30.8.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 223/12
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 juli 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeitsgericht Bonn — Duitsland) — Andrea Raccanelli/Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV
(Zaak C-94/07) (1)
(Artikel 39 EG - Begrip „werknemer’ - Privaatrechtelijke organisatie van algemeen nut - Beurs voor promovendus - Arbeidsovereenkomst - Voorwaarden)
(2008/C 223/19)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Arbeitsgericht Bonn
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Andrea Raccanelli
Verwerende partij: Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Arbeitsgericht Bonn — Uitlegging van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) — Hoedanigheid van werknemer van een promovendus die als beursstudent is tewerkgesteld door een in een andere lidstaat gevestigde privaatrechtelijke organisatie van algemeen nut die het merendeel van de nationale promovendi de mogelijkheid van een arbeidsovereenkomst biedt — Noodzaak om promovendi die staatsburger zijn van andere lidstaat de keuze tussen een beurs en een arbeidsovereenkomst te bieden — Begrip „werknemer”
Dictum
1)
Een onderzoeker in een situatie als die van verzoeker in het hoofdgeding, die bezig is met de voorbereiding van een proefschrift op basis van een met de Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV gesloten beursovereenkomst, dient alleen te worden beschouwd als werknemer in de zin van artikel 39 EG indien zijn werkzaamheid gedurende bepaalde tijd wordt uitgevoerd onder het gezag van een instituut dat onder deze vereniging valt en hij voor die werkzaamheid een beloning ontvangt. Het staat aan de verwijzende rechter om de noodzakelijke feitelijke vaststellingen te doen om uit te maken of dat in de bij hem aanhangige zaak het geval is.
2)
Een privaatrechtelijke vereniging zoals de Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften eV moet jegens werknemers in de zin van artikel 39 EG het non-discriminatiebeginsel eerbiedigen. Het staat aan de verwijzende rechter om vast te stellen of er onder omstandigheden als die van het hoofdgeding sprake is van ongelijke behandeling van nationale en buitenlandse promovendi.
3)
Indien verzoeker in het hoofdgeding zich terecht heeft beroepen op een nadeel dat is veroorzaakt door tegen hem gerichte discriminatie, staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van de nationale wetgeving op het gebied van niet-contractuele aansprakelijkheid te beslissen over de aard van de vergoeding waarop verzoeker in het hoofdgeding aanspraak kan maken.
(1) PB C 117 van 26.5.2007.
Full & Egal Universal Law Academy