15.8.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 209/10
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 24 juni 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation — Frankrijk) — Commune de Mesquer/Total France SA, Total International Ltd
(Zaak C-188/07) (1)
(Richtlijn 75/442/EEG - Beheer van afvalstoffen - Begrip afvalstoffen - Beginsel dat vervuiler betaalt - Houder - Voorgaande houders - Producent van product dat tot ontstaan van afvalstoffen heeft geleid - Olie en zware stookolie - Schipbreuk - Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie - Internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie)
(2008/C 209/14)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Commune de Mesquer
Verwerende partijen: Total France SA, Total International Ltd
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour de cassation (Frankrijk) — Uitlegging van artikel 1 van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39), zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 (PB L 78, blz. 32), en van rubriek Q4 van bijlage I, en van de artikelen 1, sub b en c, en 15 van richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PB L 114, blz. 9) — Begrip afvalstof — Moet daartoe mede worden gerekend zware stookolie, als zodanig of vermengd met water en zand? — Aansprakelijkheid van de producent en/of de houder van de afvalstof in geval van vervoer door een derde
Dictum
1)
Een stof als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, zware stookolie die wordt verkocht als brandstof, is geen afvalstof in de zin van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij beschikking 96/350/EG van de Commissie van 24 mei 1996, wanneer zij wordt geëxploiteerd of verhandeld in economisch gunstige omstandigheden en feitelijk kan worden gebruikt als brandstof zonder dat voorafgaande bewerking noodzakelijk is.
2)
Olie die in zee is weggelekt na een schipbreuk en die, vermengd met water en sedimenten, is afgedreven langs en aangespoeld op de kust van een lidstaat, is een afvalstof in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442, zoals gewijzigd bij beschikking 96/350, wanneer die olie niet meer kan worden geëxploiteerd of verhandeld zonder voorafgaande bewerking.
3)
Voor de toepassing van artikel 15 van richtlijn 75/442, zoals gewijzigd bij beschikking 96/350, op het in zee weglekken van olie, waardoor de kust van een lidstaat is verontreinigd, geldt:
—
de nationale rechter kan de verkoper van die olie en bevrachter van het schip waarmee de olie wordt vervoerd, beschouwen als producent van die afvalstoffen in de zin van artikel 1, sub b, van richtlijn 75/442, zoals gewijzigd bij beschikking 96/350, en daarmee als „voorgaande houder” voor de toepassing van artikel 15, tweede streepje, eerste deel, van die richtlijn, wanneer deze rechter, gelet op de feiten en omstandigheden die hij als enige in staat is te beoordelen, tot de conclusie komt dat die verkoper-bevrachter heeft bijgedragen aan het risico dat de door deze schipbreuk veroorzaakte verontreiniging optreedt, in het bijzonder indien hij heeft nagelaten maatregelen ter voorkoming van een dergelijke gebeurtenis te nemen, bijvoorbeeld ten aanzien van de keuze van het schip;
—
indien blijkt dat de kosten van de verwijdering van afvalstoffen die zijn ontstaan door het weglekken van olie in zee, niet door het internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie worden gedragen of niet door dit fonds kunnen worden gedragen omdat het maximumschadevergoedingsbedrag voor dit schadegeval is bereikt, en dat het nationale recht van een lidstaat, met inbegrip van het recht voortvloeiend uit internationale verdragen, overeenkomstig de voorziene beperkingen en/of ontheffingen van de aansprakelijkheid, belet dat die kosten worden gedragen door de eigenaar en/of de bevrachter van het schip, terwijl zij wel moeten worden beschouwd als „houders” in de zin van artikel 1, sub c, van richtlijn 75/442, zoals gewijzigd bij beschikking 96/350, zal dit nationale recht het mogelijk moeten maken, teneinde een correcte omzetting van artikel 15 van die richtlijn te verzekeren, dat die kosten worden gedragen door de producent van het product dat tot ontstaan van de aldus verspreide afvalstoffen heeft geleid. Overeenkomstig het beginsel dat de vervuiler betaalt, kan een dergelijke producent echter alleen worden verplicht die kosten te dragen, wanneer hij door zijn activiteiten heeft bijgedragen aan het risico dat de door de schipbreuk veroorzaakte verontreiniging zou optreden.
(1) PB C 129 van 9.6.2007.
Full & Egal Universal Law Academy