3.6.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 131/47
Beroep ingesteld op 10 april 2006 — Fjord Seafood Norway e.a. tegen Raad
(Zaak T-113/06)
(2006/C 131/87)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoeksters: Fjord Seafood Norway AS (Oslo, Noorwegen), Fjord Seafood Scotland Farming Ltd (Isle of Lewis, Verenigd Koninkrijk), Alsaker Fjordbruk AS (Onarheim, Noorwegen) (vertegenwoordigers: J. Juuhl-Langseth en P. Dyrberg, advocaten)
Verweerder: Raad van de Europese Unie
Conclusies van verzoeksters
—
verordening nr. 85/2006 van de Raad nietig te verklaren, voorzover zij betrekking heeft op Fjord Seafood Norway AS;
—
de Raad te verwijzen in verzoeksters' kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters exporteren gekweekte zalm van Noorwegen naar de Gemeenschap dan wel produceren deze in de Gemeenschap. Bij de bestreden verordening worden antidumpingrechten ingesteld op gekweekte zalm uit Noorwegen.
Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters in de eerste plaats aan dat de bestreden verordening het begrip bedrijfstak van de Gemeenschap onjuist definieert en toepast. Verzoeksters betogen dat de bestreden verordening de schadelijdende bedrijfstak van de Gemeenschap zo heeft gedefinieerd dat deze minder dan 5 % van de totale productie in de Gemeenschap omvatte, in het bijzonder op grond dat andere producenten in de Gemeenschap eigendom zijn van of verbonden zijn aan Noorse belangen. Zij stellen dat de bestreden verordening bijgevolg inbreuk heeft gemaakt op de EER-overeenkomst, inzonderheid op het beginsel van de vrijheid van vestiging, het vrije verkeer van kapitaal en de non-discriminatie op grond van nationaliteit, op de basisverordening (1), en op artikel 253 EG.
Verzoeksters brengen voorts tegen de bestreden verordening in, dat daarin de bedrijfstak van de Gemeenschap zo is gedefinieerd dat deze enkel producenten van gekweekte zalm omvat. Zij stellen dat de definitie ook de verwerkende industrie had moeten omvatten, aangezien de betrokken zalm ook wordt verwerkt en bij de opgelegde rechten met de verwerkingskosten rekening is gehouden.
Verzoeksters betogen voorts dat de bestreden verordening de dumping en de schade onjuist heeft beoordeeld, door zich te baseren op gegevens die betrekking hebben op de 25 EU-lidstaten, hoewel de EU tijdens het grootste deel van de onderzochte periode uit 15 lidstaten bestond. Het gedrag van Noorse exporteurs, vóór 1 mei 2004, op de markten van de tien nieuwe lidstaten, die geen gekweekte zalmindustrie hebben, kan niet worden gezien als een dumping die de bedrijfstak van de gemeenschap schade toebrengt.
Voorts betogen verzoeksters dat de steekproeven die bij de klagers en de Noorse exporteurs zijn uitgevoerd, niet representatief zijn, dat in de bestreden verordening niet is aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer uit Noorwegen en de schade, en dat daarin niet is onderzocht of schade als gevolg van invoer uit de Verenigde Staten en Canada niet aan invoer uit Noorwegen is toegeschreven. Zij stellen eveneens dat de bestreden verordening ten onrechte het verlies van marktaandeel door de bedrijfstak van de Gemeenschap automatisch met schade heeft gelijkgesteld, dat de bij de berekening van de rechten toegepaste wisselkoersen onjuist waren, dat de grondslag voor de invoerprijzen voor filets onjuist is, en dat er in dat verband onvoldoende transparantie was. Ten slotte betogen zij dat de productiekosten van verzoekster Fjord Seafood Norway onjuist zijn vastgesteld.
(1) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy