20.6.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 141/13
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 april 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Sandra Puffer/Unabhängiger Finanzsenat, Außenstelle Linz
(Zaak C-460/07) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Artikel 17, leden 2 en 6 - Recht op aftrek van voorbelasting - Kosten voor oprichting van tot bedrijf van belastingplichtige behorend gebouw - Artikel 6, lid 2 - Gebruik van deel van gebouw voor privédoeleinden - Financieel voordeel ten opzichte van niet-belastingplichtigen - Gelijke behandeling - Staatssteun in zin van artikel 87 EG - Uitsluiting van recht op aftrek)
2009/C 141/20
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Sandra Puffer
Verwerende partij: Unabhängiger Finanzsenat, Außenstelle Linz
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgerichtshof — Uitlegging van artikel 87 EG en artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Aftrek van de voorbelasting betaald voor de oprichting van een gebouw dat hoofdzakelijk voor persoonlijke bewoning wordt gebruikt en dat voor het overige is bestemd voor belastbare verhuur — Nationale regeling volgens welke het gebruik voor persoonlijke bewoning een vrijgestelde handeling vormt en die, in de versie van toepassing op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn, het recht op aftrek van voorbelasting uitsluit voor dat gedeelte van het gebouw dat de belastingplichtige gebruikt voor persoonlijke bewoning — Geldigheid van richtlijn 77/388/EEG, inzonderheid artikel 17 daarvan, voor zover deze een fiscaal voordeel oplevert bij de aanschaffing van een woning door belastingplichtigen die deze woning ten minste minimaal bedrijfsmatig gebruiken, tegenover andere belastingplichtigen en onderdanen van andere lidstaten
Dictum
1)
De artikelen 17, lid 2, sub a, en 6, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zijn niet in strijd met het algemeen gemeenschapsrechtelijk gelijkheidsbeginsel voor zover deze bepalingen, via de regeling van het recht op volledige en onmiddellijke aftrek van de voorbelasting over de bouw van een onroerend goed voor gemengd gebruik en de latere gespreide heffing van belasting over de toegevoegde waarde over het privégebruik van dit onroerend goed, belastingplichtigen een cashflowvoordeel kunnen verschaffen in vergelijking met niet-belastingplichtigen en belastingplichtigen die hun onroerend goed uitsluitend als privéwoning gebruiken.
2)
Artikel 87, lid 1, EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale maatregel tot uitvoering van artikel 17, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388) waarbij het recht op aftrek van de voorbelasting wordt beperkt tot belastingplichtigen die belaste handelingen verrichten, met uitsluiting van belastingplichtigen die alleen vrijgestelde handelingen verrichten, voor zover deze nationale maatregel alleen aan belastingplichtigen die belaste handelingen verrichten, een cashflowvoordeel kan verschaffen.
3)
Artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat de daarin voorziene afwijking niet geldt voor een nationale bepaling die wijziging brengt in een ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn bestaande wettelijke regeling, die uitgaat van een hoofdgedachte die verschilt van die van de vroegere wettelijke regeling en die nieuwe procedures invoert. In dit opzicht is het van geen belang dat de nationale wetgever de vroegere nationale wettelijke regeling heeft gewijzigd op basis van een juiste dan wel een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht. Het antwoord op de vraag of een dergelijke wijziging in een nationale bepaling, wat de toepasselijkheid van artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388) betreft, ook gevolgen heeft voor een andere nationale bepaling, hangt ervan af of deze nationale bepalingen onderling verbonden zijn dan wel los van elkaar bestaan, hetgeen de nationale rechter dient te bepalen.
(1) PB C 315 van 22.12.2007.
Full & Egal Universal Law Academy