CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 12 juni 2008 (1)
Zaak C‑16/07 P
Marguerite Chetcuti
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Begrip ‚vergelijkend onderzoek binnen de instelling’ – Hulpfunctionaris – Beginsel van gelijke behandeling – Motivering van arresten”
1. De onderhavige zaak betreft een hogere voorziening die Chetcuti, een hulpfunctionaris, heeft ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 8 november 2006(2), waarbij is verworpen het door haar ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om haar niet toe te laten tot een vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie B naar categorie A.
2. Tot staving van de hogere voorziening voert Chetcuti drie middelen aan, respectievelijk ontleend aan een onjuiste uitlegging door het Gerecht van het begrip vergelijkend onderzoek binnen de instelling, schending van het beginsel van gelijke behandeling en van de verplichting om arresten te motiveren.
3. In deze conclusie zal ik betogen dat het Gerecht niet van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat de Commissie het betrokken vergelijkend onderzoek mocht voorbehouden aan ambtenaren en tijdelijke functionarissen, met uitsluiting van hulpfunctionarissen, en dat het zijn arrest rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd.
I – Toepasselijke bepalingen
4. Artikel 4 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, in de tot en met 30 april 2004 geldende versie die op de feiten van het geding van toepassing is (hierna: „Statuut”), luidt:
„Aanstelling of bevordering kan er slechts toe strekken in een vacature te voorzien overeenkomstig de bepalingen van dit Statuut.
Iedere vacature bij een instelling wordt ter kennis van het personeel dezer instelling gebracht, zodra het tot aanstelling bevoegde gezag besloten heeft dat in deze vacature moet worden voorzien.
Kan in deze vacature niet worden voorzien bij wege van overplaatsing, bevordering of een intern vergelijkend onderzoek, dan wordt zij ter kennis van het personeel der drie Europese Gemeenschappen gebracht.”
5. Artikel 27, eerste alinea, van het Statuut bepaalt:
„De aanwerving dient erop gericht te zijn, de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten der Gemeenschappen zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding.”
6. Artikel 29, lid 1, van het Statuut luidt:
„Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag eerst:
a) de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling,
b) de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling,
c) de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen,
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.
Tot vergelijkend onderzoek kan eveneens worden overgegaan voor het vormen van een reserve ter vervulling van vacatures.”
7. Artikel 1, lid 1, van bijlage III bij het Statuut, „Procedure voor een vergelijkend onderzoek”, luidt:
„De aankondiging van een vergelijkend onderzoek wordt door het tot aanstelling bevoegde gezag vastgesteld, na raadpleging van de paritaire commissie.
De aankondiging vermeldt:
a) de aard van het vergelijkend onderzoek (vergelijkend onderzoek binnen de instelling, vergelijkend onderzoek binnen de instellingen, algemeen vergelijkend onderzoek, eventueel gemeenschappelijk voor twee of meer instellingen);
b) de wijze van onderzoek (vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide);
c) de aard van de functie en de daaraan verbonden bevoegdheden;
d) de diploma’s en andere schriftelijke bewijsstukken of de ervaring die voor het ambt is vereist;
[...]”
8. Artikel 12, lid 1, eerste alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, in de tot en met 30 april 2004 geldende versie die op de feiten van het geding van toepassing is (hierna: „RAP”), bepaalt:
„De aanstelling van tijdelijke functionarissen dient erop gericht te zijn, de instelling de medewerking te verzekeren van personen die uit een oogpunt van vakbekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten der Gemeenschappen zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding.”
9. De RAP bevat daarentegen geen eisen voor de vakbekwaamheid en het prestatievermogen waaraan hulpfunctionarissen voor hun aanstelling moeten voldoen.
II – Feiten van het geding
10. Chetcuti is van 1 november 1991 tot en met 30 april 2004 in de hoedanigheid van plaatselijk functionaris als secretaresse werkzaam geweest bij de delegatie van de Commissie op Malta. Haar overeenkomst werd beëindigd bij de toetreding van de Republiek Malta tot de Europese Gemeenschap op 1 mei van datzelfde jaar.
11. Rekwirante heeft vervolgens op 27 april 2004 een overeenkomst van hulpfunctionaris van de categorie B ondertekend voor een periode van 1 mei tot en met 31 december 2004. Artikel 2 van haar overeenkomst bepaalde dat zij werkzaamheden zou uitoefenen van „functionaris belast met redactie‑, correctie‑, boekhoudkundige of technische werkzaamheden”.
12. Op 6 april 2004 publiceerde de Commissie een „aankondiging van een intern vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie B naar A” (COM/PA/04), betreffende een vergelijkend onderzoek op de grondslag van een examen met het oog op de vorming van een aanwervingreserve van administrateurs (A 7/A 6) (hierna: „aankondiging van vergelijkend onderzoek”).
13. Op grond van punt III van de aankondiging van vergelijkend onderzoek kwamen de ambtenaren en tijdelijke functionarissen in aanmerking die in een van de rangen van de categorie B waren ingedeeld alsmede zij die waren ingedeeld in een van de rangen van de hogere categorie en die ten laatste op de datum van indiening van de sollicitaties werkzaam waren bij de diensten van de Commissie, gedetacheerd in het belang van de dienst of met verlof wegens militaire dienst. Daarnaast dienden zij een ambt te vervullen waarvan de bezoldiging ten laste kwam van de beleids‑ of onderzoekskredieten.
14. Voorts moesten de kandidaten volgens diezelfde bepaling een diensttijd in de categorie B of hogere categorie hebben van ten minste vijf jaar, verkregen als ambtenaar, tijdelijk functionaris of hulpfunctionaris van de groepen I tot en met V bij de Commissie of ten dele bij andere instellingen of agentschappen waarvan de personeelsleden onder het Statuut of de RAP vallen.
15. Bij brief van 22 juni 2004 is rekwirante, die zich voor het vergelijkend onderzoek had aangemeld, afgewezen, omdat zij niet over de vereiste vijf jaar diensttijd beschikte en, wat haar administratieve positie betrof, niet aan de toelatingsvoorwaarden voldeed, aangezien volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek alleen ambtenaren of tijdelijke functionarissen in aanmerking kwamen.
III – Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
16. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 augustus 2004, heeft rekwirante beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek om haar niet toe te laten tot het interne vergelijkende onderzoek voor de overgang van categorie B naar categorie A (hierna: „litigieuze besluit”) alsmede van de daarop volgende handelingen van de procedure voor het vergelijkend onderzoek en, met name, van de door de jury vastgestelde lijst van kandidaten die voldeden aan de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, van het besluit van de Commissie om op basis daarvan het aantal te vervullen posten vast te stellen, van de lijst van geschikte kandidaten die de jury aan het eind van haar werkzaamheden heeft vastgesteld en de door het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) vastgestelde aanstellingsbesluiten.
17. Rekwirante heeft eveneens gevraagd om de Commissie te verwijzen in de kosten.
18. Tot staving van haar beroep had zij twee middelen aangevoerd, beide ontleend aan excepties van onwettigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek.
19. In het kader van het eerste middel heeft zij gesteld dat punt III.1, eerste en tweede alinea, alsmede derde alinea, sub a, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek in strijd was met de artikelen 4, 27 en 29, lid 1, sub b, van het Statuut en het beginsel van gelijke behandeling, aangezien het de toegang tot het vergelijkend onderzoek alleen voorbehield aan ambtenaren en tijdelijke functionarissen, en hulpfunctionarissen dus uitsloot. Het litigieuze besluit was daarom onwettig.
20. Met haar tweede middel stelde rekwirante dat de punten III.1, derde alinea, sub b, III.2 en III.3 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek in strijd waren met de artikelen 27 en 29 van het Statuut alsmede met het belang van de dienst en het beginsel van gelijke behandeling, aangezien zij een diensttijd van vijf jaar in de categorie B of een hogere categorie verlangden, verkregen als ambtenaar, tijdelijk functionaris of hulpfunctionaris van de groepen I tot en met V, zodat als plaatselijk functionaris verkregen diensttijd niet meetelde. Het litigieuze besluit was om die reden onwettig.
21. Bij het bestreden arrest is rekwirantes vordering afgewezen en heeft het Gerecht beslist dat elke partij de eigen kosten zal dragen.
22. Het Gerecht heeft het eerste middel op grond van de volgende overwegingen ongegrond verklaard.
23. Om te beginnen heeft het geoordeeld dat het Statuut de instellingen een ruime beoordelingsvrijheid geeft met betrekking tot de aanwervingprocedures en dat de controle van de gemeenschapsrechter zich beperkt tot de vraag of het betrokken gezag zijn beoordelingsvrijheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.
24. Vervolgens heeft het opgemerkt dat de verschillende categorieën door de Gemeenschappen tewerkgestelde personen elk aan rechtmatige behoeften van de gemeenschapsadministratie voldoen. Het heeft hieraan toegevoegd dat de essentiële voorwaarden voor de aanstelling van ambtenaren en tijdelijke functionarissen verschillen van die voor hulpfunctionarissen.
25. Daarna heeft het vastgesteld dat uit de aankondiging van vergelijkend onderzoek expliciet volgt dat deze voornamelijk dient voor de overgang van categorie B naar A voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen. De Commissie had haar beoordelingsvrijheid dus niet kennelijk onjuist gebruikt door in punt III.1 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek de toelatingsvoorwaarde op te nemen verband houdende met de hoedanigheid van ambtenaar of tijdelijk functionaris, met uitsluiting van die van hulpfunctionaris.
26. Bovendien heeft het Gerecht rekwirantes argument dat het betrokken vergelijkend onderzoek niet alleen een vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie B naar categorie A vormde, maar eveneens een intern vergelijkend onderzoek van andere aard, met name omdat het enerzijds openstond voor tijdelijke functionarissen van de categorie B of A en anderzijds voor ambtenaren van de categorie A, irrelevant geacht. De reden hiervoor was dat tot het vergelijkend onderzoek toegelaten ambtenaren en tijdelijke functionarissen, anders dan hulpfunctionarissen, bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling reeds het bewijs van hun bekwaamheden hadden geleverd overeenkomstig artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP.
27. Daar de twee laatstgenoemde bepalingen bij de aanvankelijke aanwerving en aanstelling van ambtenaren en tijdelijke functionarissen reeds zijn toegepast, heeft het Gerecht geoordeeld dat rekwirantes argument dat de Commissie het doel van de in die bepalingen gedefinieerde aanwerving en aanstelling had miskend, ongegrond was.
28. Dat hulpfunctionarissen binnen de instelling elk soort werkzaamheid kunnen verrichten volstond volgens het Gerecht niet om hen voor vergelijkende onderzoeken voor de overgang naar een hogere categorie gelijk te stellen met ambtenaren en tijdelijke functionarissen. Derhalve had de Commissie het betrokken vergelijkend onderzoek mogen voorbehouden aan de bevordering van de categorie B naar A van ambtenaren en tijdelijke functionarissen die reeds hadden voldaan aan de aanvankelijke aanwerving‑ en aanstellingsvoorwaarden zoals voorzien in artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP.
29. Ten slotte heeft het Gerecht geoordeeld dat rekwirante zich ten onrechte had beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien de rechtsposities van ambtenaren en tijdelijke functionarissen enerzijds en die van hulpfunctionarissen anderzijds niet vergelijkbaar zijn omdat hun respectieve aanwerving‑ en aanstellingsvoorwaarden verschillen.
30. Gelet op een en ander, heeft het Gerecht geoordeeld dat het geen uitspraak behoefde te doen over het tweede middel en heeft het de vorderingen gericht tegen de volgende handelingen van de procedure voor het vergelijkend onderzoek afgewezen.
IV – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
31. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 januari 2007, heeft Chetcuti de onderhavige hogere voorziening ingesteld.
32. Rekwirante concludeert dat het het Hof behaagt, het bestreden arrest te vernietigen en nietig te verklaren, het litigieuze besluit, de daarop volgende handelingen van de procedure voor vergelijkend onderzoek en, met name, de door de jury vastgestelde lijst van kandidaten die voldoen aan de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, het besluit van de Commissie om op basis daarvan het aantal te vervullen posten vast te stellen, de lijst van geschikte kandidaten die de jury aan het eind van haar werkzaamheden heeft vastgesteld en de door het tot aanstelling bevoegd gezag op basis daarvan vastgestelde aanstellingsbesluiten.
33. Rekwirante vraagt eveneens om de Commissie te verwijzen in de kosten van de eerste instantie en in die van de procedure voor het Hof.
34. De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.
V – Beoordeling
35. Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert rekwirante mijns inziens drie middelen aan.
36. Met haar eerste middel stelt zij dat het Gerecht het begrip intern vergelijkend onderzoek onjuist heeft uitgelegd en daaraan dus drie onjuiste rechtsgevolgen heeft verbonden.
37. In het kader van haar tweede middel betoogt zij dat het bestreden arrest in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling.
38. Ten slotte stelt zij met haar derde middel dat het Gerecht zijn arrest niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd.
39. Ik zal die drie middelen achtereenvolgens onderzoeken.
A – Eerste middel: onjuiste uitlegging van het begrip intern vergelijkend onderzoek
40. Om te beginnen moet de ontvankelijkheid van het eerste middel worden onderzocht.
41. De Commissie stelt namelijk dat het eerste middel niet-ontvankelijk is, omdat rekwirante de kwalificatie betwist die het Gerecht aan het betrokken vergelijkend onderzoek heeft gegeven. Volgens vaste rechtspraak is het Gerecht echter als enige bevoegd om de feiten vast te stellen en te beoordelen.
42. Volgens die rechtspraak volgt uit artikel 225 EG en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof dat het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen, behoudens het geval waarin de feitelijke onjuistheid van hetgeen het heeft vastgesteld, voortvloeit uit de hem overgelegde processtukken, en om die feiten te beoordelen.(3)
43. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, het Hof bevoegd is om krachtens artikel 225 EG toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht de feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het daaraan heeft verbonden.(4)
44. Uit de hogere voorziening blijkt duidelijk dat Chetcuti de in punt 56 van het bestreden arrest gedane vaststelling van het Gerecht betwist dat het betrokken vergelijkend onderzoek een vergelijkend onderzoek is „dat voornamelijk dient voor de overgang van categorie B naar A”. Voor die betwisting voert rekwirante verschillende argumenten aan die moeten aantonen dat het Gerecht het begrip intern vergelijkend onderzoek juridisch onjuist heeft gekwalificeerd en dat het daaraan dus onjuiste rechtsgevolgen heeft verbonden.
45. Daar de juridische kwalificatie door het Gerecht van een feit of een handeling een rechtsvraag is die in het kader van een hogere voorziening aan de orde kan worden gesteld(5), ben ik van mening dat het middel ontvankelijk is.
46. In het kader van dit eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht het begrip „vergelijkend onderzoek binnen de instelling” in de zin van de artikelen 4 en 29, lid 1, sub b, van het Statuut heeft geschonden en daaraan dus onjuiste rechtsgevolgen heeft verbonden.
47. Tot staving van dit middel voert zij een aantal argumenten aan.
48. In de eerste plaats verwijt zij het Gerecht dat het zich in punt 56 van het bestreden arrest op een subjectief criterium heeft gebaseerd om de aard van het vergelijkend onderzoek te omschrijven, namelijk het doel dat het opschrift van de aankondiging van vergelijkend onderzoek daaraan heeft gegeven. Zich baserend op die kwalificatie is het Gerecht bij zijn oordeel welke categorieën kandidaten al dan niet tot het vergelijkend onderzoek konden worden toegelaten, van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Volgens rekwirante had de aard van het betrokken vergelijkend onderzoek moeten worden omschreven aan de hand van de objectieve toelatingsvoorwaarden die in de aankondiging van vergelijkend onderzoek zelf zijn gegeven en worden gedefinieerd op basis van de vereisten van de te vervullen ambten.
49. Subsidiair stelt zij dat, zelfs al was het betrokken vergelijkend onderzoek voornamelijk bestemd voor de overgang van categorie B naar A, dit niet wegneemt dat het om een vergelijkend onderzoek voor aanstelling in vaste dienst ging en dat het als intern vergelijkend onderzoek had moeten worden gekwalificeerd. Volgens de rechtspraak Rauch/Commissie(6) en Van Huffel/Commissie(7) konden hulpfunctionarissen dus niet van dit vergelijkend onderzoek worden uitgesloten.
50. Mijns inziens is dit argument ongegrond.
51. Om te beginnen heeft het Gerecht eerst herinnerd aan de beginselen die voor elke aanwervingprocedure moeten gelden.
52. Zo heeft het Gerecht er in punt 48 van het bestreden arrest aan herinnerd dat het „ter eerbiediging van het in artikel 27 van het Statuut aan elke aanwervingprocedure toegeschreven doel, namelijk ‚de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen’, nodig is om de ambtenaren op een zo breed mogelijke basis aan te werven. Derhalve heeft de uitdrukking ‚vergelijkend onderzoek binnen de instelling’ in beginsel betrekking op alle personen die zich, in welke hoedanigheid dan ook, in dienst van die instelling bevinden”.
53. Vervolgens heeft het Gerecht er in punt 49 van het bestreden arrest aan herinnerd dat „het Statuut de gemeenschapsinstellingen echter een ruime beoordelingsvrijheid geeft om de voor de te vervullen ambten vereiste geschiktheidcriteria vast te stellen en om met inachtneming van deze criteria en, meer in het algemeen, in het belang van de dienst te bepalen, onder welke voorwaarden en op welke wijze een vergelijkend onderzoek dient te worden georganiseerd”.(8) Daarna heeft het gepreciseerd dat die vrijheid onder meer kan worden gebruikt wanneer het TABG de aankondiging voor vergelijkend onderzoek opstelt en de toelatingsvoorwaarden voor het vergelijkend onderzoek vaststelt. (9)
54. De uitoefening van de aan het TABG verleende beoordelingsvrijheid moet, zoals het Gerecht in punt 50 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht, met name verenigbaar zijn met de dwingende bepalingen van de artikelen 27, eerste alinea, en 29, lid 1, van het Statuut.
55. In het licht van deze beginselen heeft het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest geconcludeerd dat uit de aankondiging van vergelijkend onderzoek uitdrukkelijk volgde dat het om een intern vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie B naar categorie A ging en dat het ertoe diende om ambtenaren en tijdelijke functionarissen, die, anders dan hulpfunctionarissen, reeds hadden bewezen dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldeden, de overgang van de categorie B naar de categorie A mogelijk te maken.
56. Ik ben van mening dat het Gerecht het begrip vergelijkend onderzoek binnen de instelling juist heeft gekwalificeerd.
57. Uit de bewoordingen van artikel 29, lid 1, van het Statuut blijkt immers dat het TABG met betrekking tot de organisatiewijzen van een vergelijkend onderzoek over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Volgens die bepaling gaat het TABG, na onderzoek van de mogelijkheden tot bevordering en tot overplaatsing binnen de instelling, de mogelijkheden tot het organiseren van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling en de verzoeken tot overgang van ambtenaren van andere instellingen der drie Europese Gemeenschappen, over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. Bovendien wordt gepreciseerd dat tot vergelijkend onderzoek eveneens kan worden overgegaan voor het vormen van een aanwervingreserve.
58. Volgens de rechtspraak van het Hof blijkt uit het gebruik van de term „mogelijkheden” duidelijk dat het TABG niet verplicht is om voor een bepaalde procedure te kiezen, maar heeft het de keuze tussen verschillende procedures en kan het die procedure kiezen die hem de beste kandidaten oplevert(10), daar het belangrijkste is dat de gekozen procedure in elk geval leidt tot de aanstelling van personen die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen.(11)
59. Bovendien heeft het Hof ter zake van een vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie geoordeeld dat de Commissie over een ruime beoordelingsvrijheid beschikte om voor de nieuw ingevoerde ambten de vereiste criteria van bekwaamheid te bepalen en mitsdien aan de hand van deze criteria en in het belang van de dienst de voorwaarden van het onderzoek vast te stellen.(12)
60. Voorts is het vaste rechtspraak dat het TABG over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt om de kandidaten te zoeken die uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen.(13)
61. In casu is het opschrift van het betrokken vergelijkend onderzoek duidelijk, daar het een vergelijkend onderzoek binnen de instelling betrof voor de overgang van categorie B naar A.
62. Zoals het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest voorts heeft aangegeven, waren de personen die voor het betrokken vergelijkend onderzoek in aanmerking kwamen de ambtenaren en tijdelijke functionarissen, aangezien deze personen bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling overeenkomstig artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP reeds het bewijs hebben geleverd dat zij uit het oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen, in tegenstelling tot hulpfunctionarissen die bij hun aanstelling niet aan die eisen hoeven te voldoen.
63. In deze omstandigheden ben ik van mening dat het Gerecht zich in de punten 56 en 57 van het bestreden arrest terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bij het betrokken vergelijkend onderzoek ging om een intern vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie B naar A voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen en dat de Commissie haar beoordelingsvrijheid derhalve niet heeft misbruikt, door te bepalen dat alleen die twee categorieën personen in aanmerking kwamen voor het vergelijkend onderzoek.
64. Ik voeg hieraan toe dat de Commissie voor de opstelling van een reservelijst van administrateurs ook had kunnen kiezen voor een aanwerving door middel van bevordering in de zin van artikel 45 van het Statuut, hetgeen zou hebben betekend dat alleen ambtenaren konden worden aangeworven, aangezien er in de RAP geen gelijkwaardige bepaling voor tijdelijke functionarissen bestaat.
65. Door te kiezen voor een intern vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie dat openstond voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen heeft de Commissie de instelling de medewerking verzekerd van de beste kandidaten, door aan te werven op een zo breed mogelijke basis.
66. In de tweede plaats is rekwirante van mening dat het Gerecht van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat de uitsluiting van hulpfunctionarissen van het betrokken vergelijkend onderzoek gerechtvaardigd was, aangezien laatstgenoemden, in tegenstelling tot ambtenaren en tijdelijke functionarissen, bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling niet hebben moeten bewijzen dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldeden. Rekwirante betwist dat een dergelijke voorwaarde kan worden afgeleid uit de eisen van de te vervullen ambten en, meer in het algemeen, het belang van de dienst. Haar inziens hebben de ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de categorie B die kwaliteiten slechts aangetoond om ambten van de categorie B te vervullen. Dat men uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet zou moeten volgen uit het feit dat men voor de voorselectie‑ en de selectietests is geslaagd.
67. Ik ben het hier niet mee eens.
68. Ik ben van mening dat het Gerecht zich in de punten 59 en 60 van het bestreden arrest op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Commissie niet het in artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP geformuleerde doel van elke aanwerving en aanstelling heeft miskend.
69. Ik herinner eraan dat de aanwerving van ambtenaren en de aanstelling van tijdelijke functionarissen de instelling volgens die twee bepalingen de medewerking moet verzekeren van personen die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen.
70. Ofschoon hulpfunctionarissen volgens artikel 55, lid 1, sub c, RAP voor hun aanstelling in zedelijk opzicht de waarborgen moeten bieden welke voor de uitoefening van hun functies vereist zijn, wordt in de RAP niet gezegd dat die hulpfunctionarissen aan diezelfde eisen moeten voldoen.
71. Volgens rekwirante is het criterium betreffende de aanvankelijke aanwerving en aanstelling irrelevant, aangezien uit de eisen van de te vervullen ambten en, meer algemeen, het belang van de dienst niet volgt dat de kandidaten uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen moeten voldoen.
72. Er zij aan herinnerd dat het TABG over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt bij de evaluatie van het belang van de dienst. De controle van het Gerecht moet zich derhalve beperken tot de vraag of het TABG binnen redelijke grenzen is gebleven en zijn beoordelingsvrijheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.(14)
73. Blijkens punt 15 van het bestreden arrest is het betrokken vergelijkend onderzoek een vergelijkend onderzoek met het oog op de opstelling van een reservelijst en niet om in een bepaald ambt te voorzien. Ik merk in dit verband op dat in de aankondiging van vergelijkend onderzoek geen specifieke diploma’s of bekwaamheden worden verlangd. Bij de opstelling van een reservelijst geldt voor de kandidaten immers alleen als toelatingsvoorwaarde dat zij algemene bekwaamheden bezitten.(15) Met de Commissie ben ik van mening dat de eisen verband houdende met de aanvankelijke aanwerving en aanstelling, dat wil zeggen het bewijs dat men uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet, dus een geschikt criterium was voor de toelating van kandidaten.
74. Ik ben derhalve van mening dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de Commissie niet het doel van artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP had miskend.
75. Rekwirante stelt in de derde plaats dat het Gerecht ten onrechte haar argument heeft afgewezen dat, aangezien hulpfunctionarissen krachtens artikel 3 RAP elk soort werkzaamheid kunnen verrichten wanneer hun aanstelling niet ter vervanging van een ambtenaar dient, zij gelijk konden worden gesteld met ambtenaren en tijdelijke functionarissen. Zij stelt in dit verband dat de ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de categorie B voor werkzaamheden van de categorie A niet hadden aangetoond dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldeden, maat dat zij niettemin tot het betrokken vergelijkend onderzoek waren toegelaten.
76. Ik wijs erop dat het Gerecht rekwirantes argument in punt 61 van het bestreden arrest heeft verworpen op grond van „het feit dat hulpfunctionarissen binnen de instelling elk soort werkzaamheid kunnen verrichten niet volstaat om hen voor vergelijkende onderzoeken voor de overgang naar een hogere categorie gelijk te stellen met ambtenaren en tijdelijke functionarissen. Derhalve heeft de Commissie het betrokken vergelijkend onderzoek mogen voorbehouden aan de bevordering tot de categorie A van ambtenaren en tijdelijke functionarissen die reeds hadden voldaan aan de aanvankelijke aanwerving‑ en aanstellingsvoorwaarden zoals voorzien in artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP, ongeacht de werkzaamheden die zij hebben uitgeoefend.”
77. Ook heeft het Gerecht er in de punten 49 en 56 van het bestreden arrest aan herinnerd dat het Statuut het TABG een ruime beoordelingsvrijheid geeft om de bekwaamheidseisen te bepalen die voor de te vervullen ambten worden verlangd en dat hulpfunctionarissen, in tegenstelling tot ambtenaren en tijdelijke functionarissen, bij hun aanstelling nog niet hadden moeten aantonen dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldeden.
78. Voorts heeft het Gerecht er in punt 52 van het bestreden arrest terecht aan herinnerd dat de verschillende categorieën door de Gemeenschappen tewerkgestelde personen elk aan rechtmatige behoeften van de gemeenschapsadministratie voldoen en aan de aard van de taken, permanent of tijdelijk, die zij moeten vervullen.
79. Ik ben derhalve van mening dat rekwirantes argument ongegrond is.
80. Gelet op een en ander, ben ik van mening dat het eerste middel ontvankelijk, maar ongegrond is.
B – Tweede middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
81. Volgens rekwirante heeft het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat de rechtspositie van ambtenaren en tijdelijke functionarissen niet vergelijkbaar is met die van hulpfunctionarissen, en wel op grond van de verschillen in hun respectieve aanwerving‑ en aanstellingsvoorwaarden, en heeft het daarmee het beginsel van gelijke behandeling geschonden.
82. Zoals het Hof heeft geoordeeld is het beginsel van gelijke behandeling weliswaar een algemene regel van het communautaire ambtenarenrecht, doch er kan slechts sprake zijn van discriminatie wanneer gelijke of vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld.(16)
83. Er is met name sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling wanneer twee categorieën van personen waarvan de rechtspositie en de feitelijke situatie niet wezenlijk verschillen, bij hun aanwerving of aanstelling verschillend worden behandeld.(17)
84. Derhalve rijst de vraag of ambtenaren en tijdelijke functionarissen enerzijds en hulpfunctionarissen anderzijds in een gelijke of vergelijkbare situatie verkeren.
85. Ik denk het niet.
86. Zoals het Gerecht in punt 53 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, volgt uit artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP dat de voornaamste vereisten voor de aanwerving van ambtenaren en de aanstelling van tijdelijke functionarissen verschillen van die voor hulpfunctionarissen, aangezien laatstgenoemden, in tegenstelling tot de twee andere categorieën, bij hun aanstelling niet hebben moeten aantonen dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen.
87. Zoals gezien, moeten hulpfunctionarissen voor hun aanstelling volgens artikel 55, lid 1, sub c, RAP alleen in zedelijk opzicht de waarborgen bieden die voor de uitoefening van hun functies zijn vereist.
88. Ik wil hier overigens aan toevoegen dat er belangrijke verschillen bestaan tussen de status van ambtenaar en die van tijdelijk functionaris enerzijds en de status van hulpfunctionaris anderzijds.
89. Uit artikel 6 van het Statuut en artikel 9 RAP volgt immers dat de ambten van ambtenaren en tijdelijke functionarissen voorkomen op een lijst van het aantal ambten, hetgeen voor hulpfunctionarissen niet het geval is. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat als hulpfunctionaris wordt aangemerkt, het personeelslid dat is aangesteld om werkzaamheden bij een instelling te verrichten zonder te worden tewerkgesteld in een ambt dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op deze instelling betrekking heeft.(18)
90. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat volgens artikel 52 RAP de werkelijke diensttijd van een hulpfunctionaris niet meer kan bedragen dan de duur van zijn tewerkstelling ad interim ter vervanging van een ambtenaar of tijdelijke functionaris die tijdelijk niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten, dan wel een jaar in alle overige gevallen.(19)
91. Het Hof heeft hieruit geconcludeerd dat het kenmerk van een overeenkomst van hulpfunctionaris derhalve bestaat in de onzekere tijdsduur ervan, daar deze slechts kan worden gebruikt voor een kortstondige vervanging of om voorbijgaande, dringend noodzakelijke of niet duidelijk omschreven administratieve taken te vervullen.(20)
92. Eveneens zij opgemerkt dat er verschillen bestaan tussen de status van hulpfunctionaris enerzijds en de status van ambtenaar of tijdelijk functionaris anderzijds, wat onder meer de beoordeling, de overgang naar de volgende salaristrap en de pensioenrechten betreft. Terwijl ambtenaren en tijdelijke functionarissen worden beoordeeld, kunnen overgaan naar een volgende salaristrap en recht hebben op een ouderdomspensioen(21), bevat de RAP in dat opzicht geen enkele bepaling voor hulpfunctionarissen.
93. De status van hulpfunctionaris is gecreëerd om aan welbepaalde behoeften van de gemeenschapsinstellingen te beantwoorden en de functie van een dergelijk functionaris is niet bestemd om voort te duren in de tijd.
94. Voorts ben ik van mening dat ambtenaren en tijdelijke functionarissen zich in een andere rechtspositie bevinden dan hulpfunctionarissen.
95. Om die redenen ben ik van mening dat het Gerecht niet van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan door in punt 62 van het bestreden arrest te oordelen dat de rechtspositie van ambtenaren en tijdelijke functionarissen niet vergelijkbaar is met die van hulpfunctionarissen, en wel op grond van het verschil in hun respectieve aanwerving‑ en aanstellingsvoorwaarden.
96. Gelet op het voorgaande, ben ik van mening dat het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.
C – Derde middel: ontoereikende motivering van het bestreden arrest
97. Ik begrijp dat rekwirante met haar derde middel stelt dat het Gerecht niet is ingegaan op haar argumenten strekkende tot weerlegging van de stelling van de Commissie dat het ontbreken van algemene voorwaarden van geschiktheid in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, zoals academische diploma’s, verklaard wordt door het feit dat de ambtenaren en tijdelijke functionarissen bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling reeds het bewijs hadden geleverd van de vereiste bekwaamheden.
98. In eerste instantie had rekwirante zich op het standpunt gesteld dat het argument van de Commissie dat het ontbreken van die voorwaarden werd verklaard door het feit dat de ambtenaren en tijdelijke functionarissen bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling reeds hadden bewezen dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldeden, onjuist was.
99. Rekwirante had voor het Gerecht dus gesteld dat het ontbreken van die voorwaarden niet werd verklaard door het feit dat ambtenaren en tijdelijke functionarissen bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling reeds het bewijs van die kwaliteiten hadden geleverd, aangezien het vergelijkend onderzoek openstond voor ambtenaren van de categorie B en voor de aanstelling in die categorie geen diploma was vereist.
100. Volgens rekwirante was het ontbreken van die voorwaarden te wijten aan het feit dat de Commissie zich op het standpunt had gesteld dat een diensttijd van vijf jaar als ambtenaar, tijdelijk functionaris of hulpfunctionaris een gelijkwaardige beroepservaring opleverde in de zin van artikel 5 van het Statuut. Rekwirante had ook gesteld dat het ontbreken van specifieke voorwaarden werd verklaard door het feit dat de Commissie niet van plan was om vacante ambten rechtstreeks te vervullen, maar een reservelijst wilde opstellen, waarvan de toelatingsvoorwaarden beperkt waren tot algemene voorwaarden van geschiktheid.
101. Bovendien had rekwirante betoogd dat een vergelijkend onderzoek dat gericht is op de aanwerving van ambtenaren noodzakelijkerwijs moet beantwoorden aan het in artikel 27 van het Statuut vastgestelde doel. Het was dus van weinig belang dat voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen, maar niet voor hulpfunctionarissen, reeds was nagegaan of aan dat doel werd voldaan, aangezien het betrokken interne vergelijkende onderzoek het nu juist mogelijk zou hebben gemaakt om dit te verifiëren.
102. Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat de vraag of de motivering van een arrest van het Gerecht ontoereikend is, een rechtsvraag is die als zodanig in hogere voorziening kan worden aangevoerd.(22)
103. Vervolgens wijs ik erop dat op grond van artikel 36 van het Statuut van het Hof, dat krachtens artikel 53 van dat Statuut van toepassing is op het Gerecht, „de arresten […] met redenen [zijn] omkleed”.
104. Bovendien is het vaste rechtspraak dat de motivering van een arrest de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. (23)
105. Dit gezegd zijnde, moet thans worden onderzocht of het Gerecht niet is ingegaan op rekwirantes argument.
106. Na er in punt 48 van het bestreden arrest aan te hebben herinnerd dat de instelling met het oog op de eerbiediging van het in artikel 27 van het Statuut geformuleerde doel op een zo breed mogelijke basis moet aanwerven, heeft het Gerecht in punt 53 van zijn arrest geoordeeld dat „uit artikel 27 van het Statuut respectievelijk artikel 12 RAP volgt dat de voornaamste vereisten voor de aanstelling van ambtenaren en tijdelijke functionarissen verschillen van die voor hulpfunctionarissen. In tegenstelling tot hulpfunctionarissen voor wie dergelijke eisen niet gelden, bepalen de twee voormelde artikelen dat de aanwerving van ambtenaren en de aanstelling van tijdelijke functionarissen de instelling de medewerking moeten verzekeren van personen die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen.”
107. Na het vergelijkend onderzoek te hebben aangemerkt als „intern vergelijkend onderzoek voor de overgang van categorie B naar A”, heeft het Gerecht in de punten 59 en 60 van het bestreden arrest geoordeeld dat dit vergelijkend onderzoek alleen openstond voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen, aangezien die twee categorieën personen bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling hadden aangetoond dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldeden, overeenkomstig artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP.
108. De motiveringsplicht verplicht het Gerecht niet om een uiteenzetting te geven die getrouw en één voor één alle argumenten van de partijen volgt. De motivering van het Gerecht kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom de betrokken maatregelen zijn getroffen en de bevoegde rechter over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen.(24)
109. Het is juist dat het Gerecht niet alle door Chetcuti aangevoerde argumenten tot in detail heeft beantwoord, doch in de punten 59 en 60 van het bestreden arrest heeft het duidelijk de stelling van de Commissie bevestigd. Het heeft uiteengezet dat ambtenaren en tijdelijke functionarissen, in tegenstelling tot hulpfunctionarissen, bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling moeten aantonen dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen, overeenkomstig artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP.
110. Zoals wij hebben kunnen vaststellen, heeft de analyse van het Gerecht er met name in bestaan, de redenen uiteen te zetten waarom alleen ambtenaren en tijdelijke functionarissen in aanmerking kwamen voor het betrokken vergelijkend onderzoek en aan te tonen dat het voor elke aanwerving en aanstelling geformuleerde doel was geëerbiedigd, waarbij het eraan heeft herinnerd dat het TABG over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt met betrekking tot de organisatiewijzen van een vergelijkend onderzoek.
111. Het Gerecht heeft hieruit dus kunnen afleiden dat de Commissie het betrokken vergelijkend onderzoek heeft kunnen voorbehouden aan ambtenaren en tijdelijke functionarissen en dat het voor elke aanwerving en aanstelling geldende doel, namelijk die hoedanigheden te bezitten, was bereikt.
112. Rekwirante verwijt het Gerecht bovendien dat het niet heeft geantwoord op haar argument dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek een interne tegenstrijdigheid bevatte, aangezien zij met de eerste toelatingsvoorwaarde tijdelijke functionarissen uitsloot, maar wel toestond dat de ervaring van die functionarissen meetelde voor de beroepservaring.
113. Ik ben van mening dat dit argument ongegrond is.
114. Wij hebben immers gezien dat het Gerecht bij zijn analyse steeds heeft aangegeven waarom de Commissie niet de grenzen van haar bevoegdheden had overschreden door alleen sollicitaties van ambtenaren en tijdelijke functionarissen toe te laten, omdat, zoals reeds gezegd, die twee categorieën personen reeds hadden aangetoond dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen beantwoordden.
115. Dat de beroepservaring van hulpfunctionarissen in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de diensttijd van een ambtenaar of tijdelijk functionaris neemt niet weg dat de twee laatstgenoemde categorieën personen, in tegenstelling tot hulpfunctionarissen, op een gegeven moment hebben aangetoond dat zij de kwaliteiten bezitten die krachtens artikel 27 van het Statuut en artikel 12 RAP voor hun aanwerving of aanstelling vereist zijn.
116. Bovendien vormt de inaanmerkingneming van de diensttijd als krachtens de RAP aangesteld personeelslid een geschikt middel om het belang van de dienst na te streven.(25)
117. Deze twee voorwaarden zijn dus niet tegenstrijdig, maar aanvullend. Bovendien heeft het Gerecht in punt 61 van het bestreden arrest kunnen oordelen dat ook al kunnen tijdelijke functionarissen daadwerkelijk elk soort functie vervullen, dit niet volstaat om hen gelijk te stellen met ambtenaren en tijdelijke functionarissen, aangezien die twee categorieën personen, in tegenstelling tot hulpfunctionarissen, bij hun aanvankelijke aanwerving en aanstelling hadden aangetoond dat zij uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldeden.
118. Ik geef het Hof derhalve in overweging om dit middel ongegrond te verklaren.
VI – Kosten
119. Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof in hogere voorziening ten aanzien van de proceskosten.
120. Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
121. Op grond van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
122. Krachtens artikel 122, tweede alinea, van dat Reglement geldt artikel 70 echter niet ingeval de hogere voorziening is ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling tegen die instelling.
123. Daar de Commissie heeft geconcludeerd tot verwijzing van Chetcuti in de kosten en laatstgenoemde mijn inziens in het ongelijk moet worden gesteld, ben ik van mening dat zij moet worden verwezen in de kosten.
VII – Conclusie
124. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof de volgende beslissing in overweging:
„1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Chetcuti wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Arrest Chetcuti/Commissie (T‑357/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden arrest”).
3 – Zie onder meer arrest van 21 september 2006, JCB Service/Commissie (C‑167/04 P, Jurispr. blz. I‑8935, punt 106, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
4 – Idem.
5 – Zie arrest van 29 juni 2000, Politi/Europese Stichting voor opleiding (C‑154/99 P, Jurispr. blz. I‑5019, punt 11 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
6 – Arrest van 31 maart 1965 (16/64, blz. 191).
7 – Arrest Gerecht van 15 november 2001 (T‑142/00, JurAmbt. blz. I‑A-219 en II‑1011).
8 – Arresten Gerecht van 8 november 1990, Bataille e.a./Parlement (T‑56/89, Jurispr. blz. II‑597, punt 42); 5 februari 1997, Ibarra Gil/Commissie (T‑207/95, JurAmbt. blz. I‑A-13 en II-31, punt 66), en 15 februari 2005, Pyres/Commissie (T‑256/01, JurAmbt. blz. I‑A-23 en II-99, punt 36).
9 – Arresten Gerecht van 21 november 2000, Carrasco Benítez/Commissie (T‑214/99, JurAmbt. blz. I‑A-257 en II-1169, punt 52), en Van Huffel/Commissie, reeds aangehaald (punt 51).
10 – Zie onder meer arrest van 13 juli 2000, Parlement/Richard (C‑174/99 P, Jurispr. blz. I‑6189, punt 38). Zie eveneens arrest Gerecht van 23 april 2002, Campolargo/Commissie (T‑372/00, JurAmbt. blz. I‑A-49 en II-223, punten 93 en 98).
11 – Zie arresten van 31 maart 1965, Ley/Commissie (12/64 en 29/64, Jurispr. blz. 142, 160; 14 juli 1983, Mogensen e.a./Commissie (10/82, Jurispr. blz. 2397, punt 9), en 8 juni 1988, Vlachou/Rekenkamer (135/87, Jurispr. blz. 2901, punt 23).
12 – Zie arrest van 16 oktober 1975, Deboeck/Commissie (90/74, Jurispr. blz. 1123, punt 29).
13 – Arrest Gerecht van 11 november 2003, Faita/ESC (T‑248/02, JurAmbt. blz. I‑A‑281 en II-1365, punt 45).
14 – Zie arresten Gerecht van 12 juni 1997, Carbajo Ferrero/Parlement (T‑237/95, JurAmbt. blz. I‑A-141 en II-429, punt 99), en 1 maart 2005, Mausolf/Europol (T‑258/03, JurAmbt. blz. I‑A-45 en II-189, punt 49).
15 – Arrest van 6 maart 1997, de Kerros en Kohn-Bergé/Commissie (T‑40/96 en T‑55/96, JurAmbt. blz. I‑A-47 en II-135, punt 43).
16 – Arrest van 2 december 1982, Micheli e.a./Commissie (198/81–202/81, Jurispr. blz. 4145, punt 5).
17 – Arrest van 11 juli 1985, Hattet e.a./Commissie (66/83–68/83 en 136/83–140/83, Jurispr. blz. 2459, punt 24). Zie eveneens arresten Gerecht van 7 februari 1991, Tagaras/Hof van Justitie (T‑18/89 en T‑24/89, Jurispr. blz. II‑53, punt 68); 17 december 1997, Dricot e.a./Commissie (T‑159/95, JurAmbt. blz. I‑A‑385 en II‑1035, punten 83 en 98); 17 december 1997, Chiou/Commissie (T‑225/95, JurAmbt. blz. I‑A-423 en II-1135, punten 48 en 66), en 11 juli 2002, Wasmeier/Commissie (T‑381/00, JurAmbt. blz. I‑A-125 en II-677, punt 122).
18 – Arrest van 1 februari 1979, Deshormes/Commissie (17/78, Jurispr. blz. 189, punt 35).
19 – Ibidem, punt 36. Opgemerkt zij dat volgens de RAP de maximale aanstellingsduur van een hulpfunctionaris naar drie jaar is gebracht in alle gevallen die niet de vervanging van een ambtenaar of een tijdelijk functionaris betreffen (artikel 52, sub b, RAP).
20 – Arrest Deshormes/Commissie, reeds aangehaald (punt 37).
21 – Zie, voor ambtenaren, artikelen 43, 44 en 77 van het Statuut en, voor tijdelijke functionarissen, de artikelen 15, 20 en 39 RAP.
22 – Zie arrest van 8 februari 2007, Groupe Danone/Commissie (C‑3/06 P, Jurispr. blz. I‑1331, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 – Zie in die zin arresten van 14 mei 1998, Raad/De Nil en Impens (C‑259/96 P, Jurispr. blz. I‑2915, punten 32‑34), en 17 mei 2001, IECC/Commissie (C‑449/98 P, Jurispr. blz. I‑3875, punt 70), alsmede beschikkingen van 19 juli 1995, Commissie/Atlantic Container Line e.a. [C‑149/95 P(R), Jurispr. blz. I‑2165, punt 58]; 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie [268/96 P(R), Jurispr. blz. I‑4971, punt 52], en 25 juni 1998, Nederlandse Antillen/Raad [C‑159/98 P(R), Jurispr. blz. I‑4147, punt 70].
24 – Arrest Groupe Danone/Commissie, reeds aangehaald (punt 46). Zie eveneens arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 372).
25 – Arrest de Kerros en Kohn-Bergé/Commissie, reeds aangehaald (punt 47).
Full & Egal Universal Law Academy