernemingen, waaronder Raccord Orléanais, voortaan een deel van Aquatis, en R. Woeste & Co. Yorkshire, voortaan een deel van Simplex, daadwerkelijk de deelname aan de inbreuk hadden gestaakt.
81 De Commissie antwoordt dat zij in de bestreden beschikking breedvoerig heeft uitgelegd waarom er in casu sprake was van een enkele inbreuk, eerst tot in 2001 (punten 559‑563 van de bestreden beschikking), vervolgens na 2001 (punten 564‑591 van de bestreden beschikking). Meer bepaald bevatten de punten 564 tot en met 597 van de bestreden beschikking een zeer omstandig onderzoek over de voortzetting van de inbreuk. De Commissie voegt eraan toe dat buiten twijfel staat dat het gedrag van verzoeksters in de periode na 2001 hetzelfde mededingingsbeperkende doel nastreefde als dat van de andere ondernemingen die deelnamen aan het algemene kartel.
82 Bovendien is voldaan aan de voorwaarde dat verzoeksters „wisten of noodzakelijkerwijze moesten weten dat de collusie waaraan zij deelnamen, deel uitmaakte van een totaalplan” en aan de voorwaarde dat zij „het inbreukmakende gedrag van de andere deelnemers kenden of redelijkerwijze hadden kunnen voorzien en zij bereid waren het risico te nemen”. De Commissie herinnert eraan dat Aalberts aansprakelijk is gesteld voor de activiteiten van haar twee dochterondernemingen, Aquatis en Simplex, die de rechtsopvolgers zijn van Raccord Orléanais en R. Woeste & Co. Yorkshire, en dat een aantal van de betrokkenen bij deze activiteiten reeds vóór de inspecties had deelgenomen aan de enkele complexe en voortdurende inbreuk.
Beoordeling door het Gerecht
83 Allereerst dient te worden nagegaan of de gedragingen die na de inspecties van de Commissie in maart 2001 als verweten inbreuk gelden, de voortzetting zijn van de aan deze inspecties voorafgaande enkele complexe en voortdurende inbreuk.
84 Zo ja, dan moet worden nagegaan of Aquatis aan de FNAS-bijeenkomsten in het kader van deze enkele complexe en voortdurende inbreuk deelnam.
85 Gelet op de in de punten 68 en 69 hierboven getrokken conclusie over Simplex, is het onderzoek van het derde middel namelijk slechts relevant wat Aquatis betreft.
86 Het begrip „één enkele inbreuk” doelt op een situatie waarin meerdere ondernemingen hebben deelgenomen aan een inbreuk bestaande in een voortgezette gedraging met één enkel economisch doel om de mededinging te beperken dan wel in individuele inbreuken die onderling zijn verbonden door hetzelfde doel (alle elementen hebben hetzelfde doel) en dezelfde subjecten (dezelfde betrokken ondernemingen die welbewust aan het gemeenschappelijke doel deelnemen) (arrest Gerecht van 8 juli 2008, BPB/Commissie, T‑53/03, Jurispr. blz. II‑1333, punt 257). Deze uitlegging kan niet worden betwist op grond dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging op zich ook afzonderlijk een schending van artikel 81 EG kunnen opleveren (arrest BPB/Commissie, reeds aangehaald, punt 252).
87 Wanneer de verschillende handelingen, wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie voor de aansprakelijkstelling voor die handelingen uitgaan van de deelname aan de betrokken inbreuk in haar geheel (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 46 hierboven, punt 258).
88 Voorts kan het begrip „gemeenschappelijk doel” niet worden bepaald door een algemene verwijzing naar mededingingsverstoring op de markt waarop de inbreuk betrekking heeft, aangezien de ongunstige beïnvloeding van de mededinging, als doel of gevolg, een wezenlijk element is van elke gedraging die binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG valt. Een dergelijke definitie van het begrip „gemeenschappelijk doel” dreigt het begrip „één enkele voortdurende inbreuk” een deel van zijn zin te ontnemen, daar zij ertoe zou leiden dat verschillende bij artikel 81, lid 1, EG verboden gedragingen in een sector van de economie stelselmatig als bestanddelen van één enkele inbreuk zouden moeten worden aangemerkt. Ter beantwoording van de vraag of verschillende handelingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden gekwalificeerd, moet dus worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk ervan bedoeld is om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging, en dat zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van het geheel van mededingingsbeperkende gevolgen dat de daders beogen, dit in het kader van een totaalplan met één enkel doel. Dienaangaande moet rekening worden gehouden met elke omstandigheid die dat verband kan aantonen of weerleggen, zoals de toepassingsperiode, de inhoud, met inbegrip van de gehanteerde methoden, en, daarmee samenhangend, het doel van de verschillende handelingen in kwestie (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr. blz. II‑4949, punten 179‑181).
89 Om de deelname van een onderneming aan een mededingingsbeperkende overeenkomst aan te tonen, dient de Commissie bovendien te bewijzen dat de onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de materiële gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 87).
90 Ten slotte is het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen, niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gemaakt. Daarmee dient slechts rekening te worden gehouden bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 46 hierboven, punt 86).
91 Wat de periode vóór maart 2001 betreft, bestond het kartel volgens de bestreden beschikking in casu in gedurende een aantal jaren geregeld gelegde multi- en bilaterale contacten tussen concurrerende producenten om via ongeoorloofde gedragingen de fittingenmarkt met name inzake prijzen kunstmatig te laten werken.
92 Volgens de bestreden beschikking vonden in het kader van dit algemene kartel bijeenkomsten en andere mededingingsbeperkende contacten op pan-Europees en nationaal niveau plaats, waarbij elk land eigen procedures van prijscoördinatie en eigen lokale afspraken had die de afspraken op Europees niveau aanvulden (punten 129, 140 en 559 van de bestreden beschikking).
93 De werking van het kartel berustte namelijk in de eerste plaats op bijeenkomsten „op hoog niveau” over de strategie en de prijzen voor verschillende landen, in de tweede plaats op bijeenkomsten die slechts een of meerdere nationale grondgebieden betroffen, veelal om de op het hogere niveau genomen beslissingen uit te voeren, en in de derde plaats op bilaterale besprekingen (punt 147 van de bestreden beschikking).
94 Volgens de bestreden beschikking vonden de mededingingsbeperkende afspraken plaats vóór, op of na de bijeenkomsten van de British Plumbing Fittings Manufacturers Association (BPFMA, Britse vereniging van buizen- en fittingenproducenten), van de EFMA, op ad-hocbijeenkomsten en op bijeenkomsten van andere verenigingen of op handelsbeurzen (punten 140‑141 van de bestreden beschikking).
95 De jaarlijkse bijeenkomsten „op hoog niveau” werden veelal naar aanleiding van de EFMA-bijeenkomsten in het voor- of najaar belegd. In het najaar betroffen zij in het algemeen de prijsvaststellingen, terwijl in het voorjaar veeleer de ontwikkeling van de toepassing van de in het vorige jaar overeengekomen prijzen werd opgevolgd (punt 148 van de bestreden beschikking).
96 De besprekingen over de prijsverhogingen leidden volgens de bestreden beschikking over het algemeen tot een overeenkomst over het niveau en de wijze van toepassing van de verhoging en strekten tot bepaling van de ingangsdata en de onderneming die het initiatief tot de verhoging zou nemen, veelal de leider op de betrokken geografische markt (punten 149 en 159 van de bestreden beschikking).
97 De bijeenkomsten betroffen ook de kredietmodaliteiten en de kortingen, de categorieën klanten en de prijsverschillen, de klantenverdeling onder de leveranciers, de uitwisseling van informatie over verhogingen en verlagingen van volume en prijzen binnen het kartel, besprekingen over kruiselingse distributie, de klachten van een kartellid tegen andere kartelleden alsook coördinatie tegen niet bij het kartel aangesloten fabrikanten of distributeurs en onderling afgesproken inschrijvingen op offerteaanvragen (punt 161 van de bestreden beschikking).
98 De deelnemers aan de bijeenkomsten „op hoog niveau” waren volgens de bestreden beschikking de algemeen directeurs, de commercieel of verkoopdirecteurs en bepaalde andere commercieel leidinggevenden; IMI, IBP en Comap namen steeds deel aan dit soort bijeenkomsten (punt 156 van de bestreden beschikking).
99 Op de bijeenkomsten „op hoog niveau” volgden meer op het nationale niveau gerichte bijeenkomsten, waarop de beslissingen van de bijeenkomsten „op hoog niveau” werden uitgewerkt en toegepast. Volgens de bestreden beschikking namen aan de bijeenkomsten op nationaal niveau gewoonlijk de commercieel of verkoopdirecteurs of bepaalde andere lokale commercieel leidinggevenden deel die de deelnemers aan de bijeenkomsten „op hoog niveau” informeerden over het succes of mislukken van de prijswijzigingen en over de marktomstandigheden (punt 157 van de bestreden beschikking).
100 Ten slotte waren er ook bilaterale meer uitgebreide niet-officiële bijeenkomsten.
101 De verweten gedragingen van na maart 2001 bestaan volgens de bestreden beschikking ook uit contacten in het kader van beroepsverenigingen (FNAS-bijeenkomsten), bilaterale contacten over de concurrentieparameters en contacten op handelsbeurzen (handelsbeurs te Essen) (punten 599‑602 van de bestreden beschikking).
102 Onbetwistbaar is wel dat het kartel in de periode na maart 2001 structureel vrij flexibel „werkte” met in wezen bilaterale ad-hoccontacten. Zo was er ook geen coördinatie van de strategie op „hoog niveau” en dus geen uitvoering op nationaal niveau van op pan-Europees niveau genomen beslissingen.
103 Ook onbetwistbaar is dat het kartel blijkens de bestreden beschikking van negen deelnemers vóór de inspecties in maart 2001 terugliep naar vier deelnemers na deze inspecties.
104 Ten slotte dient erop te worden gewezen dat terwijl het vóór 2001 ging om een pan-Europees kartel dat 13 landen bestreek, de inbreukmakende gedragingen van de deelnemers zich na 2001 beperkten tot de Duitse, Griekse, Spaanse, Franse en Italiaanse markt zonder dat er een duidelijk onderling verband was.
105 Daar het doel van de mededingingsbeperkende gedragingen hetzelfde bleef, namelijk overleg over de prijs van fittingen, is het evenwel irrelevant dat bepaalde kenmerken of de intensiteit van deze gedragingen wijzigden. Dienaangaande is plausibel dat het kartel na de verificaties van de Commissie minder gestructureerd en met een meer variabele intensiteit werkte. Dat een kartel bij periodes min of meer intens kan werken, wettigt evenwel niet de conclusie dat het is beëindigd.
106 De Commissie beschouwde dus terecht dat het kartel na haar verificaties in maart 2001 werd voortgezet, en concludeerde terecht tot één enkele complexe en voortdurende inbreuk.
107 Derhalve dient te worden onderzocht of Aquatis, door deel te nemen aan de bijeenkomsten in het kader van de werkgroep van het logistieke comité van de FNAS met het oog op een nieuwe verpakking voor fittingen, meer bepaald door de kostprijs daarvan te bespreken, deelnam aan deze enkele complexe en voortdurende inbreuk.
108 De Commissie verweet Aquatis in de bestreden beschikking in de litigieuze periode te hebben deelgenomen aan een in artikel 1 van deze beschikking beschreven enkele complexe en voortdurende inbreuk die de zogenoemde pan-Europese markt volledig bestreek.
109 Blijkens punt 101 hierboven bestonden de bestanddelen van de enkele complexe en voortdurende inbreuk na maart 2001 in bilaterale contacten, contacten op een handelsbeurs en contacten in het kader van de FNAS-bijeenkomsten met het oog op prijscoördinatie.
110 Dienaangaande staat vast dat Aquatis in de litigieuze periode alleen aan de FNAS-bijeenkomsten en niet aan de twee andere aspecten van de inbreuk deelnam. In dit verband dient te worden opgemerkt dat de deelneming van Aquatis aan de FNAS-bijeenkomsten, waarvan het doel samenviel met dat van de andere twee aspecten van de enkele complexe en voortdurende inbreuk, namelijk prijscoördinatie, op zich alleen niet volstaat om te concluderen dat zij aan deze inbreuk deelnam, behalve indien vaststaat dat zij wist of noodzakelijkerwijs moest weten dat haar gedrag enerzijds deel uitmaakte van een totaalplan en dit totaalplan anderzijds alle bestanddelen van het kartel omvatte (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 89 hierboven, punt 83, en arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95-T‑32/95, T‑34/95-T‑39/95, T‑42/95-T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95-T‑65/95, T‑68/95-T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punten 4027 en 4112).
111 In casu dient dus te worden nagegaan of Aquatis, toen zij deelnam aan de FNAS-bijeenkomsten, wist of noodzakelijkerwijs moest weten dat zij zich bij de kring van de deelnemers aan het pan-Europees kartel aansloot. Slechts indien vaststaat dat Aquatis kennis had van de twee andere bestanddelen van de inbreuk, kan haar deelname aan de overeenkomst op de Franse markt namelijk worden beschouwd als de uitdrukking van haar deelname aan de vastgestelde inbreuk.
112 De Commissie toonde geenszins aan dat Aquatis bij haar deelname aan de FNAS-bijeenkomsten de mededingingsbeperkende activiteiten van de andere ondernemingen kende of redelijkerwijze kon voorzien, zodat haar gedrag deel uitmaakte van een totaalplan dat alle bestanddelen van het vastgestelde kartel bestreek.
113 De Commissie verwees tot bewijs dat Aquatis de bestanddelen van de vastgestelde inbreuk kende, er alleen naar dat Aquatis van 1991 tot maart 2001 aan het kartel deelnam. Dat volstaat niet tot bewijs dat Aquatis zich opnieuw bij het kartel aansloot.
114 In de eerste plaats beëindigde Aquatis, toen haar kapitaal volledig in handen was van IMI, haar voormalige moedermaatschappij, haar deelname aan de inbreuk onmiddellijk na de verificaties van de Commissie in maart 2001. Niets wijst erop dat Aquatis kennis had van de voortzetting van deze inbreuk door IBP, Comap en FRA.BO.
115 Bovendien kunnen de bijeenkomsten in het kader van de werkgroep van het logistieke comité van de FNAS, gelet op het specifieke doel ervan, namelijk een mogelijke nieuwe verpakking, bezwaarlijk direct worden geassocieerd met het kartel dat vóór maart 2001 begon. Dat bepaalde producenten de daaraan verbonden kosten bespraken, laat deze vaststelling onverlet.
116 In de tweede plaats werd, anders dan de Commissie in de punten 575 en 584 van de bestreden beschikking vaststelde, in de FNAS-bijeenkomsten alleen de Franse markt besproken. Blijkens de notulen ervan werden, zoals de Commissie zelf ter terechtzitting toegaf, geenszins ook „Spanje, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en de Europese markt in het algemeen” besproken, hetgeen er volgens de Commissie een pan-Europese dimensie aan had gegeven. De collusie in het kader van de FNAS-bijeenkomsten had dus geen pan-Europese reikwijdte.
117 In de derde plaats betroffen deze bijeenkomsten slechts de Franse markt en wettigt geen enkele aanwijzing de conclusie dat de andere deelnemers deze bijeenkomsten gebruikten om de prijzen van de fittingen op andere nationale markten te bespreken of te coördineren, zodat niet is aangetoond dat Aquatis redelijkerwijs kon voorzien dat deze bijeenkomsten deel uitmaakten van een verderreikende inbreuk in het kader van een totaalplan.
118 Weliswaar dient te worden gewezen op een bilateraal contact op 29 april 2004 tussen een vertegenwoordiger van Aquatis en een vertegenwoordiger van FRA.BO in het kader van een leverancier-klantverhouding (zie punt 56 hierboven), maar dit contact, dat ook nog buiten de inbreukperiode plaatsvond, is mededingingsrechtelijk irrelevant tenzij is bewezen dat mededingingsbeperkende besprekingen naar aanleiding van dit commerciële contact zijn gehouden. De aantekeningen in de agenda van P. bevatten geen enkele aanwijzing in die zin.
119 Derhalve is niet aangetoond dat Aquatis ervan kennis had dat zij zich door haar gedrag had aangesloten bij een uit verschillende aspecten met een gemeenschappelijk doel bestaand kartel of zelfs bij een kartel waaraan zij vóór maart 2001 had deelgenomen en dat werd voortgezet.
120 Bijgevolg dient artikel 1 van de bestreden beschikking, wat alle verzoeksters betreft, nietig te worden verklaard voor zover de Commissie daarin vaststelde dat zij in de litigieuze periode hadden deelgenomen aan één enkele complexe en voortdurende inbreuk door deel te nemen aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de markt van koperen fittingen en fittingen uit koperlegering, zoals beschreven in dat artikel.
121 Derhalve hoeft geen uitspraak te worden gedaan over de andere middelen: het eerste middel betreffende de onrechtmatige toerekening van de aansprakelijkheid voor de inbreuk aan Aalberts als moedermaatschappij; het vierde middel betreffende verschillende onjuistheden in de berekening van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde boete en het vijfde middel betreffende de schending van hun rechten van de verdediging.
122 Gelet op het voorgaande dienen de aan Aalberts opgelegde geldboete van 100,8 miljoen EUR, hoofdelijk en gezamenlijk met Aquatis en Simplex ten belope van 55,15 miljoen EUR, alsook het bedrag van 2,04 miljoen EUR tot betaling waarvan Aquatis en Simplex hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk zijn gesteld, nietig te worden verklaard, daar de berekening van dit bedrag berust op een onjuiste vaststelling.
123 De Commissie berekende namelijk een basisbedrag voor de voor de deelname van Aquatis en Simplex aan het kartel opgelegde geldboete terwijl IMI over hen zeggenschap had – een uitgangsbedrag van 46 miljoen EUR, dat met 100 % is verhoogd wegens de duur – en voor hun deelname aan de inbreuk terwijl Aalberts over hen zeggenschap had – een uitgangsbedrag van 60 miljoen EUR, dat met 5 % is verhoogd wegens de duur. Dit tweede bedrag is wegens verzwarende omstandigheden verhoogd met 60 %. Dat gaf een geldboete van in totaal 192,8 miljoen EUR (92 miljoen EUR + 100,8 miljoen EUR). Dit totaalbedrag is dan verminderd tot 105,5 miljoen EUR om rekening te houden met het 10 %-omzetplafond van Aalberts, vervolgens evenredig verdeeld naargelang de deelname van Aquatis en Simplex aan de inbreuk werd vastgesteld toen IMI (50,34 miljoen EUR) dan wel Aalberts (55,15 miljoen EUR) zeggenschap over hen had.
124 Terwijl IMI een vermindering van de geldboete met 50 % kon krijgen uit hoofde van de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen, is het basisbedrag van de haar opgelegde geldboete ten belope van 96,6 miljoen EUR, namelijk een uitgangsbedrag van 46 miljoen EUR, dat met 110 % is verhoogd wegens de duur, verminderd tot 48,30 miljoen EUR. Aangezien IMI haar clementieverzoek eerst in september 2003 indiende, konden haar twee dochtermaatschappijen de aan IMI verleende vermindering met 50 % niet krijgen. De Commissie stelde Aquatis en Simplex dus hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor de betaling van het bedrag van 2,04 miljoen EUR (50,34 – 48,30), die noch IMI noch Aalberts verschuldigd was.
125 Voorts dient eraan te worden herinnerd dat het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond van 10 %, indien verschillende adressaten op het tijdstip van de vaststelling van de bestreden beschikking de „onderneming” vormden, op basis van de totale omzet van deze onderneming kan worden berekend. Indien deze economische entiteit zich ten tijde van de vaststelling van de beschikking in twee onderscheiden entiteiten heeft gesplitst, is daarentegen elke adressaat van de beschikking erop gerechtigd dat dit plafond individueel op hem wordt toegepast (arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 390). Aangezien verzoeksters enkel concludeerden tot nietigverklaring van artikel 2, sub a en b, punt 2, van de bestreden beschikking, dient niet te worden onderzocht of het feit dat IMI vóór de vaststelling van de bestreden beschikking in verschillende onderscheiden entiteiten is gesplitst, het plafond van het bedrag van de in artikel 2, sub b, punt 1, van de bestreden beschikking aan Simplex en Aquatis opgelegde geldboete moest beïnvloeden.
Kosten
126 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoeksters te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Artikel 1 van beschikking C(2006) 4180 van de Commissie van 20 september 2006 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/F‑1/38.121 – Fittingen) wordt nietig verklaard voor zover daarin wordt vastgesteld dat Aalberts Industries NV, Comap SA, voorheen Aquatis France SAS, en Simplex Armaturen + Fittings GmbH & Co. KG hebben deelgenomen aan de inbreuk in de periode van 25 juni 2003 tot 1 april 2004.
2) Artikel 2, sub a en b, punt 2, van beschikking C(2006) 4180 wordt nietig verklaard.
3) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.
Martins Ribeiro
Wahl
Dittrich
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 maart 2011.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy