1.5.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 102/7
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 5 maart 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski gradski sad — Bulgarije) — Apis-Hristovich EOOD / Lakorda AD
(Zaak C-545/07) (1)
(Richtlijn 96/9/EG - Rechtsbescherming van databanken - Recht sui generis - Verkrijging, controle of presentatie van inhoud van databank - Opvraging - Substantieel deel van inhoud van databank - Elektronische bank van officiële juridische gegevens)
2009/C 102/10
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski gradski sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Apis-Hristovich EOOD
Verwerende partij: Lakorda AD
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank van de stad Sofia — Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken (PB L 77, blz. 20) — Begrippen opvraging en gebruik — Juridische databank met betrekking tot de wetgeving en de rechtspraak in een lidstaat
Dictum
1)
De afbakening van de begrippen „permanente overbrenging” respectievelijk „tijdelijke overbrenging” in de zin van artikel 7 van richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, berust op het criterium van de duur van de opslag van de uit een beschermde databank opgevraagde gegevens op een andere drager dan die van deze databank. Het tijdstip waarop er sprake is van opvraging in de zin van dit artikel 7 uit een elektronisch toegankelijke beschermde databank, is dat waarop de overgebrachte gegevens worden vastgelegd op een andere drager dan die van deze databank. Dit begrip opvraging staat los van het doel van degene die de betrokken handeling verricht, van de door laatstgenoemde in de inhoud van de aldus overgebrachte gegevens eventueel aangebrachte wijzigingen, alsook van eventuele verschillen in de structurele organisatie van de betrokken databanken.
De omstandigheid dat materiële en technische kenmerken in de inhoud van een beschermde databank van een fabrikant ook zijn terug te vinden in de inhoud van een databank van een andere fabrikant, kan worden opgevat als een aanwijzing voor opvraging in de zin van artikel 7 van richtlijn 96/9, tenzij andere factoren dan een overbrenging tussen die twee databanken deze gelijkvormigheid kunnen verklaren. De aanwezigheid van gegevens die de fabrikant van een databank uit niet algemeen toegankelijke bronnen heeft verkregen, in de databank van een andere fabrikant, is op zich geen afdoende bewijs dat er sprake is van opvraging, maar kan er een aanwijzing voor zijn.
De aard van de voor het beheer van twee elektronische databanken gebruikte computerprogramma’s is geen element ter beoordeling of er sprake is van opvraging in de zin van artikel 7 van richtlijn 96/9.
2)
Artikel 7 van richtlijn 96/9 moet aldus worden uitgelegd dat bij een omvattend geheel van elementen met afzonderlijke subgroepen de omvang van de beweerdelijk uit een van deze subgroepen opgevraagde en/of hergebruikte elementen, ter beoordeling of een in kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van een databank is opgevraagd en/of hergebruikt in de zin van dit artikel, moet worden vergeleken met de omvang van de totale inhoud van deze subgroep indien deze laatste als zodanig een databank vormt die voldoet aan de voorwaarden voor bescherming door het recht sui generis. In het omgekeerde geval, en voor zover dit geheel een dergelijke beschermde databank vormt, moet de omvang van de beweerdelijk opgevraagde en/of hergebruikte elementen van de verschillende subgroepen van dit geheel worden vergeleken met de omvang van de totale inhoud van dit laatste.
Dat elementen die beweerdelijk uit een door het recht sui generis beschermde databank zijn opgevraagd en/of hergebruikt, door de fabrikant ervan uit niet algemeen toegankelijke bronnen zijn verkregen, kan naargelang van de omvang van de menselijke, technische en/of financiële middelen die deze fabrikant heeft ingezet om de betrokken elementen bij deze bronnen te verzamelen, een rol spelen bij de kwalificatie ervan als in kwalitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van de betrokken databank in de zin van artikel 7 van richtlijn 96/9.
Dat de inhoud van een databank gedeeltelijk uit algemeen toegankelijke officiële elementen bestaat, ontslaat de nationale rechter er niet van om, ter beoordeling of een substantieel deel van de inhoud van deze databank is opgevraagd en/of hergebruikt, na te gaan of de elementen die beweerdelijk uit deze databank zijn opgevraagd en/of hergebruikt, in kwantitatief opzicht een substantieel deel van de totale inhoud ervan vormen of, in voorkomend geval, of zij in kwalitatief opzicht een dergelijk substantieel deel vormen doordat menselijk, technisch of financieel aanzienlijk is geïnvesteerd in de verkrijging, de controle of de presentatie ervan.
(1) PB C 51 van 23.2.2008.
Full & Egal Universal Law Academy