22.4.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 96/20
Beroep ingesteld op 22 februari 2006 — Kendrion/Commissie
(Zaak T-54/06)
(2006/C 96/36)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Kendrion N.V. (Zeist, Nederland) [vertegenwoordigd door: P. Glazener, advocaat, C.C. Meijer, advocaat]
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekende partij
—
de mede tot verzoekster gerichte beschikking geheel of gedeeltelijk te vernietigen;
—
de aan verzoekster opgelegde boete te annuleren dan wel te verminderen;
—
de Commissie in de kosten van deze procedure te veroordelen.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster vecht de beschikking aan van de Commissie van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (Zaak nr. COMP/F/38.354 — industriële zakken), waarin verzoekster aansprakelijk werd gehouden voor een inbreuk op de mededingingsregels en veroordeeld werd tot het betalen van een boete.
Ter ondersteuning van haar verzoekschrift voert verzoekster een schending aan van artikel 81 EG, artikel 253 EG en artikel 15, lid 2, van Verordening 1/2003, aangezien het dictum van de beschikking inconsistent is met de gronden van de beschikking. Volgens verzoekster wordt haar in de motivering van de bestreden beschikking geen eigen deelname aan de inbreuk verweten, terwijl haar in het dictum een inbreuk op artikel 81 EG wordt verweten.
Verzoekster voert verder een schending aan van artikel 81 EG, artikel 253 EG en artikel 23, lid 2, van Verordening 1/2003 doordat de Commissie ten onrechte heeft aangenomen dat verzoekster en Fardem Packaging B.V. een economische eenheid vormen, waardoor verzoekster ten onrechte is beboet als gevolg van een inbreuk van Fardem Packaging.
Volgens verzoekster heeft de Commissie eveneens een schending begaan van artikel 81 EG, artikel 253 EG, artikel 23, lid 2, van Verordening 1/2003 en algemene rechtsbeginselen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van willekeur, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Verzoekster voert aan dat de Commissie verzoekster aansprakelijk heeft gehouden voor een inbreuk die door Fardem Packaging is gepleegd in afwijking van andere beschikkingen van de Commissie waarin de moedermaatschappij niet aansprakelijk wordt gehouden. Eveneens werd aan verzoekster in haar hoedanigheid van moedermaatschappij een boete opgelegd die groter is dan het bedrag waarvoor de dochteronderneming die de inbreuk pleegde hoofdelijk aansprakelijk is gehouden. Verder zou verzoekster anders behandeld zijn dan de andere moedermaatschappijen die hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor inbreuken gepleegd door een dochtermaatschappij. De opgelegde boete aan verzoekster zou ook een schending vormen van het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Tenslotte, beroept verzoekster zich op een schending van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, in het bijzonder doordat er geen toepassing werd gegeven aan het in artikel 5, onder b, van die richtsnoeren bepaalde. Verzoekster voert aan dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de specifieke kenmerken van de onderneming.
Full & Egal Universal Law Academy