CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 8 mei 2008 (1)
Zaak C‑203/07 P
Helleense Republiek
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Hogere voorziening – Project tot vestiging van gemeenschappelijke diplomatieke vertegenwoordiging te Abuja (Nigeria) – Invordering door verrekening van door Helleense Republiek verschuldigde bedragen – Verordeningen (EG, Euratom) nrs. 1605/2002 en 2342/2002 – Ontvankelijkheid – Uitlegging van krachtens Titel V van EU-Verdrag gesloten memoranda van overeenstemming – Beginsel van goede trouw in internationaal publiekrecht”
1. Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt de Helleense Republiek het Hof om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 17 januari 2007, Griekenland/Commissie (T‑231/04(2); hierna: „bestreden arrest”), voor zover daarin ten onrechte is geconcludeerd dat voor de Helleense Republiek financiële verplichtingen zijn ontstaan door haar ondertekening en ratificatie van een aanvankelijk memorandum van overeenstemming dat de Commissie en een aantal lidstaten hadden gesloten, door de ondertekening van een aanvullend memorandum, en door haar gedragingen.
2. In het bestreden arrest verwierp het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van de handeling waarbij de Commissie bij wege van verrekening de bedragen heeft ingevorderd die de Helleense Republiek verschuldigd was als gevolg van haar deelneming aan de projecten Abuja I en II tot vestiging van een gemeenschappelijke diplomatieke vertegenwoordiging van de Commissie en van een aantal lidstaten van de Europese Unie te Abuja (Nigeria).
I – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
3. Artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie luidt:
„Het verzoek aan het Hof om hogere voorziening kan alleen rechtsvragen betreffen. Het moet gebaseerd zijn op middelen, ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
[...]”
4. Artikel 71 van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(3) (hierna: „Financieel Reglement”) bepaalt:
„1. De vaststelling van een schuldvordering is de handeling waarbij de gedelegeerde of gesubdelegeerde ordonnateur:
a) het bestaan van de schuld van de debiteur verifieert;
b) het bestaan en het bedrag van de schuld vaststelt of verifieert;
c) de invorderbaarheid van de schuld verifieert.
2. De ter beschikking van de Commissie te stellen eigen middelen en elke als zeker, vaststaand en invorderbaar aangemerkte schuldvordering worden vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht aan de rekenplichtige, gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, welke beide worden opgesteld door de bevoegde ordonnateur.
[...]”
5. Artikel 72 van het Financieel Reglement bepaalt:
„De opdracht tot invordering is de handeling waarbij de bevoegde gedelegeerde of gesubdelegeerde ordonnateur de rekenplichtige opdraagt een schuldvordering die hij heeft vastgesteld, in te vorderen.
[...]”
6. Artikel 73 van het Financieel Reglement bepaalt:
„1. De rekenplichtige neemt de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde invorderingsopdrachten in behandeling. Hij is gehouden zorg te dragen voor het innen van de ontvangsten van de Gemeenschappen en toe te zien op het behoud van de rechten van de Gemeenschappen.
De rekenplichtige gaat over tot invordering door verrekening van de schuldvorderingen van de Gemeenschappen wanneer de debiteur zelf een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Gemeenschappen heeft.
[...]”
7. Artikel 78 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen(4) (hierna: „uitvoeringsverordening”) bepaalt:
„Procedure
1. De vaststelling van een schuldvordering door de ordonnateur is de erkenning van het recht van de Gemeenschappen jegens een debiteur en de opstelling van de titel waarmee van deze debiteur betaling van zijn schuld kan worden geëist.
2. De invorderingsopdracht is de handeling waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige opdracht geeft de vastgestelde schuldvordering te innen.
3. De debetnota is de mededeling aan de debiteur dat:
a) de Gemeenschappen deze schuldvordering hebben vastgesteld;
b) de betaling van zijn schuld aan de Gemeenschappen uiterlijk op een bepaalde datum (hierna ‚vervaldag’ genoemd) moet geschieden;
c) bij gebreke van betaling op de vervaldag over zijn schuld rente verschuldigd is tegen het in artikel 86 bedoelde percentage, onverminderd de geldende specifieke voorschriften;
d) de Instelling in alle gevallen waarin dat mogelijk is, overgaat tot invordering door verrekening nadat de debiteur hiervan in kennis is gesteld;
e) de Instelling, bij gebreke van betaling op de vervaldag overgaat tot invordering door een beroep te doen op van tevoren verstrekte garanties;
f) de Instelling, indien na de bovengenoemde etappes nog geen volledige invordering heeft kunnen geschieden, tot invordering overgaat door gedwongen tenuitvoerlegging van de titel die overeenkomstig artikel 72, lid 2, van het Financieel Reglement dan wel langs gerechtelijke weg is verkregen.
De ordonnateur zendt de debiteur de debetnota toe, met een kopie aan de rekenplichtige.”
8. Artikel 79 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„Vaststelling van schuldvorderingen
Om een schuldvordering vast te stellen, vergewist de bevoegde ordonnateur zich van:
a) het zekere karakter van de schuldvordering, waaraan geen voorwaarden verbonden mogen zijn;
b) het vaststaande karakter van de schuldvordering, waarvan het bedrag nauwkeurig in geld moet worden uitgedrukt;
c) het invorderbare karakter van de schuldvordering, waaraan geen termijn verbonden mag zijn;
d) de juiste aanduiding van de debiteur;
e) de juistheid van de aanwijzing van de te innen bedragen op de begroting;
f) de regelmatigheid van de bewijsstukken;
g) de overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer [...]”
9. Artikel 83 van de uitvoeringsverordening luidt:
„Inning door middel van verrekening
Op elk moment van de procedure gaat de rekenplichtige, nadat de bevoegde ordonnateur en de debiteur in kennis zijn gesteld, over tot inning door verrekening van een vastgestelde schuldvordering wanneer de debiteur ook een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Gemeenschappen heeft [die] betrekking heeft op een bedrag dat door een betalingsopdracht is vastgesteld.”
B – Internationaal recht
10. Artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht(5) luidt:
„Algemene regel van uitlegging
1. Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag.
2. Voor de uitlegging van een verdrag omvat de context, behalve de tekst, met inbegrip van preambule en bijlagen:
a) iedere overeenstemming die betrekking heeft op het verdrag en die bij het sluiten van het verdrag tussen alle partijen is bereikt;
b) iedere akte opgesteld door een of meer partijen bij het sluiten van het verdrag en door de andere partijen erkend als betrekking hebbende op het verdrag.
3. Behalve met de context dient ook rekening te worden gehouden met:
a) iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen;
b) ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van de partijen inzake de uitlegging van het verdrag is ontstaan;
c) iedere ter zake dienende regel van het volkenrecht die op de betrekkingen tussen de partijen kan worden toegepast.
4. Een term dient in een bijzondere betekenis verstaan te worden als vaststaat, dat dit de bedoeling van de partijen is geweest.”
II – Feiten en achtergrond van het bestreden arrest
11. In het bestreden arrest heeft het Gerecht van eerste aanleg de feiten van de bij hem aanhangig gemaakte zaak samengevat als volgt:
„7 Wegens de verplaatsing van de hoofdstad van Nigeria van Lagos naar Abuja huurde de Commissie sedert 1993 te Abuja een gebouw voor de huisvesting van haar delegatie alsook − voorlopig − van de vertegenwoordigingen van een aantal lidstaten, waaronder de Helleense Republiek. In het kader van een regeling met deze lidstaten (hierna: ‚project Abuja I’) onderverhuurde de Commissie een aantal kantoren en verstrekte zij bepaalde diensten aan deze vertegenwoordigingen. De betrokken lidstaten hebben overeenstemming bereikt over de verdeling van de aan hun vertegenwoordigingen verbonden kosten. De bijdrage van de Helleense Republiek bedroeg 5,5 % van de totale kostprijs. Van mening dat de Helleense Republiek haar schuld ter zake niet had betaald, is de Commissie in 2004 overgegaan tot invordering door verrekening van de desbetreffende bedragen (zie punt 44 hieronder).
8 Op 18 april 1994 hebben het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek en de Commissie (hierna: ‚partners’) op basis van artikel J.6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (thans, na wijziging, artikel 20 EU) een memorandum van overeenstemming (hierna: ‚aanvankelijk memorandum’) betreffende de bouw van een gemeenschappelijk ambassadecomplex met gemeenschappelijke steunverlenende diensten voor hun diplomatieke missies te Abuja (hierna: ‚project Abuja II’) gesloten. Het aanvankelijke memorandum is na de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden aangevuld met een protocol van toetreding.
9 Artikel 1 van het aanvankelijke memorandum bepaalt dat de ambassades van de lidstaten en de delegatie van de Commissie afzonderlijke diplomatieke missies vormen, die onderworpen zijn aan het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer en, wat de lidstaten betreft, tevens aan het Verdrag van Wenen van 24 april 1963 inzake consulaire betrekkingen.
10 Artikel 10 van het aanvankelijke memorandum gaf aan dat de Commissie als coördinator van het project Abuja II optreedt ‚namens’ de andere partners.
11 Volgens artikel 11 van het aanvankelijke memorandum is de Commissie verantwoordelijk voor de uitvoering van de architectuurstudies betreffende de uitvoerbaarheid van het project Abuja II, de raming van de initiële kosten en het ontwerp. Dit artikel bepaalt eveneens dat een afzonderlijk memorandum van overeenstemming wordt gesloten betreffende ‚de gedetailleerde bouwplannen, de verdeling van de kosten en de rechtmatige belangen van de individuele deelnemende partners in het complex zodra het project [Abuja II] is voltooid’ (hierna: ‚aanvullend memorandum’). Ten slotte wordt bij artikel 11 een permanente stuurgroep opgericht die bestaat uit vertegenwoordigers van alle partners en wordt voorgezeten door de Commissie, om het project Abuja II te coördineren en te controleren. De permanente stuurgroep legt periodieke rapporten voor aan de werkgroep ‚Administratieve vraagstukken’ die bij de Raad is opgericht in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) (hierna: ‚groep Administratieve vraagstukken GBVB’).
12 In artikel 12 van het aanvankelijke memorandum staat te lezen:
‚Het project [Abuja II] wordt na goedkeuring van het in artikel 11 bedoelde [aanvullende memorandum] rechtstreeks gefinancierd door bijdragen van de deelnemende partners overeenkomstig het aandeel van elke partner in het project. De bijdrage van de Commissie zal worden gefinancierd uit de passende begrotingslijn.
De kosten van de voorbereiding van het project („fase 1”) zullen door de Commissie uit haar begroting worden betaald. Deze kosten worden geraamd op 140 000 ECU. Deze kosten worden betaald door bijdragen van alle deelnemende partners overeenkomstig het individuele aandeel van elke partner in het project indien het project [Abuja II] wordt uitgevoerd.’
13 Artikel 13 van het aanvankelijke memorandum bepaalt:
‚Alle deelnemende partners garanderen de betaling van hun totale kosten na goedkeuring van het [aanvullende memorandum]. De totale kosten voor elke partner bestaan uit:
a) de volledige kosten voor de individuele zone van elke partner,
b) het aandeel van elke partner in de kosten voor de gemeenschappelijke en de publieke zones, berekend op grond van zijn aandeel in de totale kosten van de individuele zones.’
14 Artikel 14 van het aanvankelijke memorandum bepaalt dat de Commissie, met instemming en participatie van de deelnemende staten, de aan derden (contractanten) verschuldigde bedragen betaalt.
15 Artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum bepaalt:
‚Indien een partner besluit om zich uit het project [Abuja II] terug te trekken door het in artikel 11 bedoelde [aanvullende memorandum] niet te ondertekenen, is het bepaalde in dit memorandum van overeenstemming, met inbegrip van de in de artikelen 12 en 13 bedoelde financiële verplichtingen, niet langer van toepassing op de zich terugtrekkende partner.’
16 Op 29 maart 1995 heeft de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, een eerste overeenkomst gesloten met een joint venture bestaande uit, enerzijds, Dissing & Weitling arkitektfirma A/S, de winnares van een door de Commissie voor het project Abuja II georganiseerde architectuurwedstrijd, en, anderzijds, COWIconsult Consulting Engineers and Planners A/S (hierna: ‚consultants’). Volgens artikel 1 van deze overeenkomst bevestigt de Commissie dat de partners van plan zijn een ‚eindovereenkomst’ te sluiten met de consultants. Volgens artikel 2 verbinden de consultants zich ertoe, het betrokken project voor te bereiden. De kostprijs van deze voorbereiding bedroeg 212 547,59 EUR.
17 Op de bijeenkomsten van de vertegenwoordigers van de bevoegde diensten van de ministeries van Buitenlandse Zaken van de betrokken lidstaten en de architecten van Dissing & Weitling arkitektfirma zijn de reële behoeften van [de] vertegenwoordiging van elke lidstaat en het aandeel in de kosten dat elk van hen dient te dragen, vastgesteld.
18 Op 26 oktober 1995 is de in het kader van het GBVB opgerichte subwerkgroep ‚Onroerendgoedvraagstukken’ bijeengekomen. Uit de notulen van de bijeenkomst blijkt dat de subwerkgroep de Commissie heeft verzocht:
‚[...]
– de fase [van basisontwerp] te beëindigen;
– de nodige regelingen te treffen met het architectenbureau om de [plannen van het tussentijdse ontwerp] binnen de door de [permanente stuurgroep] gestelde termijnen te doen opstellen;
– de overeenkomsten te sluiten [betreffende de bodemstudie en de exploratie van het terrein], aangezien laatstgenoemde [overeenkomst] onontbeerlijk is om het aanvullende memorandum te kunnen opstellen;
– alsook de aan deze stappen verbonden kosten voor te schieten.’
19 De subgroep heeft bevestigd dat ‚de door de Commissie betaalde bedragen [zouden worden] beschouwd als een voorschot op haar aandeel in het autonome ad hoc fonds dat eerder als geschikte formule voor de financiering van het project [Abuja II]’ was gekozen, en dat, ‚indien het project niet wordt verwezenlijkt, de andere partners de Commissie [zouden terugbetalen] volgens de voor de vorige fase overeengekomen modaliteiten’.
20 Op 24 november 1995 is de permanente stuurgroep (zie punt 11 hierboven) bijeengekomen. In de notulen van deze bijeenkomst staat te lezen dat een overeenkomst ‚van technische bijstand’ met de consultants voor een bedrag van 2 676 369 EUR (hierna: ‚hoofdovereenkomst’) ter goedkeuring aan het Raadgevend comité voor aankopen en overeenkomsten van de Commissie (RCAO) is voorgelegd. Tevens is vermeld dat ‚de andere partners de Commissie zullen terugbetalen in geval van niet-verwezenlijking van het project’.
21 Op 27 december 1995 heeft de Commissie de hoofdovereenkomst gesloten. Deze had betrekking op het basisontwerp en de tussentijdse fase van het project Abuja II (artikelen 4.4 en 4.5), alsmede op eventuele gedetailleerde plannen (artikel 4.6).
22 Op 19 september 1996 heeft de groep Administratieve vraagstukken GBVB het tussentijdse ontwerp goedgekeurd.
23 Op 21 november 1996 heeft de groep Administratieve vraagstukken GBVB de Commissie verzocht, maatregelen ad hoc te nemen opdat de architecten met de opstelling van de gedetailleerde plannen beginnen. De groep heeft aangegeven dat de formele overeenkomst voor deze fase na de voltooiing van het aanvullende memorandum zou worden gesloten. Op deze bijeenkomst heeft de Commissie deze groep in kennis gesteld van het bedrag van de uitgaven die zij sedert 15 november 1996 voor de voorbereiding van het project Abuja II had voorgeschoten, te weten ongeveer 2,8 miljoen EUR.
24 Op 24 februari 1997 is diezelfde groep bijeengekomen en heeft zij besloten om niet te wachten op de voltooiing van het aanvullende memorandum om gedetailleerde plannen en de contractuele documenten op te stellen. De notulen van deze bijeenkomst bevatten de volgende besluiten:
‚De Commissie wordt verzocht, met de architecten de nodige regelingen voor de opstelling van de documenten te treffen en de nodige fondsen voor deze werken voor te schieten volgens de voor het project overeengekomen modaliteiten. Zoals voorheen zullen de aldus door de Commissie betaalde voorschotten later door de andere deelnemers worden terugbetaald volgens de daartoe in het aanvankelijke memorandum bepaalde procedures.’
25 In de daaropvolgende maanden hebben een aantal lidstaten zich uit het project Abuja II teruggetrokken. Op 28 april 1997 heeft de groep Administratieve vraagstukken GBVB de Commissie gelast, ‚met het koninkrijk Denemarken bilaterale regelingen te treffen voor de terugbetaling van het aandeel dat deze staat [diende] te dragen in de door de Commissie voor rekening van de partners gemaakte projectkosten’. Een soortgelijk besluit is genomen na de terugtrekking van Ierland in september 1997, en van de Portugese Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.
26 Op 12 november 1997 heeft de Commissie met de architecten een aanhangsel bij de hoofdovereenkomst gesloten betreffende de opstelling van gedetailleerde plannen en de tenlasteneming van reiskosten voor een bedrag van 1 895 696 EUR.
27 Op 18 juni 1998 heeft de groep Administratieve vraagstukken GBVB melding gemaakt van een mogelijke terugtrekking van het Koninkrijk België uit het project Abuja II. Uit de notulen van deze bijeenkomst blijkt dat de permanente stuurgroep erop heeft gewezen dat het Koninkrijk België zijn aandeel in de kosten, zoals die na de goedkeuring van het tussentijdse ontwerp waren vastgesteld, zou betalen.
28 Op 10 juni 1998 heeft de Commissie aan de Helleense Republiek een betalingsopdracht voor 153 367,70 EUR doen toekomen, een bedrag dat overeenkwam met het aandeel van de Helleense Republiek in de initiële fase van het project, namelijk 5,06 % van de totale kosten. De uiterste termijn voor betaling was op 31 december 1998 bepaald.
29 Op 9 december 1998 is het aanvullende memorandum ondertekend door de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk en de Commissie. Artikel 11 van het aanvullende memorandum voorzag in de oprichting van een fonds voor de financiering van het project.
30 Overeenkomstig artikel 14 ervan is het aanvullende memorandum voorlopig van toepassing vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de ondertekening ervan, en treedt het in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de lidstaten en de Commissie verklaren dat zij het hebben geratificeerd.
31 Op 28 april 1999 heeft de Commissie een aanbesteding uitgeschreven voor de bouw van de ambassades van de betrokken lidstaten en van de delegatie van de Gemeenschap (PB 1999, S 82). Daarbij werd vermeld dat de ambassade van de Helleense Republiek een oppervlakte van 677 m2 zou hebben.
32 Op 3 september 1999 heeft de Commissie haar oproep van 1998 aan de groep Administratieve vraagstukken GBVB ‚herhaald’ opdat de lidstaten de bedragen die zij voor de fase van het tussentijdse ontwerp aan de consultants had betaald, terugbetalen. Zij heeft erop gewezen dat een aantal lidstaten de verschuldigde bedragen reeds hadden betaald, maar dat andere lidstaten, waaronder de Helleense Republiek, haar niet vóór de vervaldatum van 31 december 1998 hadden terugbetaald. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat een andere betalingsopdracht aan de partners zou worden gestuurd betreffende, enerzijds, de kosten van de gedetailleerde plannen, en, anderzijds, de kosten van de herschikkingen die voortvloeiden uit de omstandigheid dat het Koninkrijk België, het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek zich hebben teruggetrokken.
33 Op 20 september 1999 is de permanente stuurgroep bijeengekomen met het oog op de voorselectie van de bouwondernemingen. De vertegenwoordiger van de Helleense Republiek heeft de notulen van de bijeenkomst ondertekend. Een aanbesteding voor het opvolgen van het bouwproject is bekendgemaakt in het Publicatieblad S 54 van 17 maart 2000.
34 Bij een betalingsopdracht van 17 februari 2000 heeft de Commissie de Helleense Republiek verzocht, een bedrag van 16 816,94 EUR te betalen voor het opstellen van het aanbestedingsdossier voor de gedetailleerde plannen.
35 Op 22 juni 2000 heeft de permanente stuurgroep besloten, het project te herzien (hierna: ‚beperkt project Abuja II’). Dit was noodzakelijk geworden door de terugtrekking van de Franse Republiek. Het beperkte project Abuja II voorzag inzonderheid in de afschaffing van de gemeenschappelijke gebouwen en de steunverlenende diensten, alsook in een vermindering van de oppervlakte. De vertegenwoordiger van de Helleense Republiek op deze bijeenkomst heeft met het project ingestemd, onder voorbehoud evenwel van goedkeuring ervan door zijn hiërarchieke meerderen. Op 29 juni heeft de Commissie aan de Helleense Republiek de notulen van de bijeenkomst van 22 juni 2000 toegestuurd en haar verzocht, een officieel antwoord met betrekking tot het beperkte project Abuja II te geven.
36 Op 5 september 2000 heeft de Commissie haar verzoek aan de vertegenwoordigers van de Helleense Republiek herhaald. Na een nieuwe herinneringsbrief van 14 september 2000 heeft de Commissie de Helleense Republiek op 25 september 2000 per fax een brief doen toekomen met een antwoordtermijn die op 30 september 2000 was bepaald, waarin zij aangaf dat haar stilzwijgen als een terugtrekking uit het project zou worden opgevat. Op 2 oktober 2000 hebben de Griekse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat zij niet in staat waren om een antwoord te geven met betrekking tot het beperkte project Abuja II. Daarop heeft de Commissie diezelfde dag geantwoord dat zij de architecten had gelast, het beperkte project Abuja II te herschikken door de Helleense Republiek ervan uit te sluiten.
37 Bij brief van 28 januari 2002 heeft de Commissie een debetnota voor 1 276 484,50 EUR aan de Helleense Republiek gestuurd betreffende de bouwkosten voor het project Abuja II. De Commissie heeft deze debetnota later ingetrokken.
38 Na een eigen ambassade te Abuja te hebben gevestigd, heeft de Helleense Republiek op 13 juli 2002 de voorlopige kantoorruimten verlaten die zij in het kader van het project Abuja I had betrokken.
39 Bij brief van 11 oktober 2002 heeft de Commissie de Helleense Republiek officieel in kennis gesteld van de niet-betaalde debetnota’s betreffende de projecten Abuja I en Abuja II, en haar verzocht, het totale bedrag van 861 813,87 EUR en 11 000 Amerikaanse dollar (USD) te betalen.
40 Na onderhandelingen tussen de partijen heeft de Commissie bij brief van 31 januari 2003 de Helleense Republiek eraan herinnerd dat zij haar schulden betreffende de projecten Abuja I en Abuja II nog niet had betaald, en haar verzocht, vóór het einde van de maand februari 2003 het totale bedrag van 516 374,96 EUR en 12 684,89 USD te betalen. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat zij bij gebreke van betaling op deze vervaldatum de betrokken bedragen met alle beschikbare rechtsmiddelen zou invorderen.
41 In de loop van de daaropvolgende maanden hebben de Helleense Republiek en de Commissie over de hoogte van de verschuldigde bedragen gediscussieerd.
42 Op 29 december 2003 heeft de Helleense Republiek haar permanente vertegenwoordiger bij de Europese Unie een brief gestuurd die was geformuleerd als volgt:
‚Gelet op het feit dat de Europese Commissie door de procedure van verrekening toe te passen haar standpunt met betrekking tot de schuld van ons land voor het project Abuja II handhaaft, verzoeken wij u om de procedure voort te zetten en ons te laten weten of en in welke mate deze procedure is uitgevoerd, opdat de Helleense Republiek kan nagaan in welke mate zij een beroep tegen de Europese Commissie dient in te stellen.
Wat het project Abuja I betreft, herinneren wij eraan dat wij onze tot in mei 2002 ontstane schuld hebben erkend, terwijl het door de Commissie gevorderde bedrag de periode tot juli 2002 en na deze datum dekt. Aangezien wij van plan zijn, onze bovengenoemde schuld te betalen, verzoeken wij u, contact op te nemen met de bevoegde financiële diensten van de Commissie om de bestanddelen van het juiste totale bedrag van onze schuld in euro tot in mei 2002 te verifiëren.’
43 Op 16 februari 2004 heeft de Commissie de Helleense Republiek een brief gestuurd met opgave van de schulden die deze laatste betreffende de projecten Abuja I en Abuja II nog niet had betaald. Uit de bij deze brief gevoegde tabel, waarin met name elf niet-betaalde debetnota’s betreffende de projecten Abuja I en Abuja II waren opgenomen, blijkt dat de Commissie van de Helleense Republiek betaling van 565 656,80 EUR vorderde. In deze brief preciseerde de Commissie het volgende:
‚[De Helleense Republiek heeft] bij de Commissie de volgende schuldvordering ingediend: [...]
2000GR161PO005OBJ 1 CONTINENTAAL GRIEKENLAND – Interim betaling – 4 774 562,67 EUR.
Overeenkomstig de betalingsvoorwaarden zoals deze zijn vastgesteld bij [artikel 73, lid 1, tweede alinea, van het Financieel Reglement] zal de Commissie de schulden en schuldvorderingen verrekenen en daarbij in voorkomend geval tevens rekening houden met de verwijlintresten.
Ingeval de door u meegedeelde schuldvorderingen de verrekende bedragen overschrijden, zal het nettosaldo waarop u recht hebt, u zo spoedig mogelijk worden betaald [...]’
44 Op 10 maart 2004 heeft de Commissie gelden betaald aan de Helleense Republiek in het kader van het regionale operationele programma voor continentaal Griekenland. In plaats van een bedrag van 4 774 562,67 EUR (zie punt 43 hierboven) te betalen, heeft de Commissie evenwel slechts 3 121 243,03 EUR betaald. Aldus heeft zij bij wege van verrekening het door de Helleense Republiek nog niet betaalde saldo geïnd, waarvan 565 656,80 EUR voor de projecten Abuja I en Abuja II (hierna: ‚bestreden handeling’).”
III – Procesverloop voor het Gerecht van eerste aanleg en bestreden arrest
12. De Helleense Republiek heeft bij het Hof van Justitie beroep ingesteld tegen de verrekening, welk beroep nadien is verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg, waar het is ingeschreven onder nummer T‑231/04. In de procedure bij het Gerecht heeft de Helleense Republiek één middel aangevoerd: schending van het aanvankelijke en het aanvullende memorandum, alsook van de bepalingen van het Financieel Reglement en van verordening nr. 2342/2002.
13. Met het eerste onderdeel van het middel stelde de Helleense Republiek schending van het aanvankelijke en het aanvullende memorandum.
14. Allereerst heeft het Gerecht onderzocht of het bevoegd was om kennis te nemen van het beroep, aangezien één van de verrekende bedragen onder titel V van het EU-Verdrag viel, waarvoor het Hof niet bevoegd is, aangezien die bevoegdheid niet in artikel 46 EU is opgenomen. Omdat de Commissie de litigieuze bedragen evenwel had geïnd door middel van een handeling die was vastgesteld krachtens het Financieel Reglement en verordening nr. 2342/2002 heeft het Gerecht geconcludeerd dat de verrekening onder het gemeenschapsrecht viel en dat bijgevolg tegen die handeling een beroep tot nietigverklaring kon worden ingesteld krachtens artikel 230 EG. Derhalve heeft het Gerecht geoordeeld dat het bevoegd was om kennis te nemen van het beroep.
15. Vervolgens heeft het Gerecht de financiële aansprakelijkheid van de Helleense Republiek voor de projecten Abuja I en Abuja II onderzocht.
16. Wat het project Abuja I betreft, erkende de Helleense Republiek dat zij huur en werkingskosten verschuldigd was, maar zij betwistte dat zij gehouden was tot betaling van het totale bedrag van 72 714,47 EUR dat de Commissie haar in rekening had gebracht. Het Gerecht was van oordeel dat de Helleense Republiek niet had aangetoond dat de Commissie een vergissing betreffende het verschuldigde bedrag had begaan. Bovendien had de Helleense Republiek de diverse debetnota’s die zij had ontvangen, niet betwist, en evenmin uitgelegd waarom zij van mening was dat zij het verschil tussen het door haar aanvaarde bedrag en het door de Commissie gevorderde bedrag niet verschuldigd was. Het argument waarmee de Helleense Republiek haar gehoudenheid voor de schulden inzake het project Abuja I ontkende, kon dus niet worden aanvaard.
17. Met betrekking tot het project Abuja II heeft het Gerecht erop gewezen dat de Helleense Republiek meer dan zes jaar, namelijk van 18 april 1994 tot 30 september 2000, door haar gedragingen bij de andere partners voortdurend de indruk had gewekt dat zij haar deelneming aan het project Abuja II handhaafde. Na de ondertekening van het aanvullende memorandum in december 1998 heeft zij nog gedurende bijna twee jaar aan dit project deelgenomen.
18. Het Gerecht heeft hieruit geconcludeerd dat de beoordeling van de verplichtingen van de Helleense Republiek niet kon worden beperkt tot het aanvankelijke en het aanvullende memorandum, maar dat bij deze beoordeling tevens rekening diende te worden gehouden met de verwachtingen die deze lidstaat door zijn gedragingen bij zijn partners had doen ontstaan.
19. In dit verband heeft het Gerecht eraan herinnerd dat het beginsel van goede trouw een regel van internationaal gewoonterecht is, waaraan de Gemeenschap en de andere partners zijn gebonden, en dat dit beginsel „in het internationale publiekrecht het rechtstreekse uitvloeisel is van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen”.
20. Het Gerecht heeft vervolgens vastgesteld dat, aangezien de Helleense Republiek het aanvankelijke memorandum had ondertekend en het eveneens had geratificeerd, zij een van de partners van het project Abuja II was, en zij in die hoedanigheid een aantal bijkomende verplichtingen van samenwerking en solidariteit jegens de andere deelnemers had.
21. Het Gerecht heeft opgemerkt dat het aanvankelijke memorandum op de voorafgaande fasen van het project Abuja II zag en dat de partners na de voltooiing van die fase hebben besloten om vóór de ondertekening van het aanvullende memorandum het project voort te zetten en de uitgaven van het gedetailleerde ontwerp van het gebouw ten laste te nemen. Tijdens een bijeenkomst van 24 februari 1997, waaraan twee vertegenwoordigers van de Helleense Republiek hebben deelgenomen, hebben de partners de Commissie immers gemachtigd om met de architecten de nodige regelingen voor de opstelling van de gedetailleerde plannen te treffen, zonder op het aanvullende memorandum te wachten. Het Gerecht heeft geconcludeerd dat de partners door die beslissing verder zijn gegaan dan de voorafgaande fasen en zij aldus noodzakelijkerwijs een stilzwijgende overeenkomst hebben gesloten om het project te verwezenlijken. Aangezien de partners op de bijeenkomst van 24 februari 1997 hadden beslist om het project te verwezenlijken, konden zij zich volgens het Gerecht dus niet meer vrijelijk uit het project terugtrekken zonder hun aandeel in de voorafgaande en de latere uitgaven te betalen.
22. Het Gerecht heeft er voorts op gewezen dat, hoewel een aantal lidstaten zich nadien uit het project hebben teruggetrokken, de Helleense Republiek zich in geen enkel opzicht aldus heeft gedragen dat twijfel over haar deelneming kon ontstaan, en zij op 9 december 1998, samen met de andere partners die zich niet uit het project hadden teruggetrokken, het aanvullende memorandum heeft ondertekend. Het Gerecht stelde vast dat de Helleense Republiek pas in de zomer van 2000 voor het eerst blijk heeft gegeven van enige terughoudendheid met betrekking tot de voortzetting van haar deelneming.
23. Volgens het Gerecht staat vast dat de Helleense Republiek het recht had zich uit het project terug te trekken, maar dat zij zich, gelet op de ontwikkeling van de verbintenissen sedert de eerste fase en in weerwil van de niet-ratificatie van het aanvullende memorandum, niet kon terugtrekken zonder gehouden te zijn tot betaling van de uitgaven die aan haar deelneming aan het project Abuja II waren verbonden.
24. Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat de verplichtingen van de Helleense Republiek ook voortvloeien uit de bewoordingen van het aanvankelijke memorandum, inzonderheid uit artikel 15, lid 1, daarvan. Volgens deze bepaling kan een staat aan zijn uit het project voortvloeiende financiële verbintenissen ontsnappen door het aanvullende memorandum niet te ondertekenen. Wanneer een staat (zoals de Helleense Republiek), het aanvullende memorandum wel heeft ondertekend geldt het omgekeerde volgens het Gerecht echter ook.
25. Betreffende het argument dat de ratificatie van het aanvullende memorandum een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de inwerkingtreding ervan, heeft het Gerecht erop gewezen dat het aanvullende memorandum volgens artikel 14 ervan vanaf 1 februari 1999 tot oktober 2000 voorlopig van toepassing is geweest op de Helleense Republiek. Volgens het Gerecht kon de Helleense Republiek dus niet voorbijgaan aan deze voorlopige toepassing door zich te beroepen op het feit dat zij het aanvullende memorandum niet had geratificeerd.
26. Wat ten slotte het argument van de Helleense Republiek betreft dat de stijging van de kostprijs van het project als een „fundamentele wijziging van de omstandigheden” zou kunnen worden beschouwd, waardoor zij van haar financiële verplichtingen werd bevrijd, heeft het Gerecht verklaard dat de stijging van de kostprijs van een project voor het optrekken van een gebouw niet als een „fundamentele wijziging van de omstandigheden” kan worden beschouwd. Bovendien had de Helleense Republiek de stijging van de kostprijs van het project, die vanaf het begin van het project Abuja II bekend was, aanvaard, en heeft zij geen bezwaar gemaakt toen haar aandeel in het project na de terugtrekking van een aantal lidstaten tussen 1997 en 1999 is verhoogd.
27. Gelet op een en ander heeft het Gerecht geoordeeld dat de Helleense Republiek gehouden was tot betaling van de uitgaven die betrekking hebben op haar deelneming aan het project Abuja II.
28. Derhalve heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het middel afgewezen.
29. Met het tweede onderdeel van het enige middel stelde de Helleense Republiek schending van het Financieel Reglement en van verordening nr. 2342/2002.
30. Betreffende het argument van de Helleense Republiek dat er duidelijk onzekerheid bestond over de hoogte en de rechtvaardiging van de gevorderde bedragen, zowel voor het project Abuja I als voor het project Abuja II, heeft het Gerecht beklemtoond dat een verrekening op grond van artikel 73, lid 1, van het Financieel Reglement niet uitgesloten is wanneer een van de schulden wordt betwist of wanneer de Commissie en de schuldenaar over deze schulden onderhandelingen hebben gevoerd, aangezien in het omgekeerde geval een schuldenaar de inning van een schuld eindeloos zou kunnen vertragen.
31. Het Gerecht heeft geoordeeld dat, ook al konden er in 2002 twijfels bestaan over de schuldvorderingen, de Commissie in 2004 na gedachtewisselingen tussen de partijen en een nieuw onderzoek van het dossier tot een zekere conclusie is gekomen met betrekking tot de verschuldigde bedragen en toen tot de verrekening is overgegaan.
32. Bovendien heeft het Gerecht verklaard dat de Helleense Republiek geen enkel element had aangedragen ten bewijze dat de Commissie de door de betrokken teksten voorgeschreven procedure niet had gevolgd of dat zij niet op goede gronden kon concluderen dat de schuldvordering „zeker, vaststaand en invorderbaar” was. Bijgevolg waren de voorwaarden voor invordering door verrekening op de datum van de betwiste handeling vervuld.
33. Ten slotte heeft het Gerecht het betoog van de Helleense Republiek verworpen dat de Commissie niet het recht had om tot invordering door verrekening over te gaan, aangezien het ging om schuldvorderingen van de partners en niet van de Gemeenschap, en de verrekening dus niet de financiële belangen van de Gemeenschappen beoogde te beschermen, hetgeen het doel is van voornoemde teksten. Het Gerecht was daarentegen van oordeel dat het om schuldvorderingen van de Gemeenschap ging, aangezien de Commissie optrad als de lasthebber van de partijen die deelnamen aan de projecten Abuja I en II.
34. Derhalve heeft het Gerecht het tweede onderdeel van het enige middel ongegrond verklaard.
IV – Conclusies van partijen voor het Hof
35. De Helleense Republiek verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;
– het arrest van het Gerecht te vernietigen op de punten waarop het wordt bestreden;
– de hogere voorziening toe te wijzen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
36. De Commissie verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, de hogere voorziening kennelijk ongegrond te verklaren en in haar geheel af te wijzen;
– rekwirante hoe dan ook te verwijzen in de kosten.
V – Hogere voorziening
A – Middelen
1. Eerste middel
37. De Helleense Republiek betoogt dat het Gerecht de artikelen 12, 13 en 15 van het aanvankelijke memorandum van overeenstemming, artikel 14 van het aanvullende memorandum, alsook de beginselen van goede trouw en van bescherming van het gewettigd vertrouwen onjuist heeft uitgelegd.
38. De Helleense Republiek stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat de verplichtingen van de lidstaten betreffende het project Abuja II door de gedragingen van de desbetreffende lidstaat werden bepaald en dat het niet om louter contractuele verplichtingen ging die in beide voormelde memoranda waren vastgelegd. Op basis van een juiste uitlegging van de artikelen 12, 13 en 15 van het aanvankelijke memorandum van overeenstemming en artikel 14 van het aanvullende memorandum moet evenwel worden vastgesteld dat voor de Helleense Republiek geen financiële verplichtingen waren ontstaan, aangezien zij het aanvullende memorandum enkel had ondertekend, maar niet had geratificeerd. Derhalve had de Helleense Republiek dit memorandum niet goedgekeurd, zodat voor deze lidstaat de voorwaarden voor het ontstaan van financiële verplichtingen niet waren vervuld.
39. De Helleense Republiek voert aan dat het beginsel van goede trouw enkel relevant is om uit te maken of een lidstaat deelnam aan het project Abuja II, en niet om de uit die deelneming voortvloeiende verplichtingen vast te stellen. Deze verplichtingen dienen uitsluitend op basis van de contractuele bepalingen te worden vastgesteld, en de gedragingen van de lidstaat zijn ter zake irrelevant.
40. De Helleense Republiek betoogt dienaangaande dat het Gerecht artikel 13 van het aanvankelijke memorandum onjuist heeft uitgelegd, welk artikel „de betaling van hun totale kosten” door de betrokken lidstaten voorschrijft, „na goedkeuring van het [aanvullende memorandum]”. De louter voorlopige toepassing van het aanvullende memorandum volstaat niet voor het ontstaan van de financiële verplichtingen, bedoeld in de artikelen 12 en 13 van het aanvankelijke memorandum. Daarvoor is vereist dat het aanvullende memorandum wordt goedgekeurd.
41. Het Gerecht heeft ook artikel 14 van het aanvullende memorandum onjuist uitgelegd, waarin werd gepreciseerd dat het aanvullende memorandum enkel door de ratificatie ervan in werking trad, zodat voor de deelnemende lidstaten pas dan financiële verplichtingen ontstonden.
2. Tweede middel
42. De Helleense Republiek voert aan dat het Gerecht artikel 15 van het aanvankelijke memorandum onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat de partners, vóór de ondertekening van het aanvullende memorandum, op 24 februari 1997 een stilzwijgende overeenkomst hebben gesloten om het project te verwezenlijken, en dat artikel 15, lid 1, aldus is ingetrokken of althans gewijzigd.
B – Ontvankelijkheid
1. Eerste middel van niet-ontvankelijkheid
43. De Commissie stelt dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is, omdat zij is ontleend aan de uitlegging van memoranda van overeenstemming die niet tot het gemeenschapsrecht behoren. De hogere voorziening berust dan ook niet op een van de in artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie genoemde middelen waarop een hogere voorziening kan worden gebaseerd.
44. Artikel 58 van dit Statuut bepaalt dat een hogere voorziening bij het Hof van Justitie alleen rechtsvragen kan betreffen. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat de bevoegdheid in hogere voorziening van het Hof beperkt is tot de toetsing van de rechtmatigheid van het arrest van het Gerecht.
45. In casu bestaat er een moeilijkheid nu in de woorden van het Gerecht „de betrekkingen tussen de Commissie en de lidstaten die voortvloeien uit hun samenwerking in het kader van het ontwerpen, plannen en uitvoeren van de projecten Abuja I en Abuja II, onder titel V van het EU-Verdrag vallen”.(6) Zoals het Gerecht evenwel terecht heeft opgemerkt, „[zijn] in het kader van het EU-Verdrag, in de versie ervan die voortvloeit uit het Verdrag van Amsterdam, de bevoegdheden van het Hof van Justitie in artikel 46 EU limitatief [...] opgesomd. Dit artikel bevat geen enkele bevoegdheid van het Hof in het kader van de bepalingen van titel V van het EU-Verdrag”.(7) Als zodanig vallen de juridische bepalingen van de memoranda van overeenstemming dus niet onder de bevoegdheid van het Hof.
46. Niettemin heeft het Gerecht met betrekking tot het voor hem aanhangige geschil geoordeeld dat vaststond „dat de Commissie de litigieuze bedragen heeft geïnd door middel van een handeling die is vastgesteld krachtens het Financieel Reglement en verordening nr. 2342/2002, zodat de verrekening onder het gemeenschapsrecht valt”.(8)
47. Voorts heeft het Gerecht geoordeeld dat „uit de werkingssfeer van het Financieel Reglement, en inzonderheid artikel 1 ervan, blijkt dat de in artikel 73, lid 1, ervan bepaalde procedure van invordering door verrekening [...] alleen van toepassing is op bedragen die onder de gemeenschapsbegroting vallen. Niet betwist wordt evenwel dat de Commissie het recht had om op grond van artikel 268 EG, dat voorziet in de inschrijving in de begroting van zowel de uitgaven van de Gemeenschap als van een aantal uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie welke betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de voor de projecten Abuja I en Abuja II gedane uitgaven uit de gemeenschapsbegroting te betalen”.(9)
48. Het Gerecht heeft mijns inziens de juiste logische conclusies getrokken uit artikel 268 EG, dat bepaalt dat niet alleen gemeenschapsuitgaven maar ook een aantal uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie welke betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, moeten worden ingeschreven in de begroting van de Gemeenschap. Dit voorschrift komt terug in artikel 28, lid 2, EU. Die bepalingen leiden ertoe dat dergelijke uitgaven begrotingstechnisch grotendeels met uitgaven op grond van het EG-Verdrag worden gelijkgesteld.(10) Hieruit volgt dat artikel 73, lid 1, van het Financieel Reglement, dat voorziet in de verrekening van schulden jegens de Gemeenschap tegen de debiteur die zelf een vordering op de Gemeenschap heeft, evenzeer van toepassing is op uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie welke betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en die zijn ingeschreven in de begroting van de Gemeenschap, als communautaire uitgave.
49. Als een handeling van gemeenschapsrecht kan de verrekening door de gemeenschapsrechter worden getoetst krachtens artikel 230 EG. Voor de doeltreffendheid en de volledigheid van deze toetsing zal in vele gevallen(11) moeten worden geverifieerd of de verrekende schulden bestaan. In casu diende het Gerecht kennis te nemen van zowel het aanvankelijke als het aanvullende memorandum, aangezien de uitlegging van beide memoranda noodzakelijk was om een volledige rechtelijke toetsing van de rechtmatigheid van de verrekening te verzekeren.
50. Als logisch uitvloeisel van het feit dat het Gerecht zich mocht uitspreken over de twee memoranda van overeenstemming en dat ook heeft gedaan, is het naar mijn mening volkomen gewettigd dat een middel in hogere voorziening bij het Hof betrekking kan hebben op de uitlegging die aan deze twee memoranda is gegeven. Hoewel dat middel betrekking heeft op een rechtsvraag die in de onderhavige zaak moet worden onderzocht teneinde de rechtmatigheid van een handeling van gemeenschapsrecht (de verrekening) te toetsen, is het in feite niet gebaseerd op een beweerde onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht. Aangezien de door rekwirante aangevoerde middelen niet behoren tot die welke in artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie zijn opgesomd, moet worden uitgemaakt of het Hof niettemin op dergelijke rechtsvragen gebaseerde middelen mag afdoen.
51. In dit verband moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat het Hof zich in andere procedures dan hogere voorzieningen vaak heeft moeten uitspreken over bepalingen van internationaal publiekrecht.(12)
52. In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de procedure van hogere voorziening tot doel heeft, een stelsel van dubbele aanleg inzake rechtsbescherming tot stand te brengen, waardoor rechtelijke beslissingen een grotere legitimiteit verkrijgen.(13)
53. Ten slotte kan niet worden uitgesloten dat een restrictieve uitlegging van artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie gevolgen zou hebben voor andere categorieën van beroepen, waarin rechtsvragen aan de orde zijn die – strikt genomen – niet de uitlegging van gemeenschapsrecht betreffen. Dat is het geval voor hogere voorzieningen tegen arresten die het Gerecht wijst krachtens 238 EG. In dergelijke procedures doet het Gerecht vooral – zo niet uitsluitend – uitspraak op grond van het nationale recht dat van toepassing is op de overeenkomst waarin het arbitragebeding is opgenomen. Zo het op artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie gebaseerde middel van de Commissie in de onderhavige zaak zou worden toegewezen met betrekking tot Titel V van het EU-Verdrag, zou dit mijns inziens eveneens eraan in de weg kunnen staan dat een rekwirant die opkomt tegen een arrest dat het Gerecht krachtens artikel 238 EG heeft gewezen, met succes schending van het recht kan stellen betreffende uitspraken die het Gerecht heeft gedaan op basis van een nationaal recht. Volgens mij valt dit moeilijk te rijmen met het verlangen om te voorzien in een stelsel van rechtsbescherming met dubbele aanleg.
54. Daarom ben ik van mening dat de middelen betreffende de uitlegging van de memoranda van overeenstemming moeten worden gerekend tot de rechtsvragen die het Hof in het kader van deze hogere voorziening kan toetsen.
55. Bijgevolg dient het eerste middel van niet-ontvankelijkheid te worden afgewezen.
2. Tweede middel van niet-ontvankelijkheid
56. De Commissie betoogt dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat de middelen in hogere voorziening falen. Volgens de Commissie zou het bestreden arrest ook geldig blijven in het onwaarschijnlijke geval dat de twee middelen in hogere voorziening ontvankelijk en gegrond zouden worden verklaard. Inzonderheid stelt de Commissie dat rekwirante niet opkomt tegen de conclusie in punt 100 van het bestreden arrest dat enkel de partijen die zich uit dit project hebben teruggetrokken zonder het aanvullende memorandum te hebben ondertekend, van hun financiële verplichtingen zijn bevrijd, in tegenstelling tot de partijen die het aanvullende memorandum hebben ondertekend zonder het te ratificeren. Volgens de Commissie betwist rekwirante evenmin de bevinding in punt 101 van het bestreden arrest dat de Helleense Republiek ook ingevolge de voorlopige toepassing van het aanvullende memorandum tot betaling gehouden was.
57. Hoewel de Helleense Republiek de overwegingen in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest niet specifiek heeft aangevochten, volgt uit haar betoog betreffende het eerste middel en de delen van het bestreden arrest waarnaar zij verwijst, duidelijk dat zij het volledig oneens is met de conclusies van het Gerecht in die punten. In de eerste plaats betwist zij de conclusie rechtens dat de ondertekening van het aanvullende memorandum van overeenstemming volgens artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum voor de Helleense Republiek financiële verplichtingen meebrengt die verschillen van die van de partijen die het aanvullende memorandum niet hebben ondertekend. In de tweede plaats betwist de Helleense Republiek, voor zover zij ontkent dat financiële verplichtingen konden ontstaan vóór de ratificatie van het aanvullende memorandum en zij uitdrukkelijk stelt dat het Gerecht artikel 14 van het aanvullende memorandum, dat in de voorlopige toepassing van dat memorandum voorzag, onjuist heeft uitgelegd, noodzakelijkerwijs dat de voorlopige toepassing van het aanvullende memorandum op de ondertekenaars ervan ertoe kon leiden dat financiële verplichtingen ontstonden voor de ondertekenaars van het aanvullende memorandum die dit memorandum achteraf niet hebben geratificeerd. Bijgevolg dekt het eerste middel in hogere voorziening duidelijk ook de in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest neergelegde conclusies van het Gerecht. Indien het Hof het eerste middel in hogere voorziening gegrond zou verklaren, zou het derhalve noodzakelijkerwijs verklaren dat de conclusies die het Gerecht in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest heeft getrokken, ongeldig zijn.
58. Derhalve dient dit middel van niet-ontvankelijkheid te worden afgewezen.
C – Ten gronde
1. Eerste middel
59. De kernvraag in deze zaak is of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Helleense Republiek een financiële schuld jegens de gemeenschapsbegroting had ingevolge financiële verplichtingen wegens haar voorgenomen deelneming aan het project Abuja II.
60. Het Gerecht heeft in het bestreden arrest het bestaan van financiële verplichtingen vastgesteld op basis van de bewoordingen van het aanvankelijke en het aanvullende memorandum, alsook op basis van de beginselen van goede trouw en van bescherming van het gewettigd vertrouwen. Daarnaast heeft het Gerecht in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest geoordeeld dat een financiële verplichting was ontstaan krachtens artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum (aangezien de Helleense Republiek het aanvullende memorandum had ondertekend) en omdat het aanvullende memorandum volgens artikel 14 ervan voorlopig diende te worden toegepast vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op de ondertekening ervan.
61. De Helleense Republiek voert aan dat de vaststelling van een financiële verplichting uitsluitend op de bewoordingen van de contractuele bepalingen dient te worden gebaseerd en dat de gedragingen van de Helleense Republiek niet in aanmerking mogen worden genomen om uit te maken of er sprake is van enige financiële verplichting. De Helleense Republiek stelt zich in wezen op het standpunt dat enkel de contractuele clausules relevant zijn en dat er geen financiële verplichting kon ontstaan vóórdat zij ermee had ingestemd om door het aanvullende memorandum te zijn gebonden, dat wil zeggen voordat zij dit memorandum had geratificeerd.
62. Allereerst herinner ik eraan, dat de twee betrokken memoranda, zoals ik hierboven aangaande de ontvankelijkheid van de onderhavige hogere voorziening heb uiteengezet, zijn vastgesteld op grond van Titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, gewoonlijk de „tweede pijler” van de Europese Unie genoemd. De bepalingen van die Titel roepen rechten en verplichtingen in het leven die worden beheerst door het internationaal recht.(14) Dit impliceert dat de memoranda juridisch gezien internationale overeenkomsten zijn(15), die blijkens hun preambule zijn gesloten tussen de Europese Commissie enerzijds, en een aantal staten, waaronder de Helleense Republiek, anderzijds.(16) Deze rechtsinstrumenten dienen naar hun aard in overeenstemming met de regels van internationaal publiekrecht te worden uitgelegd.(17)
63. In dit verband volgt uit het internationale gewoonterecht, zoals dit is gecodificeerd(18) in artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, dat een verdrag moet worden uitgelegd op basis van drie hoofdelementen: i) de tekst, ii) de context, en iii) het voorwerp en het doel.
64. Bij de memoranda die thans aan de orde zijn, is de bepaling die het meest relevant is om de financiële verplichtingen van een zich terugtrekkende partij vast te stellen, ongetwijfeld artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum. Het regelt de gevolgen van de terugtrekking van een partner uit het project Abuja II. Het bepaalt in wezen dat indien een partner besluit om zich uit het project Abuja II terug te trekken door het aanvullende memorandum niet te ondertekenen, het in het aanvankelijke memorandum bepaalde, met inbegrip van de in de artikelen 12 en 13 daarvan bedoelde financiële verplichtingen, niet langer van toepassing is op de zich terugtrekkende partner.
65. Het is duidelijk dat de Helleense Republiek de conclusie van het Gerecht in punt 100 van het bestreden arrest(19) betwist, aangezien zij in haar verzoekschrift in hogere voorziening in de onderhavige zaak verklaart dat de situatie rechtens van een staat die het aanvullende memorandum heeft ondertekend maar niet heeft geratificeerd, en die bijgevolg geen partij is bij het aanvullende memorandum, niet verschilt – inzonderheid wat de financiële verplichtingen betreft – van de situatie rechtens van een staat die het aanvullende memorandum nooit heeft ondertekend.
66. Mijns inziens kan dit argument niet worden aanvaard.
67. In de eerste plaats refereert artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum uitdrukkelijk aan de ondertekening van het aanvullende memorandum, en niet aan de ratificatie ervan. Dit wijst erop dat de partijen het eens waren om in geval van een terugtrekking van partijen uit het project Abuja II meer belang te hechten aan de ondertekening van het aanvullende memorandum dan aan de ratificatie ervan. De keuze van een toekomstige gebeurtenis als tijdstip waarop een aantal rechtsgevolgen effect sorteren, staat los van de omstandigheid dat het aanvullende memorandum enkel door de ratificatie ervan in werking kan treden.
68. Bijgevolg blijkt uit niets dat het aanvullende memorandum van overeenstemming moest zijn geratificeerd en in werking moest zijn getreden, opdat de in artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum neergelegde bepalingen hun rechtsgevolgen konden sorteren.
69. Derhalve kon het Gerecht mijns inziens in punt 100 van het bestreden arrest concluderen dat de verplichtingen van de Helleense Republiek voortvloeien uit de bewoordingen van het aanvankelijke memorandum. Naar mijn oordeel volstaat dit reeds om het arrest van het Gerecht te handhaven.
70. In de tweede plaats – en ter ondersteuning van deze laatste conclusie – wijs ik erop dat de Helleense Republiek er door haar ondertekening overeenkomstig artikel 14 van het aanvullende memorandum mee had ingestemd dat dit memorandum voorlopig van toepassing zou zijn vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op de ondertekening, tot de inwerkingtreding ervan ingevolge de ratificatie door de ondertekenende partijen of de kennisgeving aan de andere ondertekenaars van het voornemen om de overeenkomst niet te ratificeren.
71. Hoewel de ondertekening van het aanvullende memorandum, zoals ik hierboven heb aangetoond, volstaat opdat artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum rechtsgevolgen heeft, heeft de voorlopige toepassing van het aanvullende memorandum een bijkomende betekenis voor de vaststelling of de Helleense Republiek reeds financiële verplichtingen had op het tijdstip waarop zij zich uit het project Abuja II heeft teruggetrokken.
72. Ofschoon een internationale overeenkomst in beginsel pas na de ratificatie bindende kracht heeft voor een staat die deze overeenkomst heeft ondertekend(20), kunnen de partijen bepalen dat een overeenkomst voorlopig van toepassing zal zijn, vóórdat zij in werking treedt.(21) Het doel van die voorlopige toepassing is de ondertekenende partijen te ontmoedigen om zich via uitstel of niet-ratificatie van het verdrag aan de verdragsregeling te onttrekken, door hen ertoe dwingen de kosten van de verdragsverplichtingen onmiddellijk vanaf het tijdstip van de ondertekening te dragen.(22)
73. Bijgevolg geeft de omstandigheid dat de ondertekenaars van het aanvullende memorandum het erover eens waren dat dit memorandum voorlopig van toepassing diende te zijn, duidelijk aan dat zij bereid waren de – financiële of andere – gevolgen die uit de voorlopige toepassing van het memorandum voortvloeiden, te aanvaarden, tot op het tijdstip waarop een ondertekenaar de andere partners in kennis zou stellen van zijn voornemen om het aanvullende memorandum niet te ratificeren.
74. Ik meen dan ook dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 101 van het bestreden arrest te oordelen dat de Helleense Republiek niet aan deze voorlopige toepassing kon voorbijgaan door zich te beroepen op het feit dat zij het memorandum niet had geratificeerd.
75. Hieruit volgt dat het Gerecht in de punten 100 en 101 van het bestreden arrest op goede gronden kon vaststellen dat het bestaan van een financiële verplichting voortvloeide uit artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum en uit de voorlopige toepassing van het aanvullende memorandum.
76. Derhalve kan worden betwijfeld of het voor de afdoening van deze hogere voorziening wel relevant is of het Gerecht de beginselen van goede trouw en van bescherming van het gewettigd vertrouwen onjuist heeft toegepast met betrekking tot de artikelen 12, 13 en 15 van het aanvankelijke memorandum van overeenstemming en artikel 14 van het aanvullende memorandum van overeenstemming.
77. Hoe dan ook kan volledigheidshalve kort worden gepreciseerd dat het Gerecht zijn conclusie dat de Helleense Republiek een financiële verplichting had ingevolge haar ratificatie van het aanvankelijke memorandum en haar ondertekening van het aanvullende memorandum mijns inziens ook kon baseren op het beginsel van goede trouw.
78. Zoals het Gerecht terecht in herinnering heeft gebracht, is het beginsel van goede trouw een regel van internationaal gewoonterecht, dat door het in het kader van de Volkenbond opgerichte Permanente Hof van Internationale Justitie is erkend.(23) Het vormt in zekere mate(24) de volkenrechtelijke tegenhanger van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen in de communautaire rechtsorde.(25)
79. Hieraan kan worden toegevoegd dat het Internationale Hof van Justitie meer recentelijk heeft gepreciseerd dat „een van de basisbeginselen die de totstandkoming en de uitvoering van juridische verplichtingen beheersen, ongeacht de oorsprong van die verplichtingen, het beginsel van goede trouw is”.(26)
80. De exacte definitie(27) en de rol van het beginsel van goede trouw in het internationale recht zijn evenwel niet gemakkelijk te vatten.(28) Niettemin lijkt vast te staan dat de toepassing van het beginsel van goede trouw op contractuele betrekkingen in het volkenrecht impliceert dat de overeengekomen bepalingen op redelijke en rechtvaardige wijze worden toegepast op de omstandigheden van het concrete geval. Het beginsel van goede trouw vormt vooral een richtsnoer voor de uitlegging van feitelijke omstandigheden.(29)
81. Wat in de bij het Hof aanhangige zaak het meest relevant lijkt, is dat goede trouw verlangt dat de geuite voornemens overeenstemmen met de werkelijke voornemens en – meer algemeen – dat de juridische werkelijkheid overeenstemt met de juridische schijn (dat wil zeggen overeenstemt met de door de verklaringen of de gedragingen van de rechtsdeelnemers gecreëerde schijn).(30) Dit effect van het beginsel van goede trouw lijkt samen te vallen met het beginsel „allegans contraria non est audiendus”, dat algemeen bekend is als het volkenrechtelijke estoppelbeginsel.(31)
82. Gelet op de talrijke door het Gerecht vastgestelde feiten, waarmee de Helleense Republiek van april 1994 tot en met september 2000 bij de andere partijen de verwachting wekte dat zij zou blijven deelnemen aan het project Abuja II, heeft het Gerecht op goede gronden aan het beginsel van goede trouw gerefereerd ter ondersteuning van zijn conclusie dat de Helleense Republiek zich niet kon terugtrekken zonder te zijn gehouden tot betaling van de uitgaven betreffende haar deelneming aan het project Abuja II.
83. Die conclusie wordt ondersteund – bovenop de geschetste algemene toepassing van het beginsel van goede trouw – door het bestaan van een versterkte verplichting tot goede trouw(32) die op de lidstaten van de Europese Unie rust inzake hun wederzijdse betrekkingen en hun betrekkingen met de instellingen van de Europese Unie ingevolge hun lidmaatschap van de EU.(33) In casu gold voor de Helleense Republiek een dergelijke verplichting inzake haar betrekkingen met de Commissie en de partnerstaten in het project Abuja II.
84. Derhalve meen ik dat het eerste middel ongegrond is.
2. Tweede middel
85. Aangezien mijns inziens reeds uit de bepalingen van het aanvankelijke en het aanvullende memorandum financiële verplichtingen voor Griekenland waren ontstaan, lijkt het voor de afdoening van deze hogere voorziening irrelevant of het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat dergelijke financiële verplichtingen ook voortvloeiden uit een stilzwijgende overeenkomst die is gesloten op de bijeenkomst van 24 februari 2007.
86. Derhalve treft het tweede middel geen doel en dient het te worden afgewezen.
87. Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
VI – Kosten
88. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
VII – Conclusie
89. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
1) de hogere voorziening af te wijzen;
2) de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Jurispr. blz. II‑63.
3 – PB L 248, blz. 1.
4 – PB L 357, blz. 1.
5 – United Nations Treaty Series, Vol. 1155, blz. 331.
6 – Punt 74 van het bestreden arrest.
7 – Punt 73 van het bestreden arrest.
8 – Punt 74 van het bestreden arrest.
9 – Punt 111 van het bestreden arrest. Voor zover relevant voor de onderhavige zaak bepaalt artikel 268 EG: „De administratieve uitgaven die voor de instellingen voortvloeien uit de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie welke betrekking hebben op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, komen ten laste van de begroting. De beleidsuitgaven die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van genoemde bepalingen, kunnen onder de in die bepalingen bedoelde voorwaarden ten laste komen van de begroting.”
10 – Zie Philippe Léger, Commentaire article par article des traités UE et CE, 2000, blz. 1806.
11 – Dit zou bijvoorbeeld niet het geval zijn indien de verrekening louter op procedurele gronden werd aangevochten.
12 – Zie voor een recent voorbeeld in een niet-nakomingsprocedure arrest van 30 mei 2006, Commissie/Ierland (C‑459/03, Jurispr. blz. I‑4635), en, in een prejudiciële procedure, arrest van 11 september 2007, Merck Genéricos (C‑431/05, Jurispr. blz. I‑0000).
13 – Zie D. Waelbroeck, „Le transfert des recours directs au Tribunal de première instance des Communautés européennes – vers une meilleure protection des justiciables?”, La réforme du système juridictionnel communautaire, Éditions de l’université de Bruxelles, 1994, blz. 87‑97.
14 – Zie in die zin Maria-Gisella Garbagnati Ketvel, „The jurisdiction of the European Court of Justice in respect of Common Foreign and Security Policy”, International and Comparative Law Quarterly, vol. 55, January 2006, blz. 77‑120, blz. 82; I. Macleod, I.D. Hendry en S. Hyett, The External Relations of the European Communities, Clarendon Oxford Press, 1996, blz. 424.
15 – Ter ondersteuning van deze vaststelling kan erop worden gewezen dat de twee memoranda door de partijen lijken te moeten worden geratificeerd vóór zij in werking kunnen treden. Die formaliteit is in beginsel enkel vereist voor volkenrechtelijke overeenkomsten.
16 – Dit soort van overeenkomsten roept ongetwijfeld een aantal interessante rechtsvragen op, zoals de bevoegdheid van de Commissie om dergelijke overeenkomsten te sluiten krachtens Titel V van het EU-Verdrag, maar een diepgaander onderzoek daarvan gaat de perken van deze zaak te buiten.
17 – Wat het aanvullende memorandum betreft, staat deze overweging mijns inziens niet in de weg aan de in artikel 13, lid 2, daarvan voorziene toepassing – telkens wanneer deze beginselen kunnen worden geïdentificeerd – van de „algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten van de Europese Gemeenschap gemeen hebben” in samenhang met de regels van internationaal recht.
18 – Het Internationale Hof van Justitie heeft erkend dat de in de artikelen 31 en 32 van het Verdrag van Wenen neergelegde beginselen de uitdrukking zijn van internationaal gewoonterecht (Libië/Tsjaad, ICJ Reports 1994, blz. 4, punt 41).
19 – „Zoals de Helleense Republiek heeft erkend (zie punt 56 hierboven), blijkt uit artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum met zoveel woorden dat een deelnemende partner die het aanvullende memorandum niet ondertekent, aan zijn uit het project voortvloeiende financiële verbintenissen kan ontsnappen (zie punt 15 hierboven). Vaststaat evenwel dat de Helleense Republiek het aanvullende memorandum heeft ondertekend. In die omstandigheden dient artikel 15, lid 1, van het aanvankelijke memorandum in de volstrekt tegenovergestelde zin te worden uitgelegd dan die welke de Helleense Republiek eraan geeft.”
20 – Normaal gesproken zal een ondertekenende partij naar volkenrechtelijk slechts gebonden zijn nadat zij de overeenkomst heeft geratificeerd volgens de regels van haar eigen nationale rechtsorde.
21 – Artikel 25 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht.
22 – Alex. M. Niebrugge, „Provisional application of the Energy Charter Treaty: the Yukos arbitration and the future place of provisional application in international law”, Chicago Journal of International Law, zomer 2007, vol. 8, blz. 355, 359.
23 – Bestreden arrest, punt 85.
24 – De overeenstemming tussen beide beginselen is volgens mij niet volledig, omdat het beginsel van goede trouw in het volkenrecht een ruimere werkingssfeer lijkt te hebben dan het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen in het gemeenschapsrecht.
25 – Ik denk dat het gebruik van het woord „tegenhanger” [„counterpart”] in dit verband passender is, omdat het neutraler is dan de woorden „het rechtstreekse uitvloeisel” [„corollary”] die het Gerecht in punt 87 van het bestreden arrest heeft gebruikt onder verwijzing naar zijn arrest van 22 januari 1997, Opel Austria/Raad (T‑115/94, Jurispr. blz. II‑39, punt 93). Mijns inziens impliceren de woorden „het rechtstreekse uitvloeisel” namelijk dat het gemeenschapsrechtelijke beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen in de tijd voorafgaat aan en belangrijker is dan het volkenrechtelijke beginsel van goede trouw. In dit verband kan eveneens advocaat-generaal Jacobs worden geciteerd die in punt 76 van zijn conclusie bij het arrest van 16 juni 1998, Racke (C‑162/96, Jurispr. blz. I‑3655), niet dat woord gebruikte, maar het als volgt verwoordde: „in de zaak Opel Austria/Raad werd het volkenrechtelijk beginsel van goede trouw gekoppeld aan het gemeenschapsrechtelijk beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen”.
26 – Australië/Frankrijk (zaak betreffende kernproeven) (Nuclear Tests Case), ICJ Reports 1974, blz. 253 e.v., 268.
27 – Zie voor een definitie J.F. O’Connor, Good Faith in International Law, Dartmouth Publishing Company, 1991, blz. 124.
28 – Zie onder meer Michel Virally, „Review essay: good faith in public international law”, The American Journal of International Law, 1983, vol. 77, blz. 130.
29 – Serge Sur stelt in L’interprétation de droit international public, Paris, Librairie générale de droit et de jurisprudence, 1974: „l’interprétation des circonstances n’est pas soumis à des règles, encore moins à des méthodes très précises. Leur diversité constitue une base multiple et il ne reste qu’un principe, celui de la bonne foi.” Zie eveneens Elisabeth Zoller, La bonne foi en droit international public, Pedone, 1977, blz. 227.
30 – Zie Michel Virally, aangehaald in voetnoot 28, blz. 131 en 133.
31 – Bin Cheng, General Principles of Law as applied by International Courts and Tribunals, ed. Martinus Nijhoff – Den Haag, 1953, blz. 141 en 142; Lord McNair, The Laws of Treaties, Oxford Clarendon Press, 1961, blz. 485. Zoals Lord McNair uiteenzet, belet dit beginsel dat een partij die een verklaring aflegt of met een verklaring instemt, waarna een andere partij haar standpunt daaraan aanpast, de zaken later anders voorstelt.
32 – Zie Elisabeth Zoller, aangehaald in voetnoot 29, blz. 157. De auteur is van mening dat er in internationale organisaties sprake is van versterkte goede trouw (de auteur gebruikt de uitdrukking „bonne foi renforcée”), die zowel voor de lidstaten als voor de organen van de organisatie geldt.
33 – Het bestaan van die versterkte verplichting tot het handelen in goede trouw wordt mijns inziens tot uitdrukking gebracht in artikel 11, lid 2, EU, dat bepaalt: „De lidstaten geven in een geest van loyaliteit en wederzijdse solidariteit hun actieve en onvoorwaardelijke steun aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Unie.” Dit wordt bevestigd door de erkenning dat, wat het EG-Verdrag betreft, versterkte goede trouw althans impliciet lijkt te opgenomen in de verplichting tot loyale samenwerking die is neergelegd in artikel 10 EG (zie Vlad Constantinesco, „L’article 5 CEE, de la bonne foi à la loyauté communautaire”, Du droit international au droit de l’intégration (Liber amicorum Pierre Pescatore), Nomos, 1989, blz. 97-114, 101).
Full & Egal Universal Law Academy