1.8.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 180/9
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 4 juni 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tallinna halduskohus — Estland) — Balbiino AS/Põllumajandusminister, Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus
(Zaak C-560/07) (1)
(Toetreding van Estland - Overgangsmaatregelen - Landbouwproducten - Suiker - Overtollige voorraden - Verordeningen (EG) nrs. 1972/2003, 60/2004 en 832/2005)
2009/C 180/14
Procestaal: Ests
Verwijzende rechter
Tallinna halduskohus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Balbiino AS
Verwerende partijen: Põllumajandusminister, Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tallinna Halduskohus (Estland) — Uitlegging van artikel 6 van verordening (EG) nr. 60/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 9, blz. 8), en artikel 4 van verordening nr. 1972/2003 van de Commissie van 10 november 2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 293, blz. 3), alsook van verordening nr. 832/2005 van de Commissie van 31 mei 2005 betreffende de bepaling van de overtollige hoeveelheid suiker, isoglucose en fructose voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 138, blz. 3) — Belasting op de bij de marktdeelnemers aanwezige overtollige voorraden landbouwproducten — Methode voor de bepaling van de omvang van de overdrachthoeveelheid en de overtollige voorraad met het oog op het opleggen van die belasting
Dictum
1)
Artikel 4, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1972/2003 van de Commissie van 10 november 2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, artikel 6, lid 3, van verordening (EG) nr. 60/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en verordening (EG) nr. 832/2005 van de Commissie van 31 mei 2005 betreffende de bepaling van de overtollige hoeveelheid suiker, isoglucose en fructose voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, verzetten zich niet tegen een nationale maatregel, zoals de Estse wet inzake de belasting op overtollige voorraad (Üleliigse laovaru tasu seadus) van 7 april 2004, zoals gewijzigd op 25 januari 2007, volgens welke de overtollige voorraad van een marktdeelnemer wordt bepaald door de overdrachthoeveelheid, namelijk de met de factor 1,2 — die overeenstemt met de groei van de landbouwproductie in de betrokken lidstaat tijdens de hieronder vermelde periode — vermenigvuldigde gemiddelde voorraad van de marktdeelnemer op 1 mei van de vier voorgaande jaren, af te trekken van de voorraad die op 1 mei 2004 daadwerkelijk aanwezig was.
2)
Verordening nr. 1972/2003 verzet zich er niet tegen dat de totale voorraad waarover een marktdeelnemer op 1 mei 2004 beschikte, als overtollig wordt aangemerkt indien uit onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat deze voorraad gelet op de activiteit van deze marktdeelnemer niet normaal is, maar om speculatieve redenen is gevormd.
3)
Artikel 4 van verordening nr. 1972/2003 en artikel 6 van verordening nr. 60/2004 verzetten zich niet tegen een nationale maatregel op basis waarvan een marktdeelnemer die minder dan een jaar vóór 1 mei 2004 een activiteit is begonnen, moet bewijzen dat de omvang van de voorraad waarover hij op die datum beschikte, overeenkomt met de omvang van de voorraad die hij gewoonlijk kan produceren en verkopen of op andere wijze onder bezwarende titel of om niet kan overdragen of aanschaffen.
4)
De verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 verzetten zich niet tegen de heffing van een belasting op de overtollige voorraad van een marktdeelnemer, ook al zou deze kunnen bewijzen dat hij geen winst heeft gemaakt bij de verhandeling van deze voorraad na 1 mei 2004.
5)
Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 kan niet aldus worden uitgelegd dat een stijging van de opslagcapaciteit van een marktdeelnemer in het jaar vóór de toetreding rechtvaardigt dat de overtollige voorraad wordt verminderd, los van de latere ontwikkeling van de economische activiteit van de houder van deze voorraad, van de omvang van de verwerking en van de omvang van deze voorraad.
6)
Artikel 10 van verordening nr. 1972/2003 verzet zich niet tegen de geldigheid van een belastingaanslag die door de marktdeelnemer die aan de belasting op overtollige voorraad is onderworpen, is ontvangen na 30 april 2007, wanneer vaststaat dat de nationale autoriteiten deze aanslag tot en met deze datum hebben vastgesteld.
(1) PB C 64 van 8.3.2008.
Full & Egal Universal Law Academy