27.1.2007
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 20/34
Beroep ingesteld op 15 december 2006 — Pegler/Commissie
(Zaak T-386/06)
(2007/C 20/51)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Pegler Ltd (Doncaster, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: R. Thompson, QC, en A. Collinson, solicitor)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
—
de artikelen 1 en 3 van beschikking COMP/F-1/38.121 nietig te verklaren wat verzoekster betreft; en
—
artikel 2, sub h, van de beschikking nietig te verklaren, voor zover verzoekster daarbij hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete;
—
subsidiair, te gelasten dat de krachtens artikel 2, sub h, van de beschikking opgelegde geldboete wordt verminderd tot 5, 2 miljoen EUR; en
—
te gelasten dat de geldboete tot betaling waarvan verzoekster krachtens artikel 2, sub h, hoofdelijk wordt veroordeeld, wordt verminderd tot 1, 7 miljoen EUR;
—
de verwerende partij hoe dan ook te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster verzoekt om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2006) 4180 def. van 20 september 2006 in zaak COMP/F-1/38.121 — Fittingen, waarbij de Commissie heeft vastgesteld dat verzoekster, tezamen met andere ondernemingen, artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte heeft geschonden door prijzen vast te stellen, door afspraken te maken over prijslijsten, over kortingen en rabatten en over mechanismen ter invoering van prijsverhogingen, door nationale markten te verdelen, door klanten toe te wijzen en door andere commerciële informatie uit te wisselen.
Tot staving van haar beroep betoogt verzoekster dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met bepaalde bewijsstukken van verzoekster en dat de bestreden beschikking uitsluitend aan verzoeksters voormalige moedermaatschappij Tomkins had moeten worden gericht, en wel om de volgende redenen.
Wat de periode tussen 31 december 1988 en 20 januari 1989 betreft, heeft de Commissie verzoekster louter aansprakelijk gesteld omdat zij op 20 januari 1989 de naam „Pegler Ltd” heeft verworven en omdat er tussen haar en een vennootschap van de Tomkins-holding, FHT Holdings Ltd (hierna: „FHT”), een lastgevingsverhouding bestond, waarbij verzoekster geen van de onderliggende activa, werknemers of schulden heeft overgenomen, inactief is gebleven en in haar hoedanigheid van lasthebber van FHT geen vergoeding heeft ontvangen.
Wat de periode tussen 20 januari 1989 en 29 oktober 1993 betreft, voert verzoekster aan dat de Commissie haar aansprakelijk heeft gehouden voor handelingen die zij enkel als lasthebber van FHT zou hebben kunnen verrichten, waarbij FHT de eigenaar was van alle onderliggende activa en instond voor de werknemers en de schulden van het „Pegler”-bedrijf.
Volgens verzoekster heeft de Commissie niet duidelijk gepreciseerd wie de adressaat van de bestreden beschikking is, maar heeft zij integendeel haar beschikking met betrekking tot dezelfde feiten aan twee verschillende ondernemingen gericht.
Verzoekster betoogt verder dat de Commissie in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, met artikel 23 van verordening nr. 1/2003 (1) en met de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten (2) twee verschillende ondernemingen hoofdelijk heeft veroordeeld tot betaling van een geldboete die niet is vastgesteld op grond van hun beider individuele omstandigheden, maar op grond van de specifieke omstandigheden van slechts één van hen, namelijk Tomkins.
Subsidiair betoogt verzoekster dat de Commissie heeft gehandeld in strijd met de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, met haar eigen vaste praktijk en met de beginselen van non-discriminatie en van gelijke behandeling door zich bij de berekening van de aan verzoekster opgelegde geldboete te baseren op de individuele omstandigheden van een andere onderneming, te weten Tomkins. Verzoekster stelt ten slotte dat de Commissie de geldboete verkeerd heeft berekend.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
(2) Mededeling van de Commissie van 14 januari 1998 getiteld „Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd” (PB 1998, C 9, blz. 3).
Full & Egal Universal Law Academy