22.4.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 96/25
Beroep ingesteld op 24 februari 2006 — FLSmidth tegen Commissie
(Zaak T-65/06)
(2006/C 96/43)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: FLSmidth & Co. A/S (Valby, Denemarken) (vertegenwoordiger: J.-E. Svensson, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
—
primair, nietig te verklaren de beschikking van de Commissie C(2005)4634 def. van 30 november 2005 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG in zaak COMP/F/38.354 — Industriezakken, voorzover die beschikking verzoekster betreft;
—
subsidiair, het bedrag van de geldboete waarvoor verzoekster in artikel 2 van voornoemde beschikking hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld, te bepalen op 0 EUR voorzover het verzoekster betreft;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
In de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld, dat verzoekster inbreuk op artikel 81 EG had gemaakt door deel te nemen aan een complex van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector plastic industriezakken, dat zich uitstrekte tot België, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Spanje. De inbreuk bestond in de vaststelling van prijzen en de invoering van berekeningsmodellen voor gemeenschappelijke prijzen, de verdeling van de markten en de toekenning van verkoopquota, de toewijzing van klanten, transacties en orders, de indiening van onderling afgestemde offertes met betrekking tot sommige aanbestedingen en de uitwisseling van individuele informatie.
Verzoeksters inbreuk hield verband met het gedrag van een andere onderneming, Trioplast Wittenheim AS („TW”), waarvan de deelname aan het betrokken kartel is vastgesteld. Verzoekster had aandelen in TW gehad en TW was haar 100 % dochtermaatschappij voor het grootste deel van de periode waarvoor verzoekster aansprakelijk was gesteld. Aan TW werd een geldboete opgelegd en verzoekster werd voor een gedeelte van die boete hoofdelijk aansprakelijk gesteld.
Tot staving van haar beroep stelt verzoekster om te beginnen dat de Commissie de toets voor aansprakelijkheid van de moedermaatschappij niet correct heeft toegepast, daar zij geen bewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat er met betrekking tot verzoekster sprake was van omstandigheden die een vermoeden van invloed van de moedermaatschappij op TW konden schragen. Verzoekster stelt ook dat de Commissie in elk geval niet de correcte wettelijke toets heeft toegepast, daar een strikter geheel van criteria geldt in een situatie als de onderhavige waarin volgens de Commissie TW's deelname aan het kartel een aanvang nam lang voordat zij door verzoeksters dochtermaatschappij werd gekocht, en daarmee na haar verkoop bleef doorgaan. Hoe dan ook, verzoekster is van mening dat zij heeft bewezen dat TW onafhankelijk haar eigen gedrag op de markt bepaalde en geen instructies van verzoekster uitvoerde.
Verzoekster betoogt ook dat het discriminerend, onevenredig en willekeurig is om haar aansprakelijk te stellen, aangezien bij geen van de andere bij de beschikking betrokken groepen de dochtermaatschappij, de moedermaatschappij en grootmoedermaatschappij aansprakelijk werden gesteld, zoals met TW en verzoekster is gebeurd. Bovendien, ook al had TW voordien deel uitgemaakt van een andere groep, de Commissie heeft geen lid van die andere groep aansprakelijk gesteld voor TW's deelname aan het kartel. Ten slotte is de aan verzoekster toegerekende aansprakelijkheid onevenredig, aangezien verzoekster aansprakelijk werd gesteld voor 85,7 % van de aan TW opgelegde geldboete hoewel zij gedurende niet meer dan 8 van de in totaal 20 jaar waarin TW vermoedelijk aan het kartel had deelgenomen, daarin aandelen had gehad.
Verzoekster beroept zich ook op laatstgenoemde argumenten tot staving van haar subsidiaire vordering tot verlaging van de aan haar opgelegde geldboete. Zij betoogt verder dat de aan haar opgelegde geldboete excessief is, aangezien de Commissie voor verzoekster geen apart basisbedrag van de geldboete heeft bepaald waarbij ermee rekening werd gehouden dat zij niet aansprakelijk was. Zij stelt ook dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld door geen rekening te houden met bepaalde verzachtende omstandigheden te haren gunste.
Tot slot stelt verzoekster dat de Commissie nog meer onrechtmatig heeft gehandeld door TW aansprakelijk te stellen voor de periode van 1982 tot en met 1988, door aan laatstgenoemde een geldboete op te leggen die onevenredig en excessief is en meer dan 10 % van de maximale omzet bedraagt, en door verzoekster als secundaire aansprakelijke partij niet te laten profiteren van de aan de primair aansprakelijke partij, TW, toegekende clementie, of althans haar op grond van de mededeling inzake medewerking een onafhankelijke verlaging van de geldboeten te verlenen.
Full & Egal Universal Law Academy