28.10.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 261/19
Beroep ingesteld op 4 augustus 2006 — Total en Elf Aquitaine/Commissie
(Zaak T-206/06)
(2006/C 261/37)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Total SA en Elf Aquitaine (Courbevoie, Frankrijk) (vertegenwoordigers: E. Morgan de Rivery, advocaat, en S. Thibault-Liger, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeksters
—
primair, nietig te verklaren de artikelen 1, sub c en d, 2, sub b, 3 en 4 van beschikking C(2006) 2098 def van de Commissie van 31 mei 2006;
—
subsidiair, te herzien artikel 2, sub b, van beschikking C(2006) 2098 def van de Commissie van 31 mei 2006, voor zover Arkema SA, Altuglas International SA en Altumax Europe SAS daarin gezamenlijk en hoofdelijk worden veroordeeld tot een geldboete van 219 131 250 EUR, waarvoor Total SA en Elf Aquitaine gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn ten belope van respectievelijk 140 400 000 EUR en 181 350 000 EUR, en het bedrag van de betrokken geldboete tot een passend bedrag te verlagen;
—
de Commissie in elk geval te verwijzen in alle kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vorderen verzoeksters gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 2098 def van de Commissie van 31 mei 2006, waarbij de Commissie heeft vastgesteld dat de ondernemingen waartoe de beschikking is gericht, waaronder verzoeksters, inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/38.645 — Methacrylaten), door deel te nemen aan een samenstel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector methacrylaten, te weten besprekingen over de prijs, het maken, uitvoeren en controleren van prijsafspraken, de uitwisseling van commercieel belangrijke informatie en vertrouwelijke informatie over de markten en/of ondernemingen en ook deelname aan geregelde bijeenkomsten en andere contacten om de inbreuk te vergemakkelijken. Subsidiair vorderen zij verlaging van het bedrag van de aan hun dochteronderneming opgelegde geldboete, waarvoor zij gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Primair berust het beroep op negen middelen tot nietigverklaring.
Het eerste middel steunt op schending van de rechten van verweer en van het beginsel van vermoeden van onschuld. Verzoeksters betogen dat de bestreden beschikking is vastgesteld in het kader van een administratieve procedure waarin zij geen doeltreffend verweer hebben kunnen voeren voor zover de Commissie, in strijd met het beginsel van gelijke wapens, de op haar rustende bewijslast heeft miskend.
Met het tweede middel stellen verzoeksters zich op het standpunt dat de bestreden beschikking de motiveringsplicht schendt, te meer door de Commissie een nieuw standpunt heeft ingenomen. Zij betogen dat de bestreden beschikking, doordat zij hen veroordeelt voor de door hun dochteronderneming begane litigieuze inbreuk, de toerekening van aansprakelijkheid enkel baseert op een vermoeden dat verzoeksters een doorslaggevende invloed op hun dochteronderneming uitoefenen omdat zij bijna 100 % van haar kapitaal in handen hebben, zonder enige feitelijke overweging die dit vermoeden kan rechtvaardigen of bevestigen. Bovendien stellen zij dat de bestreden beschikking bepaalde contradicties bevat die voortvloeien uit de verwarring tussen het begrip onderneming/economische eenheid die aansprakelijk is voor een inbreuk en het begrip juridische eenheid die addressaat is van een beschikking. In de context van dit middel verwijten verzoeksters de Commissie eveneens dat zij heeft nagelaten afdoende te antwoorden op hun argumenten inzake de zelfstandigheid van hun dochteronderneming.
Met het derde middel betogen verzoeksters dat de Commissie met haar beschikking is voorbijgegaan aan het feit dat in artikel 81 EG en 23, lid 2, van verordening 1/2003 (1) hetzelfde begrip onderneming wordt gehanteerd.
Met het vierde middel betogen zij dat de Commissie de regels in verband met de toerekenbaarheid aan moedervennootschappen van door hun dochterondernemingen begane inbreuken, heeft geschonden. De Commissie heeft de beperkte omvang van haar bevoegdheid bij de vaststelling van het toerekenbaarheidscrtiterium miskend door een verkeerde uitlegging aan de rechtspraak ter zake te geven en door te handelen in strijd met haar beschikkingspraktijk ter zake. Volgens verzoeksters heeft de Commissie bovendien het beginsel van zelfstandigheid van de rechtspersoon geschonden.
Het vijfde middel berust op schending van de fundamentele beginselen die door alle lidstaten zijn erkend en deel uitmaken van de communautaire rechtsorde, zoals het non-discriminatiebeginsel, het beginsel van aansprakelijkheid voor eigen handelen, het beginsel dat alleen de dader wordt bestraft en het legaliteitsbeginsel.
Met het zesde middel betogen verzoeksters dat de Commissie het beginsel van goed bestuur heeft geschonden.
Het zevende middel berust op de beweerde schending door de Commissie van het beginsel van rechtszekerheid ten aanzien van verzoeksters.
Met het achtste middel betogen verzoeksters dat de bestreden beschikking misbruik van bevoegdheid oplevert omdat zij hen aansprakelijk stelt voor de litigieuze mededingingsregeling en hen hoofdzakelijk met hun dochteronderneming veroordeelt tot betaling van een geldboete.
In een negende middel stellen zij zich op het standpunt dat de Commissie bepaalde fundamentele beginselen inzake de vaststelling van geldboeten — zoals het beginsel van gelijke behandeling — heeft geschonden doordat zij het aan verzoeksters opgelegde aanvangsbedrag niet met 25 % heeft verlaagd, terwijl zij dit voor een andere adressaat van de beschikking wel heeft gedaan op grond van ontoereikende kennis van de globale inbreuk. Verzoeksters beroepen zich daarenboven op schending van de fundamentele beginselen van het vermoeden van onschuld en van rechtszekerheid, die volgens hen voortvloeit uit miskenning van de beperkte bevoegdheid van de Commissie ter zake van het in aanmerking nemen van het afschrikkend effect.
Subsidiair stellen verzoeksters zich op het standpunt dat de aan hun dochteronderneming opgelegde geldboete, waarvoor zij gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn, tot de juiste proporties dient te worden teruggebracht. Zij vorderen dat het aanvangsbedrag van de hun opgelegde geldboete met 25 % wordt verlaagd omdat zij geen kennis droegen van de inbreuk, en beroepen zich op verzachtende omstandigheden, aangezien zij nagenoeg op hetzelfde moment zijn veroordeeld tot betaling van zware geldboeten in twee gelijkaardige zaken.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, PB L 1, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy