BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
15 december 2009 ( *1 )
In zaak T-107/06,
Inet Hellas Ilektroniki Ipiresia Pliroforion EPE (Inet Hellas), gevestigd te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door V. Chatzopoulos, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Zavvos en E. Montaguti als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking die zou zijn vervat in de brief van de Commissie van 31 januari 2006 betreffende de afwijzing door de met de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-topniveaudomein belaste entiteit van het door verzoekster ingediende verzoek om registratie van de domeinnaam „co.” als domeinnaam op het tweede niveau,
geeft
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. Prek en V. M. Ciucă (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Toepasselijke bepalingen
1
De toepasselijke regeling omvat twee verordeningen: een basisverordening, namelijk verordening (EG) nr. 733/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 22 april 2002 betreffende de invoering van het .eu-topniveaudomein (PB L 113, blz. 1), en een uitvoeringsverordening, namelijk verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie van 28 april 2004 tot vaststelling van regels met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het .eu-topniveaudomein en de beginselen inzake registratie (PB L 162, blz. 40), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1654/2005 van de Commissie van 10 oktober 2005 (PB L 266, blz. 35).
Verordening nr. 733/2002
2
Punt 1 van de considerans van verordening nr. 733/2002 luidt:
„De invoering van het .eu-topniveaudomein (TLD) is als een van de doelstellingen om de elektronische handel te versnellen opgenomen in het initiatief e-Europe, zoals bekrachtigd door de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst in Lissabon op 23 en 24 maart 2000.”
3
Punt 13 van de considerans van verordening nr. 733/2002 stelt:
„[…] de Commissie [dient] op basis van een open, doorzichtige en niet-discriminerende selectieprocedure een register aan te wijzen. De Commissie moet een contract sluiten met het geselecteerde register. Dit contract moet de voorwaarden bevatten die van toepassing zijn op het register voor wat de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-TLD betreft.”
4
Artikel 2, sub a, van verordening nr. 733/2002 definieert „register” als „de instantie die wordt belast met de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-TLD, met inbegrip van het onderhoud van de daarmee verbonden databanken en de bijbehorende openbare raadplegingsdiensten, de registratie van domeinnamen, de exploitatie van het register van domeinnamen, de exploitatie van de TLD-naamservers van het register en de verspreiding van de TLD-zonebestanden”.
5
Artikel 3 van verordening nr. 733/2002, met het opschrift „Kenmerken van het register”, bepaalt:
„1. De Commissie zorgt
a)
[…] voor de vaststelling van de criteria en de procedure voor de aanwijzing van het register;
b)
[…] voor de aanwijzing van het register, na een oproep aan belangstellenden in het [Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen] te hebben bekendgemaakt en de procedure met betrekking tot deze oproep te hebben afgerond;
c)
[…] voor de totstandkoming van een overeenkomst waarin de voorwaarden voor het toezicht van de Commissie op de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-TLD door het register worden gespecificeerd. […]
3. Met voorafgaande goedkeuring van de Commissie sluit het register een passende overeenkomst voor de delegatie van het .eu-ccTLD. […]”
6
Artikel 4 van verordening nr. 733/2002, met het opschrift „Verplichtingen van het register” bepaalt:
„Het register houdt zich aan de voorschriften, het beleid en de procedures die in deze verordening zijn vastgelegd, alsmede aan de contracten bedoeld in artikel 3. Het register volgt doorzichtige en niet-discriminerende procedures […].”
7
Artikel 5 van verordening nr. 733/2002, met het opschrift „Beleidskader”, bepaalt:
„1. De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 3, en na raadpleging van het register regels vast met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het .eu-TLD, alsmede de beginselen van het overheidsbeleid inzake registratie. Het overheidsbeleid omvat onder meer:
a)
het beleid inzake de buitengerechtelijke beslechting van geschillen;
b)
het beleid inzake speculatie en misbruik bij de registratie van domeinnamen, met name de mogelijkheid om tijdelijk door middel van een stapsgewijze registratie van domeinnamen houders van oudere rechten, die in de nationale en/of communautaire wetgeving zijn erkend of ingesteld, alsook overheidsinstanties in de gelegenheid te stellen hun namen te registreren;
c)
het beleid inzake mogelijke intrekking van domeinnamen, met inbegrip van de kwestie van bona vacantia;
d)
de behandeling van vraagstukken in verband met taal en geografische concepten;
e)
de behandeling van de intellectuele eigendom en andere rechten.
[…]”
8
Artikel 7 van verordening nr. 733/2002 luidt: „De Commissie behoudt alle rechten die aan het .eu-TLD zijn verbonden, zoals met name de intellectuele eigendomsrechten en andere rechten op de registerdatabanken die voor de uitvoering van deze verordening vereist zijn, alsmede het recht om het register opnieuw aan te wijzen.”
Verordening nr. 874/2004
9
Verordening nr. 874/2004 is volgens de inleiding ervan gebaseerd op „verordening [nr. 733/2002], en met name op artikel 5, lid 1”.
10
Punt 5 van de considerans van verordening nr. 874/2004 luidt:
„Teneinde een betere bescherming van de rechten van de consument te waarborgen, en onverminderd de communautaire voorschriften inzake bevoegdheid en toepasselijk recht, dient het toepasselijk recht in geschillen tussen registrators en registreerders over aangelegenheden betreffende communautaire eigendomsrechten, het recht van een van de lidstaten te zijn.”
11
Artikel 8 van verordening nr. 874/2004, zoals gewijzigd, met het opschrift „Reservering van namen door landen en alfa-2-codes die voor landen staan”, bepaalt:
„1. De in de lijst in de bijlage bij deze verordening opgenomen namen worden uitsluitend door de in de lijst vermelde landen als domeinnaam op het tweede niveau rechtstreeks onder het .eu-TLD gereserveerd of geregistreerd.
2. Alfa-2-codes die voor landen staan worden niet als domeinnaam op het tweede niveau rechtstreeks onder het .eu-TLD geregistreerd.”
12
Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 874/2004 bepaalt:
„De houders van oudere rechten die in het nationale en/of communautaire recht zijn erkend of ingesteld en overheidsinstanties kunnen gedurende een periode van stapsgewijze registratie voordat de algemene registratie van het .eu-TLD begint, aanvragen voor de registratie van domeinnamen indienen.
[…]”
13
Artikel 22, lid 1, van verordening nr. 874/2004 bepaalt:
„Een ADR-procedure kan door elke partij worden ingeleid wanneer:
[…]
b)
een door het register genomen beslissing strijdig is met deze verordening of met verordening […] nr. 733/2002.
2.
Deelname aan de ADR-procedure is verplicht voor de houder van een domeinnaam en het register.
[…]
11.
[…]
In het geval van een procedure tegen het register beslist het ADR-panel of een door het register genomen beslissing strijdig is met deze verordening of met verordening […] nr. 733/2002. Het ADR-panel beslist dat de beslissing nietig wordt verklaard en kan indien passend beslissen de desbetreffende domeinnaam over te dragen, in te trekken of toe te kennen, mits indien nodig wordt voldaan aan de algemene criteria om in aanmerking te komen die zijn vermeld in artikel 4, lid 2, onder b), van verordening […] nr. 733/2002.
[…]
13.
De resultaten van ADR zijn bindend voor de partijen en het register, tenzij er binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van het resultaat van de ADR-procedure aan de partijen een gerechtelijke procedure wordt ingeleid.”
Feiten
14
Het domeinnaamsysteem (Domain Name System) maakt navigeren op het internet mogelijk door de domeinnamen te koppelen aan nummers die de op het internet aangesloten computers identificeren. Het beheer van de technische aspecten van deze dienst wordt gecoördineerd door een organisatie zonder winstoogmerk naar Californisch recht (Verenigde Staten), namelijk de „Internet Corporation for Assigned Names and Numbers” (hierna: „ICANN”). Deze zorgt ook voor het beheer van het systeem van de root-servers en van het topniveaudomein. Het topniveaudomein (Top Level Domain; hierna: „TLD”) groepeert een geheel van op het internet aangesloten computers. Het komt rechts in elke domeinnaam en bestaat uit een punt en een speciale code, een punt en een generische code, bijvoorbeeld „.com”, „.net” of „.org”, of een punt en een geografische code, bijvoorbeeld „.lu”.
15
Op 21 maart 2005 heeft de raad van bestuur van ICANN de president van ICANN en de algemene vergadering van ICANN gemachtigd een overeenkomst te sluiten over de delegatie van het beheer van het .eu-TLD met het European Registry for Internet Domains (hierna: „EURid”), een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangewezen vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht [zie beschikking 2003/375/EG van de Commissie van 21 mei 2003 tot aanwijzing van het register voor het .eu-topniveaudomein (PB L 128, blz. 29)].
16
Verzoekster, Inet Hellas Ilektroniki Ipiresia Pliroforion EPE (Inet Hellas), is een vennootschap die zich bezighoudt met telecommunicatiediensten op internet. Zij registreert met name voor derden domeinnamen als „”, daar zij het domein van het tweede niveau „.co” van het gr-TLD beheert.
17
Op 17 april 2001 heeft verzoekster bij het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) een aanvraag tot inschrijving van het merk CO als gemeenschapsmerk ingediend op grond van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1)].
18
Op 5 augustus 2002 is het gemeenschapsmerk CO door het BHIM ingeschreven onder het nummer 2191500.
19
Op 7 december 2005 heeft verzoekster bij het EURid een aanvraag tot registratie van de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD ingediend.
20
Het EURid heeft geweigerd de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD te registreren. Bij brief van 7 december 2005 heeft het EURid aan verzoekster geantwoord dat de registratie van de betrokken domeinnaam ingevolge de verordeningen nr. 733/2002 en nr. 874/2004 uitgesloten was, omdat de landcodes niet als domeinnaam op het tweede niveau kunnen worden geregistreerd en omdat de twee letters van het achtervoegsel „.co” overeenkwamen met de alfa-2-code voor Colombia.
21
In reactie op de weigering van het EURid om de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD te registreren heeft verzoekster zich op 23 december 2005 tot de Commissie gewend en uiteengezet waarom zij deze weigering in strijd met de regels van de Unie vond.
22
De Commissie heeft op die brief geantwoord bij brief van 31 januari 2006 (hierna: „bestreden handeling”), waarvan verzoekster op 13 februari 2006 kennis is gegeven. In de bestreden handeling heeft de Commissie aan verzoekster eerst uitgelegd dat de verordeningen nr. 733/2002 en nr. 874/2004 voorzien in een ADR-procedure die kan worden gebruikt met name wanneer een door het register genomen beslissing in strijd is met verordening nr. 733/2002 of verordening nr. 874/2004. Vervolgens heeft de Commissie erop gewezen dat zij niet als beroepsinstantie kon optreden voor de door het register genomen beslissingen, zodat zij „de beslissing van [het] EURid niet kon wijzigen”. De Commissie heeft evenwel gepreciseerd dat, voor zover haar contacten met het EURid de uitlegging van verordening nr. 874/2004 betreffen, zij verzoekster bepaalde verduidelijkingen verschafte die voor verzoekster nuttig konden zijn. De Commissie heeft ook haar uitlegging van de toepasselijke bepalingen gegeven en verzoeksters argumenten beantwoord. Ten slotte is de Commissie tot de conclusie gekomen dat, ook al begreep zij volstrekt verzoeksters belang bij registratie van de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD, zij de beslissing van het EURid van 7 december 2005 tot weigering van de registratie van deze domeinnaam alleen maar kon ondersteunen.
Procesverloop en conclusies van partijen
23
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 april 2006, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
24
Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Vijfde kamer, waarop de onderhavige zaak aan die kamer is toegewezen.
25
In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het Gerecht de Commissie verzocht een document over te leggen. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. Bij op 8 april 2009 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoekster haar opmerkingen over dat document ingediend.
26
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
de ongeldigheid van de bestreden handeling vast te stellen;
—
de bestreden handeling nietig te verklaren;
—
de Commissie te verwijzen in de kosten.
27
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
—
subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
—
verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
28
Volgens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, met inachtneming van de in artikel 114, leden 3 en 4, van dat Reglement gestelde voorwaarden, in iedere stand van het geding ambtshalve, na partijen te hebben gehoord, uitspraak doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn. In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de processtukken en beslist het dus zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan uitspraak te doen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid ontleend aan het ontbreken van een voor beroep vatbare handeling, waarover partijen in hun memories opmerkingen hebben gemaakt.
Argumenten van partijen
29
Zonder bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, stelt de Commissie in de eerste plaats dat er in casu geen handeling is, die bindende rechtsgevolgen in het leven kan roepen welke verzoeksters belangen kunnen aantasten doordat zij haar positie aanmerkelijk wijzigen.
30
Volgens de Commissie vormt de bestreden handeling, zoals duidelijk blijkt uit de analyse van de inhoud ervan, een „advies van de Commissie”, dat alleen de gevolgde procedure verduidelijkt. Zij is geenszins een beslissing van een bevoegd orgaan en evenmin blijkt ergens uit dat de Commissie de bedoeling had om een dergelijke beslissing te nemen. Voorts, aldus de Commissie, heeft verzoekster, voor zover de bestreden handeling voor haar geen bindende rechtsgevolgen heeft, geen enkel belang om de nietigverklaring ervan te vorderen.
31
De Commissie stelt dat de door de bestreden handeling gegeven preciseringen verzoeksters rechtspositie niet wijzigen en haar evenmin beletten de mogelijke beroepswegen te gebruiken of de ADR-procedure voor de beslechting van geschillen in de zin van artikel 22 van verordening nr. 874/2004 aan te wenden.
32
Volgens de Commissie is de beslissing van het EURid houdende weigering de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD te registreren een autonome uitvoeringshandeling, die als zodanig verzoeksters rechten en plichten kan aantasten zonder dat een bijkomende handeling van de Commissie noodzakelijk is.
33
In de tweede plaats betwist de Commissie verzoeksters argument dat „het beheer van het communautair register door de Commissie aan [het] EURid is opgedragen” en tussen hen sprake is van een lastgeving. Volgens de Commissie is dit een onjuiste uitlegging van de rechtsverhouding tussen haar en het EURid en van de verdeling van de door de wetgever van de Unie gegeven taken en opdrachten.
34
De Commissie sluit ook de toepassing op het onderhavige geding uit van de rechtspraak betreffende de handelingen van de instanties waaraan bevoegdheid is gedelegeerd, aangezien zij in casu niet het delegerende gezag is.
35
In de derde plaats stelt de Commissie dat het door de verordeningen nr. 733/2002 en nr. 874/2004 ingevoerde systeem voorziet in een toereikende rechtsbescherming van de belanghebbenden, die een handeling van het register willen betwisten. Elke betrokkene kan enerzijds bij de nationale rechter beroep instellen en anderzijds geschillen via de ADR-procedure laten regelen [artikel 4, lid 2, sub d, van verordening nr. 733/2002 („gerechtelijke stappen”) en artikel 22 van verordening nr. 874/2004 (procedure voor alternatieve geschillenbeslechting)].
36
In de vierde plaats is de Commissie van mening dat verzoeksters stelling dat het onderhavige geding de reikwijdte van de aan het gemeenschapsmerk verleende bescherming betreft en het Gerecht overeenkomstig verordening nr. 40/94 dus de bevoegde rechterlijke instantie voor deze geschillen is, ongegrond is gelet op de in artikel 63 van verordening nr. 40/94 (thans artikel 65 van verordening nr. 207/2009) gestelde voorwaarden.
37
In de eerste plaats antwoordt verzoekster dat de bestreden handeling een voor beroep tot nietigverklaring vatbare handeling is. De vorm waarin handelingen zijn vastgesteld, heeft namelijk geen invloed op de „mogelijkheid ze in een beroep tot nietigverklaring aan te vechten”; alleen beslissend is of de bestreden handeling bindende gevolgen heeft, hetgeen aan de inhoud ervan moet worden getoetst. Verzoekster voegt eraan toe dat volgens vaste rechtspraak de rechtskwalificatie van de handelingen van de instellingen uitgaat van objectieve criteria op basis van de normatieve inhoud van deze handelingen en niet van de titel of de aangegeven wil van de auteur ervan.
38
Bovendien stelt verzoekster dat volgens vaste rechtspraak „slechts sprake is van een voor beroep vatbare handeling in geval van maatregelen die aan het einde van die procedure het standpunt van de Commissie of van de Raad definitief vastleggen, met uitsluiting van tussentijdse maatregelen die de voorbereiding van de eindbeschikking tot doel hebben”. In casu vloeit uit de bestreden handeling voort dat de Commissie geenszins de bedoeling had later met het oog op de vaststelling van een eindbeschikking een nieuw diepgaander onderzoek ten gronde te verrichten.
39
In de tweede plaats betwist verzoekster het „ontbreken van bevoegdheid” van de Commissie ter zake, aangezien dit zou neerkomen op een negatie van haar rol van toezicht op het beheer van het .eu-TLD.
40
Volgens verzoekster geeft verordening nr. 733/2002 de Commissie namelijk een belangrijke rol in de organisatie en de werking van, alsook het toezicht op de met de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-TLD belaste entiteit. Meer bepaald zorgt de Commissie krachtens artikel 3 van verordening nr. 733/2002 voor de vaststelling van de criteria en de procedure voor de aanwijzing van het register, voor de aanwijzing ervan en voor de totstandkoming van een overeenkomst ermee. Deze overeenkomst heeft met name tot doel „de voorwaarden voor het toezicht van de Commissie op de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-TLD door het register” overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub c, van verordening nr. 733/2002 te specificeren.
41
Verzoekster merkt ook op dat de verordening niet de mate van toezicht door de Commissie definieert. Deze is gepreciseerd in het arrest van het Hof van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit (9/56, Jurispr. blz. 11), waarin is verklaard dat alleen nauwkeurig omschreven uitvoerende bevoegdheden mogen worden overgedragen, waarvan de uitoefening geheel aan de controle van de Commissie is onderworpen. Wanneer een rechtsonderhorige wordt benadeeld door handelingen of door verzuim van de entiteit waaraan bevoegdheden zijn overgedragen, is dus niet deze entiteit, die alleen uitvoerende bevoegdheden uitoefent, voor deze handelingen of dit verzuim aansprakelijk of verweerder in rechte, maar wel de Commissie die het „toezicht ten gronde” uitoefent.
42
Verzoekster leidt uit dat arrest af dat de handelingen van het gedelegeerde gezag moeten worden gelijkgesteld met handelingen van het delegerende gezag en op dezelfde grond als deze laatste kunnen worden betwist. Dat volgt uit het feit dat alleen de „uitvoerende bevoegdheden” in strikte zin door een instelling van de Unie aan een derde kunnen worden overgedragen, zodat deze instelling voor de handelingen van het gedelegeerde gezag juridisch aansprakelijk moet en in de praktijk kan worden gesteld. Zelfs in de veronderstelling dat zij niet automatisch aansprakelijk is voor de handelingen van derden aan wie zij bevoegdheden overdraagt, moet zij niettemin over deze derden een nauwgezet en doeltreffend toezicht uitoefenen. Verzoekster voegt eraan toe dat, gesteld dat het afgeleide recht geen enkele toezichtsplicht oplegt, deze plicht voortvloeit uit de aard en de functie van de bevoegdheidsoverdracht aan derden.
43
Voorts, aldus verzoekster, geeft de overeenkomst van 12 oktober 2004 tussen het EURid en de Commissie laatstgenoemde het recht om de overeenkomst op te zeggen wanneer het EURid zijn contractuele verplichtingen niet nakomt. Zo ook bepaalt clausule II.2.1 van de overeenkomst uitdrukkelijk dat de Commissie het EURid instructies en richtsnoeren kan geven. Ten slotte kent clausule II.12 van de overeenkomst de Commissie rechten van toezicht op het EURid toe en legt clausule I.6.8 van de overeenkomst dit laatste verplichtingen jegens de Commissie op. In het kader van haar contractuele relatie met het EURid kan de Commissie dit laatste richtsnoeren geven die het EURid moet opvolgen. Bijgevolg verbindt de bestreden handeling het EURid wat de uitlegging van de litigieuze bepalingen betreft, en sluit zij elke mogelijkheid van registratie uit van de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD, aangezien deze registratie de door het EURid met de Commissie gesloten overeenkomst zou schenden en de opzegging ervan door deze laatste zou rechtvaardigen. Uit alle aan de contractpartijen toegekende rechten en verplichtingen blijkt een hiërarchische band van toezicht van de Commissie op het EURid.
44
Verzoekster betwist bovendien het argument van de Commissie dat er een contractbepaling is die ontslag van de aansprakelijkheid van deze laatste mogelijk maakt „voor handelingen en verzuim van partijen of van hun onderaannemers bij de uitvoering van de overeenkomst behoudens uitdrukkelijke en schriftelijke bepaling”. Zij acht deze contractbepaling irrelevant, aangezien deze alleen de betrekkingen tussen de contractpartijen, namelijk de Commissie en het EURid, betreft, en niet kan worden toegepast op de betrekkingen tussen de Commissie en derden. Enerzijds regelt namelijk het Unierecht de aansprakelijkheid van de Commissie en kan de Commissie zich niet bij voorbaat aan deze aansprakelijkheid onttrekken, en anderzijds kan een contractbepaling die de aansprakelijkheid van een contractant jegens derden uitsluit, niet aan deze derden worden tegengeworpen en kunnen laatstgenoemden zich te allen tijde, zonder beperking in de tijd, beroepen op de niet-tegenwerpbaarheid ervan.
45
Verzoekster betwist het argument van de Commissie dat de handelingen van deze laatste het EURid niet binden. Dit argument is „in strijd met de logica” en onverenigbaar met de rechtsband van de Commissie met het EURid. Dat de aangestelde of degene aan wie wordt gedelegeerd, niet zou zijn gebonden door de instructies van de opdrachtgever of van degene die delegeert, is namelijk ondenkbaar. Voorts stelt de overeenkomst tussen het EURid en de Commissie deze laatste uitdrukkelijk aansprakelijk voor de richtsnoeren die zij aan het EURid geeft. Deze contractbepaling zou elke betekenis ontberen indien het EURid „onafhankelijk van de Commissie werkte”.
46
In de derde plaats beroept verzoekster zich op haar recht op effectieve rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de beschikking van de Commissie.
47
Volgens verzoekster is krachtens de artikelen 7, 220 en 230 EG de natuurlijke rechter in de onderhavige zaak het Gerecht. Aangezien verordening nr. 733/2002 door de Raad op basis van artikel 156 EG is vastgesteld, maken de oprichting en de exploitatie van het .eu-TLD namelijk kennelijk integrerend deel uit van de rechtsorde van de Unie, zodat zij onderworpen zijn aan de rechterlijke toetsing van het Hof en het Gerecht.
48
Bovendien stelt verzoekster dat artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden eenieders recht op een eerlijk proces en op de natuurlijke rechter waarborgt. De uitdrukking „natuurlijke rechter” doelt op degene die wettelijk bevoegd is om uitspraak te doen. Het Gerecht is de enige mogelijke natuurlijke rechter van een geschil naar aanleiding van de toepassing op Europees en niet op nationaal niveau van de bevoegdheden van de Europese Unie inzake het .eu-TLD.
49
Volgens verzoekster zou het ontbreken van toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van een instelling die bepaalde van haar bevoegdheden aan een privaatrechtelijke rechtspersoon heeft gedelegeerd, namelijk een leemte in de door de rechtsorde van de Unie geboden rechterlijke bescherming zijn. Deze leemte kan niet worden gecompenseerd door de mogelijkheid voor particulieren om zich tot de nationale rechter te wenden om de nietigverklaring van de handelingen van het EURid te verkrijgen.
50
Bovendien, aldus verzoekster, is het Gerecht ingevolge artikel 63 van verordening nr. 40/94 ook bevoegd voor geschillen tussen het BHIM en particulieren in het kader van de inschrijving van gemeenschapsmerken. Volgens verzoekster ligt de analogie voor de hand. Het BHIM is belast met de inschrijving van merken, terwijl het EURid het register is dat internetadressen registreert. Het verschil is dat een merk producten en diensten in de materiële wereld onderscheidt, terwijl een elektronisch adres producten en diensten in de virtuele handel of op het net onderscheidt. Ondanks een verschillende rechtsvorm en een verschillende werking in de praktijk hebben het BHIM enerzijds en het EURid anderzijds bijgevolg „parallelle taken”. Het zou onlogisch zijn als de handelingen van het BHIM aan een rechtmatigheidstoetsing door het Gerecht waren onderworpen, en die van het EURid niet. Wat het BHIM betreft, voorziet de verordening die het heeft opgericht, uitdrukkelijk in de desbetreffende procedure. Aangezien daarentegen geen enkele tekst de handelingen van het EURid aan de bevoegdheid van het Gerecht onderwerpt, zou ten minste de rechtmatigheid van de handelingen van de Commissie als „communautaire toeziende instelling” moeten worden getoetst.
51
In de vierde plaats stelt verzoekster dat zij een procesbelang heeft. De negatieve gevolgen van de bestreden handeling voor haar positie en met name de aantasting door de Commissie van het „absolute recht” op het gemeenschapsmerk CO voor zover de Commissie ten onrechte beslist dat zij niet het recht zou hebben een domeinnaam op het tweede niveau met dit merk te registreren, toont namelijk haar belang aan om nietigverklaring van de bestreden handeling te vorderen. Bovendien, aldus verzoekster, betreft het geschil de reikwijdte van de aan een gemeenschapsmerkhouder verleende bescherming. Overeenkomstig verordening nr. 40/94 is dus het Gerecht de bevoegde rechter.
52
De bestreden handeling is namelijk vastgesteld door de Commissie, die ook het orgaan van toezicht op het EURid is, in het kader van een beroep tegen een beslissing van het EURid. Het onderhavige beroep tot nietigverklaring tegen de bestreden handeling moet dus ontvankelijk worden geacht voor zover het met name haar gemeenschapsmerk CO aantast.
Beoordeling door het Gerecht
53
Volgens vaste rechtspraak zijn als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring, slechts te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. Om uit te maken of een handeling of besluit dergelijke gevolgen heeft, dient de rechter de inhoud ervan te onderzoeken (arrest Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9; arrest Gerecht van 29 januari 2002, Van Parys en Pacific Fruit Company/Commissie, T-160/98, Jurispr. blz. II-233, punt 60, en beschikking Gerecht van 2 juni 2004, Pfizer/Commissie, T-123/03, Jurispr. blz. II-1631, punt 21).
54
In casu bestaat de bestreden handeling uit een gewone brief, ondertekend door M. N., hoofd van eenheid 1 „Internet, netwerk- en informatiebeveiliging” van directoraat A „Internet, netwerkbeveiliging en algemene zaken” van het Directoraat-generaal „Informatiemaatschappij” van de Commissie, die antwoordt op een door verzoekster op 23 december 2005 aan hem gerichte brief, waarin de redenen werden uiteengezet waarom verzoekster van mening was dat de weigering van het EURid de domeinnaam „.co” te registreren als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD in strijd was met de regels van de Unie.
55
Eerst dient eraan te worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak niet volstaat dat een instelling van de Unie een brief aan de bestemmeling ervan in antwoord op een door deze geformuleerd verzoek heeft gezonden, opdat deze brief zou kunnen worden aangemerkt als een beschikking, die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring (arrest Gerecht van 22 mei 1996, AITEC/Commissie, T-277/94, Jurispr. blz. II-351, punt 50; beschikkingen Gerecht van 5 november 2003, Kronoply/Commissie, T-130/02, Jurispr. blz. II-4857, punt 42, en 14 december 2005, Arizona Chemical e.a./Commissie, T-369/03, Jurispr. blz. II-5839, punt 56).
56
Vervolgens dient te worden opgemerkt dat de Commissie zich in de bestreden handeling ertoe heeft beperkt de toepasselijke bepalingen uit te leggen en erop te wijzen dat de beslissing van het EURid haars inziens in overeenstemming met deze bepalingen was (zie punt 22 hierboven).
57
Voorts zij erop gewezen dat de beslissing houdende weigering van registratie van de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD door het EURid in zijn hoedanigheid van register van dit TLD is genomen.
58
Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat het register is ingesteld bij verordening nr. 733/2002, die de bevoegdheden ervan heeft omschreven. Volgens artikel 2, sub a, en artikel 4, lid 2, sub a, van deze verordening is het register belast met de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-TLD. Volgens artikel 4, lid 2, sub b, van deze verordening registreert het register via een geaccrediteerde registrator in het .eu-TLD domeinnamen die worden aangevraagd door bepaalde personen. Volgens artikel 4, lid 2, sub c, brengt het register een vergoeding in rekening die direct gerelateerd is aan de daadwerkelijk gemaakte kosten, en volgens artikel 4, lid 2, sub d, past het een beleid van buitengerechtelijke beslechting van geschillen toe.
59
Bovendien stelt het register volgens artikel 4, lid 2, sub e, van verordening nr. 733/2002 procedures voor de accreditering van .eu-registrators vast, voert het deze uit en waarborgt het voorts een doeltreffende en eerlijke mededinging tussen .eu-registrators. Volgens artikel 4, lid 2, sub f, van deze verordening zorgt het register ook voor de integriteit van de databanken van de domeinnamen.
60
Wat de Commissie betreft, bepaalt artikel 3, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 733/2002 dat zij bevoegd is voor de vaststelling van de criteria en de procedure voor de aanwijzing van het register en voor de aanwijzing ervan, na een oproep aan belangstellenden in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen te hebben bekendgemaakt en de procedure met betrekking tot deze oproep te hebben afgerond.
61
Krachtens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 733/2002 moet de Commissie na raadpleging van het register regels vaststellen met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het .eu-TLD, alsmede de beginselen van het overheidsbeleid inzake registratie.
62
In deze context heeft de Commissie het EURid, een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht (zie punt 15 hierboven), als register aangewezen, verordening nr. 874/2004 vastgesteld en met het EURid een overeenkomst gesloten waarin de voorwaarden worden gepreciseerd volgens welke zij toezicht houdt op de organisatie, het bestuur en het beheer van het .eu-TLD door het EURid.
63
Uit al het voorgaande volgt dat verordening nr. 733/2002 het register de bevoegdheid verleent de registratie van een domeinnaam op het tweede niveau te weigeren en dat het, anders dan verzoekster stelt, niet gaat om een door de Commissie aan het EURid gedelegeerde bevoegdheid. Het arrest Meroni/Hoge Autoriteit, punt 41 hierboven, is in casu dus irrelevant.
64
Voorts stelt verzoekster in wezen dat de Commissie in het kader van haar toezicht op het register en krachtens de overeenkomst die zij ermee heeft gesloten, hieraan dwingende richtsnoeren, met name wat de registratie van een domeinnaam op de tweede niveau betreft, kan geven en dat de bestreden handeling, voor zover daarbij alle mogelijkheid tot registratie van de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD door het register zou worden uitgesloten of zou worden geweigerd aan het register een dergelijke richtsnoer over de registratie van deze door haar aangevraagde domeinnaam te geven, dus een handeling met bindende rechtsgevolgen vormt, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat.
65
Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat, bij ontbreken van een specifieke bepaling in het Verdrag of in normatieve handelingen van de instellingen, niet kan worden uitgegaan van een bevoegdheid van de Commissie om aan het register dwingende richtsnoeren over de registratie van een bepaalde domeinnaam op tweede niveau te geven (zie in die zin arrest Gerecht van 13 december 1990, Nefarma/Commissie, T-113/89, Jurispr. blz. II-797, punt 69, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Noch verordening nr. 733/2002, noch verordening nr. 874/2004 bevat namelijk bepalingen die de Commissie een dergelijke bevoegdheid verlenen.
67
Gesteld dat de Commissie een dergelijke bevoegdheid aan de loutere bepalingen van de overeenkomst tussen haar en het EURid zou ontlenen, dient bovendien te worden vastgesteld dat de door verzoekster aangevoerde clausules (zie punt 43 hierboven) de financiële betrekkingen tussen de contractpartijen betreffen. Noch deze clausules noch een andere clausule van deze overeenkomst verlenen de Commissie de bevoegdheid aan het register bindende richtsnoeren over de registratie van een bepaalde domeinnaam op het tweede niveau te geven.
68
Met betrekking tot verzoeksters betoog op basis van het beginsel van de effectieve rechterlijke bescherming, dient te worden opgemerkt dat volgens de door het EURid overeenkomstig artikel 5, lid 3, van verordening nr. 733/2002 vastgestelde „Wijze van en voorwaarden voor registratie van .eu-domeinnamen”„bij geschillen, onenigheid of actie tussen het register en de registrant alleen de rechtbanken te Brussel (België) bevoegd zijn”, behalve wanneer een partij vrijwillig beslist een ADR-procedure in te leiden. Voorts blijkt uit punt B.12, sub a, juncto punt A.1. van de door de Commissie op verzoek van het Gerecht overgelegde voorschriften voor de beslechting van geschillen betreffende .eu-domeinnamen, dat de aanvrager van de registratie van een domeinnaam het recht heeft een gerechtelijke procedure in te stellen voor een rechter van de hoofdplaats van de uitoefening van de activiteit van het register (namelijk Brussel) tegen een beslissing van dit laatste houdende weigering van registratie van een domeinnaam op het tweede niveau.
69
Bovendien bepaalt artikel 22, lid 1, van verordening nr. 874/2004 dat een ADR-procedure kan worden ingeleid door elke partij wanneer een door het register genomen beslissing strijdig is met deze verordening of met verordening nr. 733/2002. Krachtens lid 11 van deze bepaling is het ADR-panel bevoegd om te beslissen over de nietigverklaring van de beslissing.
70
Volgens artikel 22, lid 13, van verordening nr. 874/2004 zijn de resultaten van deze ADR-procedure bindend voor de partijen en het register, tenzij er binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van het resultaat van deze procedure aan de partijen een gerechtelijke procedure wordt ingeleid.
71
Vastgesteld dient dus te worden dat verordening nr. 874/2004 en de door het register vastgestelde „Wijze van en voorwaarden voor registratie van .eu-domeinnamen” alsook de voorschriften voor de beslechting van geschillen betreffende .eu-domeinnamen voorzien in twee wegen van beroep tegen de beslissingen van het EURid: enerzijds het gewone beroep bij de rechtbanken te Brussel, en anderzijds een buitengerechtelijke procedure bij het ADR-panel, waarvan de uitspraak hoe dan ook voor de gewone rechter kan worden aangevochten.
72
Deze conclusie vindt steun in het op verzoeksters verzoek aan het dossier toegevoegde arrest nr. 2905/2009 van 4 mei 2009 van het Polymeles Protodikeio Athinon (rechtbank van eerste aanleg te Athene, Griekenland). Het Polymeles Protodikeio Athinon heeft bij dat arrest weliswaar verzoeksters beroep verworpen waarbij de weigering van het register werd betwist om de door haar aangevraagde domeinnaam op het tweede niveau te registreren, maar dat neemt niet weg dat deze verwerping is gebaseerd op de conclusie dat de betrokken Griekse rechter niet bevoegd is om uitspraak te doen over dit geschil dat volgens datzelfde arrest onder de uitsluitende bevoegdheid van het Belgische Gerecht valt. Derhalve kan op basis van dat arrest niet worden gesteld dat het onmogelijk was een rechterlijke instantie te verzoeken om toetsing van de rechtmatigheid van de beslissing van het EURid houdende weigering om de domeinnaam „.co” als domeinnaam op het tweede niveau onder het .eu-TLD te registreren.
73
Betreffende verzoeksters bewering dat het onderhavige geschil de reikwijdte van de aan het gemeenschapsmerk CO verleende bescherming betreft, en haar argument dat de bevoegde rechter voor dit geschil dus overeenkomstig verordening 40/94 het Gerecht is, volstaat het erop te wijzen dat volgens artikel 63 van verordening nr. 40/94 alleen tegen de beslissingen van de kamer van beroep bij het Hof kan worden opgekomen, door partijen in de procedure voor de kamer van beroep, voor zover zij door de beslissing van deze kamer in het ongelijk zijn gesteld.
74
Uit het dossier blijkt evenwel niet dat verzoekster de in artikel 63 van verordening nr. 40/94 vermelde beroepswegen heeft gebruikt. Het Gerecht kan in casu dus niet worden beschouwd als bevoegd op basis van deze bepaling. Verzoeksters argument dat het Gerecht ingevolge verordening nr. 40/94 de bevoegde rechterlijke instantie voor dit geschil is, kan dus niet worden aanvaard.
75
Tegen de achtergrond van deze overwegingen kan de standpuntbepaling van de Commissie in de bestreden handeling niet worden geacht een beslissend karakter te hebben, dat bindende rechtsgevolgen in het leven kan roepen welke verzoeksters belangen kunnen aantasten doordat zij haar rechtspositie aanmerkelijk wijzigen. Bijgevolg moet het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over verzoeksters procesbelang.
Kosten
76
Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Vijfde kamer)
beschikt:
1)
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2)
Inet Hellas Ilektroniki Ipiresia Pliroforion EPE (Inet Hellas) wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de Europese Commissie.
Luxemburg, 15 december 2009.
De griffier
E. Coulon
De president van de Vijfde kamer
M. Vilaras
( *1 ) Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy