21.2.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 44/15
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Stuttgart — Duitsland) — Ibrahim Altun/Stadt Böblingen
(Zaak C-337/07) (1)
(Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Verblijfsrecht van kind van Turks werknemer - Werknemer behorend tot legale arbeidsmarkt - Onvrijwillige werkloosheid - Toepasselijkheid van overeenkomst op Turkse vluchtelingen - Voorwaarden voor verlies van verkregen rechten)
(2009/C 44/24)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Stuttgart
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ibrahim Altun
Verwerende partij: Stadt Böblingen
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgericht Stuttgart — Uitlegging van artikel 7, eerste alinea, van beslissing 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije — Verblijfsrecht van een Turkse onderdaan die het nationale grondgebied is binnengekomen in het kader van gezinshereniging — Strafrechtelijke veroordeling — Invloed op het verblijfsrecht — Toepasselijkheid op Turkse vluchtelingen — Asiel verleend aan de vader op basis van valse verklaringen — Intrekking van het verleende asiel als voorwaarde voor weigering van het afgeleide verblijfsrecht — Afgeleid verblijfsrecht geconditioneerd door deelneming aan de legale arbeidsmarkt van een lidstaat gedurende een periode van drie jaar waarin de vader met de minderjarige in gezinsverband samen woonde
Dictum
1)
Artikel 7, eerste alinea, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat is vastgesteld door de bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije ingestelde Associatieraad, moet aldus worden uitgelegd dat het kind van een Turks werknemer aanspraak kan maken op de in die bepaling bedoelde rechten, wanneer die werknemer in de periode van drie jaar waarin het kind bij hem woonde, tweeënhalf jaar een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en vervolgens zes maanden werkloos is geweest.
2)
De omstandigheid dat een Turks werknemer het recht van verblijf in een lidstaat en daarmee het recht van toegang tot de legale arbeidsmarkt van die staat heeft verkregen als politiek vluchteling, belet niet dat een lid van zijn gezin aanspraak kan maken op de rechten die worden verleend door artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80.
3)
Artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een Turks werknemer de status van politiek vluchteling heeft verkregen op basis van onjuiste verklaringen, aan de rechten die een lid van zijn gezin aan die bepaling ontleent, niet kan worden afgedaan indien het gezinslid op het tijdstip van de intrekking van de verblijfsvergunning van de werknemer voldoet aan de in die bepaling gestelde voorwaarden.
(1) PB C 269 van 10.11.2007.
Full & Egal Universal Law Academy