10.1.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 6/4
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 18 november 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Centrale Raad van Beroep — Nederland) — Jacqueline Förster/Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep
(Zaak C-158/07) (1)
(Vrij verkeer van personen - Student die onderdaan is van lidstaat en naar andere lidstaat is gekomen om aldaar opleiding te volgen - Beurs voor studenten om in levensonderhoud te voorzien - Burgerschap van Unie - Artikel 12 EG - Rechtszekerheid)
(2009/C 6/06)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Centrale Raad van Beroep
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Jacqueline Förster
Verwerende partij: Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Centrale Raad van Beroep — Uitlegging van artikel 12 EG, van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld (PB L 142, blz. 24) en van artikel 3 van richtlijn 93/96/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 inzake het verblijfsrecht voor studenten (PB L 317, blz. 59) — Uit lidstaat afkomstige student die zich naar een andere lidstaat heeft begeven om aldaar een opleiding te volgen en die in die lidstaat werkzaamheden in loondienst heeft verricht doch zijn beroepswerkzaamheden inmiddels heeft gestaakt
Dictum
1)
Een student die zich bevindt in de situatie van verzoekster in het hoofdgeding, kan zich ter verkrijging van een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien niet baseren op artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld.
2)
Een student die onderdaan is van een lidstaat en om studieredenen naar een andere lidstaat is gekomen, kan een beroep doen op artikel 12, eerste alinea, EG ter verkrijging van een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien, wanneer hij gedurende een bepaalde periode verblijf heeft gehad in de ontvangende lidstaat. Artikel 12, eerste alinea, EG verzet zich er niet tegen dat op onderdanen van andere lidstaten een voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf wordt toegepast.
3)
In omstandigheden zoals die van het hoofdgeding verzet het gemeenschapsrecht, en met name het rechtszekerheidsbeginsel, zich niet tegen toepassing van een verblijfsvoorwaarde die het recht van studenten uit andere lidstaten op een beurs om in hun levensonderhoud te voorzien afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verblijf die vóór de invoering van deze voorwaarde liggen.
(1) PB C 117 van 26.5.2007.
Full & Egal Universal Law Academy