22.4.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 96/20
Beroep ingesteld op 22 februari 2006 — RKW tegen Commissie
(Zaak T-55/06)
(2006/C 96/37)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: RKW AG Rheinische Kunststoffwerke (Worms, Duitsland) (vertegenwoordiger: H.-J. Hellmann, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
—
nietig te verklaren de op 14 december 2005 aan verzoekster toegezonden beschikking van de Commissie (C(2005)4634 def van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG. in zaak COMP/F/38.354 — Industriezakken), voorzover die beschikking haar betreft;
subsidiair, haar geldboete te verlagen;
—
verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster komt op tegen de beschikking van de Commissie C(2005)4634 def. van 30 november 2005 in de zaak COMP/F/38.354 — Industriezakken. In de bestreden beschikking werd aan verzoekster een geldboete opgelegd wegens schending van artikel 81 EG, daar zij volgens de Commissie aan een complex van overeenkomsten en afgestemde feitelijke gedragingen in de sector industriezakken in België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Luxemburg en Nederland heeft deelgenomen.
Tot staving van haar beroep voert verzoekster aan dat de bestreden beschikking het legaliteitsbeginsel schendt. De geldboetepraktijk van de Commissie vindt geen steun in de machtigingsgrondslag van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17/1962 (1) respectievelijk artikel 23 van verordening nr. 1/2003. (2) In dit verband stelt verzoekster ook schending van het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel.
Voorts stelt verzoekster onjuiste toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17/1962 alsmede van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten. Met name de bewijsvoering en de beoordeling van de bewijzen met betrekking tot verzoekster vertonen gebreken. Bovendien is verzoekster met het oog op de bestaande beschikkingspraktijk onevenredig gestraft. Gezien de hoogte van het wegens de zwaarte van de inbreuk vastgestelde basisbedrag, klaagt verzoekster vanuit verschillende gezichtspunten over een ongelijke behandeling ten opzichte van de andere adressaten van de bestreden beschikking. Voorts stelt verzoekster rechtsfouten van de Commissie met het oog op de beoordeling van de duur van de inbreuk en de niet-inaanmerkingneming van verzachtende omstandigheden. Ten slotte voert verzoekster aan dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17/1962 ook wegens een onjuiste berekening van de geldboeten met het oog op de toepassing van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten is geschonden.
(1) EEG Raad: Verordening nr. 17: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB nr. 13, van 21 februari 1962, blz. 204).
(2) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy