2.9.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 212/38
Beroep ingesteld op 17 juli 2006 — Solvay/Commissie
(Zaak T-186/06)
(2006/C 212/67)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Solvay SA (Brussel, België) (vertegenwoordigers: O. W. Brouwer, D. Mes, advocaten, M. O'Regan en A. Villette, Solicitors)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
—
geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren de artikelen 1, 2 en 3 van de beschikking van de Commissie van 3 mei 2006 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak Comp/F/38.620 — Waterstofperoxide en perboraat), voor zover deze verzoekster betreft, in het bijzonder voor zover daarbij wordt vastgesteld dat verzoekster inbreuk heeft gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de EER-overeenkomst a) tussen 31 januari 1994 en augustus 1997, en b) tussen 18 mei en 31 december 2000;
—
de aan verzoekster en aan Solvay Solexis SpA krachtens de beschikking opgelegde geldboeten nietig te verklaren dan wel aanzienlijk te verlagen;
—
verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure, met inbegrip van verzoeksters kosten in verband met de gehele of gedeeltelijke betaling van de geldboete of de stelling van een bankgarantie;
—
alle andere maatregelen te nemen die het Gerecht vermeent te behoren.
Middelen en voornaamste argumenten
Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat verzoekster inbreuk had gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte door deel te nemen aan een waterstofperoxide- en natriumperboraatkartel, dat voornamelijk bestond in de uitwisseling van informatie tussen concurrenten over prijzen en verkoopvolumes, prijsafspraken, afspraken over verlaging van de productiecapaciteit in de EER en toezicht op de mededingingsverstorende afspraken.
Verzoekster stelt dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat Solvay inbreuk had gemaakt op artikel 81 EG tussen augustus 1997 en 18 mei 2000, maar dat zij bij de toepassing van artikel 81 EG rechtsfouten en kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt met haar vaststelling dat Solvay een inbreuk heeft gepleegd enerzijds tussen 31 januari 1994 en augustus 1997, en anderzijds tussen 18 mei en 31 december 2000. Deze inbreuken en kennelijke beoordelingsfouten hebben met name betrekking op:
a)
onjuiste toepassing van de begrippen „overeenkomst”, „onderling afgestemde feitelijke gedraging” en „één enkele voortdurende inbreuk”;
b)
geen genoegzaam bewijs van verzoeksters deelneming aan een kartel in andere dan door verzoekster erkende perioden;
c)
vermoeden van na 18 mei 2000 voortdurende mededingingsverstorende gevolgen; en
d)
onjuiste analyse van het bewijsmateriaal in het dossier met betrekking tot voornoemde perioden.
Verzoekster stelt voorts dat de Commissie bij de berekening van de geldboete verschillende rechtsfouten en kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de toepassing van haar mededeling inzake medewerking van 2002 (1) en verordening nr. 1/2003 (2), ook met betrekking tot:
a)
het juiste tijdstip van de verzoeken om een vermindering van de geldboeten en/of het verstrekken daarbij van bewijsmateriaal met significant toegevoegde waarde;
b)
de beoordeling van de toegevoegde waarde van het door verzoekster verstrekte bewijsmateriaal, en
c)
het niveau van de aan verzoekster verleende vermindering van de geldboete waarbij volgens Solvay kennelijk geen rekening werd gehouden met de omvang van het door haar verstrekte bewijsmateriaal, of met haar aanzienlijke en onafgebroken medewerking.
Verder betoogt verzoekster dat de geldboete buitensporig en onevenredig was en dat de Commissie haar berekening van de geldboete niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd.
Bovendien stelt verzoekster dat de Commissie onrechtmatig een geldboete aan verzoeksters dochtermaatschappij, Solvay Solexis SpA, heeft opgelegd.
Ten slotte voert verzoekster aan dat de Commissie wezenlijke vormvoorschriften en de rechten van de verdediging heeft geschonden door geen volledige inzage in het dossier te verlenen en door geen toegang te geven tot de niet-vertrouwelijke versies van de antwoorden van andere partijen bij de administratieve procedure op de mededelingen van punten van bezwaar.
(1) Mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3).
(2) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy