CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 16 oktober 2008 1(1)
Zaak C‑198/07 P
Donal Gordon
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Loopbaanontwikkelingsrapport – Procesbelang – Ambtenaar die volledig en blijvend invalide is”
1. In deze hogere voorziening gaat het om de vraag of een ambtenaar een belang behoudt om een beoordelingsrapport te betwisten wanneer hij na de instelling van zijn beroep tegen dat rapport, volledig en blijvend invalide is geworden.
2. In zijn arrest van 7 februari 2007, Gordon/Commissie(2), heeft het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen in navolging van het betoog van de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat een dergelijk ambtenaar geen procesbelang meer had en dat zijn beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
3. Het Gerecht heeft zich hiervoor gebaseerd op de rechtspraak dat een ambtenaar alleen een belang heeft om op te komen tegen een beoordelingsrapport wanneer hij nog een loopbaan voor zich heeft, dat wil zeggen tot de definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden. Het heeft uiteengezet dat een ambtenaar die volledig en blijvend invalide is verklaard, op grond van de toepasselijke bepalingen wordt gepensioneerd en dat ervan moet worden uitgegaan dat die ambtenaar zijn werkzaamheden definitief heeft beëindigd, ook al kan hij eventueel worden herplaatst indien zijn gezondheidstoestand dat toelaat. Deze eventualiteit volstaat volgens het Gerecht op zich niet om aan te tonen dat een ambtenaar in een dergelijke situatie een bestaand en actueel belang heeft om op te komen tegen zijn beoordelingsrapport.
4. In het bestreden arrest heeft het Gerecht eveneens rekwirants vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
5. In deze conclusie zal ik allereerst uiteenzetten waarom de rechtspraak dat een ambtenaar na de definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden geen belang meer heeft om op te komen tegen een beoordelingsrapport, mijns inziens onjuist is.
6. Vervolgens zal ik betogen dat die rechtspraak, gesteld dat zij juist zou zijn, niet van toepassing is op het geval van een ambtenaar die volledig en blijvend invalide is verklaard, omdat die ambtenaar in zijn ambt kan worden herplaatst. Ik zal het Hof voorstellen om te oordelen dat die ambtenaar wel degelijk een bestaand en actueel belang heeft om zijn beoordelingsrapport te betwisten.
7. Ik zal hieruit afleiden dat het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan en dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, voor zover daarin wordt verklaard dat geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan over het beroep tot nietigverklaring.
8. Vervolgens zal ik stellen dat het bestreden arrest moet worden bevestigd, voor zover het beroep tot schadevergoeding daarin niet-ontvankelijk wordt verklaard.
9. Ten slotte zal ik het Hof voorstellen om te beslissen over het door rekwirant ingestelde beroep tot nietigverklaring en zal ik uiteenzetten waarom dit mijns inziens gegrond moet worden verklaard.
I – Toepasselijke bepalingen
10. De relevante toepasselijke wetgeving omvat de bepalingen betreffende de beoordeling van de ambtenaren en die betreffende de situatie van ambtenaren die invalide zijn verklaard.
A – Bepalingen betreffende de beoordeling van de ambtenaren
11. De bepalingen betreffende de beoordeling van de ambtenaren zijn in het bestreden arrest omschreven als volgt:
12. Op grond van artikel 43 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen in de op de onderhavige zaak toepasselijke versie(3) wordt op de door elke instelling overeenkomstig artikel 110 vastgestelde wijze van iedere ambtenaar, met uitzondering van de ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, ten minste om de twee jaar een periodiek beoordelingsrapport opgesteld inzake diens bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst.
13. Op 26 april 2002 heeft de Commissie een besluit genomen tot vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende artikel 43 van het Statuut.(4) Bij dat besluit is een nieuw beoordelingssysteem ingevoerd.
14. Op grond van de in artikel 4, lid 1, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 neergelegde overgangsregel bestrijkt het in artikel 6 van die algemene uitvoeringsbepalingen voorziene loopbaanontwikkelingsrapport(5) bij de eerste beoordeling volgens het nieuwe systeem de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002.
15. De beoordelings‑ en de bevorderingsronde liggen in die zin vast dat een ambtenaar op grond van artikel 5, lid 3, van de door de Commissie op 26 april 2002 vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen betreffende artikel 45 van het Statuut in beginsel wordt bevorderd wanneer de som van, enerzijds, de meritepunten, dat wil zeggen de punten volgende uit het loopbaanontwikkelingsrapport en, anderzijds, de gratificatiepunten, die worden toegekend in het kader van de bevorderingsprocedure, die in één of meerdere rondes zijn behaald, de „bevorderingsdrempel” overschrijdt.
16. In deze context bepaalt artikel 6, lid 1, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut dat wanneer in een directoraat-generaal de gemiddelde meritescore voor een bepaalde rang het door de Commissie vastgestelde gemiddelde met meer dan één punt overschrijdt, het quotum gratificatiepunten voor dat directoraat-generaal wordt verminderd met het aantal punten dat boven het genoemde gemiddelde ligt, tenzij het directoraat-generaal deze overschrijding naar behoren kan motiveren.
17. In de mededeling van de Commissie die onder de titel „Gids voor de beoordelingsronde van het personeel 2001/2002 (overgang)”(6) is bekendgemaakt in Mededelingen van de administratie nr. 99-2002 van 3 december 2002 wordt de directoraten-generaal verzocht, hun personeel bij de beoordeling het gemiddelde van 14 uit 20 punten te geven en wordt eraan herinnerd dat een directoraat-generaal dat voor een bepaalde rang een hoger gemiddelde dan 15 heeft, wordt bestraft door een vermindering van het quotum gratificatiepunten, tenzij dat directoraat-generaal de overschrijding naar behoren motiveert.
B – Bepalingen betreffende de situatie van ambtenaren die invalide zijn verklaard
18. Artikel 53 van het Statuut luidt:
„De ambtenaar van wie de invaliditeitscommissie heeft vastgesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 78 (van het Statuut) wordt ambtshalve gepensioneerd op de laatste dag van de maand waarin bij besluit van het tot aanstellingbevoegde gezag[(7)] de definitieve arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar is vastgesteld.”
19. Artikel 78 van het Statuut bepaalt:
„Overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII (bij het Statuut) heeft de ambtenaar recht op een invaliditeitsuitkering wanneer hij blijvend invalide wordt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn functiegroep overeenkomen.
[...]”
20. De artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII bij het Statuut luiden als volgt:
„Artikel 13
Onverminderd het in artikel 1, lid 1, bepaalde heeft de ambtenaar die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, indien hij tijdens de periode gedurende welke hij recht op pensioen verkreeg, door de invaliditeitscommissie als blijvend invalide wordt aangemerkt, en deze invaliditeit als volledig wordt beschouwd, waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt in zijn loopbaan overeenkomen, zodat hij de dienst bij de Gemeenschappen moet onderbreken, gedurende de tijd van zijn arbeidsongeschiktheid recht op het in artikel 78 van het Statuut bedoelde invaliditeitspensioen.
[...]
Artikel 14
Het recht op invaliditeitspensioen ontstaat op de eerste dag van de kalendermaand na de pensionering overeenkomstig artikel 53 van het Statuut.
Wanneer de gewezen ambtenaar de voor dit pensioen vereiste voorwaarden niet meer vervult, moet hij bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn loopbaan overeenkomt, mits hij de daarvoor vereiste geschiktheid bezit. Indien hij het hem aangeboden ambt weigert, behoudt hij onder dezelfde voorwaarden het recht om bij de tweede vacature te worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn loopbaan overeenkomt; indien hij ten tweeden male weigert, kan hij ambtshalve worden ontslagen [...].
Artikel 15
Zolang de gewezen ambtenaar die invaliditeitspensioen geniet, de 63-jarige leeftijd niet heeft bereikt, kan de instelling hem op gezette tijden doen onderzoeken teneinde zich ervan te vergewissen of hij nog voldoet aan de voor dit pensioen vereiste voorwaarden.
Artikel 16
Wanneer de gewezen ambtenaar die invaliditeitspensioen geniet, wederom bij zijn vroegere of bij een andere instelling der Gemeenschappen wordt tewerkgesteld, wordt voor de berekening van zijn ouderdomspensioen de periode gedurende welke hij invaliditeitspensioen genoot, in aanmerking genomen, zonder navordering van bijdragen.”
II – Feiten
21. De relevante feiten worden in het bestreden arrest omschreven als volgt.
22. Rekwirant was op het moment van de instelling van het beroep ambtenaar van de rang LA 5 en tewerkgesteld bij het directoraat-generaal „Vertalingen” van de Commissie.
23. Op 11 maart 2003 ontving rekwirant ’s avonds zijn loopbaanontwikkelingsrapport over de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002. In de ochtend van 12 maart 2003 heeft hij de beoordelingsautoriteit overeenkomstig artikel 7, lid 5, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 te kennen gegeven, dat hij een gesprek met hem wenste. Vervolgens heeft hij vanaf de middag tweeënhalve dag verlof opgenomen. Diezelfde dag heeft de beoordelingsautoriteit het loopbaanontwikkelingsrapport bevestigd, na daarin te hebben vermeld dat het „niet mogelijk was geweest het door rekwirant gevraagde onderhoud te organiseren, omdat de betrokkene op 12 maart 2003 vanaf de middag verlof had opgenomen”.
24. Op 25 maart 2003 heeft rekwirant een gesprek gehad met de beoordelingsautoriteit. Diezelfde dag is op verzoek van rekwirant het paritaire beoordelingscomité(8) ingeschakeld. Op 11 april 2003 heeft dit comité zijn advies uitgebracht. In dit advies wordt gezegd dat „[het PBC] vaststelt dat er geen formeel gesprek heeft plaatsgevonden [en] de beoordelaar in beroep derhalve aanraadt, de beoordelingsautoriteit te vragen om dit formele gesprek te laten plaatsvinden”. Rekwirant heeft vervolgens op 14 april 2003 een gesprek gehad met de beoordelingsautoriteit.
25. Op 25 april 2003 vond een gesprek plaats tussen rekwirant en de beoordelaar in beroep. Op 28 april 2003 heeft de beoordelaar in beroep zijn besluit genomen. Hij heeft het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport bevestigd en aangegeven dat, enerzijds, „[e]r was gepreciseerd dat rekwirant op 12 maart 2003 om een formeel gesprek had gevraagd, maar dit gesprek door verlof van de betrokkene [...] en gelet op de uiterste datum van afronding van de procedure (15 maart 2003) niet had plaatsgevonden” en, anderzijds, „daarna op 25 maart 2003 en 14 april 2003 twee gesprekken met de beoordelingsautoriteit hadden plaatsgevonden”. In een nota van diezelfde dag deelt de beoordelaar in beroep zijn beslissing mee aan de voorzitter van het PBC. In deze nota gaf hij aan waarom het formele gesprek waarom rekwirant had verzocht niet had kunnen plaatsvinden en voegde hij hieraan toe dat „in het commentaar van de beoordelingsautoriteit rekening was gehouden met deze elementen en met de door de betrokkene gegeven redenen en dat dit commentaar was opgesteld nadat de rechtstreekse hiërarchieke meerdere was gehoord”. Bovendien vermeldde hij dat „op 25 maart 2003 [...] en 14 april 2003 twee formele gesprekken met de beoordelingsautoriteit waren georganiseerd”.
26. Op 25 juli 2003 heeft rekwirant krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht ingediend tegen het besluit van 28 april 2003 houdende bevestiging van zijn loopbaanontwikkelingsrapport. Bij op 2 februari 2004 aan rekwirant meegedeeld besluit van 11 december 2003 heeft het TABG deze klacht afgewezen.(9)
27. Nadat de invaliditeitscommissie op 1 februari 2005 had vastgesteld dat rekwirant „blijvend invalide was en dat deze invaliditeit als volledig moest worden beschouwd waardoor het hem niet mogelijk was werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn rang overeenkwamen”, heeft het TABG bij besluit van 15 februari 2005 vastgesteld dat rekwirant „werd gepensioneerd en overeenkomstig de bepalingen van artikel 78, derde alinea, [...] van het Statuut in het genot van een invaliditeitspensioen werd gesteld”. Dit besluit gold vanaf 28 februari 2005.
III – Procesverloop voor het Gerecht en conclusies van partijen
28. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 mei 2004, heeft rekwirant beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en tot schadevergoeding ingesteld.
29. Op 1 maart 2005 heeft de Commissie het Gerecht gevraagd om het beroep tot nietigverklaring zonder beslissing af te doen, omdat rekwirant wegens blijvende en als volledig beschouwde arbeidsongeschiktheid gepensioneerd was. Zij heeft voorts de ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding betwist. Op 6 april 2005 heeft rekwirant zijn opmerkingen over dit verzoek ingediend.
30. Bij beschikking van het Gerecht van 10 juni 2005 is het verzoek om afdoening zonder beslissing gevoegd met de zaak ten gronde en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
31. Bij memorie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 oktober 2005, heeft rekwirant het Gerecht gevraagd om de schriftelijke behandeling te heropenen of nieuw bewijs toe te laten. De Commissie heeft geen opmerkingen over dit verzoek ingediend. De opmerkingen en het bewijs dat rekwirant ter onderbouwing van zijn beroep had overgelegd zijn voorlopig aan het dossier toegevoegd en de beslissing over de ontvankelijkheid is aangehouden.
32. Ter terechtzitting van 31 mei 2006 zijn partijen in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord. De Commissie heeft eveneens de haar gevraagde stukken overgelegd.
33. Bij die gelegenheid is beslist dat rekwirant voor de sluiting van de mondelinge behandeling opmerkingen kon indienen over het aantal pagina’s dat hij tijdens de in het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport bedoelde periode had vertaald. Rekwirant heeft binnen de gestelde termijn zijn opmerkingen ingediend en de Commissie heeft op 14 juni 2006 haar opmerkingen over dit antwoord ingediend.
34. Bij beslissing van de president van de Derde kamer van het Gerecht van 20 juni 2006 is de mondelinge behandeling gesloten.
IV – Bestreden arrest
35. Het Gerecht heeft zich uitgesproken over de vorderingen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding en, ten slotte, over de door rekwirant gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang.
A – Vorderingen tot nietigverklaring
36. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het om de volgende redenen geen uitspraak meer behoefde te doen over de vorderingen tot nietigverklaring:
„27 Er zij enerzijds aan herinnerd dat het procesbelang, waarvan de ontvankelijkheid van een beroep afhangt, weliswaar moet worden beoordeeld op het moment waarop het verzoekschrift is ingediend[(10)], doch dat dit het Gerecht niet kan beletten te constateren dat op het beroep niet meer behoeft te worden beslist, ingeval een verzoeker die aanvankelijk procesbelang had, door een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden na de instelling van dat beroep, geen persoonlijk belang meer heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beschikking. Wil een verzoeker een beroep tot nietigverklaring van een beschikking kunnen voortzetten, dan moet hij immers nog steeds een persoonlijk belang hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beschikking.[(11)] Bovendien moet een verzoeker volgens vaste rechtspraak een bestaand en actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling hebben, zodat hij, wanneer het door hem aangevoerde belang betrekking heeft op een toekomstige rechtssituatie, moet aantonen dat de aantasting van die situatie nu al zeker is.[(12)]
28 Wat, anderzijds, beroepen tot nietigverklaring van een loopbaanontwikkelingsrapport betreft, zij eraan herinnerd dat het loopbaanontwikkelingsrapport een intern document is dat als voornaamste doel heeft, de administratie te verzekeren van periodieke informatie over de wijze waarop haar ambtenaren hun werkzaamheden verrichten[(13)] en dat voor die ambtenaar dus een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling van zijn loopbaan, met name wat de overplaatsing en bevordering betreft. Dit betekent dat het loopbaanontwikkelingsrapport in beginsel alleen het belang van de beoordeelde raakt, voor zover hij nog een loopbaan voor zich heeft, dat wil zeggen tot de definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden. Daarna heeft de ambtenaar dus geen belang om een beroep tegen zijn loopbaanontwikkelingsrapport in te stellen of voort te zetten, tenzij hij een bijzondere omstandigheid aantoont waaruit een persoonlijk en actueel belang bij de nietigverklaring blijkt.[(14)]
29 In casu stelt de Commissie dat verzoeker, die op grond van artikel 78 van het Statuut wegens blijvende invaliditeit die als volledig wordt beschouwd is gepensioneerd, zijn werkzaamheden definitief heeft beëindigd en overeenkomstig bovenvermelde rechtspraak geen belang meer heeft bij de voortzetting van zijn beroep. Verzoeker stelt echter dat die rechtspraak om twee redenen niet op zijn geval van toepassing is. In de eerste plaats betreft het hier geen definitieve beëindiging van werkzaamheden, aangezien hij volgens artikel 14 van bijlage VIII bij het Statuut in de dienst kan worden herplaatst wanneer zijn gezondheidstoestand dat mogelijk maakt. In de tweede plaats betrof het een verplichte pensionering en vond deze plaats na de instelling van het beroep. Hij is van mening dat in deze omstandigheden zijn recht op rechterlijke bescherming zwaarder moet wegen dan andere overwegingen, zodat hij een oordeel kan krijgen over de wettigheid van het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport. Derhalve heeft hij nog steeds een persoonlijk en actueel belang bij de nietigverklaring van dat rapport.
30 Met betrekking tot, in de eerste plaats, de kwestie van het definitieve karakter van de beëindiging van de werkzaamheden in geval van pensionering wegens blijvende invaliditeit die als volledig wordt beschouwd moet worden opgemerkt dat, ook al voorziet artikel 14 van bijlage VIII bij het Statuut de mogelijkheid dat een ambtenaar die een invaliditeitspensioen geniet wordt herplaatst, een blijvende invaliditeit die als volledig wordt beschouwd door de wetgever wordt opgevat als de beëindiging van de loopbaan van de betrokken ambtenaar. Zo bepaalt artikel 53 van het Statuut dat ‚[d]e ambtenaar van wie de invaliditeitscommissie heeft vastgesteld dat hij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 78, ambtshalve wordt gepensioneerd op de laatste dag van de maand waarin bij besluit van het (TABG) de definitieve arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar is vastgesteld’. Artikel 47 van het Statuut noemt als reden voor de definitieve beëindiging van de werkzaamheden elke pensionering, daaronder begrepen die wegens blijvende invaliditeit die als volledig wordt beschouwd. Voor wat betreft het al dan niet definitieve karakter van de daarmee samenhangende beëindiging van de werkzaamheden, wordt deze invaliditeit door de wetgever dus op dezelfde wijze beschouwd als de andere redenen voor de beëindiging van de werkzaamheden waarvan het definitieve karakter geen enkele twijfel lijdt, zoals ontslag, ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt of tuchtrechtelijk ontslag.
31 Hieruit volgt dat in het stelsel van het Statuut ervan moet worden uitgegaan dat bij een pensionering wegens blijvende invaliditeit die als volledig wordt beschouwd in de zin van de artikelen 53 en 78 van het Statuut, in beginsel de loopbaan van de ambtenaar wordt beëindigd. Deze pensionering verschilt dus van het in artikel 59 van het Statuut voorziene ziekteverlof, dat geen invloed heeft op de voortzetting van de loopbaan van de ambtenaar die tijdelijk niet in staat is zijn werkzaamheden te verrichten.
32 Het Gerecht is derhalve van oordeel dat verzoekers pensionering op grond van artikel 78 van het Statuut overeenkomstig bovenvermelde rechtspraak afbreuk doet aan zijn belang om nietigverklaring van het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport te verkrijgen, aangezien zijn loopbaan binnen zijn instelling in beginsel definitief is beëindigd.
33 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument dat verzoeker ontleent aan een eventuele herplaatsing in de dienst op grond van artikel 14 van bijlage VIII bij het Statuut. Er zij immers aan herinnerd dat een verzoeker een bestaand en actueel belang bij de nietigverklaring van de bestreden handeling moet hebben en dat hij, wanneer het door hem aangevoerde belang betrekking heeft op een toekomstige rechtssituatie, moet aantonen dat de aantasting van die situatie nu al zeker is. Vastgesteld zij echter dat verzoekers herplaatsing in de dienst van de Commissie slechts een eventuele gebeurtenis is waarvan thans niet zeker is of deze zal worden verwezenlijkt. Het betreft dus enkel een hypothetisch belang dat als zodanig onvoldoende is om vast te stellen dat zijn rechtssituatie wordt aangetast indien het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport niet nietig wordt verklaard.[(15)]
34 In de tweede plaats moet met betrekking tot het feit dat verzoeker verplicht is gepensioneerd en dat deze pensionering na de instelling van het beroep heeft plaatsgevonden worden opgemerkt dat het Gerecht reeds de gelegenheid heeft gehad, te oordelen dat een ambtenaar die zijn werkzaamheden heeft beëindigd wegens ontslag op grond van onvoldoende geschiktheid voor het ambt of een tuchtrechtelijk ontslag dat na de instelling van een beroep in rechte definitief is geworden, geen belang heeft bij de nietigverklaring van zijn beoordelingsrapport.[(16)] Uit de rechtspraak volgt dus dat het al dan niet vrijwillige karakter van de beëindiging van de werkzaamheden irrelevant is voor de vraag of er een procesbelang bestaat. Wat het moment van pensionering ten opzichte van de datum van de instelling van het beroep betreft, zij er voorts aan herinnerd dat uit de in punt 27 hierboven genoemde rechtspraak blijkt dat het feit dat het procesbelang is verdwenen nadat het beroep is ingesteld het Gerecht niet kan beletten, vast te stellen dat er geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan over het beroep.[(17)]
35 Gelet op het voorgaande, moet worden vastgesteld dat de door verzoeker gewenste wijziging van het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport in beginsel geen enkel gevolg heeft voor zijn loopbaan, die per 28 februari 2005 is beëindigd. Verzoeker dient dus een bijzondere omstandigheid aan te tonen op grond waarvan hij een persoonlijk en actueel belang bij de nietigverklaring behoudt.[(18)]
36 Opgemerkt zij dat verzoeker, waar hij het definitieve karakter van de beëindiging van de werkzaamheden betwist, geen enkele bijzondere omstandigheid aanvoert in de zin van de voormelde beschikking N/Commissie. Hij stelt evenwel dat hem een belang bij de nietigverklaring van het betrokken rapport moet worden toegekend teneinde de eerbiediging van zijn recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming te garanderen.
37 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming alleen het recht inhoudt om voor de rechter op te komen tegen handelingen van de gemeenschapsinstellingen die, aangezien zij de belangen van de verzoeker raken, voor hem bezwarend zijn.[(19)] Vastgesteld zij echter dat wegens verzoekers pensionering noch het litigieuze besluit noch het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport thans, en zo lang hij niet in de dienst is herplaatst, voor hem bezwarend is. Hieruit volgt dat, en het is in dit stadium niet nodig om een uitspraak te doen over de relevantie van verzoekers argument indien het tot staving van een eventueel beroep was aangevoerd in het geval verzoeker in de dienst zou zijn herplaatst, ervan moet worden uitgegaan dat hij aan het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming geen recht op een uitspraak van het Gerecht over dit beroep tot nietigverklaring kan ontlenen.
38 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verzoeker geen bestaand en actueel procesbelang heeft aangetoond. Er behoeft derhalve geen uitspraak te worden gedaan over de vorderingen tot nietigverklaring van het betrokken loopbaanontwikkelingsrapport.
39 Met betrekking tot de vorderingen om de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43, de gids voor de overgang of de thans geldende bepalingen onwettig te verklaren zij opgemerkt dat, zoals verzoeker zelf heeft aangegeven, deze excepties van onwettigheid vormen die in het kader van het beroep tot nietigverklaring zijn opgeworpen. Derhalve behoeft daarover geen uitspraak te worden gedaan.”
B – Vorderingen tot schadevergoeding
37. Het Gerecht heeft het beroep tot schadevergoeding op de volgende gronden niet-ontvankelijk verklaard:
„42 Er zij aan herinnerd dat ingevolge artikel 21 van het Statuut van het Hof, dat van toepassing is op de procedure voor het Gerecht krachtens artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut, en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Om aan deze vereisten te voldoen, moet een beroep tot vergoeding van de beweerdelijk door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade het volgende bevatten: de gegevens die het mogelijk maken te bepalen welke gedraging de verzoeker aan de instelling verwijt, de redenen waarom de verzoeker meent dat er tussen die gedraging en de gestelde schade een oorzakelijk verband bestaat, en de aard en de omvang van die schade. Een verzoek om toekenning van een niet nader gepreciseerde schadevergoeding geldt daarentegen als onvoldoende bepaald en moet derhalve niet-ontvankelijk worden geacht.[(20)]
43 In casu heeft verzoeker slechts vergoeding gevorderd van de schade die aan zijn loopbaan, zijn gezondheid en zijn welzijn is toegebracht, zonder het bedrag van die schade te noemen en zonder met voldoende precisie de elementen aan te geven op grond waarvan de omvang van die schade kan worden bepaald. Zijn verzoekschrift bevat immers geen andere precisering dan het feit dat „[d]e kennelijk onjuiste beoordeling en het misbruik van bevoegdheid waaraan de beoordelingsautoriteit zich schuldig heeft gemaakt ernstige schade [zouden hebben] toegebracht aan zijn loopbaanperspectieven en bovendien zijn gemoedsstemming en zijn gezondheid zouden hebben geschaad”.
44 Ofschoon het Gerecht reeds heeft erkend dat het in bijzondere omstandigheden niet nodig is om in het verzoekschrift de exacte omvang van de schade en het bedrag van de gevorderde vergoeding te noemen[(21)], zij opgemerkt dat verzoeker in casu het bestaan van dergelijke omstandigheden niet heeft aangetoond of zelfs maar heeft aangevoerd.[(22)]
45 Wat de immateriële schade betreft, moet voorts worden beklemtoond dat verzoeker, afgezien van het volledig ontbreken van een raming van die schade, het Gerecht niet de mogelijkheid heeft geboden om de omvang en de aard van die schade te beoordelen. Ongeacht of een symbolische dan wel een reële vergoeding van de immateriële schade wordt gevorderd, het staat aan de verzoeker om de aard van de gestelde immateriële schade te preciseren ten aanzien van het gelaakte gedrag van de Commissie en deze immateriële schade, zij het bij benadering te ramen.[(23)]”
C – Door rekwirant gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang
38. Het Gerecht heeft uit het voorgaande afgeleid dat rekwirants vorderingen, strekkende tot overlegging door de Commissie van het stuk waarin het verslag van de vergaderingen van het PBC waren opgenomen, van de twee beste loopbaanontwikkelingsrapporten en van de twee slechtste loopbaanontwikkelingsrapporten betreffende de ambtenaren van zijn eenheid over de periode 2001/2002 alsmede van het document met de officiële kwantitatieve normen van de vertaaleenheden voor die periode, geen belang hadden voor de beslechting van het geding.
V – Hogere voorziening
39. Bij op diezelfde dag ter griffie binnengekomen akte van 6 april 2007 heeft rekwirant tegen het bestreden arrest hogere voorziening ingesteld. De Commissie heeft haar memorie van antwoord op 12 juni 2007 neergelegd. Rekwirant heeft niet gevraagd om een memorie van repliek te mogen indienen en partijen hebben niet gevraagd een terechtzitting te houden.
40. Rekwirant concludeert dat het het Hof behaagt:
„i) het bestreden arrest te vernietigen en uitspraak te doen over de zaak ten gronde;
ii) te bevestigen dat rekwirant een eigen belang heeft bij zijn loopbaanontwikkelingsrapport, los van het belang dat de administratie in dat opzicht heeft;
iii) te erkennen dat invaliditeit een per definitie omkeerbare toestand is en dat deze door de medische dienst van de Commissie als zodanig wordt beschouwd en behandeld [...];
iv) rekwirant met betrekking tot zijn loopbaanontwikkelingsrapport recht te geven op rechterlijke bescherming;
v) rekwirants vordering tot schadevergoeding toe te wijzen en hem 1,5 miljoen EUR aan vergoeding toe te kennen;
vi) de Commissie te verwijzen in de kosten.”
41. De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirant in alle kosten.
A – Belang om op te komen tegen het loopbaanontwikkelingsrapport
42. Rekwirant stelt dat het Gerecht in het bestreden arrest van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen, in de eerste plaats, dat het loopbaanontwikkelingsrapport voor de beoordeelde ambtenaar alleen van belang is indien hij nog een loopbaan voor zich heeft, in de tweede plaats dat een volledige blijvende invaliditeit gelijk is aan een definitieve beëindiging van de werkzaamheden en, in de derde plaats, dat aan het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming geen recht kan worden ontleend om beroep tegen het litigieuze besluit in te stellen.
43. Volgens de Commissie zijn rekwirants grieven tegen het bestreden arrest ongegrond. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat de rechtspraak dat een ambtenaar geen belang meer heeft om op te komen tegen een beoordelingsrapport wanneer hij zijn loopbaan heeft beëindigd, van toepassing is op een loopbaanontwikkelingsrapport, dat uit de artikelen 53 en 78 van het Statuut volgt dat volledige blijvende invaliditeit tot de ambtshalve pensionering van de betrokkene leidt en, ten slotte, dat op grond van het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming alleen een bezwarend besluit kan worden betwist. Aan dit laatste punt voegt de Commissie toe dat het Gerecht niet heeft uitgesloten dat rekwirant later, bij herplaatsing, een belang kan hebben om het litigieuze besluit te betwisten en dat het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming is geëerbiedigd, aangezien het bestreden arrest is gewezen nadat rekwirant tijdens een afgeronde procedure zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken.
44. De argumenten die partijen in het kader van deze hogere voorziening hebben aangevoerd werpen dus twee vragen op. De eerste betreft de juistheid van de rechtspraak dat een ambtenaar geen belang meer heeft om een beoordelingsrapport als een loopbaanontwikkelingsrapport te betwisten, wanneer hij zijn werkzaamheden in dienst van de instelling die dat rapport heeft opgesteld, heeft beëindigd. De tweede betreft het punt of die rechtspraak, ervan uitgaande dat deze juist is, van toepassing is op een ambtenaar die zich in een situatie van blijvende arbeidsongeschiktheid bevindt die als volledig wordt beschouwd.
45. Wat de eerste vraag betreft, het bestreden arrest baseert zich op de rechtspraak van het Gerecht dat een ambtenaar na de definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden geen belang meer heeft om een beoordelingsrapport te betwisten, tenzij hij een bijzondere omstandigheid aantoont waaruit een persoonlijk en actueel belang bij de nietigverklaring van het betrokken rapport blijkt.(24) Volgens die rechtspraak volstaat de wens van een ambtenaar om over een rapport te beschikken dat in moreel opzicht overeenstemt met de werkelijkheid en waarvan hij gebruik kan maken in het kader van het zoeken naar een nieuwe baan, niet om het bestaan van een procesbelang aan te tonen.(25)
46. Ik ben het met deze rechtspraak en, dientengevolge, met het bestreden arrest op dit punt niet eens, aangezien deze erop neerkomt dat de rechten van de ambtenaar op de inhoud van zijn beoordelingsrapport uitsluitend afhangt van het nut van dat rapport voor de instelling die het heeft opgesteld.
47. Vaststaat echter dat een beoordelingsrapport als het loopbaanontwikkelingsrapport een beoordeling vormt van de bekwaamheid, de prestaties en het gedrag van een ambtenaar, zoals artikel 43 van het Statuut aangeeft. Het betreft dus een regelmatig gegeven waardeoordeel over de manier waarop de beoordeelde ambtenaar de taken heeft vervuld die hem zijn toevertrouwd.
48. Het is juist dat een dergelijk document het hiërarchisch gezag de mogelijkheid wil geven om de verdiensten van kandidaten voor een eventuele bevordering of overplaatsing te vergelijken en besluiten te nemen die het verloop van de loopbaan van de beoordeelde ambtenaar betreffen. Ik denk echter niet dat uit deze functie van een beoordelingsrapport kan worden afgeleid dat het voor een ambtenaar alleen bezwarend kan zijn indien hij nog een loopbaan voor zich heeft binnen de instelling die het heeft opgesteld.
49. Aangezien het een waardeoordeel vormt over de wijze waarop de ambtenaar zijn werkzaamheden heeft verricht, raakt het beoordelingsrapport eveneens het morele recht van elke ambtenaar op een juiste en billijke beoordeling.
50. Mijns inziens moet een dergelijk recht worden erkend aangezien een persoon, los van de positie die hij in de maatschappij als mens geniet, ook bestaat in hetgeen hij doet of verwezenlijkt. Het werk neemt in dat opzicht een beslissende plek in in het leven van eenieder. Een ambtenaar heeft recht op een juiste en billijke beoordeling van zijn werk, aangezien deze beoordeling de beschrijving en de neerslag vormt van hetgeen hij heeft gedaan. Dit klemt mijns inziens temeer, daar de beoordeling van de wijze waarop een persoon zijn werkzaamheden heeft vervuld niet louter een omschrijving is van de taken die hij gedurende de betrokken periode heeft verricht, maar eveneens een beoordeling van de menselijke kwaliteiten die de beoordeelde bij de uitoefening van zijn beroepsactiviteit heeft laten zien.
51. In zoverre kan een beoordelingsrapport niet slechts worden beschouwd vanuit het oogpunt van de instelling, namelijk als een document dat in het archief moet worden opgeborgen, omdat het geen belang meer zal hebben vanaf de dag waarop de beoordeelde ambtenaar zijn werkzaamheden in dienst van die instelling beëindigt. Ik ben van mening dat een ambtenaar wel degelijk een moreel recht heeft op een correcte weergave van de wijze waarop hij zijn werkzaamheden heeft verricht, omdat die werkzaamheden een belangrijk deel van zijn bestaan vormen en een beoordelingsrapport de neerslag daarvan vormt.
52. Enerzijds kan een ambtenaar terecht gebruik willen maken van dat beoordelingsrapport in het kader van het zoeken naar een toekomstige baan. Dit gebruik kan niet worden verhinderd door het feit dat het om een intern document gaat. Omdat een dergelijk document een weergave vormt van de werkzaamheden die de beoordeelde ambtenaar heeft verricht en de wijze waarop hij zich van zijn taken heeft gekweten, kan het een zeer belangrijk onderdeel vormen van een curriculum vitae om een verkregen ervaring en beroepskwaliteiten aan te tonen. Bovendien is het feit dat de ambtenaren van de Gemeenschappen periodiek worden beoordeeld bekend, zodat een ambtenaar die nieuw werk zoekt door een potentiële werkgever kan worden verzocht zijn beoordelingsrapporten over te leggen.
53. Om deze beide redenen ben ik van mening dat de jurisprudentie volgens welke een beoordelingsrapport als het loopbaanontwikkelingsrapport in beginsel alleen het belang van de beoordeelde raakt zolang hij nog een loopbaan voor zich heeft, dat wil zeggen tot de definitieve beëindiging van zijn werkzaamheden, onjuist is. Deze onjuiste rechtsopvatting volstaat mijns inziens voor de vernietiging van het bestreden arrest, voor zover daarin wordt geoordeeld dat er geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan.
54. Wat de tweede vraag betreft, ben ik van mening dat deze rechtspraak, gesteld dat zij juist zou zijn, niet moet leiden tot het oordeel dat een ambtenaar die volledig en blijvend arbeidsongeschikt is, op die enkele grond geen belang heeft om tegen zijn beoordelingsrapport op te komen.
55. Zelfs al is een dergelijke ambtenaar overeenkomstig de artikelen 53 en 78 van het Statuut ambtshalve gepensioneerd, betreft het immers een omkeerbare situatie, hetgeen blijkt uit de artikelen 13 tot en met 16 van bijlage VIII bij het Statuut. Deze artikelen vermelden uitdrukkelijk dat de werkzaamheid van de ambtenaar in dienst van zijn instelling alleen wordt onderbroken en dat deze onderbreking afhangt van het voortduren van de invaliditeit, welke op gezette tijden kan worden onderzocht.
56. De situatie van een ambtenaar die volledig en blijvend invalide is verschilt dus van die van een ambtenaar die de pensioenleeftijd heeft bereikt of ontslag heeft genomen dan wel ontslagen is, aangezien hij op een zeker moment zijn werkzaamheden binnen de instelling kan hervatten.
57. Het kan daarom kwetsend zijn om de rechtspraak betreffende het ontbreken van een belang om een beoordelingsrapport te betwisten in geval van definitieve beëindiging van de werkzaamheden in dienst van de instelling op een dergelijke ambtenaar toe te passen, aangezien dit standpunt inhoudt dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de eventualiteit van een hervatting van het werk en, dientengevolge, van een verbetering van zijn gezondheid. Met andere woorden, dit betekent dat die ambtenaar wordt gezegd dat hij reeds van de personeelslijst is geschrapt en dat de administratie ervan uitgaat dat hij geen enkele kans op herstel heeft.
58. In dit verband moet worden beklemtoond dat het bestreden arrest het ontbreken van rekwirants procesbelang afleidt uit de loutere vaststelling dat hij volledig en blijvend invalide is, zonder nader te onderzoeken of, gelet op de concrete toestand van de betrokkene, een hervatting van het werk denkbaar was. Het bestreden arrest legt het begrip procesbelang daardoor nog enger uit dan het standpunt dat in een vergelijkbare context is ingenomen, bij voorbeeld in de reeds aangehaalde beschikking Ross/Commissie.
59. In die beschikking had het Gerecht in antwoord op het argument van Ross dat het definitieve karakter van de beëindiging van zijn werkzaamheden wegens volledige en blijvende invaliditeit niet zeker was, geoordeeld dat laatstgenoemde geen enkel argument had aangevoerd op grond waarvan een herplaatsing in het vooruitzicht kon worden gesteld. Het had zich eveneens gebaseerd op de omstandigheid dat de invaliditeitscommissie, gelet op de bestendigheid van de ziekte van de betrokkene, had gemeend dat een medisch heronderzoek niet nodig was.(26)
60. Had het Gerecht in casu de concrete situatie van rekwirant onderzocht zoals in de voormelde beschikking Ross/Commissie, dan zou het beroep wellicht ontvankelijk zijn verklaard, aangezien rekwirant is geboren op 4 februari 1955 en uit de stukken van het dossier blijkt dat de invaliditeitscommissie in haar besluit van 7 februari 2005 heeft geoordeeld dat zijn situatie na twee jaar moest worden herzien. In 2007 heeft diezelfde commissie besloten dat de invaliditeitstoestand van rekwirant slechts voor een jaar werd verlengd.
61. Bovendien vormt het hypothetische karakter van de hervatting van het werk op zich geen onoverkomelijk juridisch obstakel voor de erkenning van een bestaand en actueel belang.
62. Hiervoor verwijs ik naar de rechtspraak betreffende beroepen tegen besluiten houdende vaststelling van toekomstige pensioenrechten van ambtenaren van de instellingen. Volgens deze rechtspraak kan een ambtenaar een dergelijk besluit betwisten, ook al vormt zijn pensionering en, dientengevolge, de uitkering van die rechten, op het moment van het beroep een onzekere en hypothetische gebeurtenis.(27)
63. Het Hof heeft geoordeeld dat een ambtenaar in een dergelijk geval beroep kan instellen tegen een besluit dat zijn toekomstige financiële situatie aantast, aangezien hij een rechtmatig, reeds bestaand en actueel belang heeft om een onzeker element van zijn administratieve situatie reeds nu door het Hof te laten vaststellen.(28) Door de niet-ontvankelijkheid van een dergelijk beroep zou de ambtenaar, aldus het Hof, pas op het ogenblik van zijn pensionering kennis kunnen krijgen van zijn rechten en zou hij ondertussen over zijn financiële situatie in onzekerheid worden gelaten, zodat hij niet onmiddellijk de geschikte persoonlijke maatregelen kan nemen om zijn toekomst in de door hem gewenste zin veilig te stellen.(29)
64. Deze rechtspraak kan op de onderhavige zaak worden toegepast. Er kan worden aangenomen dat een ambtenaar die volledig en blijvend invalide is verklaard een bestaand en actueel belang heeft om de beoordeling die het vervolg van zijn carrière kan bepalen door de gemeenschapsrechter te laten toetsen, teneinde eventueel te beslissen een andere richting in te slaan.
65. De toepassing van deze rechtspraak op de onderhavige zaak lijkt mij eveneens gerechtvaardigd, gelet op het feit dat in het omgekeerde geval een ambtenaar die, zoals rekwirant, in een situatie van volledige en blijvende invaliditeit verkeert belet zou worden zijn beoordelingsrapport naar behoren te betwisten.
66. Het is juist dat, zoals de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft uiteengezet, rekwirants herplaatsing kan worden opgevat als een „nieuw wezenlijk feit” in de zin van de rechtspraak dat een ambtenaar de administratie mag vragen van een definitief geworden besluit terug te komen, wanneer een dergelijk feit zich voordoet.(30) Zou rekwirant zijn werk in dienst van de Commissie hervatten, dan kan hij volgens die rechtspraak de administratie dus vragen om van het betrokken beoordelingsrapport terug te komen en de eventuele afwijzing van dat verzoek voor de gemeenschapsrechter betwisten.
67. De toetsing van de juistheid van dat beoordelingsrapport in het kader van dit beroep dat, in voorkomend geval, een aantal jaren later wordt ingesteld, biedt echter geenszins dezelfde waarborgen als wanneer rekwirant dit rapport kan betwisten wanneer het hem is overhandigd. Indien de gemeenschapsrechter een aantal jaren na de opstelling ervan uitspraak moet doen over een beoordelingsrapport, bestaat er immers een zeker risico dat bewijsmateriaal dat voor de beslechting van het geding noodzakelijk is, niet meer beschikbaar is.(31)
68. Gelet op deze overwegingen, ben ik van mening dat het Gerecht eveneens van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan door uit het enkele feit dat rekwirant blijvend invalide was verklaard en die invaliditeit als volledig werd beschouwd, af te leiden dat hij geen belang had om tegen het litigieuze besluit op te komen. Dit rechtvaardigt mijns inziens de vernietiging van het bestreden arrest.
B – Vordering tot schadevergoeding
69. Rekwirant verwijt het Gerecht dat het zijn vordering tot schadevergoeding heeft afgewezen, op grond dat de aard en de omvang van de schade niet waren gepreciseerd, terwijl deze vordering en de zaak ten gronde twee afzonderlijke kwesties vormen.
70. Dit is zijns inziens het geval, omdat zijn situatie sinds hij in juli 2003 een klacht tegen het loopbaanontwikkelingsrapport heeft ingesteld, constant in ontwikkeling is geweest. Zo was het bevorderingscomité in juli 2003 voor dat jaar nog niet bijeengekomen, zodat rekwirant niet wist of hij zou worden bevorderd of niet. Bovendien was hij, toen hij in juli 2004 beroep instelde, nog niet invalide verklaard. Ten slotte wist hij op het moment van opstelling van zijn hogere voorziening niet of en wanneer hij in zijn ambt kon worden herplaatst.
71. Dit betekent volgens hem dat de rechter wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak de vordering tot schadevergoeding pas diende te onderzoeken nadat hij zich ten gronde had uitgesproken, zodat het bestreden arrest in afwachting van die uitspraak moet worden vernietigd, voor zover die vordering daarbij wordt afgewezen.
72. Mocht het Hof de hogere voorziening ontvankelijk verklaren en in het kader van het onderzoek van de zaak ten gronde vaststellen dat rekwirant slachtoffer is geweest van een ernstige onrechtvaardigheid, zowel met betrekking tot de inhoud van zijn beoordelingsrapport als het verloop van de procedure, en dat zijn loopbaan op onherstelbare wijze is beschadigd, dan heeft hij recht op een schadevergoeding van 1,5 miljoen EUR.
73. De Commissie stelt dat rekwirant niet uiteenzet waarom de redenen op grond waarvan het Gerecht zijn vordering niet-ontvankelijk heeft verklaard, onjuist zijn. Zij leidt hieruit af dat de hogere voorziening op dit punt niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
74. Ik ben het met de Commissie eens. Uit de grieven die rekwirant met betrekking tot de schadevordering tegen het bestreden arrest aanvoert, blijkt niet dat het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan of die vordering verkeerd heeft geïnterpreteerd.
75. Het Gerecht heeft terecht herinnerd aan de regel dat een vordering tot vergoeding van een aan een gemeenschapsinstelling toe te rekenen schade een beschrijving moet geven van het schadeveroorzakende feit, van de schade die de verzoeker daardoor heeft geleden en van het oorzakelijk verband tussen dat feit en de aangevoerde schade. Het heeft terecht vastgesteld dat rekwirant aan dit vereiste niet had voldaan, aangezien hij in zijn verzoekschrift slechts had aangegeven dat „[d]e kennelijk onjuiste beoordeling en het misbruik van bevoegdheid waaraan de beoordelingsautoriteit zich schuldig heeft gemaakt ernstige schade [zouden hebben] toegebracht aan zijn loopbaanperspectieven en bovendien zijn gemoedsstemming en zijn gezondheid zouden hebben geschaad”.
76. Het Gerecht heeft voorts opgemerkt dat rekwirant op geen enkel wijze uitlegde waarom hij niet in staat was geweest, de exacte omvang van zijn schade te omschrijven en deze te ramen.
77. Zoals de Commissie stelt, vormt de uitleg die rekwirant op dit punt in het kader van deze hogere voorziening geeft nieuwe informatie, die niet kan aantonen dat in het bestreden arrest van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Voor zover rekwirant in zijn hogere voorziening de afwijzing van zijn schadevordering in het bestreden arrest betwist, is deze mijns inziens dus kennelijk ongegrond.
78. Bovendien vormt de vordering van een bedrag van 1,5 miljoen EUR aan schadevergoeding voor het geval het Hof de zaak ten gronde zou onderzoeken een nieuw verzoek in de zin van artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
C – Gevolgen van de vernietiging van het bestreden arrest
79. Ik geef het Hof in overweging om te beslissen op de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof, volgens hetwelk het in geval van gegrondheid van de hogere voorziening de zaak zelf kan afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
80. Rekwirant vordert nietigverklaring van het litigieuze besluit houdende afwijzing van zijn klacht tegen het besluit van 28 april 2003 tot bevestiging van zijn loopbaanontwikkelingsrapport over de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002.
81. Tot staving van deze vordering voert rekwirant drie middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en van de rechten van de verdediging.
82. In het kader van dit middel stelt hij dat de interne beroepsprocedure tegen zijn loopbaanontwikkelingsrapport, die in de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 is voorzien, op verschillende punten geschonden is. In het bijzonder is de tweede fase van deze procedure, waarin het PBC controleert of het loopbaanontwikkelingsrapport voldoet aan de formele en essentiële voorwaarden, niet in acht genomen.
83. Rekwirant zet uiteen dat het onderzoek van het PBC zich heeft beperkt tot het procedurele aspect, maar geen betrekking had op de inhoud. Het PBC heeft vastgesteld dat er geen formeel gesprek met de beoordelingsautoriteit van het loopbaanontwikkelingsrapport had plaatsgevonden en heeft dus de aanbeveling gedaan om dit gesprek te laten plaatsvinden. Hij beklemtoont dat zijn dossier vervolgens niet aan het PBC is teruggestuurd om het in de gelegenheid te stellen zich eveneens uit te spreken over de vraag of het op billijke en objectieve wijze was opgesteld en in overeenstemming met de gebruikelijke beoordelingsnormen.
84. Deze lacune vormt zijns inziens een ernstige onregelmatigheid die de interne beroepsprocedure aantast. Enerzijds is het PBC door zijn samenstelling het enige beroepsorgaan in het kader waarvan personeelsleden die dezelfde werkzaamheden uitoefenen als rekwirant, zijn beoordeling hadden kunnen toetsen. Anderzijds heeft het advies van het PBC een grote invloed, aangezien de beoordelaar in beroep de weigering om dit advies te volgen in zijn besluit moet motiveren.
85. De Commissie stelt dat rekwirant geen argument kan ontlenen aan het feit dat het PBC slechts heeft vastgesteld dat er geen formeel gesprek had plaatsgevonden met de beoordelingsautoriteit van het loopbaanontwikkelingsrapport, aangezien hij zelf heeft nagelaten om het PBC ervan op de hoogte te stellen dat dit gesprek op 25 maart 2003 had plaatsgevonden.
86. Ik ben van mening dat rekwirants argument gegrond is en dat het litigieuze besluit wel degelijk in strijd is met een wezenlijk procedurevoorschrift. Ik baseer dit op de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 waarin de interne beroepsprocedure tegen een loopbaanontwikkelingsrapport is vastgelegd.
87. Volgens die bepalingen wordt het loopbaanontwikkelingsrapport van een ambtenaar als rekwirant opgesteld door het hoofd van zijn eenheid als beoordelaar alsmede door zijn directeur, die als beoordelingsautoriteit optreedt. Dit rapport wordt aan de beoordeelde ambtenaar overhandigd, die over vijf werkdagen beschikt om de inhoud ervan te accepteren en het te ondertekenen dan wel om het te betwisten. Is de ambtenaar niet tevreden met zijn loopbaanontwikkelingsrapport, dan stelt hij de beoordelaar daarvan op de hoogt en geeft hij te kennen dat hij om een gesprek met de beoordelingsautoriteit verzoekt. Laatstgenoemde moet hem binnen vijf werkdagen uitnodigen voor dat gesprek.
88. Volgens artikel 7, lid 5, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 wijzigt of bevestigt de beoordelingsautoriteit na dit gesprek het loopbaanontwikkelingsrapport en zendt hij het vervolgens terug aan de betrokkene. Is laatstgenoemde niet tevreden met het besluit van de beoordelingsautoriteit, dan kan hij hem vragen het PBC te raadplegen.
89. Het PBC bestaat uit een voorzitter die de rang van directeur heeft alsmede uit vier andere leden, waarvan twee door het centrale personeelscomité aangewezen personeelsvertegenwoordigers. Artikel 8, lid 5, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 definieert de taak van het PBC als volgt:
„Het paritair beoordelingscomité kan, wat de beoordeling van de prestaties van de medewerkers betreft, niet in de plaats van de beoordelaar treden; de taak van het comité bestaat erin na te gaan of het rapport op billijke en objectieve wijze is opgesteld en of de geldende evaluatiecriteria naar behoren zijn toegepast. Voorts moet het nagaan of de procedures op correcte wijze zijn gevolgd (gesprek(ken), termijnen enz.). [...]”
90. Het PBC moet dan binnen tien werkdagen nadat het loopbaanontwikkelingsrapport aan hem is voorgelegd, zijn advies over deze punten uitbrengen. De gevolgen van dit advies worden in artikel 8, lid 7, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 gepreciseerd als volgt:
„Het advies van het paritair beoordelingscomité wordt ter kennis van de medewerker en van de beoordelaar en de beoordelingsautoriteit gebracht, en naar de beoordelaar in beroep gezonden, die het rapport bevestigt of er wijzigingen in aanbrengt, en het binnen drie werkdagen naar de medewerker zendt. Wanneer het besluit van de boordelaar in beroep afwijkt van het advies van het [PBC], moet dat besluit met redenen zijn omkleed. [...]”
91. Uit die bepalingen kan dus op twee punten lering worden getrokken die relevant is voor de beslechting van het onderhavige geding. Enerzijds moet het advies van het PBC niet alleen betrekking hebben op de eerbiediging van de procedureregels, maar eveneens op het billijke en objectieve karakter van de beoordeling. Anderzijds heeft dit advies een relatief belangrijke invloed, aangezien de beoordelaar in beroep zijn standpunt moet motiveren wanneer hij ervan afwijkt.
92. In casu staat vast dat het PBC zich niet heeft uitgesproken over de inhoud van het litigieuze beoordelingsrapport. In zijn advies dat het op 11 april 2003 aan de beoordelaar in beroep heeft gezonden, heeft het vastgesteld dat het formele gesprek met de beoordelingsautoriteit, voorzien in artikel 7 van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 voor het geval de beoordeelde ambtenaar het niet eens is met de inhoud van zijn loopbaanontwikkelingsrapport, niet had plaatsgevonden.
93. Het lijkt mij logisch dat het PBC na deze vaststelling niet de inhoud van het beoordelingsrapport heeft onderzocht, aangezien het om te beginnen mocht aannemen dat dit gesprek daadwerkelijk zou worden georganiseerd en de procedure dus zou worden geregulariseerd. Voorts had de beoordelingsautoriteit na dit gesprek de mogelijkheid om het litigieuze loopbaanontwikkelingsrapport te wijzigen. Met andere woorden, voor het PBC was de inhoud van het loopbaanontwikkelingsrapport bij gebreke van een formeel gesprek met de beoordelingsautoriteit niet definitief.
94. Ik ben dus van mening dat de beoordelaar in beroep in zijn besluit van 28 april 2003 geen uitspraak kon doen over rekwirants interne beroep voordat het PBC zelf zijn advies over de inhoud van het litigieuze beoordelingsrapport had uitgebracht.
95. De beoordelaar in beroep is hieraan in zijn besluit voorbijgegaan door te stellen dat het formele gesprek met de beoordelingsautoriteit had plaatsgevonden op 25 maart 2003 en vervolgens op 14 april 2003, dat wil zeggen „voor en na de bijeenkomst van het PBC van 7 april 2003”. Deze vaststelling had voor de beoordelaar in beroep echter geen aanleiding mogen zijn om zich uit te spreken. Hij diende ofwel vast te stellen dat het formele gesprek, anders dan het PBC in zijn advies had aangegeven, op 25 maart 2003 had plaatsgevonden en het PBC te vragen om zich ten gronde uit te spreken, ofwel zich op het standpunt te stellen dat het formele gesprek na de aanbeveling van het PBC op 14 april 2003 had plaatsgevonden en het advies van het PBC in te winnen over de inhoud van het door de beoordelingsautoriteit na dit gesprek bevestigde beoordelingsrapport.
96. Door zich uit te spreken zoals hij in zijn besluit van 28 april 2003 heeft gedaan, heeft de beoordelaar in beroep rekwirants recht van beroep bij het PBC behandeld als een louter formele etappe. Zoals rekwirant beklemtoont, is dit recht van beroep echter belangrijk, aangezien, enerzijds, het PBC de enige instantie in de beoordelingsprocedure is waarin vertegenwoordigers van het personeel zijn opgenomen en, anderzijds, zijn adviezen in aanmerking moeten worden genomen door de beoordelaar in beroep.
97. Dit toont mijns inziens aan dat deze schending van de procedure daadwerkelijk inbreuk heeft gemaakt op rekwirants rechten.
98. De Commissie stelt dat rekwirant zich niet op deze onregelmatigheid kan beroepen, omdat hij deze zelf zou hebben veroorzaakt doordat hij heeft nagelaten het PBC ervan op de hoogte te stellen dat op 25 maart 2003 een formeel gesprek met de beoordelingsautoriteit had plaatsgevonden.
99. Mij lijkt dat dit argument om de volgende redenen niet kan slagen. In de eerste plaats wordt het betrokken beoordelingsrapport volgens de bepalingen van artikel 7, lid 5, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 na het formele gesprek, nadat het is bevestigd of gewijzigd, opnieuw aan de betrokken ambtenaar gezonden. Dat dit formele gesprek heeft plaatsgevonden moet dus blijken uit de nieuwe toezending van het litigieuze beoordelingsrapport. Bovendien wordt volgens artikel 7, lid 6, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 het PBC ingeschakeld nadat de beoordeelde ambtenaar de beoordelingsautoriteit daarom heeft verzocht.
100. Het is dus moeilijk voor te stellen dat het oordeel van het PBC in deze zaak dat het formele gesprek met rekwirant niet had plaatsgevonden, louter zou zijn afgeleid uit zijn verklaringen in het verzoek waarmee hij de zaak aan het PBC voorlegde.
101. In de tweede plaats is de omstandigheid dat een formeel gesprek is georganiseerd op 14 april 2003, dat wil zeggen na het advies van het PBC waarin dat gesprek wordt aanbevolen, in strijd met het door de Commissie verdedigde standpunt.
102. Gelet op een en ander, ben ik van mening dat bij de vaststelling van het litigieuze besluit een procedureregel is geschonden waardoor inbreuk is gemaakt op rekwirants belangen en dat het nietig moet worden verklaard.
D – Kosten
103. Aangezien rekwirant, indien het Hof mijn zienswijze volgt, in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de ontvankelijkheid en de gegrondheid van zijn vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en deze twee punten belangrijke onderdelen van de onderhavige procedure vormen, geef ik in overweging om de Commissie overeenkomstig artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering te verwijzen in de volledige proceskosten.
VI – Conclusie
104. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
– het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 7 februari 2007, Gordon/Commissie (T‑175/04), te vernietigen, voor zover daarin wordt verklaard en vastgesteld dat geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan over de vorderingen tot nietigverklaring;
– de hogere voorziening tegen dit arrest kennelijk ongegrond te verklaren, voor zover hierbij het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk wordt verklaard;
– het besluit van de Commissie van 11 december 2003 houdende afwijzing van de klacht tegen het besluit van 28 april 2003 tot bevestiging van rekwirants loopbaanontwikkelingsrapport over de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002 nietig te verklaren, en
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in alle kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – T‑175/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, hierna: „bestreden arrest”.
3 – Hierna: „Statuut”.
4 – Hierna: „algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43”.
5 – Hierna: „loopbaanontwikkelingsrapport”.
6 – Hierna: „gids voor de overgang”.
7 – Hierna: „TABG”.
8 – Hierna: „PBC”.
9 – Hierna: „litigieuze besluit”.
10 – Arrest Hof van 16 december 1963, Forges de Clabecq/Hoge Autoriteit (14/63, Jurispr. blz. 751, 780), alsmede beschikking Gerecht van 30 november 1998, N/Commissie (T‑97/94, JurAmbt. blz. I‑A-621 en II-1879, punt 23).
11 – Arresten Gerecht van 24 april 2001, Torre e.a./Commissie (T‑159/98, JurAmbt. blz. I‑A‑83 en II-395, punt 30); 31 mei 2005, Dionyssopoulou/Raad (T‑105/03, JurAmbt. blz. I‑A‑137 en II‑621, punt 18), alsmede 8 december 2005, Rounis/Commissie (T‑274/04, JurAmbt. blz. I‑A‑407 en II‑1849, punten 21 en 22).
12 – Arresten Gerecht van 17 september 1992, NBV en NVB/Commissie (T‑138/89, Jurispr. blz. II‑2181, punt 33); 14 april 2005, Sniace/Commissie (T‑141/03, Jurispr. blz. II‑1197, punt 26), alsmede beschikking Gerecht van 17 oktober 2005, First Data e.a./Commissie (T‑28/02, Jurispr. blz. II‑4119, punten 42 en 43).
13 – Zie in die zin arrest Hof van 3 juli 1980, Grassi/Raad (6/79 en 97/79, Jurispr. blz. 2141, punt 20), en arrest Gerecht van 28 mei 1997, Burban/Parlement (T‑59/96, JurAmbt. blz. I‑A-109 en II-331, punt 73).
14 – Zie in die zin beschikking N/Commissie, reeds aangehaald (punt 26), en arrest Dionyssopoulou/Raad, reeds aangehaald (punt 20).
15 – Zie in die zin arrest Hof van 21 januari 1987, Stroghili/Rekenkamer (204/85, Jurispr. blz. 389, punt 11).
16 – Beschikking N/Commissie, reeds aangehaald (punt 27), alsmede arrest Gerecht van 21 februari 2006, V/Commissie (T‑200/03 en T‑313/03, JurAmbt. blz. II‑A-2-57, punt 184).
17 – Arrest Gerecht van 13 december 1990, Moritz/Commissie (T‑20/89, Jurispr. blz. II‑769, punt 16), alsmede reeds aangehaalde arresten Dionyssopoulou/Raad (punt 18) en Rounis/Commissie (punt 21).
18 – Beschikking N/Commissie (punten 26 en 27).
19 – Zie in die zin beschikking Hof van 1 oktober 2004, Pérez Escolar/Commissie (C‑379/03 P, punten 41 en 42), en beschikking Gerecht van 2 juni 2003, Forum 187/Commissie (T‑276/02, Jurispr. blz. II‑2075, punt 50).
20 – Arrest Hof van 2 december 1971, Zuckerfabrik Schöppenstedt/Raad (5/71, Jurispr. blz. 975, punt 9), alsmede beschikkingen Gerecht van 1 juli 1994, Osório/Commissie (T‑505/93, JurAmbt. blz. I‑A-179 en II-581, punt 33), en 15 februari 1995, Moat/Commissie (T‑112/94, JurAmbt. blz. I‑A-37 en II-135, punt 32).
21 – Arresten Gerecht van 10 juli 1990, Automec/Commissie (T‑64/89, Jurispr. blz. II‑367, punten 75‑77), en 20 september 1990, Hanning/Parlement (T‑37/89, Jurispr. blz. II‑463, punt 82).
22 – Zie in die zin reeds aangehaalde beschikkingen Osório/Commissie (punt 35) en Moat/Commissie (punt 37).
23 – Beschikking Moat/Commissie, reeds aangehaald (punt 38), en arrest Gerecht van 29 januari 1998, Affatato/Commissie (T‑157/96, JurAmbt. blz. I‑A-41 en II-97, punt 38).
24 – Beschikkingen Gerecht N/Commissie, reeds aangehaald (punt 26), en 28 juni 2005, Ross/Commissie (T‑147/04, JurAmbt. blz. I‑A-171 en II-771, punt 27).
25 – Reeds aangehaalde beschikkingen N/Commissie (punt 30) alsmede Ross/Commissie (punten 29 en 30).
26 – Beschikking Ross/Commissie, reeds aangehaald (punten 31 en 32).
27 – Arresten van 1 februari 1979, Deshormes/Commissie (17/78, Jurispr. blz. 189, punten 10‑12), en 31 mei 1988, Rousseau/Rekenkamer (167/86, Jurispr. blz. 2705, punt 7).
28 – Ibidem.
29 – Arrest Deshormes/Commissie, reeds aangehaald (punt 11).
30 – Arrest van 15 mei 1985, Esly/Commissie (127/84, Jurispr. blz. 1437, punten 10 en 12), alsmede beschikking Gerecht van 25 maart 1998, Koopman/Commissie (T‑202/97, JurAmbt. blz. I‑A-163 en II-511, punt 23).
31 – Zo heeft het Gerecht de Commissie in casu gevraagd om officiële stukken over te leggen waarin het aantal ambtenaren van de rang LA5 in de eenheid EN.3 gedurende de beoordelingsperiode was vermeld alsmede de resultaten, uitgesplitst per rubriek, van de beoordeling van de ambtenaren van rekwirants eenheid.
Full & Egal Universal Law Academy