CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 21 oktober 2008 (1)
Zaak C‑256/07
Mitsui & Co. Deutschland GmbH
tegen
Hauptzollamt Düsseldorf
[verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Douanewaarde – Transactiewaarde – Uitlegging van artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van douanewetboek – Uitlegging van artikel 145, leden 2 en 3, van uitvoeringsverordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002 – Terugwerkende kracht van bepaling – Geldigheid”
I – Inleiding, feiten en procedure voor de nationale rechter
1. De door het Finanzgericht Düsseldorf gestelde vragen bieden het Hof de gelegenheid om zich uit te spreken over de weerslag van gebreken van goederen op de transactiewaarde ervan, en dus mede op de douanewaarde van die goederen.
2. De nationale rechterlijke instantie heeft zich tot het Hof gewend teneinde uitspraak te kunnen doen op het beroep dat Mitsui & Co. Deutschland GmbH (hierna: „Mitsui & Co.”) tegen het Hauptzollamt Düsseldorf (hierna: „Hauptzollamt”) heeft ingesteld met betrekking tot een beschikking op een door Mitsui & Co. ingediend verzoek om terugbetaling van douaneheffingen.
3. Mitsui & Co. importeert door haar aangekochte voertuigen van het merk Subaru waarvoor de Japanse verkoper, die tevens de fabrikant is, een driejarige garantie verleent. De fabrikantverkoper vergoedt Mitsui & Co. de kosten in verband met deze garantie, te weten de reparatiekosten die deze laatste door haar eigen afnemers worden aangerekend. Daarom heeft Mitsui & Co. bij het Hauptzollamt een verzoek om terugbetaling van de douaneheffingen ingediend.
4. De litigieuze beschikking van het Hauptzollamt ziet op voertuigen die in juli 2000 in het vrije verkeer zijn gebracht. Bij beschikking van 27 mei 2004 heeft het Hauptzollamt het verzoek van Mitsui & Co. van 13 juni 2003 tot terugbetaling van douaneheffingen voor onder de garantie verrichte prestaties gedeeltelijk toegewezen. Daarbij heeft het enkel de prijsaanpassingen tot februari 2002 in aanmerking genomen en de prijsaanpassingen die tussen maart 2002 en juli 2003 hadden plaatsgevonden, buiten beschouwing gelaten. Het beriep zich daarvoor op artikel 145, leden 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 444/2002 van de Commissie van 11 maart 2002.(3)
5. Het Hauptzollamt heeft zijn standpunt gehandhaafd in de beschikking van 30 maart 2005 op het bezwaar van Mitsui & Co., waarin deze laatste had betoogd dat artikel 145 van de uitvoeringsverordening niet op haar verzoek tot terugbetaling van toepassing was, aangezien het in garantiegevallen niet om prijswijzigingen achteraf ging, maar om de in een bedrag uitgedrukte erkenning van een contractuele garantieverplichting, en bovendien artikel 145 krachtens een algemeen verbod van terugwerkende kracht niet kon worden toegepast op ingevoerde goederen die vóór 19 maart 2002 in het vrije verkeer waren gebracht.
II – Rechtskader
6. Ten tijde van de feiten in het hoofdgeding werd de douanewaarde geregeld in hoofdstuk III van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.(4)
7. Artikel 29, lid 1, van het douanewetboek definieert „de douanewaarde” van ingevoerde goederen als de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht.(5)
8. Voormeld artikel 29 definieert in lid 3, sub a, eveneens het begrip „werkelijk betaalde of te betalen prijs” als de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan. Deze prijs omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, hetzij door de koper aan de verkoper, hetzij door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper, werkelijk zijn of moeten worden gedaan.
9. De Commissie heeft krachtens artikel 249 van het douanewetboek verordening nr. 2454/93 vastgesteld.
10. Deze verordening is herhaaldelijk gewijzigd. Verordening nr. 444/2002, die in werking is getreden op 19 maart 2002, vormt een van die wijzigingen.
11. Zoals in de punten 5 en 6 van de considerans van verordening nr. 444/2002 wordt gepreciseerd, kan in sommige gevallen de tussen de koper en de verkoper overeengekomen prijs worden gewijzigd nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, teneinde rekening te houden met het feit dat deze goederen gebreken vertoonden. De desbetreffende bepalingen dienen bijgevolg uitdrukkelijk te bepalen dat de transactiewaarde in de zin van artikel 29 van het douanewetboek met deze bijzondere omstandigheid rekening kan houden, in samenhang met passende voorzorgsmaatregelen en redelijke termijnen.
12. Derhalve heeft verordening nr. 444/2002 een nieuwe formulering van artikel 145 van de uitvoeringsverordening ingevoerd. In de leden 2 en 3 bepaalt dit artikel dat na het in het vrije verkeer brengen van de goederen de wijziging door de verkoper ten gunste van de koper, van de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs, in aanmerking kan worden genomen voor het bepalen van de douanewaarde.
13. Artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening preciseert ook de basisvoorwaarden van deze mogelijkheid. In de eerste plaats dienden de betrokken goederen gebreken te vertonen op de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten. In de tweede plaats moet de verkoper de wijziging hebben verricht ter uitvoering van een contractuele garantieverplichting die is neergelegd in een vóór het in het vrije verkeer brengen van deze goederen gesloten verkoopovereenkomst. In de derde plaats mag met de gebreken van de goederen niet reeds in de desbetreffende verkoopovereenkomst rekening zijn gehouden. In de vierde plaats kan de prijswijziging slechts in aanmerking worden genomen, indien deze wijziging binnen twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen is geschied.
III – Prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof
14. De nationale rechterlijke instantie heeft het Hof de volgende vier prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Verminderen betalingen die de fabrikantverkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan de koper doet ter vergoeding van de reparatiekosten die de koper door zijn afnemers zijn aangerekend, de douanewaarde bedoeld in artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek die op basis van de tussen de fabrikantverkoper en de koper overeengekomen prijs was opgegeven?
2) Vormen de in de eerste vraag genoemde betalingen die de fabrikantverkoper aan de koper doet ter vergoeding van garantiekosten een wijziging van de transactiewaarde bedoeld in artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002?
3) Indien bevestigend dient te worden geantwoord op de eerste of de tweede vraag, moet dan artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002, worden toegepast op importen waarvoor de douaneaangiften vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 444/2002 zijn aanvaard?
4) Indien bevestigend dient te worden geantwoord op de derde vraag, is dan artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002, geldig?”
15. Mitsui & Co., de Duitse regering, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
16. Mitsui & Co. en de Commissie hebben het Hof om een terechtzitting verzocht, die op 12 juni 2008 heeft plaatsgevonden.
IV – Beoordeling
A – Eerste prejudiciële vraag
17. Met de eerste vraag van de nationale rechterlijke instantie dient te worden uitgemaakt of artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek aldus moet worden uitgelegd dat betalingen die de verkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan de koper doet nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, de op basis van de transactiewaarde berekende douanewaarde van de goederen verminderen.
18. Alle partijen die opmerkingen hebben ingediend, zijn het erover eens dat betalingen door de verkoper aan de koper zoals in het hoofdgeding aan de orde, de douanewaarde van de goederen verminderen.
19. In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft verklaard dat met de gemeenschappelijke regeling inzake de douanewaarde wordt beoogd een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluit.(6)
20. Uit de rechtspraak van het Hof volgt eveneens dat de douanewaarde de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed moet weergeven en derhalve rekening moet houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen.(7)
21. In casu leiden verborgen gebreken van de ingevoerde voertuigen ertoe dat hun werkelijke economische waarde lager is dan de transactiewaarde die is opgegeven op het tijdstip waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht.
22. De Commissie heeft er in haar opmerkingen terecht op gewezen, dat artikel 29, leden 1 tot en met 3, van het douanewetboek niet uitdrukkelijk bepaalt welk gevolg moet worden verleend aan latere wijzigingen van de transactiewaarde, die als grondslag dient voor de berekening van de douanewaarde.
23. Mijns inziens moet het mogelijk zijn, steun te zoeken in de rechtspraak van het Hof betreffende de gevallen waarin, nadat het betrokken goed is aangekocht maar vóórdat het in het vrije verkeer is gebracht, de werkelijk betaalde of te betalen prijs wegens verlies of beschadiging wordt aangepast.
24. In het arrest Repenning(8), heeft het Hof erkend dat de transactiewaarde een gegeven is dat in voorkomend geval moet worden aangepast, wanneer zulks noodzakelijk is om de vaststelling van een willekeurige of fictieve douanewaarde te voorkomen.
25. Ik deel ter zake tevens het standpunt dat advocaat-generaal Darmon heeft uiteengezet in punt 20 van zijn conclusie in de zaak die heeft geleid tot het arrest Hauptzollamt Hamburg-St. Annen/Ebbe Sönnichsen(9), volgens hetwelk de douanewaarde moet worden beoordeeld op de dag waarop het betrokken goed in de Gemeenschap in het vrije verkeer wordt gebracht. Aangezien het de werkelijke waarde van het goed is die telt, dient te worden uitgegaan van de staat waarin het goed zich bevindt bij binnenkomst in de Gemeenschap.
26. Tegen de achtergrond van deze elementen moet worden geconcludeerd dat betalingen die de verkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan de koper doet nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, de douanewaarde van de goederen verminderen voor zover deze goederen gebreken vertoonden op het tijdstip waarop zij in het vrije verkeer zijn gebracht.
27. Elke andere uitlegging van artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek zou ertoe leiden dat een fictieve douanewaarde wordt vastgesteld, wat in strijd zou zijn met de doelstellingen van de communautaire regelgeving inzake de vaststelling van douanewaarden.
B – Tweede prejudiciële vraag
28. Met deze vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of betalingen die een verkoper uit hoofde van een garantieovereenkomst aan een koper doet ter vergoeding van reparatiekosten die deze laatste zijn aangerekend door zijn eigen afnemers, wijziging brengt in de transactiewaarde in de zin van artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002.
29. De meningen van de partijen die opmerkingen hebben ingediend, zijn dienaangaande verdeeld.
30. Volgens de Duitse regering en de Commissie vormen dergelijke betalingen een wijziging van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, die volgens artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening in aanmerking kan worden genomen voor het bepalen van de douanewaarde overeenkomstig artikel 29 van het douanewetboek.
31. Mitsui & Co. heeft daarover een andere mening. Zij suggereert het Hof om op de tweede vraag te antwoorden dat die betalingen geen wijziging brengen in de transactiewaarde in de zin van artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening.
32. Mitsui & Co. heeft ter terechtzitting verklaard dat voormeld artikel 145, lid 2, volgens haar enkel van toepassing is wanneer de verkoper en de koper een vermindering van de prijs overeenkomen op grond dat de goederen gebreken vertonen.
33. De door Mitsui & Co. bepleite uitlegging van artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening zou er evenwel op neerkomen dat, gelet op mijn antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechterlijke instantie, betalingen die een verkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan een koper doet de douanewaarde van de goederen verminderen, maar niet onder de in artikel 145, lid 2, gestelde voorwaarden.
34. Mijn inziens bevestigen de bewoordingen van voormeld artikel 145, lid 2, de uitlegging van artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek die ik voorstel in het kader van het antwoord op de eerste vraag van de verwijzende rechterlijke instantie.
35. De mogelijkheid om voor het bepalen van de douanewaarde van goederen, in aanmerking te nemen dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs achteraf, na de invoer, is gewijzigd omdat de goederen gebreken vertoonden, vloeit niet voort uit artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening. Zij vloeit rechtstreeks voort uit artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van het douanewetboek, en artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening bevestigt ze enkel en preciseert de toepassingsvoorwaarden ervan.
36. Derhalve rijst de vraag of betalingen die de verkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan de koper doet ter vergoeding van de reparatiekosten die de koper door zijn eigen afnemers zijn aangerekend, een „wijziging” van de werkelijk betaalde of te betalen prijs vormen.
37. Mijn antwoord op deze vraag is gebaseerd op de premisse dat de gemeenschapswetgever de werkingssfeer van artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening niet heeft willen beperken tot het geval van een prijsvermindering van de goederen wegens de gebreken daarvan. Ik wijs er in dit verband op dat deze bepaling de term „wijziging” van de prijs gebruikt en niet het enge begrip „vermindering” van de prijs.
38. Deze premisse wordt ook bevestigd door toelichting nr. 2 van het Comité douanewetboek inzake de toepassing van artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening, waarin een soortgelijke situatie wordt beschreven als die welke de verwijzende rechterlijke instantie moet afdoen. Naar mijn mening is deze toelichting van hetzelfde type en heeft zij dezelfde waarde als de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur, waarvan het Hof heeft verklaard dat zij belangrijke hulpmiddelen zijn bij de uitlegging van het communautaire douanerecht.(10)
39. Derhalve ben ik van mening dat artikel 145, lid 2, van de uitvoeringsverordening eveneens geldt voor de beoordeling van stappen die de verkoper zoals in casu onderneemt wegens gebreken van de goederen, te weten vergoeding van de reparatiekosten die de koper door diens eigen afnemers zijn aangerekend.
C – Derde prejudiciële vraag
40. De derde vraag van de verwijzende rechterlijke instantie strekt ertoe de werking ratione temporis te bepalen van de bij verordening nr. 444/2002 per 19 maart 2002 ingevoerde leden 2 en 3 van de uitvoeringsverordening.
41. De zienswijzen van de partijen die opmerkingen hebben ingediend, lopen ter zake uiteen.
42. Mitsui & Co. en de Commissie zijn het eens over het antwoord op deze vraag. Zij stellen het Hof voor te antwoorden dat artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening niet moet worden toegepast op importen waarvoor de douaneaangiften zijn aanvaard vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 444/2002, waarbij deze bepalingen zijn ingevoerd.
43. De Duitse regering is daarentegen van mening dat voormeld artikel 145 geen materieelrechtelijke regeling bevat, maar artikel 29 van het douanewetboek expliciteert of preciseert. Derhalve moeten de douaneaangiften die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 444/2002, die artikel 145 van de uitvoeringsverordening heeft gewijzigd, zonder meer op basis van een van de in deze bepalingen neergelegde criteria worden beoordeeld. Bijgevolg is de regel van artikel 145, lid 3, van de uitvoeringsverordening volgens welke enkel de prijswijzigingen die binnen twaalf maanden na de datum van de aangifte zijn overeengekomen voor de berekening van de douanewaarde in aanmerking kunnen worden genomen, ook van toepassing op aangiften die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 444/2002 zijn ingediend.
44. Zoals het Hof in het arrest Beemsterboer Coldstore Services(11), reeds heeft verklaard, worden procedureregels in het algemeen geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige geschillen, terwijl een materieelrechtelijk voorschrift in beginsel niet mag worden toegepast op vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties.
45. Voor de beantwoording van de vraag of artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening van toepassing is op de toekomstige gevolgen van een situatie die is ontstaan vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 444/2002, moet dus worden uitgemaakt of de leden 2 en 3 van dit artikel materieelrechtelijke voorschriften dan wel procedurebepalingen zijn.
46. Zoals gezegd(12), roept noch lid 2 noch lid 3 nieuwe voorschriften in het leven. Deze bepalingen bevestigen enkel het recht om achteraf, na de invoer, voor de vaststelling van de douanewaarde de transactiewaarde van de goederen te wijzigen, op grond dat deze gebreken vertonen, en preciseren de voorwaarden waaronder gebruik kan worden gemaakt van dit recht.
47. Dit betekent evenwel niet dat deze bepalingen geen materieelrechtelijke bepalingen kunnen zijn. Integendeel, doordat deze bepalingen aangeven onder welke voorwaarden van het recht om de transactiewaarde te wijzigen gebruik mag worden gemaakt, zijn het juist materieelrechtelijke bepalingen.
48. Volgens de rechtspraak kunnen materiële bepalingen van gemeenschapsrecht echter onder bepaalde voorwaarden terugwerkende kracht hebben. Daartoe moet uit de bewoordingen van de materieelrechtelijke bepalingen of uit de doelstellingen of de opzet ervan duidelijk blijken dat hun terugwerkende kracht moet worden toegekend.(13)
49. Het Hof heeft niettemin tegelijkertijd verklaard dat de terugwerkende kracht van een materieelrechtelijke bepaling niet mag indruisen tegen de algemene beginselen van de Gemeenschap, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, die eisen dat de gemeenschapswetgeving voor de justitiabelen duidelijk en voorzienbaar is.(14)
50. Vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 444/2002, waarbij de uitvoeringsverordening is gewijzigd, pasten de Duitse douaneautoriteiten volgens een vaste administratieve praktijk de algemene termijn van drie jaar toe in gevallen waarin achteraf, na de invoer, voor het bepalen van de douanewaarde de transactiewaarde van de goederen werd gewijzigd omdat deze gebreken vertoonden. Mijns inziens verzet dus juist het vertrouwensbeginsel zich tegen de toepassing met terugwerkende kracht van artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening.
51. Vastgesteld moet dan ook worden dat artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002, niet van toepassing is op situaties die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding ervan, dat wil zeggen op importen waarvan de douaneaangiften vóór bedoelde inwerkingtreding zijn aanvaard.
D – Vierde prejudiciële vraag
52. Rekening houdend met het antwoord dat ik op de derde vraag voorstel, schaar ik mij achter het door de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen ingenomen standpunt dat er geen omstandigheden zijn die afdoen aan de geldigheid van artikel 145, leden 2 en 3, van de uitvoeringsverordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002.
V – Conclusie
53. Gelet op een ander geef ik het Hof in overweging de door de nationale rechterlijke instantie voorgelegde vragen te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 29, lid 1 en lid 3, sub a, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moet aldus worden uitgelegd dat betalingen die de verkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan de koper doet nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, de op basis van de transactiewaarde berekende douanewaarde van de goederen verminderen voor zover deze goederen gebreken vertoonden op het tijdstip waarop zij respectievelijk in het vrije verkeer zijn gebracht.
2) Artikel 145, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 444/2002 van de Commissie van 11 maart 2002, moet aldus worden uitgelegd dat betalingen die de verkoper in het kader van een garantieovereenkomst aan de koper doet nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, een wijziging van de transactiewaarde vormen in de zin van artikel 145, lid 2, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002.
3) Artikel 145, leden 2 en 3, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002, is niet van toepassing op situaties die zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze laatste verordening.
4) Er zijn geen omstandigheden die afdoen aan de geldigheid van artikel 145, leden 2 en 3, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2002.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 253, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”.
3 – PB L 68, blz. 11.
4 – PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”. Dit wetboek is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 (PB L 145, blz. 1).
5 – Deze definitie neemt letterlijk de bewoordingen over van artikel 1 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel en daaraan gehecht protocol, goedgekeurd namens de Europese Economische Gemeenschap bij besluit 80/271/EEG van de Raad van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt (PB L 71, blz. 1).
6 – Zie bijvoorbeeld arresten van 6 juni 1990, Unifert (C‑11/89, Jurispr. blz. I‑2275, punt 35); 16 november 2006, Compaq Computer International Corporation (C‑306/2004, Jurispr. blz. I‑10991, punt 30), en 28 februari 2008, Carboni e derivati (C‑263/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 60). Het Hof heeft zich daarbij geïnspireerd op de zesde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1-9), die is ingetrokken bij het douanewetboek.
7– Arrest Compaq Computer International Corporation, reeds aangehaald, punt 30.
8– Arrest van 12 juni 1986 (183/85, Jurispr. blz. 1873, punt 16).
9– Arrest van 29 april 1993 (C‑59/92, Jurispr. blz. I-2193).
10– Zie in die zin arresten van 16 juni 1994, Develop Dr. Eisbein (C‑35/93, Jurispr. blz. I-2655, punt 21); 15 september 2005, Intermodal Transports (C‑495/03, Jurispr. blz. I-8151, punt 48), en 16 februari 2006, Proxxon (C‑500/04, Jurispr. blz. I-1545, punt 22).
11 – Arrest van 9 maart 2006 (C‑293/04, Jurispr. blz. I‑2263, punten 19 en 20).
12 – Zie supra, punt 35.
13 – Arresten van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a. (212/80–217/80, Jurispr. blz. 2735, punt 9); 15 juli 1993, GruSa Fleich (C‑34/92, Jurispr. blz. I‑4147, punt 22), en 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie (C‑74/00 P en C‑75/00 P, Jurispr. blz. I‑7869, punt 119); arrest Beemsterboer Coldstore Services, reeds aangehaald (punt 21).
14 – Arrest Beemsterboer Coldstore Services, reeds aangehaald (punt 24).
Full & Egal Universal Law Academy