CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 9 juli 2009 1(1)
Zaak C‑199/07
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Helleense Republiek
„Niet-nakoming – Overheidsopdracht – Procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie – Criteria voor uitsluiting van gegadigden”
1. Deze zaak betreft een door de Griekse spoorautoriteit gehouden aanbestedingsprocedure voor ontwerp‑ en adviesdiensten, waarin Griekenland volgens de Commissie inbreuk heeft gemaakt op richtlijn 93/38/EEG van de Raad (hierna: „richtlijn”)(2), het in artikel 12 EG vervatte beginsel van gelijke behandeling, de in artikel 49 EG verankerde vrijheid tot het verrichten van diensten, en het beginsel van de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties.
Relevante communautaire wetgeving
2. Artikel 12 EG verbiedt discriminatie op grond van nationaliteit.
3. Artikel 49 EG verbiedt beperkingen op de vrijheid tot het verrichten van diensten ten aanzien van de onderdanen van de lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.
De richtlijn
4. De richtlijn coördineert de procedures voor het plaatsen van opdrachten door overheidsdiensten of openbare bedrijven(3) die werkzaam zijn in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie.
5. De richtlijn voorziet in drie soorten procedures:
– „openbare procedures”, waarin alle belangstellende leveranciers, aannemers of dienstverrichters mogen inschrijven;
– „niet-openbare procedures”, waarin alleen de door de aanbestedende dienst aangezochte gegadigden mogen inschrijven;
– „procedures van gunning via onderhandelingen”, waarin de aanbestedende dienst de door hem gekozen leveranciers, aannemers of dienstverrichters raadpleegt en in onderhandelingen met één of meer van hen de inhoud van de overeenkomst vaststelt.(4)
6. „Prijsvragen voor ontwerpen” worden gedefinieerd als nationale procedures welke tot doel hebben de aanbestedende dienst een plan of ontwerp te verschaffen, dat op basis van vergelijking door een jury wordt geselecteerd.(5)
7. Artikel 4, lid 1, bepaalt dat onder meer bij het organiseren van prijsvragen voor ontwerpen, de aanbestedende diensten procedures moeten toepassen die zijn aangepast aan de bepalingen van de richtlijn. Artikel 4, lid 2, luidt: „De aanbestedende diensten zorgen ervoor dat er geen discriminatie tussen leveranciers, aannemers of dienstverrichters plaatsvindt.”
8. Opdrachten, geplaatst door aanbestedende diensten die activiteiten uitoefenen in de vervoersector, met een geraamde waarde die (exclusief BTW) ten minste 400 000 EUR bedraagt voor opdrachten voor leveringen en dienstverrichtingen, of 5 000 000 EUR voor opdrachten voor de uitvoering van werken, vallen binnen de werkingssfeer van de richtlijn.(6)
9. De artikelen 30 tot en met 38 (hoofdstuk V van de richtlijn) hebben betrekking op de erkenning, de selectie en de gunning in een aanbestedingsprocedure. Artikel 31 luidt:
„1. Aanbestedende diensten die de gegadigden selecteren voor een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een procedure van gunning via onderhandelingen, doen zulks in overeenstemming met de door hen omschreven objectieve criteria en regels, die ter beschikking worden gesteld van de belangstellende leveranciers, aannemers of dienstverrichters.
2. De gehanteerde criteria kunnen ook de uitsluitingscriteria omvatten als weergegeven in artikel 23 van richtlijn 71/305/EEG en in artikel 20 van richtlijn 77/62/EEG.(7)
3. De criteria kunnen zijn gebaseerd op de objectieve noodzaak voor de aanbestedende dienst om de gegadigden te beperken tot een aantal dat gerechtvaardigd wordt door het noodzakelijke evenwicht tussen enerzijds de specifieke kenmerken van de aanbestedingsprocedure en anderzijds de middelen die daarvoor vereist zijn. Wel dient echter bij de vaststelling van het aantal gegadigden voldoende concurrentie te worden gewaarborgd.”
10. De criteria aan de hand waarvan de aanbestedende diensten een opdracht gunnen, zijn neergelegd in artikel 34, dat luidt, voor zover hier van belang:
„1. Onverminderd de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de vergoeding van bepaalde diensten, zijn de criteria aan de hand waarvan de aanbestedende diensten een opdracht gunnen:
a. hetzij, indien de gunning aan de inschrijver met de economisch voordeligste aanbieding plaatsvindt, verschillende criteria die variëren naar gelang van de aard van de opdracht, zoals de leveringstermijn, de uitvoeringstermijn, de gebruikskosten, de rentabiliteit, de kwaliteit, de esthetische en functionele kenmerken, de technische waarde, de klantenservice en technische bijstand, de verbintenissen met betrekking tot reserveonderdelen, de gewaarborgde materiaalvoorziening en de prijs;
b. hetzij alleen de laagste prijs.
2. In het in lid 1, onder a, bedoelde geval vermelden de aanbestedende diensten in het bestek of in de oproep tot mededinging, alle gunningscriteria die zij voornemens zijn te hanteren, zo mogelijk in afnemende volgorde van het belang dat eraan wordt gehecht.”
Richtlijn 92/13/EEG
11. Richtlijn 92/13/EEG(8) bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat tegen door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend beroep kan worden ingesteld op grond van het feit dat door die besluiten het gemeenschapsrecht inzake aanbestedingen of de nationale voorschriften waarin dat is omgezet, geschonden zijn.(9) Artikel 2, lid 6, van richtlijn 92/13 luidt:
„De gevolgen van de uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheden voor een overeenkomst die na de gunning van een opdracht is gesloten, worden door het nationale recht bepaald. Behalve indien vóór de toekenning van schadevergoeding een besluit vernietigd moet worden, kan een lidstaat bepalen dat na de sluiting van een overeenkomst ingevolge de gunning van een opdracht, de bevoegdheden van de voor beroepsprocedures verantwoordelijke instantie beperkt blijven tot het toekennen van schadevergoeding aan een ieder die door een inbreuk werd gelaedeerd.”
De achtergronden van de niet-nakomingprocedure
De litigieuze procedure
12. De volgende feiten staan vast.
13. Op 24 oktober 2003 werd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een aankondiging bekendgemaakt van een opdracht voor een aantal technische en daarmee samenhangende ontwerpdiensten in het kader van de ontwikkeling van het Thriasio Pedio-complex aan de rand van Athene (hierna: „litigieuze procedure”). Het zou een openbare procedure betreffen. De aanbestedende dienst was ERGA OSE AE.
14. ERGA OSE AE is een overheidsautoriteit die openbare diensten op het gebied van het treinvervoer verricht. De geraamde waarde van de opdracht waarop de aankondiging betrekking had, was 3 240 000 EUR, wat aanmerkelijk boven de in artikel 14, lid 1, sub c, van de richtlijn bepaalde drempelwaarden ligt.
15. De aanbestedende dienst had de aankondiging van de litigieuze procedure doen uitgaan in overeenstemming met de toen geldende nationale wettelijke voorschriften, namelijk wet nr. 716/1977.(10)
16. Onderdeel III van de aankondiging betreft de juridische, financieel-economische en technische inlichtingen die de gegadigden dienen te verstrekken. De desbetreffende voorwaarden luiden als volgt:
„[...]
2.1 Informatie betreffende de individuele situatie van [...] dienstverrichters en de vereiste formaliteiten tot vaststelling van hun minimale economische en technische capaciteit:
2.1.3 Technische capaciteit – Vereist ondersteunend bewijs: A. Blijken van belangstelling zullen worden aanvaard wanneer zij afkomstig zijn van:
a. Griekse adviesbureaus die zijn ingeschreven in het desbetreffende nationale register en beschikken over een certificaat:
[...]
b. Buitenlandse adviesbureaus, die zijn opgericht volgens de wetgeving van een lidstaat van de Europese Unie of de EER en waarvan het hoofdkantoor, de belangrijkste vestiging of de statutaire zetel is gelegen binnen de Europese Unie of de EER [...]. Buitenlandse adviseurs moeten ten aanzien van alle studiecategorieën beschikken over formele en inhoudelijke kwalificaties zoals die vereist zijn voor Griekse adviseurs die zijn ingeschreven in het Griekse register van adviseurs; adviesbureaus moeten beschikken over medewerkers voor alle studiecategorieën zoals die vereist zijn voor Griekse adviesbureaus.
Nadrukkelijk wordt opgemerkt, dat buitenlandse adviesbureaus en adviseurs die hebben kennisgegeven van hun belangstelling om deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure van ERGA OSE AE in de zes maanden voorafgaande aan hun blijken van belangstelling in de onderhavige procedure, en daarbij kwalificaties hebben opgegeven die overeenkomen met andere categorieën van certificaten dan thans worden verlangd, niet zullen worden aanvaard.(11)
17. Onderdeel IV van de litigieuze aankondiging betreft de procedurele aspecten van de prijsvraag.
„1. Aard van de procedure: openbaar
[...]
2. Gunningscriteria:
de economisch voordeligste aanbieding, in overeenstemming met de volgende criteria [...]:
Gelet op artikel 34, lid 1, sub a, van richtlijn 93/38/EEG, zal de opdracht worden gegund aan de hand van de volgende criteria:
1. Bijzondere en algemene ervaring, met name ontwerpen in het kader van vergelijkbare projecten door adviesbureaus of adviseurs en hun wetenschappelijke medewerkers.
2. De reële mogelijkheid tot het verrichten van een studie volgens de geplande tijdschaal, gelet op de aangegane verplichtingen met betrekking tot andere studies, de wetenschappelijke en uitvoerende medewerkers die de studie in kwestie zullen uitvoeren, en de uitrusting in verband met het voorwerp van de studie [...]”
18. Het is niet in geschil dat de verwijzing naar de categorieën van kwalificaties in clausule III 2.1.3.b (hierna: „litigieuze clausule”) een afspiegeling is van het feit dat Griekenland werkt met een systeem waarbij het ingenieurs classificeert en indeelt in categorieën die zijn gebaseerd op de duur, het niveau en de omvang van hun studie, en ingenieursbureaus classificeert volgens de classificering van hun ingenieurs. Een dergelijk systeem bestond niet voor buitenlandse adviesbureaus en adviseurs, zodat zulke bureaus niet verplicht waren zich op deze wijze te laten registreren.
Precontentieuze procedure
19. In 2004 ontving de Commissie twee klachten van een bedrijf dat stelde dat het geen aanvraag tot deelname aan de litigieuze procedure had ingediend, omdat het zichzelf op voorhand uitgesloten achtte op de grond dat het een buitenlands bedrijf was dat minder dan zes maanden eerder had meegedongen in een procedure van dezelfde aanbestedende dienst, met een andere classificatie dan in de litigieuze procedure werd verlangd.
20. Het onderzoek naar die klacht bracht de Commissie tot het standpunt dat het criterium in de litigieuze clausule van de aankondiging van opdracht (a) een nieuwe uitsluitingsgrond invoerde ten opzichte van die welke uitputtend zijn opgesomd in artikel 31, lid 2, van richtlijn 93/38/EEG en (b) discriminerend was voor buitenlandse adviesbureau en adviseurs, en dat Griekenland hiermee zijn verplichtingen onder het gemeenschapsrecht heeft geschonden.
21. Op 28 juni 2005 schreef de Commissie de Griekse autoriteiten aan om de klacht te onderzoeken. Zij antwoordden op 22 juli 2005.
22. De Commissie achtte dit antwoord niet bevredigend en stuurde Griekenland op 18 oktober 2005 een aanmaningsbrief.
23. De Griekse autoriteiten antwoordden op 14 december 2005. Zij stelden met nadruk dat de litigieuze clausule niet van buitenlandse bureaus verlangde dat zij zich lieten inschrijven, maar slechts een middel bood om hun ervaring vast te stellen. De Griekse autoriteiten betoogden dat ERGA OSE AE in werkelijkheid geen buitenlands bedrijf op basis van deze clausule had uitgesloten.
24. De Commissie nam geen genoegen met dit antwoord van de Griekse autoriteiten en bracht derhalve op 4 juli 2006 een met redenen omkleed advies uit. Hierin werd geconcludeerd dat de clausule in strijd was met de richtlijn, het beginsel van de wederzijdse erkenning van diploma’s en het beginsel van gelijke behandeling, en dat zij naliet een onderscheid te maken tussen selectiecriteria en gunningscriteria, zoals op dit gebied juridisch wordt vereist.
25. Op 30 juni 2006 gaven de Griekse autoriteiten antwoord en betoogden zij (a) dat de nationale wetgeving waarop de aankondiging van de opdracht berustte (wet nr. 716/1977) was gewijzigd, zodat een niet-nakomingsprocedure niet-ontvankelijk zou zijn; (b) dat de opdrachten al te goeder trouw waren gegund aan derden en derhalve niet meer konden worden herroepen; en (c) dat de litigieuze clausule de vrijheid van mededinging in het geheel niet raakte.
26. De Commissie achtte het antwoord van de Griekse autoriteiten niet bevredigend en stelde het onderhavige beroep in.
Ontvankelijkheid
27. De Griekse autoriteiten betogen dat het beroep op drie gronden niet-ontvankelijk is. Ten eerste stellen zij, aan het met redenen omkleed advies te hebben voldaan vóór het verstrijken van de daarin gestelde termijn. Ten tweede beweren zij, dat het beroep van de Commissie meer omvat dan de bezwaren die zij in de precontentieuze procedure naar voren had gebracht. Ten derde betogen zij, dat het niet meer mogelijk is door vernietiging van de gesloten overeenkomsten de gestelde inbreuk ongedaan te maken, om een aantal praktische redenen (zie hieronder punten 39 tot en met 41) en wegens de werking van artikel 2, lid 6, van richtlijn 92/13.
28. Naar mijn mening is het beroep van de Commissie ontvankelijk.
Naleving van het met redenen omkleed advies
Argumenten van partijen
29. De Griekse autoriteiten betogen dat zij het met redenen omkleed advies vóór het verstrijken van de termijn ervan hebben nageleefd, aangezien wet nr. 716/1977 is ingetrokken en vervangen door wet nr. 3316/2005, waarbij bepalingen als de litigieuze clausule werden verboden en het onderscheid tussen selectiecriteria en gunningscriteria werd verduidelijkt.
30. De Commissie repliceert dat het het beroep niet het nationale wettelijke kader betreft. De intrekking van wet nr. 716/1977 is derhalve niet relevant voor de onderhavige procedure.
Beoordeling
31. Ik ben het eens met de Commissie.
32. Aangezien de Commissie zich uitsluitend op de litigieuze procedure baseert, laat de intrekking van wet nr. 716/1977 de essentie van haar beroep onaangetast en kan zij niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid ervan.
Draagwijdte van het beroep
Argumenten van partijen
33. De Griekse autoriteiten voeren aan dat de draagwijdte van het beroep in twee opzichten is uitgebreid in vergelijking met de in de precontentieuze procedure behandelde kwesties. Ten eerste beweren zij, dat de Commissie de grief dat Griekenland had nagelaten de gunningsprocedure ongeldig te verklaren, voor het eerst in het met redenen omkleed advies naar voren heeft gebracht, in plaats van in de aanmaningsbrief. Ten tweede betogen zij, dat de klacht dat de schending van het gemeenschapsrecht te wijten is aan een bestendige administratieve praktijk, voor de eerste keer in het verzoekschrift van de Commissie ter sprake is gekomen. Griekenland stelt tevens dat het petitum van het met redenen omkleed advies vaag en onnauwkeurig is.
34. De Commissie legt uit dat haar beroep zich beperkt tot de litigieuze procedure. In haar repliek bevestigt zij uitdrukkelijk, dat zij niet beweert dat de door de Griekse autoriteiten gemaakte inbreuk op het gemeenschapsrecht te wijten is aan een bestendige administratieve praktijk.
Beoordeling
35. Het staat vast dat het voorwerp van een krachtens artikel 226 EG ingesteld beroep wordt afgebakend door de precontentieuze procedure, zodat het met redenen omkleed advies van de Commissie en het beroep op dezelfde gronden moeten berusten.(12)
36. De Griekse regering is er naar mijn mening niet in geslaagd om aan te tonen dat de Commissie het voorwerp van het geschil heeft verruimd ten opzichte van de inhoud van het met redenen omkleed advies. De Commissie verzoekt het Hof niet vast te stellen dat de Griekse autoriteiten de gunningsprocedure ongeldig moeten verklaren, en beweert evenmin dat gemeenschapsrechtelijke verplichtingen zijn geschonden wegens een bestendige administratieve praktijk.(13)
37. De omvang van het beroep is derhalve verenigbaar met de precontentieuze procedure.
38. De voorwaarden waaraan een beroep krachtens artikel 226 EG moet voldoen, zijn eveneens duidelijk neergelegd in de rechtspraak van het Hof. In wezen moet het beroepschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze aanduidingen moeten zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.(14)
39. De gronden waarop de klacht van de Commissie berust, worden naar mijn mening in het petitum van het met redenen omkleed advies op zodanige wijze uiteengezet, dat de Griekse autoriteiten hieruit kunnen opmaken wat hun wordt verweten. Ik ben het er derhalve niet mee eens dat de vordering van de Commissie vaag en onnauwkeurig is.
Onmogelijkheid de verweten schending ongedaan te maken
Argumenten van partijen
40. De Griekse autoriteiten betogen dat het om juridische en praktische redenen niet mogelijk is de verweten schending ongedaan te maken.
41. Wat de juridische redenen betreft, betogen zij dat de litigieuze aanbestedingsprocedure niet kan worden herroepen en dat de opdrachten die aan het eind ervan zijn gegund, op nationaal niveau niet nietig kunnen worden verklaard. Met name blijven de bevoegdheden van de voor beroepsprocedures verantwoordelijke instantie, krachtens de nationale wetgeving die ter uitvoering van artikel 2, lid 6, van richtlijn 92/13 is vastgesteld, beperkt tot het toekennen van schadevergoeding.
42. De Commissie betoogt dat richtlijn 92/13/EEG in deze zaak niet van toepassing is en dat Griekenland er derhalve geen beroep op kan doen.
43. Met betrekking tot de praktische redenen beweren de Griekse autoriteiten dat het project mede wordt gefinancierd door de Gemeenschap en als zodanig is gebonden aan een tijdsschema dat niet kan worden gewijzigd.
44. Tevens wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de litigieuze procedure en de afkondiging van een nieuwe aanbesteding de mededinging zou vervalsen.
Beoordeling
45. De argumenten inzake de juridische gevolgen van een nietigverklaring betreffen de rechten en rechtsmiddelen waarover een benadeelde partij op nationaal niveau beschikt. Naar mijn mening zijn deze kwesties niet relevant voor de vragen die in de onderhavige niet-nakomingsprocedure beantwoord moeten worden.
46. Richtlijn 92/13 verlangt met name van de lidstaten, dat zij ervoor zorgen dat tegen door de aanbestedende diensten genomen besluiten op nationaal niveau doeltreffend beroep kan worden ingesteld ter zake van inbreuken op het gemeenschapsrecht op het gebied van openbare aanbestedingen.(15) De richtlijn heeft derhalve betrekking op nationale rechtsgangen waarin particulieren zich tot nationale instanties wenden voor rechtsbescherming. Procedures wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG hebben een geheel ander karakter. Zij vinden plaats op communautair niveau en gaan om de vraag of de lidstaat zijn verplichtingen krachtens het gemeenschapsrecht geschonden heeft. Richtlijn 92/13 is derhalve voor de onderhavige procedure niet relevant.
47. De Griekse autoriteiten hebben geen bewijs aangevoerd ter ondersteuning van hun stelling dat het op praktische gronden onmogelijk is de litigieuze procedure met het gemeenschapsrecht in overeenstemming te brengen. Het is dus niet nodig daar nader op in te gaan.
48. Het beroep is derhalve ontvankelijk.
De vordering van de Commissie
49. De Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat Griekenland, door in feite ten nadele van buitenlandse adviesbureaus een bijkomend criterium voor automatische uitsluiting in te voeren, naast die welke uitdrukkelijk in artikel 31, lid 2, van de richtlijn zijn voorzien en door bij de litigieuze aanbesteding geen onderscheid te maken tussen kwalitatieve selectie‑ en gunningscriteria, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de gemeenschapswetgeving inzake openbare aanbestedingen, inzonderheid de artikelen 4, lid 2, 31, leden 1 en 2, en 34, lid 1, sub a, van de richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof; het beginsel van de wederzijdse erkenning van formele kwalificaties, dat aan het gemeenschapsrecht inzake openbare aanbestedingen ten grondslag ligt, en de artikelen 12 EG en 49 EG.
50. De gronden die de Commissie aanvoert, geven aanleiding tot twee preliminaire opmerkingen.
51. Ten eerste dient de juridische en feitelijke grondslag voor de gevraagde vaststelling duidelijk te zijn. Ten tweede berust de bewijslast in een procedure krachtens artikel 226 EG op de Commissie, die het Hof de informatie moet verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen dat de bewuste verplichting inderdaad niet is nagekomen.(16)
De inhoudelijke argumenten van de partijen
52. De Commissie voert zes grieven aan, die ik als volgt heb ingedeeld. Ten eerste onderzoek ik de verweten schending van de criteria betreffende de kwalificaties, de selectie en de gunningsprocedures. Ten tweede zal ik de verweten schending van de beginselen van non-discriminatie en transparantie bespreken.
Schending van de criteria betreffende de kwalificaties, de selectie en de gunningsprocedures
Artikel 31, leden 1 en 2, van de richtlijn
53. Artikel 31 begint met een uitdrukkelijke verwijzing naar niet-openbare procedures en procedures van gunning via onderhandelingen.(17) De litigieuze procedure was echter een openbare procedure.(18) Derhalve dient onderzocht te worden of, en zo ja in hoeverre, de Commissie kan beweren dat Griekenland in de litigieuze procedure zijn verplichtingen krachtens artikel 31 heeft geschonden.
54. In antwoord op vragen die ter terechtzitting werden gesteld, heeft de Commissie toegegeven dat artikel 31 niet uitdrukkelijk naar de openbare procedure verwijst, maar betoogd dat de bepalingen ervan analoog moesten worden toegepast. Het is niet helemaal duidelijk wat de Commissie daarmee bedoelde, en zij is hier tijdens de mondelinge behandeling niet verder op ingegaan.
55. In haar verzoekschrift verwijst de Commissie ter ondersteuning van haar standpunt echter naar de arresten van het Hof in de zaken Commissie/Spanje(19), Teckal(20), en Commissie/Spanje(21). In die zaken oordeelde het Hof dat uitzonderingen op de werkingssfeer van de richtlijnen inzake openbare aanbestedingen slechts zijn toegestaan indien zij daarin uitputtend en uitdrukkelijk worden vermeld. Het betoog van de Commissie komt er derhalve mogelijk op neer, dat de enige gronden waarop een aanbestedende dienst een gegadigde van een aanbestedingsprocedure mag uitsluiten, de uitdrukkelijk in artikel 31, lid 2, genoemde gronden zijn, ongeacht of het om een openbare, een niet-openbare, of een via onderhandelingen gegunde procedure gaat.
56. Dit zou betekenen dat men het uit deze zaken afgeleide algemene beginsel met betrekking tot de draagwijdte van de richtlijnen zou moeten toepassen om daarmee een specifieke bepaling van een bepaalde richtlijn te herschrijven, teneinde de strekking van die bepaling van specifieke procedures naar alle procedures uit te breiden.
57. Dat is volgens mij niet juist.
58. In de onderhavige zaak is niet in geschil dat de litigieuze procedure binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/38 viel. Aan het door het Hof in genoemde zaken neergelegde algemene beginsel is derhalve al voldaan. Het lijkt me een geheel andere zaak (en ontoelaatbaar) om aan de hand van dat algemene beginsel een tekst die opent met de woorden „Aanbestedende diensten die de gegadigden selecteren voor een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een procedure van gunning via onderhandelingen [...]”, aldus te herschrijven dat het vervolg van de bepaling gaat gelden voor alle procedures en niet alleen voor niet-openbare procedures en procedures gegund via onderhandelingen. De natuurlijke en voor de hand liggende lezing is, dat de bepaling van toepassing is op de twee types procedure die uitdrukkelijk worden genoemd, en niet op het laatste type (de openbare procedure die is gevolgd voor de gunning van de litigieuze opdracht).
59. Er zijn nog drie factoren die deze uitlegging van artikel 31 bevestigen.
60. Ten eerste was, als de opsteller van het artikel dat gewild had, niets eenvoudiger geweest dan duidelijk aan te geven dat het vervolg op de openingswoorden van de bepaling gold voor alle procedures. Hij hoefde alleen maar de woorden „die de gegadigden selecteren voor een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een procedure van gunning via onderhandelingen” weg te laten.
61. Ten tweede suggereren de bewoordingen van het volgende lid (artikel 31, lid 2) duidelijk, dat de daar genoemde uitsluitingscriteria, zelfs voor niet-openbare en via onderhandelingen gegunde procedures, geen limitatieve opsomming vormen. Ter illustratie: de Engelse tekst luidt „The criteria used may include the criteria specified in Article 23 of Directive 71/305/EEC and in Article 20 of Directive 77/62/EEC.” De Franse tekst geeft „Les critères utilisés peuvent inclure ceux d’exclusion énumérés à l’article 23 de la directive 71/305/CEE et à l’article 20 de la directive 77/62/CEE” en de Duitse „Die angewandten Kriterien können die in Artikel 23 der Richtlinie 71/305/EWG und Artikel 20 der Richtlinie 77/62/EWG angegebenen Ausschließungsgründe einschließen”.(22) De woorden „kunnen omvatten” in de diverse taalversies van de tekst geven aan (en voor zover ik dat kan beoordelen, heel consequent) dat de opsomming van de selectiecriteria niet limitatief is maar enuntiatief.
62. Ten derde wordt deze uitlegging bevestigd door lid 3. Artikel 31, lid 3, is eveneens vrijblijvend gesteld (de criteria voor uitsluiting „kunnen", en niet „moeten”, worden gebaseerd op een bepaalde grond) en brengt de daar genoemde grond („de objectieve noodzaak voor de aanbestedende dienst om de gegadigden te beperken tot een aantal dat gerechtvaardigd wordt door het noodzakelijke evenwicht tussen enerzijds de specifieke kenmerken van de aanbestedingsprocedure en anderzijds de middelen die daarvoor vereist zijn”) rechtstreeks in verband met niet-openbare procedures en procedures van gunning via onderhandelingen. In openbare procedures wordt het aantal gegadigden (per definitie) aanvankelijk niet beperkt, integendeel: „alle belangstellende leveranciers, aannemers of dienstverrichters mogen inschrijven”.(23) De vangnetbepaling in de laatste zin van artikel 31, lid 3 („Wel dient echter bij de vaststelling van het aantal gegadigden voldoende concurrentie te worden gewaarborgd”), is eveneens volmaakt begrijpelijk in het kader van niet-openbare en via onderhandelingen gegunde procedures, maar zinloos wanneer zij wordt toegepast op openbare procedures. „Voldoende concurrentie” kan immers op geen betere manier worden gewaarborgd dan door de procedure voor alle belangstellenden open te stellen.
63. Ten slotte zoekt de Commissie steun in het arrest La Cascina.(24) Ik denk echter niet dat dit het Hof van behulp kan zijn bij de uitlegging van artikel 31 van de richtlijn. In dat arrest oordeelde het Hof dat artikel 29 van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening(25), een (uitputtende) opsomming bevat van de zeven gronden voor uitsluiting van gegadigden van deelname aan een opdracht. De opzet van artikel 31 van de richtlijn verschilt echter van die van artikel 29 van richtlijn 92/50. Artikel 31, lid 1, bevat de dwingende bepalingen, namelijk dat gegadigden zullen worden geselecteerd aan de hand van „objectieve criteria en regels” en dat deze door de aanbestedende diensten „ter beschikking worden gesteld van de belangstellende leveranciers, aannemers of dienstverrichters”. Anders dan in artikel 29, wordt in artikel 31, leden 2 en 3, vervolgens aan de lidstaten enige beoordelingsvrijheid verleend ten aanzien van de uitsluitingscriteria die zij mogen toepassen.
64. Ik concludeer derhalve dat de grief van de Commissie, dat de litigieuze procedure artikel 31, leden 1 en 2, heeft geschonden, op een onjuiste opvatting berust.
Artikel 34, lid 1, sub a, van de richtlijn
65. De Commissie stelt dat de Griekse autoriteiten, in strijd met hun verplichtingen krachtens artikel 34, lid 1, sub a, in deze aanbestedingsprocedure hebben nagelaten onderscheid te maken tussen kwalitatieve selectiecriteria en gunningscriteria.
66. In een niet-openbare procedure of een procedure van gunning via onderhandelingen, omvat de aanbestedingsprocedure twee fasen: een eerste fase waarin de aanbestedende dienst (met toepassing van selectiecriteria) de gegadigden selecteert die worden aangezocht om in te schrijven of deel te nemen aan de onderhandelingen, en een tweede fase waarin de aanbestedende dienst (met toepassing van gunningscriteria) besluit aan wie de opdracht moet worden gegund.
67. In een openbare procedure hoeft de aanbestedende dienst slechts te besluiten aan wie (van de belangstellende dienstverrichters die hebben ingeschreven) de opdrachten moeten worden gegund.
68. De litigieuze procedure was een openbare procedure.
69. Het is mij derhalve niet duidelijk waarop de Commissie haar stelling baseert dat de aanbestedende dienst een uit twee fasen bestaande procedure heeft gevolgd, waarin zowel selectie- als gunningscriteria werden toegepast.
70. De klager heeft niet verzocht om aan de litigieuze procedure deel te nemen, omdat hij zichzelf automatisch uitgesloten achtte op grond van de bewoordingen van clausule 2.1.3 van onderdeel III van de aankondiging van opdracht. De Commissie heeft het Hof geen enkel bewijs overgelegd, hetzij met betrekking tot de litigieuze procedure hetzij met betrekking tot andere aanbestedingsprocedures, ter ondersteuning van haar stelling dat de Griekse autoriteiten hebben nagelaten te onderscheiden tussen de selectie‑ en de gunningscriteria.
71. Derhalve concludeer ik dat deze grief ongegrond is.
Inbreuk op het beginsel van wederzijdse erkenning op grond van de richtlijn
72. De Commissie stelt dat de Griekse autoriteiten hun verplichting tot toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning hebben geschonden. De Commissie wijst geen materieelrechtelijke bepaling van de richtlijn aan om deze stelling te onderbouwen, maar zegt zich te baseren op de punten 34 en 36 van de considerans van de richtlijn.(26) Het is echter vaste rechtspraak dat de considerans van een gemeenschapshandeling geen bindende rechtskracht heeft.(27)
73. Derhalve ontbreekt de grondslag om nader op dit argument in te gaan.
74. Er staan dus nog twee vragen ter beoordeling aan het Hof: of de Griekse autoriteiten hun verdragsverplichtingen betreffende de wederzijdse erkenning van formele kwalificaties hebben geschonden, en of de wijze waarop de litigieuze procedure is gevoerd een inbreuk vormde op de beginselen van non-discriminatie en transparantie (de grieven ontleend aan artikel 4, lid 2, van de richtlijn en de artikelen 12 EG en 49 EG).
Wederzijdse erkenning van formele kwalificaties onder het Verdrag
75. Het beginsel van wederzijdse erkenning van formele kwalificaties is afgeleid uit de rechtspraak van het Hof inzake de vrijheid van vestiging(28), maar is evenzeer van toepassing op het verrichten van diensten.(29)
76. De Commissie betoogt dat de bestreden clausule tot gevolg heeft dat gegadigden wordt belet hun kwalificaties en ervaring aan te tonen op grond van de regels die in hun eigen lidstaat zouden gelden.
77. De Griekse autoriteiten betwisten de uitlegging die de Commissie aan de bestreden clausule geeft, en betogen dat het voor buitenlandse bedrijven minder belastend is het bewijs van hun technische ervaring en kwalificaties te leveren dan voor nationale bedrijven. Zij voeren aan dat geen enkele gegadigde op grond van de bestreden clausule was uitgesloten van deelneming aan de prijsvraag.
78. De klager heeft zich niet opgegeven, omdat hij zichzelf automatisch van de litigieuze procedure uitgesloten achtte. Of de Griekse autoriteiten zijn formele kwalificaties zouden hebben erkend, is dus nooit op de proef gesteld. Evenmin heeft de Commissie het Hof enig bewijs voorgelegd om aan te tonen dat de aanbestedende dienst de formele kwalificaties van een gegadigde uit een andere lidstaat die zich wel voor deelname aan de litigieuze procedure had aangemeld, niet erkend heeft.
79. Hieruit volgt dat deze grief ongegrond moet worden verklaard.
Schending van de beginselen van non-discriminatie en transparantie
Artikel 4, lid 2, van de richtlijn
80. Het is niet in geschil dat de litigieuze procedure binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt(30) en dat ERGA OSE AE derhalve aan de voorschriften ervan dient te voldoen.
81. Artikel 4, lid 2, van de richtlijn bepaalt dat de aanbestedende diensten ervoor „zorgen [...] dat er geen discriminatie tussen leveranciers, aannemers of dienstverrichters plaatsvindt”.
82. Het Hof heeft het in zijn rechtspraak op het gebied van openbare aanbestedingen afwisselend over het „beginsel van non-discriminatie” en „het beginsel van gelijke behandeling”. Het heeft uitdrukkelijk gesteld dat het beginsel van gelijke behandeling de kern vormt van de richtlijnen inzake openbare aanbestedingen.(31) Het heeft eveneens uitgelegd dat het verbod van discriminatie bij overheidsopdrachten een bijzondere uitdrukking is van het algemene beginsel van gemeenschapsrecht met dezelfde naam.(32)
83. Het beginsel van gelijke behandeling brengt op zijn beurt een verplichting tot transparantie mee, die geldt voor alle procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten(33), opdat alle potentiële inschrijvers bij het formuleren van hun aanvraag tot deelname dezelfde kansen hebben.(34)
84. Ingevolge de verplichting tot transparantie moet een aanbestedende dienst ervoor zorgen dat alle potentiële inschrijvers onmiddellijke toegang hebben tot de voorwaarden betreffende de indiening van aanvragen, waaronder informatie met betrekking tot de formele kwalificaties voor deelname die van de gegadigden worden verlangd. Zoals het Hof in het arrest Commissie/Frankrijk(35) vaststelde: „Met het verbod van discriminatie tussen inschrijvers beschermt artikel 4, lid 2, van de richtlijn […] ook degenen die van inschrijving zijn weerhouden, omdat zij benadeeld zijn door de voorwaarden van de door een aanbestedende dienst gevolgde procedure.”
85. In die zaak oordeelde het Hof dat publicatie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van slechts een gedeelte van de informatie, discriminatie opleverde, omdat de gegadigden die toegang hadden tot de aanvullende informatie in het nationale publicatieblad, bevoordeeld waren; zij konden immers beschikken over alle feiten omtrent de precieze omvang van de voorgenomen werken.(36)
86. Hebben de Griekse autoriteiten met betrekking tot de litigieuze procedure voldaan aan de vereisten van artikel 4, lid 2?
87. De Griekse autoriteiten betogen dat de bestreden clausule geen potentiële deelnemers uitsluit. Volgens hen werd er slechts mee aangegeven dat diploma’s, officiële getuigschriften en bewijzen van algemene technische ervaring werden vereist om aan te tonen dat de inschrijver over een zekere minimale technische bekwaamheid beschikte. Griekenland voert aan dat buitenlandse adviesbureaus en adviseurs zelfs een zeker voordeel genoten ten opzichte van nationale inschrijvers, in die zin dat zij alle middelen mochten gebruiken die zich ertoe leenden om aan te tonen dat zij aan de voorwaarden voldeden, met inbegrip van eerdere verklaringen aangaande hun ervaring. Griekenland herhaalt bovendien dat een gegadigde die twijfels had aangaande zijn positie, slechts opheldering bij de aanbestedende dienst hoefde te vragen.
88. De Commissie betoogt dat de litigieuze clausule slechts aldus kan worden uitgelegd dat buitenlandse ontwerp‑ of adviesbureaus zouden worden ingedeeld volgens de classificatie van eerder (binnen de voorgaande zes maanden) aan de aanbestedende dienst overgelegde kwalificaties. De Commissie wijst erop dat deze voorwaarde de klager heeft weerhouden van deelname aan de litigieuze procedure. De Commissie voert tevens aan dat de bestreden clausule een bijkomende voorwaarde invoerde waar buitenlandse adviesbureaus of adviseurs bijzonder moeilijk aan kunnen voldoen.
89. Ik ben het met de Commissie eens.
90. Ten eerste ben ik van mening dat uit de aard van de litigieuze clausule voortvloeit dat buitenlandse adviesbureaus of adviseurs zich er waarschijnlijk door zouden laten afschrikken, omdat er (uitdrukkelijk) in wordt aangegeven dat zij onder bepaalde omstandigheden niet als gegadigden zouden worden geaccepteerd.
91. Ten tweede hebben de Griekse autoriteiten niet aangetoond dat op het moment van bekendmaking van de aankondiging, voor potentiële gegadigden informatie ter onmiddellijke beschikking stond waarin werd verduidelijkt hoe de kandidatuur van adviesbureaus of adviseurs behandeld zou worden.
92. Ten slotte aanvaard ik het argument van de Griekse autoriteiten niet, dat er geen afschrikwekkend effect was omdat potentiële buitenlandse gegadigden die twijfelden of zij in aanmerking kwamen, zich tot de aanbestedende dienst hadden kunnen wenden om hierover opheldering te krijgen. Transparantie vereist dat de potentiële inschrijver op grond van de voor hem onmiddellijk toegankelijke gepubliceerde informatie kan beslissen of hij een aanbieding zal doen. Het is niet voldoende dat hij, wanneer hij op eigen initiatief de moeite neemt en de uitgaven doet om nadere inlichtingen in te winnen, een juist beeld kan krijgen van de situatie.(37) Dit is a fortiori het geval wanneer de gepubliceerde voorwaarden van de oproep tot mededinging (zoals hier) uitdrukkelijk aangeven dat een bijzondere categorie van potentiële gegadigden uit andere lidstaten, waartoe hij behoort, van deelname zal worden uitgesloten.
93. Het is bovendien duidelijk dat ten minste één potentiële gegadigde (de klager) inderdaad werd weerhouden van het indienen van een aanvraag tot deelname.
94. Ik concludeer derhalve dat de litigieuze procedure niet voldeed aan de vereisten van artikel 4, lid 2, van de richtlijn.
De artikelen 12 en 49 EG
95. Discriminatie op grond van nationaliteit die de uitoefening van de vrijheid tot het verrichten van diensten belet of belemmert, is uiteraard verboden uit hoofde van artikel 49 EG, dat een bijzondere uitdrukking is van het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in artikel 12 EG.
96. Aangezien de litigieuze procedure binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, is het echter niet nodig de toepassing van deze in het Verdrag opgenomen bepalingen van gemeenschapsrecht te onderzoeken.(38)
Kosten
97. Zowel de Commissie als de Griekse regering hebben verwijzing in de kosten gevorderd. Naar mijn mening dient het beroep van de Commissie slechts ten aanzien van één grief te worden toegewezen. De manier waarop partijen de procedure hebben gevoerd, heeft het Hof niet bijzonder geholpen bij de vaststelling van de elementen die in deze zaak een rol spelen en het verkrijgen van duidelijkheid over de aan beide zijden gehanteerde argumenten.
98. Overeenkomstig artikel 69, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering dient elke partij derhalve haar eigen kosten te dragen.
Conclusie
99. Ik geef het Hof derhalve in overweging:
– te verklaren dat de Griekse autoriteiten, door in de aankondiging van opdracht 2003/S 205-185214 de bestreden clausule op te nemen zonder nadere informatie te verstrekken over de mogelijkheid voor buitenlandse adviesbureaus of adviseurs om zich als gegadigde in te schrijven, niet hebben voldaan aan hun verplichtingen krachtens artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie;
– het beroep voor het overige te verwerpen;
– elke partij te verwijzen in haar eigen kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Richtlijn 93/38/EG van de Raad van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie ( PB L 76, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 (PB L 101, blz. 1) en richtlijn 2001/78/EG van de Commissie van 13 september 2001 (PB L 285, blz. 1).
3 – Artikel 2, lid 1, sub a, van de richtlijn.
4 – Artikel 1, lid 7.
5 – Artikel 1, lid 16.
6 – Artikel 14, lid 1, sub c.
7 – Kort gezegd, bepaalt artikel 23 van richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 185, blz. 5), dat iedere aannemer, en artikel 20 van richtlijn 77/62/EEG van 21 december 1976 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB L 13, blz. 1), dat iedere leverancier die in staat van faillissement verkeert, veroordeeld is voor een delict dat zijn beroepsuitoefening betreft, niet aan zijn verplichtingen tot betaling van belastingen of sociale verzekeringslasten heeft voldaan, of zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van de inlichtingen die volgens elk van de beide richtlijnen kunnen worden verlangd, van deelname aan een overheidsaanbesteding kan worden uitgesloten.
8 – Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76, blz. 14).
9 – Artikel 1 van richtlijn 92/13.
10 – Wet nr. 716/1977 is later ingetrokken en vervangen door wet nr. 3316/2005.
11 – Vertaald uit de aankondiging van opdracht (2003/S 205-185214) die is vervat in de bekendmaking in het Publicatieblad. De laatste alinea (door mij gecursiveerd) is het onderdeel dat door de Commissie wordt bestreden en het enige gedeelte van de bestreden aankondiging waar zij in haar verzoekschrift naar verwijst.
12 – Arrest Hof van 26 april 2007, Commissie/Finland (C‑195/04, Jurispr. blz. I‑3351, punt 18 en de daar aangehaalde rechtspraak).
13 – Zie bijvoorbeeld arrest van 19 maart 2009, Commissie/Griekenland (C‑489/06, Jurispr. blz. I‑00000, punt 48), voor het bewijs dat is vereist om niet-nakoming te kunnen vaststellen op basis van een administratieve praktijk.
14 – Arrest Commissie/Finland (aangehaald in voetnoot 12, punt 22 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 – Zie artikel 1 van richtlijn 92/13.
16 – Arrest van 18 december 2007, Commissie/Ierland, C‑532/03, Jurispr. blz. I‑11353, punt 29 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
17 – Artikel 31, lid 1.
18 – Zie punt 17.
19 – Arrest van 17 november 1993 (C‑71/92, Jurispr. blz. I‑5923).
20 – Arrest van 18 november 1999 (C‑107/98, Jurispr. blz. I‑8121).
21 – Arrest van 13 januari 2005 (C‑84/03, Jurispr. blz. I‑139).
22 – Zie, in gelijke trant, „Los criterios empleados podrán incluir [...]”, „I criteri utilizzati possono comprendere [...]”, „De gehanteerde criteria kunnen [...] omvatten”, en „Os critérios utilizados podem incluir [...]” in de Spaanse, de Italiaanse, de Nederlandse en de Portugese versie.
23 – Zie artikel 1, lid 7, aangehaald in punt 5, en vergelijk de definities van openbare, niet-openbare en via onderhandelingen gegunde procedures.
24 – Arrest van 9 februari 2006, La Cascina e.a. (C‑226/04 en C‑228/04, Jurispr. blz. I‑1347, punt 22).
25 – PB L 209, blz. 1.
26 – In punt 34 wordt overwogen dat de communautaire voorschriften inzake de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels van toepassing zijn, wanneer het bewijs van een dergelijke kwalificatie wordt geëist voor deelname aan een prijsvraag voor ontwerpen. Punt 36 stelt dat het beginsel van onderlinge erkenning binnen de werkingssfeer van de richtlijn van toepassing is. Het staat buiten kijf dat een considerans tot doel heeft de redenen voor de bepalingen van het rechtsinstrument uiteen te zetten, zoals artikel 253 EG voorschrijft.
27 – Zie arrest van 24 november 2005, Deutsches Milch-Kontor GmbH (C‑136/04, Jurispr. blz. I‑10095, punt 32 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 – Zie bijvoorbeeld arresten van 7 mei 1991 (Vlassopoulou, C‑340/89, Jurispr. blz. I‑2357, punten 15‑17), en 7 oktober 2004, Markopoulos e.a. (C‑255/01, Jurispr. blz. I‑9077, punt 63 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 – Het is vaste rechtspraak dat artikel 49 EG niet alleen de afschaffing van elke discriminatie van de dienstverrichter op grond van diens nationaliteit vereist, maar tevens de opheffing van elke beperking die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere lidstaat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt. Zie bijvoorbeeld arrest van 17 juli 2008, Commissie/Frankrijk (C‑389/05, Jurispr. blz. I‑00000, punt 57).
30 – Zie punt 14.
31 – Arrest van 16 december 2008, Michaniki (C‑213/07, Jurispr. blz. I‑00000, punten 44 en 45 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 – Arresten van 13 oktober 2005, Parking Brixen (C‑458/03, Jurispr. blz. I‑8585, punt 48), en 8 oktober 1980, Überschär (810/79, Jurispr. blz. 2747, punt 16).
33 – Zie bijvoorbeeld arresten van 25 april 1996, Commissie/België (C‑87/94, Jurispr. blz. I‑2043, punten 51‑54), en 7 december 2000, Telaustria en Telefonadress (C‑324/98, Jurispr. blz. I‑10745, punt 61), en het arrest La Cascina e.a., (aangehaald in voetnoot 24, punt 32).
34 – Arrest van 12 december 2002, Universale-Bau e.a. (C‑470/99, Jurispr. blz. I‑11617, punt 93).
35 – Arrest van 5 oktober 2000, Commissie/Frankrijk (C‑16/98, Jurispr. blz. I‑8315, punt 109), waar het Hof artikel 4, lid 2, van de richtlijn besprak.
36 – Zie zaak C‑16/98, Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 35, punt 111).
37 – Ik suggereer niet dat de verplichting tot transparantie wordt geschonden wanneer de potentiële inschrijver bij de aanbestedende dienst eenvoudig op aanvraag een gedetailleerd informatiepakket kan verkrijgen: zie mijn conclusie van 7 juni 2007 in de zaak Lämmerzahl, C‑241/06 (arrest gewezen op 11 oktober 2007, Jurispr. blz. I‑8415, punten 70‑73).
38 – Zie, naar analogie, arrest van 18 december 2007, Laval (C‑341/05, Jurispr. blz. I‑11767, punten 54 en 55).
Full & Egal Universal Law Academy