16.9.2006
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 224/52
Beroep ingesteld op 8 augustus 2006 — Quinn Barlo e.a./Commissie
(Zaak T-208/06)
(2006/C 224/108)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoeksters: Quinn Barlo Ltd (County Cavan, Ierland), Quinn Plastics NV (Geel, België) en Quinn Plastics GmbH (Mainz, Duitsland) (vertegenwoordigers: W. Blau, F. Wijckmans en F. Tuytschaever, lawyers)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeksters
—
Primair, nietigverklaring van de beschikking voor zover erin is vastgesteld dat verzoeksters artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst hebben geschonden (nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 voor zover zij verzoeksters betreffen);
—
subsidiair, nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking voor zover dit verzoeksters betreft;
—
meer subsidiair, nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking voor zover dit aan verzoeksters een boete oplegt van 9 miljoen EUR en verlaging van de boete overeenkomstig de argumenten van deze vordering;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters verzoeken om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 2098 def. van de Commissie van 31 mei 2006 in zaak COMP/F/38.645 — Methacrylaten, waarin de Commissie heeft vastgesteld dat verzoeksters artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst hebben geschonden door deel te nemen aan een mededingingsregeling, bestaande in het bespreken van prijzen, de totstandbrenging, de uitvoering en het toezien op de naleving van prijsafspraken, in de vorm van prijsverhogingen, dan wel ten minste stabilisatie van bestaande prijsniveaus, de bespreking van het doorberekenen van extra servicekosten aan afnemers, de uitwisseling van commercieel belangrijke en vertrouwelijke markt- en/of bedrijfsinformatie, en de deelname aan regelmatige bijeenkomsten en andere contacten om de schending te bevorderen.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters twee middelen aan.
Ten eerste betogen verzoeksters dat de bestreden beschikking onjuist is, omdat daarin geen bewijs wordt geleverd dat zij hebben deelgenomen aan een op zichzelf staande en gemeenschappelijke mededingingsregeling en een voortdurende inbreuk. Bovendien is de rol van de vertegenwoordigers van verzoeksters tijdens vier specifieke bijeenkomsten verkeerd beoordeeld en bevat de bestreden beschikking geen bewijs, los van verzoeksters aanwezigheid op deze vier bijeenkomsten, dat verzoeksters zich schuldig hebben gemaakt aan gedragingen die in de bestreden beschikking als onwettig worden aangemerkt.
Ten tweede beroepen verzoeksters zich op schending van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 (1), als gevolg van een onjuiste beoordeling van de duur van de gestelde schending, een onjuiste beoordeling van de ernst van de gestelde schending en een onjuiste beoordeling van de verzachtende omstandigheden.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003 L 1, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy