CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 28 februari 2008 (1)
Zaak C‑164/07
James Wood
[verzoek van het Tribunal de grande instance de Nantes (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Discriminatie op grond van nationaliteit – Artikel 12, eerste alinea, EG – Burgerschap van Unie – Schadeloosstelling van slachtoffers van in buitenland gepleegde misdrijven – Nationale regeling die dergelijke schadevergoeding enkel aan eigen staatsburgers toekent”
I – Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft discriminatie op grond van nationaliteit bij de toekenning van schadevergoeding door de overheid aan slachtoffers van misdrijven. Het Hof heeft een soortgelijke thematiek reeds in de zaak Cowan(2) behandeld.
2. Anders dan in de zaak Cowan, gaat het in casu evenwel niet om schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven die op het eigen grondgebied zijn gepleegd. Daarentegen wordt het Hof in casu gevraagd welke eisen het gemeenschapsrecht stelt met betrekking tot een nationale bepaling die een dergelijke schadevergoeding ook toekent voor in het buitenland gepleegde misdrijven, maar enkel aan eigen staatsburgers.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
3. Artikel 12, eerste alinea, EG bepaalt:
„Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.”
4. Artikel 17 van richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven(3) (hierna: „richtlijn 2004/80”) luidt als volgt:
„Gunstiger bepalingen
Deze richtlijn belet de lidstaten niet om
a) bepalingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor slachtoffers van misdrijven of andere personen die ten gevolge van een misdrijf nadeel ondervinden;
b) bepalingen in te voeren of te handhaven op grond waarvan slachtoffers van buiten het eigen grondgebied gepleegde misdrijven of andere personen die ten gevolge van een misdrijf nadeel ondervinden, schadeloosgesteld kunnen worden onder de door de lidstaat vastgestelde voorwaarden,
mits deze bepalingen verenigbaar zijn met deze richtlijn.”
B – Nationaal recht
5. Artikel 706-3 van de Franse Code de procédure pénale bepaalt:
„Eenieder die schade heeft geleden door opzettelijke of onopzettelijke handelingen die een misdrijf opleveren, kan volledig worden schadeloosgesteld voor de schade ten gevolge van aantasting in de persoon, op voorwaarde dat:
1. [...]
2. [...]
3. De gelaedeerde de Franse nationaliteit bezit, dan wel de handeling op het nationale grondgebied is gesteld en de gelaedeerde
– ofwel staatsburger van een lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap is
– ofwel ten tijde van de handeling of het verzoek rechtmatig in Frankrijk verblijf houdt, behoudens internationale verdragen en overeenkomsten.
– [...]”
III – Feiten en hoofdgeding
6. J. Wood is een Brits staatsburger die reeds meer dan twintig jaar in Frankrijk woont. Met zijn levensgezellin, een Frans staatsburger, heeft hij drie kinderen, die eveneens de Franse nationaliteit bezitten.
7. Een van de kinderen, dochter H. Wood, is in 2004 omgekomen bij een verkeersongeval in Australië, waar zij tijdens een stage verbleef.
8. De familie Wood heeft vervolgens bij de Commissie voor schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven te Nantes (Commission nantaise d’indemnisation des victimes d’infractions; hierna ook: „Commissie voor schadeloosstelling”) een verzoek ingediend tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij door de dood van H. Wood heeft geleden.
9. Dat de moeder en de broer en zus recht hadden op schadeloosstelling, werd erkend. Over het bedrag van de vergoeding hebben zij een overeenkomst bereikt met het bevoegde Garantiefonds (Fonds de Garantie).
10. Daarentegen heeft het Garantiefonds schadeloosstelling geweigerd aan de vader van de overledene, op grond dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 706-3 van de Code de procédure pénale. Volgens deze bepaling hebben alleen Franse staatsburgers recht op schadeloosstelling wanneer de schadeveroorzakende gebeurtenis in het buitenland heeft plaatsgevonden. Aangezien Wood, anders dan de overige familieleden, niet de Franse nationaliteit bezit, kan hij geen aanspraak maken op schadeloosstelling. Dit zou slechts anders zijn indien het ongeval van zijn dochter in Frankrijk had plaatsgevonden.
11. Vervolgens heeft Wood bij verzoekschrift van 11 januari 2007 tegen het Garantiefonds beroep ingesteld bij de Commissie voor schadeloosstelling van het Tribunal de grande instance de Nantes. Ter ondersteuning van zijn beroep voert hij artikel 7 EEG-Verdrag aan, volgens hetwelk elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is.
12. Zijns inziens is sprake van discriminatie, aangezien hij, anders dan zijn levensgezellin en zijn kinderen, die Franse staatsburgers zijn, niet wordt schadeloosgesteld louter op grond van het feit dat hij niet de Franse nationaliteit bezit, hoewel hij reeds meer dan 20 jaar in Frankrijk woont, werkt en belastingen betaalt.
IV – Verzoek om een prejudiciële beslissing en procesverloop bij het Hof
13. Bij beslissing van 16 maart 2006 heeft de Commissie voor schadeloosstelling van het Tribunal de grande instance de Nantes de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is artikel 706-3 van de Franse Code de procédure pénale, gelet op het in artikel 7 EEG-Verdrag geformuleerde algemene beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, verenigbaar met het gemeenschapsrecht voor zover een gemeenschapsburger die in Frankrijk woont en vader is van een kind met de Franse nationaliteit dat buiten het Franse grondgebied is overleden, enkel op grond van zijn nationaliteit wordt uitgesloten van het recht op een door het Fonds de Garantie uitgekeerde schadevergoeding?”
14. In de procedure voor het Hof hebben naast verzoeker en verweerder in het hoofdgeding ook de Franse regering en de Commissie schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend. Verder hebben de Italiaanse en de Portugese regering schriftelijke opmerkingen ingediend.
V – Beoordeling
A – Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
15. Alvorens de prejudiciële vraag te behandelen, moeten eerst twee aspecten van de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing kort ter sprake worden gebracht.
1. Uitlegging van de prejudiciële vraag
16. In de prejudiciële vraag wordt verwezen naar artikel 7 EEG-Verdrag. Het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit staat inmiddels evenwel in gelijkluidend artikel 12, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Artikel 12, eerste alinea, EG is ratione temporis van toepassing op het onderhavige geval. Hierna wordt derhalve artikel 12, eerste alinea, EG als uitgangspunt genomen.
17. Gelet op de formulering van de prejudiciële vraag dient voorts te worden gepreciseerd dat volgens vaste rechtspraak het Hof in het kader van een prejudiciële procedure krachtens artikel 234 EG niet bevoegd is zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het gemeenschapsrecht. Het Hof is wel bevoegd de nationale rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het gemeenschapsrecht te verschaffen welke die rechter in staat kunnen stellen die verenigbaarheid te beoordelen met het oog op het vonnis in de voor hem aanhangige zaak.(4)
18. De prejudiciële vraag dient dan ook in die zin te worden uitgelegd dat wordt verzocht om uitlegging van artikel 12, eerste alinea, EG.
2. Bevoegdheid van de Commissie voor schadeloosstelling om prejudiciële vragen te stellen
19. Bovendien rijst de vraag of de Commissie voor schadeloosstelling, die dit verzoek om een prejudiciële beslissing bij het Hof heeft ingediend, een rechterlijke instantie is die prejudiciële vragen kan stellen in de zin van artikel 234 EG. In dit verband kan worden verwezen naar de conclusie in de zaak Cowan, waarin advocaat-generaal Lenz op basis van een uitvoerige motivering terecht heeft vastgesteld dat een dergelijke commissie als een rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG moet worden aangemerkt.(5) Hij heeft daarbij aangevoerd dat een dergelijke commissie een bij wet opgerichte onafhankelijke instantie met bindende rechtsmacht voor de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven is. Zij doet uitspraak aan de hand van rechtsvoorschriften, inzonderheid die van de Code de procédure pénale.
3. Voorlopige conclusie
20. Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Commissie voor schadeloosstelling van het Tribunal de grande instance de Nantes is derhalve ontvankelijk.
B – Beoordeling van de prejudiciële vraag ten gronde
21. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de vraag of artikel 12, eerste alinea, EG aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die schadevergoeding aan slachtoffers van in het buitenland gepleegde misdrijven uitsluitend toekent aan eigen staatsburgers van de betrokken staat en derhalve weigert aan een staatsburger van een andere lidstaat die in eerstgenoemde staat zijn woonplaats heeft.
22. Alvorens de uit artikel 12, eerste alinea, EG voortvloeiende gevolgen voor de nationale regeling te analyseren, dient evenwel eerst te worden ingegaan op richtlijn 2004/80.
1. Richtlijn 2004/80 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven
23. De Portugese en de Italiaanse regering wijzen er terecht op dat de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven die buiten het grondgebied van een lidstaat worden gepleegd, niet is geharmoniseerd. Het is juist dat er met betrekking tot de thematiek van de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven een communautaire rechtshandeling bestaat, te weten richtlijn 2004/80. Artikel 17 van deze richtlijn stelt evenwel duidelijk dat deze richtlijn de lidstaten niet belet om bepalingen in te voeren of te handhaven op grond waarvan slachtoffers van buiten het eigen grondgebied gepleegde misdrijven of andere personen die ten gevolge van een misdrijf nadeel ondervinden, schadeloosgesteld kunnen worden.
24. Beide regeringen leiden uit deze bevoegdheid van de lidstaten af dat het gemeenschapsrecht geen voorschriften voor nationale regelingen op dit gebied bevat. Tot deze conclusie kan evenwel niet worden gekomen op basis van de bevoegdheid van de lidstaten.
25. Ook in het kader van hun residuele bevoegdheden zijn de lidstaten immers verplicht die bevoegdheden in overeenstemming met het gemeenschapsrecht uit te oefenen.(6) Bijgevolg dient hierna te worden onderzocht of, en zo ja, welke voorschriften voortvloeien uit het discriminatieverbod van artikel 12 EG.
2. Werkingssfeer van het discriminatieverbod
26. Artikel 12, eerste alinea, EG verbiedt binnen de werkingssfeer van dit Verdrag elke discriminatie op grond van nationaliteit. Derhalve dient allereerst te worden onderzocht of de onderhavige situatie binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt.
27. Volgens inmiddels vaste rechtspraak van het Hof vallen binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht die situaties waarin gebruik wordt gemaakt van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, met name ook van de in artikel 18 EG neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.(7)
28. Het onderhavige geval valt dus binnen de werkingssfeer van het Verdrag, ofwel doordat Wood naar Frankrijk is getrokken en daar een economische activiteit verricht, ofwel doordat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer als burger van de Unie.
29. Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat geen gedetailleerde informatie inzake de beroepssituatie van Wood. Er wordt louter op één plaats door deze laatste aangevoerd dat hij reeds meer dan twintig jaar in Frankrijk woont en werkt. Daarbij wordt in elk geval niet nader gepreciseerd of hij als loontrekkende of zelfstandige werkzaam is. Evenmin is duidelijk of deze uitspraak onbetwist is of enkel de verklaring van verzoeker weergeeft.
30. Wanneer wordt uitgegaan van deze informatie maakt Wood op het ogenblik waarop de vraag van een recht op schadeloosstelling rijst, naargelang van de aard van zijn beroepswerkzaamheid in Frankrijk ofwel gebruik van het vrije verkeer van werknemers overeenkomstig artikel 39 EG ofwel gebruik van de vrijheid van vestiging overeenkomstig artikel 43 EG.
31. Indien evenwel in de procedure voor de verwijzende rechter zou blijken dat Wood geen beroepswerkzaamheid verrichtte, valt hij binnen de werkingssfeer van het Verdrag in de zin van artikel 12 EG via de verdragsbepalingen inzake het burgerschap van de Unie (artikel 18 EG). Volgens de rechtspraak valt een burger van de Unie die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer als bedoeld in artikel 18, lid 1, immers binnen de werkingssfeer van het Verdrag en kan zich beroepen op het algemene discriminatieverbod van artikel 12, eerste alinea, EG.
32. De hoedanigheid van burger van de Unie dient namelijk de primaire hoedanigheid van de staatsburgers van de lidstaten te zijn, en zij verleent degenen onder deze staatsburgers die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit en onverminderd de uitdrukkelijk vastgestelde uitzonderingen, ter zake van de werkingssfeer ratione materiae van het Verdrag aanspraak op een gelijke behandeling rechtens.(8)
33. Het is de taak van de verwijzende rechter om te achterhalen of het onderhavige geval concreet op grond van artikel 39 EG, artikel 43 EG of artikel 18 EG binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt.
34. De essentie is evenwel dat de situatie van Wood binnen de werkingssfeer van het Verdrag valt en hij zich dus kan beroepen op het recht om niet te worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit.
3. Ongelijke behandeling
35. Hierna dient dus te worden onderzocht of Wood werd gediscrimineerd op grond van nationaliteit. Volgens het Garantiefonds is er geen sprake van ongelijke behandeling. Daartoe wordt onder meer aangevoerd dat Wood schadeloosstelling zou hebben verkregen indien hij de Britse nationaliteit had opgegeven en de Franse nationaliteit had aangenomen.
36. Volgens vaste rechtspraak verreist het discriminatieverbod dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld.(9)
37. Dat in casu vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, wordt duidelijk bij vergelijking van de situatie van Wood met die van zijn Franse levensgezellin. Beide wonen reeds meer dan twintig jaar samen in Frankrijk en hebben door een misdrijf in het buitenland hun dochter verloren. Hun band van verwantschap met de overledene is dezelfde en zij hebben aldus dezelfde schade geleden.
38. Op de nationaliteit na is er dus geen verschil tussen Wood en zijn levensgezellin ten aanzien van de voorwaarden voor het recht op schadeloosstelling. Toch krijgt enkel de levensgezellin schadevergoeding uitbetaald, en niet Wood.
39. Bijgevolg worden vergelijkbare situaties verschillend behandeld. Aangezien het verschil in behandeling expliciet is gekoppeld aan het nationaliteitscriterium, is er sprake van rechtstreekse discriminatie. Anders dan verweerder aanvoert, is het voor het bestaan van discriminatie dus irrelevant dat Wood recht op schadeloosstelling kon verkrijgen door te wisselen van nationaliteit.
4. Rechtvaardiging
40. Bijgevolg dient alleen nog te worden onderzocht of deze discriminatie kan worden gerechtvaardigd.
41. Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het gebaseerd is op objectieve overwegingen die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan de door het nationale recht nagestreefde legitieme doelstelling.(10)
42. Het is omstreden of een nationale regeling die rechtstreeks discrimineert op grond van nationaliteit, gerechtvaardigd kan zijn.(11) Daarop behoeft hier evenwel niet te worden ingegaan, aangezien in casu niet kan worden geconcludeerd tot het bestaan van een rechtvaardiging, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat een dergelijke rechtvaardiging mogelijk is.
43. Volgens de Portugese regering is de rechtvaardiging gelegen in het idee van nationale solidariteit, waaruit volgt dat een lidstaat schadeloosstelling voor buiten zijn grondgebied gepleegde misdrijven mag beperken tot de eigen staatsburgers.
44. De Franse regering zelf erkent dat Wood net als zijn vrouw en kinderen schadeloosgesteld zou moeten worden. Zij voert derhalve geen rechtvaardiging aan voor het nationaliteitscriterium als voorwaarde voor toekenning van schadevergoeding.
45. Zij verwijst evenwel naar de lasten die een onbeperkte toekenning van schadevergoeding aan slachtoffers zou meebrengen voor de financiering en het algemene niveau van het systeem van schadeloosstelling. De regeling inzake schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven is in Frankrijk immers bijzonder ruim opgezet en kent in bijzonder veel situaties een dergelijk recht toe. Zo worden niet alleen de rechtstreekse slachtoffers van misdrijven vergoed, maar ook de onrechtstreekse slachtoffers, waarbij het begrip „onrechtstreeks slachtoffer” tevens bijzonder ruim wordt uitgelegd.
46. Zonder enige beperking zou elke staatsburger van een andere lidstaat die zelfs enkel kortstondig als toerist in Frankrijk verblijft, ook een dergelijke schadeloosstelling kunnen eisen wanneer tijdens zijn verblijf in Frankrijk een persoon met wie hij een nauwe band heeft, in zijn land van herkomst of in een derde land het slachtoffer van een misdrijf is.
47. Het Hof heeft in bepaalde gevallen erkend dat een lidstaat de toekenning van bepaalde sociale uitkeringen die een onredelijke last kunnen worden, afhankelijk mag stellen van de voorwaarde dat een werkelijke band bestaat tussen de persoon en de staat(12), of de persoon blijk geeft van een zekere mate van integratie(13) in of van een bijzondere verbondenheid(14) met de samenleving van deze lidstaat. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld in het arrest Bidar inzake onderhoudssteun voor studenten geoordeeld dat elke lidstaat ervoor mag zorgen dat de toekenning van steun ter dekking van de kosten van levensonderhoud van studenten uit andere lidstaten geen onredelijke last wordt, die het totale bedrag van de door deze staat toekenbare steun zou kunnen beïnvloeden.
48. Bij overeenkomstige toepassing van deze overwegingen op het onderhavige geval lijkt het legitiem, de toekenning van schadevergoeding aan slachtoffers van in het buitenland gepleegde misdrijven afhankelijk te stellen van het bestaan van een werkelijke band tussen de verzoeker en de lidstaat die de vergoeding toekent, teneinde het gevaar van een onredelijke last af te wenden.
49. Een nationale regeling die uitkeringen voor slachtoffers van in het buitenland gepleegde misdrijven wil beperken tot een groep van personen die blijk geeft van een werkelijke band met de Franse samenleving, zou dus beslist een legitiem doel nastreven.
50. Een dergelijke nationale regeling is evenwel pas gerechtvaardigd indien ook het evenredigheidsvereiste wordt geëerbiedigd.(15) Een maatregel is evenredig wanneer hij geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken, en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken.
51. Ten aanzien van niet door het gemeenschapsrecht geregelde uitkeringen hebben de lidstaten weliswaar een ruime beoordelingsvrijheid voor de vaststelling van criteria ter beoordeling van de vraag of van een werkelijke band sprake is, mits zij evenwel de door het gemeenschapsrecht gestelde grenzen eerbiedigen.(16)
52. Een nationale regeling die het nationaliteitscriterium hanteert als voorwaarde voor de toekenning van schadevergoeding aan slachtoffers, kan evenwel niet gerechtvaardigd zijn, zelfs indien wordt aangenomen dat een rechtstreeks discriminerende maatregel in beginsel gerechtvaardigd kan worden.
53. Door uitsluitend de nationaliteit van de ontvanger van de uitkering in aanmerking te nemen, worden namelijk ook personen die zeker een toereikende werkelijke band met de Franse samenleving hebben, uitgesloten van de toekenning van de uitkering. Een persoon als Wood, die twintig jaar in Frankrijk heeft gewoond en gewerkt, geeft ongetwijfeld – zoals overigens ook de Franse regering erkent – blijk van een afdoende integratie in de Franse samenleving, waardoor hem de toekenning van een dergelijke schadevergoeding niet mag worden geweigerd. Een dergelijke maatregel is reeds niet geschikt om het nagestreefde doel te verwezenlijken.
54. Als mogelijk criterium voor de vaststelling van een werkelijke band met de Franse samenleving zou nochtans de woonplaats van de verzoeker in aanmerking kunnen worden genomen.(17) De vaststelling dat de betrokkene gedurende een bepaalde tijd in de betreffende lidstaat verblijf heeft gehouden, toont aan dat hij geïntegreerd is in de samenleving van die lidstaat.(18) Bij de concrete uitwerking van een dergelijk woonplaatscriterium, en in het bijzonder bij de vaststelling van de vereiste verblijfsduur, moet evenwel ook het evenredigheidsbeginsel worden gerespecteerd.(19)
55. De uitspraak van het Hof in de zaak Cowan zou evenmin in de weg staan aan een dergelijk woonplaatscriterium.
56. Het arrest Cowan betrof een Frans rechtsvoorschrift dat de toekenning van een vergoeding aan slachtoffers afhankelijk stelde van de voorwaarde dat de betrokkene een verblijfskaart bezat of onderdaan was van een land waarmee Frankrijk een wederkerigheidsovereenkomst had gesloten.
57. Cowan was als toerist in Frankrijk en is daar het slachtoffer van een misdrijf geworden. Aangezien het verblijf van Cowan als toerist behoort tot de passieve vrijheid van dienstverrichting, viel de omstreden nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Verdrag in de zin van artikel 12 EG. Het Hof heeft vastgesteld dat er sprake was van ongelijke behandeling door een nationale regeling die de toekenning van schadevergoeding aan personen die geen staatsburgers van de betreffende lidstaat zijn, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene een verblijfskaart bezit – met andere woorden: op zijn grondgebied woont –, wanneer die voorwaarde niet voor de eigen staatsburgers geldt.(20)
58. Uit dit arrest volgt evenwel niet dat een woonplaatscriterium ook in het onderhavige geval onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
59. In het geval Cowan bestond er immers reeds op een andere grond een „werkelijke band” tussen de burger en de staat. De toereikende aanknoping met Frankrijk vloeide daar voort uit het feit dat het misdrijf op het Franse grondgebied was gepleegd en de heer Cowan het rechtstreekse slachtoffer van het misdrijf was. Aangezien hierdoor reeds een werkelijke band bestond, mocht de toekenning van schadevergoeding niet afhankelijk worden gesteld van het bestaan van nog een andere „werkelijke band” in de vorm van een woonplaatscriterium.
60. Aangezien daarentegen in een geval als dat van Wood geen werkelijke band wordt gecreëerd door de plaats van het misdrijf, zou hier, anders dan in het geval Cowan, de woonplaats als geldig criterium in aanmerking kunnen worden genomen.
5. Voorlopige conclusie
61. De weigering van schadeloosstelling van slachtoffers op grond van nationaliteit kan niet gerechtvaardigd worden.
VI – Conclusie
62. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Artikel 12, eerste alinea, EG moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat de toekenning van schadevergoeding door de overheid voor buiten zijn grondgebied gepleegde misdrijven aan personen die op zijn grondgebied wonen, niet afhankelijk mag stellen van de voorwaarde dat deze personen de nationaliteit van deze lidstaat bezitten.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest van 2 februari 1989 (186/87, Jurispr. blz. 195).
3 – PB L 261, blz. 15.
4 – Zie reeds arresten van 23 maart 2006, Enirisorse (C‑237/04, Jurispr. blz. I‑2843, punt 24); 3 mei 2001, Verdonck e.a. (C‑28/99, Jurispr. blz. I‑3399, punt 28), en 15 december 1993, Hünermund e.a. (C‑292/92, Jurispr. blz. I‑6787, punt 8).
5 – Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 6 december 1988 in de zaak Cowan (186/87, Jurispr. 1989, blz. 195, punt 7). Het Hof is in het arrest Cowan (aangehaald in voetnoot 2) stilzwijgend uitgegaan van de ontvankelijkheid van een door een dergelijke commissie gestelde prejudiciële vraag.
6 – Zie reeds arrest van 18 december 2007, Skatteverket (C‑101/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19), en arrest Cowan (aangehaald in voetnoot 2, punt 19).
7 – Zie arresten van 11 september 2007, Commissie/Duitsland, C‑318/05 (nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 126); 11 september 2007, Schwarz en Gootjes-Schwarz, C‑76/05 (nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 87); 23 oktober 2007, Morgan (C‑11/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 23); 12 juli 2005, Schempp (C‑403/03, Jurispr. blz. I‑6421, punt 18); 2 oktober 2003, Garcia Avello (C‑148/02, Jurispr. blz. I‑11613, punt 24), en 24 november 1998, Bickel en Franz (C‑274/96, Jurispr. blz. I‑7637, punt 15).
8 – Zie onder meer arrest Commissie/Duitsland (aangehaald in voetnoot 7, punt 125); arrest van 23 maart 2004, Collins (C‑138/02, Jurispr. blz. I‑2703, punt 61), arrest Garcia Avello (aangehaald in voetnoot 7, punten 22 en 23); arresten van 11 juli 2002, D’Hoop (C‑224/98, Jurispr. blz. I‑6191, punt 28), en 20 september 2001, Grzelczyk (C‑184/99, Jurispr. blz. I‑6193, punt 31).
9 – Zie reeds arresten van 12 september 2006, Eman en Sevinger (C‑300/04, Jurispr. blz. I‑8055, punt 57), en 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C‑344/04, Jurispr. blz. I‑403, punt 95), en arrest Garcia Avello (aangehaald in voetnoot 7, punt 31).
10 – Arresten van 15 maart 2005, Bidar (C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punt 54), en 15 september 2005, Ioannidis (C‑258/04, Jurispr. blz. I‑8275, punt 29); arresten D’Hoop (aangehaald in voetnoot 8, punt 36), Bickel en Franz (aangehaald in voetnoot 7, punt 27) en Garcia Avello (aangehaald in voetnoot 7, punt 31).
11 – Op de theoretische mogelijkheid van rechtvaardiging in het geval van rechtstreekse discriminatie wordt gewezen in onder meer de arresten van 6 juni 2002, Ricordi (C‑360/00, Jurispr. blz. I‑5089, punt 33); 12 mei 1998, Martínez Sala (C‑85/96, Jurispr. blz. I‑2691, punt 64); 2 oktober 1997, Saldanha en MTS (C‑122/96, Jurispr. blz. I‑5325, punten 26 e.v.), en 20 maart 1997, Hayes (C‑323/95, Jurispr. blz. I‑1711, punt 24). Daartegen pleiten onder meer de arresten van 20 oktober 1993, Phil Collins e.a. (C‑92/92 en C‑326/92, Jurispr. blz. I‑5145, punt 32), en 13 februari 1985, Gravier (293/83, Jurispr. blz. 593).
12 – Arresten D’Hoop (aangehaald in voetnoot 8, punt 38) en Collins (aangehaald in voetnoot 8, punt 67).
13 – Arresten Morgan (aangehaald in voetnoot 7, punt 43) en Bidar (aangehaald in voetnoot 10, punten 56 en 57).
14 – Arrest van 26 oktober 2006, Tas-Hagen en Tas (C‑192/05, Jurispr. blz. I‑10451, punt 34).
15 – Zie reeds arresten Commissie/Duitsland (aangehaald in voetnoot 7, punt 136) en Tas-Hagen (aangehaald in voetnoot 14, punt 35)
16 – Arrest Tas-Hagen (aangehaald in voetnoot 14, punt 36) en mijn conclusie van 30 maart 2006 in deze zaak.
17 – Zie ook dit criterium in mijn conclusie in de zaak Tas-Hagen (aangehaald in voetnoot 14, punten 62 e.v.).
18 – Arrest Bidar (aangehaald in voetnoot 10, punt 59).
19 – Arresten Collins (aangehaald in voetnoot 8, punten 66 en 72) en Tas-Hagen (aangehaald in voetnoot 14, punten 36 en 37). Zie in dit verband ook mijn conclusie in de zaak Tas-Hagen (aangehaald in voetnoot 14, punten 63 en 64).
20 – Arrest Cowan (aangehaald in voetnoot 2, punt 10).
Full & Egal Universal Law Academy