CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 11 september 2008 (1)
Zaak C‑308/07 P
Koldo Gorostiaga Atxalandabaso
tegen
Europees Parlement
„Hogere voorziening – Europees Parlement – Regeling kosten en vergoedingen van leden van Europees Parlement – Invordering van schuld door verrekening – Uitvoering van arrest van Gerecht van eerste aanleg – Algemene beginselen van gemeenschapsrecht – Procedurele waarborgen – Recht op een onpartijdige rechter – Beginsel van behoorlijk bestuur”
I – Inleiding
1. In de onderhavige zaak dient het Hof uitspraak te doen over een hogere voorziening die het voormalig lid van het Europees Parlement Koldo Gorostiaga Atxalandabaso (hierna: „rekwirant”) heeft ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T‑132/06, Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement.(2)
2. Daarin heeft het Gerecht het verzoek van rekwirant tot nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 22 maart 2006 afgewezen, bij welk besluit de restitutie van ten onrechte verkregen parlementaire vergoedingen werd geregeld.
II – Rechtskader
3. Artikel 27 van de Regeling kosten en vergoedingen van de leden van het Europees Parlement (hierna: „regeling kosten en vergoedingen”) luidt, voor zover hier relevant:
„2. Indien een lid van mening is dat deze regeling onjuist is toegepast, kan hij schrijven aan de secretaris-generaal. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt tussen het lid en de secretaris-generaal, wordt de zaak verwezen naar de quaestoren, die besluiten na de secretaris-generaal te hebben geraadpleegd. De quaestoren kunnen eveneens de voorzitter en/of het bureau raadplegen.
3. Indien de secretaris-generaal na overleg met de quaestoren ervan overtuigd is dat in het kader van de vergoedingen van de leden waarin onderhavige regeling voorziet, ten onrechte bedragen betaald zijn, geeft hij instructies om deze bedragen op het lid te verhalen.
4. In uitzonderlijke gevallen kan het bureau op voorstel van de secretaris-generaal en in overeenstemming met artikel 73 van het financieel reglement en zijn uitvoeringsbepalingen, de secretaris-generaal opdracht geven de betaling van de vergoeding van een lid tijdelijk op te schorten totdat het betrokken lid de onjuist bestede bedragen heeft terugbetaald.
Het besluit van het bureau wordt genomen met eerbiediging van het mandaat van het lid, met inachtneming van de goede werking van de instelling en na het betrokken lid te hebben gehoord.”
4. Artikel 71, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (hierna: „financieel reglement”)(3) bepaalt:
„De ter beschikking van de Commissie te stellen eigen middelen en elke als zeker, vaststaand en invorderbaar aangemerkte schuldvordering worden vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht aan de rekenplichtige, gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, welke beide worden opgesteld door de bevoegde ordonnateur.”
5. Artikel 73, lid 1, van het financieel reglement luidt:
„De rekenplichtige neemt de door de bevoegde ordonnateur naar behoren opgestelde invorderingsopdrachten in behandeling. Hij is gehouden zorg te dragen voor het innen van de ontvangsten van de Gemeenschappen en toe te zien op het behoud van de rechten van de Gemeenschappen.
De rekenplichtige gaat over tot invordering door verrekening van de schuldvorderingen van de Gemeenschappen wanneer de debiteur zelf een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Gemeenschappen heeft.”
6. Artikel 83 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van het financieel reglement(4) luidt:
„Op elk moment van de procedure gaat de rekenplichtige, nadat de bevoegde ordonnateur en de debiteur in kennis zijn gesteld, over tot inning door verrekening van een vastgestelde schuldvordering wanneer de debiteur ook een zekere, vaststaande en invorderbare vordering op de Gemeenschappen heeft dat betrekking heeft op een bedrag dat door een betalingsopdracht is vastgesteld.”
7. Artikel 5 van de Interne regeling voor de uitvoering van de begroting van het Europees Parlement, vastgesteld door het bureau op 4 december 2002, bepaalt:
„3. Bij delegatiebesluit van de instelling, vertegenwoordigd door haar voorzitter, wordt de secretaris-generaal aangewezen als gedelegeerd hoofdordonnateur.
4. Delegaties worden door de gedelegeerd hoofdordonnateur toegekend aan de gedelegeerd ordonnateurs. De subdelegaties worden door de gedelegeerd ordonnateurs toegekend aan de gesubdelegeerde ordonnateurs.”
III – Feiten en procesverloop
A – Voorgeschiedenis van het geding
8. Rekwirant was lid van het Europees Parlement tijdens de vijfde zittingsperiode (1999 tot en met 2004). Bij brief van 26 november 2003 heeft de secretaris-generaal van het Europees Parlement vastgesteld dat rekwirant aan het Europees Parlement 176 516 EUR verschuldigd was, aangezien rekwirant voor de besteding van verschillende parlementaire vergoedingen geen bewijsstukken had overgelegd. Een gedeelte van deze schuld werd reeds sinds 2002 terugbetaald.
9. Bij besluit van 24 februari 2004 heeft de secretaris-generaal bepaald dat een gedeelte van de vergoedingen voor verblijfskosten en de algemene kostenvergoedingen zouden worden ingehouden om de rest van het verschuldigde ten bedrage van 118 360,18 EUR door verrekening in te vorderen. In het besluit was verder bepaald dat in het geval van een beëindiging van het mandaat van rekwirant tot aan de afbetaling van het aan het Europees Parlement verschuldigde bedrag de overbruggingstoelage bij ambtsbeëindiging alsmede alle andere aan rekwirant verschuldigde betalingen zouden worden ingehouden.
10. Op 20 april 2004 heeft rekwirant bij het Gerecht van eerste aanleg een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van 24 februari 2004 ingediend. Ter ondersteuning van zijn verzoek tot nietigverklaring van het besluit heeft rekwirant acht middelen aangevoerd.
11. Bij arrest van 22 december 2005, Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement(5), heeft het Gerecht het besluit van 24 februari 2004 gedeeltelijk nietig verklaard. In punt 84 van dit arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat het bestreden besluit in wezen uit twee delen bestond, te weten, ten eerste, de vaststelling van de secretaris-generaal dat de daarin genoemde bedragen ten onrechte aan verzoeker zijn betaald en teruggevorderd moeten worden, en, ten tweede, het besluit om deze terugvordering te verrichten door verrekening met de aan verzoeker te betalen vergoedingen. Na toetsing van de tweede grief van het eerste middel, die slechts de rechtmatigheid van het tweede onderdeel van het bestreden besluit betrof, heeft het Gerecht bepaald dat dit besluit nietig diende te worden verklaard, voor zover het betrekking had op de terugvordering van het betrokken bedrag door verrekening. Ter motivering voerde het Gerecht aan dat de in artikel 27, lid 4, van de Regeling kosten en vergoedingen voorgeschreven procedure was geschonden, aangezien de secretaris-generaal niet bevoegd was opdracht te verlenen tot de betrokken verrekening zonder dat hij daartoe opdracht van het bureau had gekregen.
12. De eerste twee punten van het dictum luiden als volgt:
„1. Het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 24 februari 2004 betreffende de terugvordering van de uit hoofde van parlementaire kosten en vergoedingen aan verzoeker betaalde bedragen wordt nietig verklaard, voor zover daarin wordt bepaald dat de terugvordering van het door verzoeker verschuldigde bedrag zal plaatsvinden door verrekening.
2. Het beroep wordt verworpen voor het overige.”
13. Geen van partijen heeft hogere voorziening ingesteld tegen dit arrest.
14. Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het bureau aan de secretaris-generaal conform artikel 27, lid 4, van de Regeling kosten en vergoedingen de opdracht verleend om de ten onrechte betaalde vergoedingen terug te vorderen.
15. Op 22 maart 2006 heeft de secretaris-generaal een nieuw besluit (hierna: „bestreden besluit”) genomen waarbij de procedure tot terugvordering van het verschuldigde werd heropend en de procedurefout met betrekking tot de niet verleende opdracht conform de aanwijzingen in het arrest van 22 december 2005 werd hersteld.
16. In het bestreden besluit heeft de secretaris-generaal zowel rekening gehouden met het arrest van 22 december 2005 als met het besluit van het bureau van 1 februari 2006. Verder refereerde hij aan de belangrijke fases van de procedure die tot vaststelling van de schuld ten bedrage van 118 360,18 EUR had geleid, en wees hij op het feit dat het besluit werd vastgesteld ter uitvoering van het arrest van 22 december 2005.
17. Conform punt 1 van het dispositief van het bestreden besluit was de rekenplichtige van het Parlement op grond van artikel 73 van het financieel reglement met de terugvordering van het verschuldigde ten bedrage van 118 360,18 EUR belast. In de punten 1 en 2 wordt gepreciseerd dat de terugvordering bij wege van verrekening met verschillende aan rekwirant verschuldigde vergoedingen en andere betalingen kan geschieden.
B – Procesverloop voor het Gerecht en bestreden beschikking
18. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 mei 2006, heeft rekwirant beroep ingesteld tegen het besluit van 22 maart 2006 en nietigverklaring van het bestreden besluit en verwijzing van het Parlement in de kosten gevorderd.
19. Rekwirant heeft zijn beroep gebaseerd op elf middelen, die door het Gerecht werden verworpen. Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep volledig afgewezen en rekwirant verwezen in de kosten van de procedure.
20. Hierna zal slechts worden ingegaan op die onderdelen van de bestreden beschikking waar de onderhavige hogere voorziening betrekking op heeft.
21. Het eerste middel van rekwirant komt op tegen een beweerdelijke schending van het gezag van gewijsde, omdat een herstel van de invorderingsprocedure naar zijn mening niet mogelijk was, aangezien het Gerecht het besluit van 24 februari 2004 op grond van een schending van de bevoegdheidsregeling nietig had verklaard. Vanwege de nietigheid van dit besluit was een herstel daarvan naar zijn opvatting uitgesloten.
22. In dit verband heeft het Gerecht in punt 30 van de bestreden beschikking vastgesteld dat de secretaris-generaal conform de bepalingen van artikel 27, lid 4, van de Regeling kosten en vergoedingen, zoals deze in de punten 86 tot en met 97 van het arrest zijn uitgelegd, bevoegd was het litigieuze besluit van 22 maart 2006 te nemen, nadat hij door het bureau met de terugvordering van het verschuldigde was belast. Verder heeft het Gerecht in punt 32 van de bestreden beschikking vastgesteld dat, ook al zou er na het arrest geen juridische grondslag voor de inhouding van 40 398,80 EUR meer bestaan, dit niet kan leiden tot het vervallen van de vordering van het Parlement op rekwirant ten bedrage van 118 360,18 EUR, omdat de met betrekking tot dit bedrag te stellen vraag, namelijk of een terugvordering bij wege van verrekening mogelijk is, een andere is.
23. Op grond daarvan heeft het Gerecht het eerste middel als kennelijk ongegrond afgewezen.
24. Met het derde middel beroept rekwirant zich op overmacht, die bestaat uit de onmogelijkheid bewijsstukken voor bepaalde uitgaven te overleggen.
25. Het Gerecht heeft dit middel als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat met dit argument naar zijn opvatting het gezag van gewijsde van het arrest van 22 december 2005 in twijfel kon worden getrokken.
26. Het zevende middel keert zich tegen het feit dat werd verzuimd het besluit van het bureau van 1 februari 2006 bekend te maken. Rekwirant is van mening dat het Europees Parlement artikel 20 van de Europese Code van goed administratief gedrag heeft geschonden, dat een kennisgevingsverplichting inhoudt voor die besluiten waarmee de rechten of belangen van personen zijn gemoeid.
27. Het Gerecht heeft dit middel als kennelijk ongegrond afgewezen, onder verwijzing naar het juridisch niet bindende karakter van deze Code.
C – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
28. Rekwirant heeft de onderhavige hogere voorziening ingesteld bij akte van 2 juli 2007, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 juli 2007, waarin hij vordert:
– de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 24 april 2007 in zaak T‑132/06 te vernietigen;
– de zaak zelf af te doen;
– nietig te verklaren het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 22 maart 2006, waarbij rekwirant werd gelast een bedrag van 118 360,18 EUR terug te betalen en waarbij diverse, hem door het Parlement verschuldigde parlementaire vergoedingen werden ingehouden;
– te beslissen dat het Europees Parlement zijn eigen kosten zal dragen, alsook die welke door rekwirant zijn gemaakt.
29. Het Europees Parlement heeft op 18 september 2007 een memorie van antwoord ingediend waarin het vordert:
– de hogere voorziening volledig ongegrond te verklaren;
– rekwirant in de kosten van de procedure te verwijzen.
30. Bij beschikking van 12 oktober 2007 heeft de president van het Hof bepaald dat kon worden afgezien van repliek.
31. Na de schriftelijke behandeling zijn partijen ter terechtzitting van 5 juni 2008 gehoord in hun mondelinge opmerkingen.
D – Middelen van de hogere voorziening en argumenten van partijen
32. Ter onderbouwing van zijn hogere voorziening voert rekwirant zes middelen aan.
33. Het eerste middel keert zich tegen het beroep op artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, waardoor hem het recht op een eerlijk proces wordt ontnomen, aangezien hij niet vooraf door het Gerecht is gehoord en ook niet op de argumenten van het Parlement heeft kunnen antwoorden. Voorts verwijt rekwirant het Gerecht dat het hem, door hem niet vooraf te informeren over de beslissing om de zaak bij beschikking af te doen, de mogelijkheid heeft ontnomen om tegen deze beslissing op te komen. Derhalve heeft het Gerecht de eerbiediging van de rechten van de verdediging, het recht van hoor en wederhoor alsmede het recht op een eerlijk proces geschonden.
34. Het Parlement voert daartegen aan dat het Gerecht artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering op de juiste wijze heeft toegepast en de rechten van verdediging van rekwirant niet heeft geschonden.
35. Met zijn tweede middel voert rekwirant aan dat het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden, aangezien de twee achtereenvolgende beroepen die hij heeft ingesteld in de zaken T‑146/04 en T‑132/06 – die respectievelijk tot het arrest van 22 december 2005 en tot de beschikking van 24 april 2007 hebben geleid – ten gronde door dezelfde rechters zijn beoordeeld. Het voormelde beginsel houdt volgens rekwirant echter in dat eenzelfde rechter, ook in eenzelfde instantie, geen kennis mag nemen van een zaak die berust op feiten die gelijk zijn aan – of voldoende samenhangen met – die van een zaak waarover hij eerder uitspraak heeft gedaan.
36. Het Parlement brengt hiertegen in dat de opvatting van rekwirant volstrekt ongegrond is en geen steun vindt in de rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties. Bovendien ging het in de rechtszaak, waarin de bestreden beschikking werd gewezen, om de vraag of het Parlement aan zijn verplichtingen op grond van het arrest van 22 december 2005 heeft voldaan. Naar de opvatting van het Parlement kan derhalve het feit dat de twee zaken door dezelfde rechters zijn beslist, rechtens niet worden betwist.
37. Met zijn derde middel betoogt rekwirant dat het Gerecht de draagwijdte van het arrest van 22 december 2005 onjuist heeft beoordeeld. Aangezien het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 24 februari 2004 wegens onbevoegdheid nietig was verklaard, had rekwirant immers geen reden om tegen dat arrest hogere voorziening in te stellen. De vaststelling van de onbevoegdheid door de rechter had naar zijn mening immers de nietigheid van het gebrekkige besluit tot gevolg.
38. Het Parlement brengt hiertegen in dat het Gerecht het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 24 februari 2004 slechts gedeeltelijk nietig heeft verklaard. Feitelijk werd dit besluit slechts vernietigd voor zover het de invordering van door rekwirant verschuldigde bedragen bij wege van verrekening betrof.
39. Het vierde middel van rekwirant keert zich tegen de structurele weigering van het Gerecht om rekening te houden met de argumenten die hij had aangevoerd om de nietigverklaring van het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 22 maart 2006 te bewerkstelligen. Naar zijn opvatting is dit laatste besluit immers een nieuw besluit dat verschilt van het besluit van 24 februari 2004. Het Gerecht was derhalve verplicht alle middelen, ten gronde en formeel, te onderzoeken die hij had aangevoerd om het te betwisten.
40. Het Parlement wijst dit argument af en roept in herinnering dat het Gerecht in zijn arrest van 22 december 2005 de opvatting van het Parlement heeft gedeeld die inhield dat geldbedragen onterecht zijn betaald. Om die reden kon het besluit van 24 februari 2004 worden hersteld.
41. Met zijn vijfde middel verwijt rekwirant het Gerecht, dat het heeft geweigerd het middel ontleend aan overmacht te onderzoeken, ofschoon een dergelijk middel niet was opgeworpen in het beroep tegen het besluit van 24 februari 2004. Zijn middel is veeleer gebaseerd op feiten die pas na de betreffende beschikking zijn ingetreden.
42. Het Parlement wijst erop dat rekwirant een in wezen vergelijkbaar middel reeds in de procedure die tot het arrest van 22 december 2005 heeft geleid, heeft aangevoerd en dat het Gerecht dit middel derhalve terecht heeft afgewezen. In ieder geval zijn de feiten die rekwirant aanvoert om het bestaan van overmacht aan te tonen, pas na het besluit van 22 maart 2006 ingetreden zodat zij niet tot vernietiging van het besluit kunnen leiden.
43. Met zijn zesde middel, ten slotte, verwijt rekwirant het Gerecht, ten onrechte te hebben geweigerd om te onderzoeken of het Parlement het beginsel van goed bestuur – zoals neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en opgenomen in de op 6 september 2001 door het Parlement goedgekeurde Code van goed administratief gedrag – heeft geschonden. In dit verband roept rekwirant in herinnering dat voornoemd beginsel behoort tot de fundamentele rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging dient te verzekeren.
44. Het Parlement antwoordt dat het Gerecht zich heeft beperkt tot de vaststelling van het ontbrekende rechtskarakter van de bedoelde tekst en de toepassing daarvan derhalve terecht heeft geweigerd.
IV – Juridische beoordeling
A – Onderzoek van de middelen van de hogere voorziening
1. Eerste middel: Schending van het recht op een eerlijk proces
45. Conform artikel 58 van het Statuut van het Hof moet het verzoek om hogere voorziening gebaseerd zijn op onregelmatigheden in de procedure waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan. Het eerste middel van rekwirant komt in wezen op tegen de toepassing van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, die hij onrechtmatig acht, voor zover hem daarin het recht op een eerlijk proces wordt ontnomen.
46. Rekwirant beroept zich derhalve op een procedurefout waardoor aan zijn eigen belangen en rechten afbreuk wordt gedaan. Het middel is derhalve ontvankelijk. Aansluitend dient te worden onderzocht of deze grief ook gegrond is, dat wil zeggen of het Gerecht artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering onjuist heeft toegepast.
47. Op grond van artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. Een dergelijke beschikking kan ambtshalve in elke fase van de procedure worden gewezen, zonder dat partijen hierover moeten worden gehoord.(6) Dit procedurevoorschrift geeft aan het Gerecht in juridisch opzicht een beoordelingsmarge ten opzichte van het bestaan van bovengenoemde juridische voorwaarden alsmede een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de beslissing van een zaak bij beschikking. Tegelijkertijd verplicht deze bepaling het Gerecht echter om deze beschikking met redenen te omkleden.
48. Het is vaste rechtspraak van het Gerecht dat conform deze bepaling bijvoorbeeld bij beschikking kan worden beslist, indien het Gerecht zich door de processtukken voldoende geïnformeerd acht om over de aanhangige zaak te beslissen.(7) Dit was in casu het geval, zoals uitdrukkelijk blijkt uit punt 23 van de bestreden beschikking. Het Gerecht was van mening dat het de beschikking had over alle voor de beslissing van de zaak relevante feiten, waardoor een terechtzitting achterwege kon blijven. Bovendien was het Gerecht na beoordeling van de aangevoerde feiten ervan overtuigd dat het beroep als kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk als kennelijk ongegrond afgewezen diende te worden. De toepassing van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht als procesregeling valt derhalve in casu rechtens niet te betwisten.
49. Bovendien wordt door rekwirant niet voldoende gemotiveerd uiteengezet in hoeverre hem het recht wordt ontzegd eigen verklaringen af te leggen die hij niet reeds schriftelijk had kunnen indienen. De rekwirant blijft met name een verklaring schuldig welke argumenten van het Parlement hij in het kader van hoor en wederhoor had willen bespreken.
50. Op grond van het bovenstaande dient het eerste middel als ongegrond te worden afgewezen.
2. Tweede middel: Schending van het recht op een onpartijdige rechter
51. Voor een onderzoek naar de door rekwirant aangevoerde schending van het beginsel van rechterlijke onpartijdigheid in het kader van de procedure in eerste aanleg dient allereerst een aantal feiten te worden gepreciseerd.
52. Rekwirant beweert dat de twee vorderingen die hij in het kader van de zaken T‑146/04 en T‑132/06 heeft ingesteld, ten gronde door dezelfde rechters zijn behandeld. Dit is echter slechts in zoverre juist als alle leden van de met de behandeling van de zaak T‑132/06 belaste Tweede kamer van het Gerecht eveneens bij de behandeling van zaak T‑146/04, die aan de Tweede kamer (uitgebreid) was toegewezen, waren betrokken. Omgekeerd waren twee van de bij de behandeling van zaak T‑146/04 betrokken rechters niet met de behandeling van zaak T‑132/06 belast. Verder werden de functies van president en rechter-rapporteur bij de betrokken zaken door dezelfde rechters uitgeoefend, zoals rekwirant terecht verklaart.
53. Dit is naar de opvatting van rekwirant voldoende om een schending van het in artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”) en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „het Handvest”) neergelegde recht op een eerlijk proces door een onpartijdige rechter aan te kunnen nemen. Naar zijn mening gebiedt het bovengenoemde beginsel dat dezelfde rechter zelfs in dezelfde instantie niet over een zaak mag beslissen die berust op feiten die met de feiten van een daarvoor door hem behandelde zaak identiek zijn of daarmee nauw samenhangen.
54. In dit verband dient allereerst te worden opgemerkt dat de Gemeenschap nog geen lid is van het EVRM(8), waardoor een rechtstreekse toepassing van de bepalingen van dit volkenrechtelijke verdrag binnen de communautaire rechtsorde om juridische redenen uitgesloten is.(9) Desondanks behoren de grondrechten volgens vaste rechtspraak tot de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging dient te verzekeren.(10) Het Hof laat zich daarbij leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe.(11)
55. Deze rechtspraak is in het kader van de verdere ontwikkeling van de Europese integratie vastgelegd in artikel 6, lid 2, EU. Volgens die bepaling worden de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende EVRM en zoals zij voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, door de Unie geëerbiedigd als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht.
56. Voor de beoordeling van het tweede middel is inzonderheid de bepaling in artikel 6, lid 1, EVRM van belang volgens welke een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig Gerecht dat bij de wet is ingesteld. Dit grondrecht is in vergelijkbare vorm te vinden in artikel 47 van het Handvest.
57. Uit deze twee bepalingen valt af te leiden dat het daarin verankerde en in de rechtspraak van het Hof erkende recht op een eerlijk proces(12) noodzakelijkerwijs de behandeling van een zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht inhoudt. Dit werd onlangs door het Hof bevestigd in zijn arrest van 1 juli 2008 in de zaken C‑341/06 P en C‑342/06 P (Chronopost en UFEX/Commissie)(13) in verband met de vraag betreffende de aan de samenstelling van een gerecht te stellen rechtsstatelijke eisen, waarbij het Hof de bovengenoemde waarborgen heeft aangemerkt als een „hoeksteen van het recht op een eerlijk proces”, de eerbiediging waarvan het Hof ambtshalve moet toetsen, zodra beroep wordt gedaan op een schending van deze waarborgen en de ingestelde grief niet op voorhand kennelijk ongegrond is.(14)
58. Tussen de „onafhankelijkheid” en de „onpartijdigheid” bestaat in zoverre een functioneel verband als eerstgenoemde de voorwaarde voor laatstgenoemde vormt. Het begrip „onpartijdig” heeft met name betrekking op de subjectiviteit van de gerechten.(15) Deze dienen boven de partijen te staan en te beslissen zonder rekening te houden met de persoon, op een zakelijke wijze en naar eer en geweten.(16) Het huidige, ook in de rechtsorde van de lidstaten erkende beginsel van onpartijdigheid vindt zijn oorsprong in de Romeinsrechtelijke regel „nemo debet esse iudex in propria causa”.(17)
59. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens blijkt dat onder „onpartijdigheid” in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM in de regel het ontbreken van vooroordelen en vooringenomenheid dient te worden verstaan.(18) Het Hof ziet hierin een randvoorwaarde voor het vertrouwen van democratische maatschappijen in de rechterlijke macht.(19) De vraag naar de onpartijdigheid van een gerecht kan conform de vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens aan de hand van een subjectief en een objectief criterium worden beoordeeld.(20) In het kader van het eerste criterium dient te worden vastgesteld wat de persoonlijke overtuiging of het persoonlijk belang van de betrokken rechter in een bepaald geval is. Daarbij wordt vermoed dat de rechter onpartijdig is totdat het tegendeel is bewezen.(21) Bij het tweede criterium gaat het erom de zekerheid te verkrijgen, dat de betrokken rechter voldoende waarborgen bood om elke gerechtvaardigde twijfel aan zijn onpartijdigheid uit te sluiten.(22)
60. In casu kan worden vastgesteld dat rekwirant geen argumenten aanvoert waarmee de persoonlijke vooringenomenheid van de drie betrokken rechters wordt aangetoond. Derhalve dient te worden vermoed dat deze rechters onpartijdig zijn. Zoals rekwirant achteraf gedurende de terechtzitting heeft uiteengezet, gaat het hem niet om de persoonlijke overtuiging of het persoonlijke gedrag van de rechters, maar uitsluitend om het feit dat zij waren betrokken bij de zaken T‑146/04 en T‑132/06. Daarom is slechts het objectieve criterium met betrekking tot de onpartijdigheid van het gerecht in verband met diens samenstelling in de zaak T‑132/06 aan de orde(23), waarbij het conform de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens gaat om de concrete omstandigheden van het geval.(24) Het persoonlijke standpunt van de betrokkene is daarbij weliswaar van enig belang, maar dit is op zichzelf niet doorslaggevend. Veeleer is beslissend of objectief te rechtvaardigen is dat de onpartijdigheid in twijfel wordt getrokken.(25)
61. Vooraf dient erop te worden gewezen dat rekwirant zich weliswaar beroept op artikel 6, lid 1, EVRM, maar de relevante rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens, waarmee hij zijn middel zou kunnen ondersteunen, geheel buiten beschouwing laat. Op grond van de rechtspraak van het EHRM tot op heden kan echter worden geconcludeerd dat de stelling van rekwirant volstrekt ongegrond is.
62. Zo blijkt uit het arrest Schwarzenberger/Duitsland(26), dat het enkele feit dat een gerecht reeds kennis heeft genomen van dezelfde zaak, geen twijfel kan doen rijzen over de onpartijdigheid van dit gerecht. Dit geldt bijvoorbeeld voor beslissingen die hetzelfde gerecht voorafgaande aan de behandeling van de hoofdzaak heeft genomen („pre-trial decisions”)(27), maar ook voor de bijzondere, door het Hof in de zaken C‑341/06 P en C‑342/06 P (Chronopost en UFEX/Commissie) onderzochte situatie waarin rechters opnieuw kennisnemen van een zaak, nadat een hogere instantie hun oorspronkelijke uitspraak ten gevolge van een daartegen ingestelde voorziening had vernietigd.(28)
63. Hieruit blijkt dat uit artikel 6, lid 1, EVRM geen algeheel verbod voor rechters kan worden afgeleid om van dezelfde zaak meerdere keren kennis te nemen. Afgezien daarvan dienen bij de beoordeling van de objectieve onpartijdigheid van een gerecht andere aspecten te worden meegenomen, te weten, of het gerecht van dezelfde zaak of van twee verschillende zaken kennis heeft genomen, of de samenstelling van de bevoegde rechterlijke formatie in beide gevallen dezelfde was en of de eerste uitspraak reeds in kracht van gewijsde is gegaan, met het gevolg dat het gerecht aan de materiële rechtsgeldigheid van de eerste uitspraak gebonden was.(29)
64. In dit verband dient allereerst te worden opgemerkt dat de bewuste drie rechters geenszins bij dezelfde zaak, maar zowel in formeel als ook in materieel opzicht bij twee verschillende zaken betrokken waren. Het Gerecht was niet gehouden om de feitelijke vaststelling uit de eerste procedure opnieuw te toetsen. Ongeacht de vergaande feitelijke overeenkomsten hield de zaak T‑132/06 namelijk nieuwe feiten in en kwamen daarbij nieuwe rechtsvragen aan de orde die het Gerecht diende te beoordelen. Het onderwerp van het geding was derhalve een ander, aangezien het dit keer om de vraag ging of en in hoeverre het Europees Parlement door het besluit van 22 maart 2006 uitvoering had gegeven aan het arrest van 22 december 2005.
65. Het arrest dat wordt gewezen naar aanleiding van een beroep tot nietigverklaring conform artikel 230 EG, is, zoals blijkt uit artikel 231, lid 1, EG, een constitutief arrest waarmee een handeling rechtens volledig of gedeeltelijk nietig wordt verklaard.(30) Over de gevolgen van het arrest die verder gaan dan de nietigheid van de litigieuze handeling, bijvoorbeeld het vaststellen of bevelen van op grond van het arrest te nemen maatregelen, mag de gemeenschapsrechter geen uitspraken doen.(31) Om die reden kon het Gerecht pas in de tweede procedure indirect toetsen of het proceduregebrek waarop de gedeeltelijke nietigheid van het besluit van 24 februari 2004 berustte, was hersteld.
66. Onder de gegeven omstandigheden zou het betrekken van een gedeelte van de aan de eerste procedure betrokken rechters bovendien het voordeel hebben dat de rechters over precieze informatie met betrekking tot de achtergronden van het geval beschikken en zich daardoor kunnen concentreren op de nieuwe rechtsvragen. In zoverre zijn hiermee de belangen van de rechtspleging gediend.
67. Met betrekking tot de samenstelling van de met de behandeling van zaak T‑132/06 belaste rechterlijke formatie bestaan naar mijn mening, juist ook in het licht van de boven aangehaalde rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens, geen aanwijzingen voor een schending van het beginsel van de onpartijdigheid. Wat de bezwaren van rekwirant betreffende de identiteit van de rechter-rapporteur in beide zaken betreft, kan mijns inziens worden volstaan met erop te wijzen dat het Hof in het arrest Chronopost en UFEX/Commissie(32) uiteen heeft gezet dat het feit dat een en dezelfde rechter die deel uitmaakt van de twee opeenvolgende formaties, als rechter-rapporteur wordt aangewezen, op zich geen invloed heeft op de beoordeling van de inachtneming van het vereiste van onpartijdigheid, aangezien deze functie in een collegiaal samengestelde formatie wordt uitgeoefend.
68. Verder zij eraan herinnerd dat het arrest van 22 december 2005 door geen van partijen is aangevochten en in kracht van gewijsde is gegaan. Derhalve zijn de met de behandeling van zaak T‑132/06 belaste rechters zoals iedere andere rechter aan de materiële rechtsgeldigheid van dit arrest gebonden geweest. Hun betrokkenheid had dus niet van invloed kunnen zijn op het daarin behandelde, zoals de vaststelling van het bestaan van een recht op terugbetaling van het Europees Parlement jegens rekwirant.(33)
69. Om die reden geeft ook het objectieve criterium geen aanleiding om aan de onpartijdigheid van het Gerecht te twijfelen.
70. Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van een schending van het in het gemeenschapsrecht gewaarborgde recht van rekwirant op een onpartijdige rechter. Derhalve dient het tweede middel als ongegrond te worden afgewezen.
3. Derde middel: Onjuiste inschatting van de draagwijdte van het arrest van 22 december 2005
71. Uit de verklaringen van rekwirant met betrekking tot het derde middel kan worden afgeleid dat hij uitgaat van de nietigheid van het hele besluit van 24 februari 2004 als handeling als gevolg van het arrest van het Gerecht van 22 december 2005. Mijns inziens berust dit op een onjuiste uitlegging van het betrokken arrest.
72. Artikel 231 EG bepaalt, dat het Hof of het Gerecht de bestreden handeling nietig dient te verklaren, voor zover het daartegen ingestelde beroep tot nietigverklaring gegrond is. Desondanks heeft een dergelijke uitspraak niet noodzakelijkerwijs betrekking op de hele bestreden handeling. Indien deze uit meerdere, van elkaar te scheiden onderdelen bestaat en slechts één onderdeel in strijd is met het gemeenschapsrecht, dient slechts dit onderdeel nietig te worden verklaard.(34) In casu is sprake van een dergelijk geval van gedeeltelijke nietigheid, zoals kan worden afgeleid uit het arrest van 22 december 2005.
73. Zo heeft het Gerecht in punt 84 van het arrest van 22 december 2005 vastgesteld, dat het besluit van 24 februari 2004 in wezen uit twee delen bestaat, te weten, ten eerste, de vaststelling van de secretaris-generaal dat de daarin genoemde bedragen ten onrechte aan verzoeker zijn betaald en teruggevorderd moeten worden, en, ten tweede, het besluit om deze terugvordering te verrichten door verrekening met de aan verzoeker te betalen vergoedingen. Op grond van de vaststelling in punt 97 van dit arrest, dat de secretaris-generaal niet bevoegd was opdracht te geven tot de betrokken verrekening zonder dat hij daartoe overeenkomstig de in artikel 27, lid 4, van de Regeling kosten en vergoedingen voorgeschreven procedure opdracht van het bureau had gekregen, zodat sprake was van een procedurefout, heeft het Gerecht beslist dat het bestreden besluit nietig diende te worden verklaard, voor zover daarin tot die verrekening opdracht werd gegeven. De nietigverklaring had derhalve slechts betrekking op het tweede deel van het besluit. Deze conclusie werd door het Gerecht in de punten 99 en 169 en uiteindelijk in het dictum van het arrest herhaald.
74. Het Gerecht heeft de overige ter ondersteuning van het beroep aangevoerde nietigheidsgronden, die gericht zijn tegen het eerste deel van het besluit, afgewezen, met het gevolg dat dit deel niet werd geraakt door de nietigverklaring. Zoals het Gerecht in punt 52 van de bestreden beschikking terecht heeft onderkend, staat de rechtmatigheid van het besluit daarmee voor het overige vast, dat wil zeggen, voor zover dit de vaststelling van de onterechte betaling van de bedragen betrof. Hieruit valt af te leiden dat het besluit van 24 februari 2004, anders dan door rekwirant verondersteld, niet als nietig in zijn geheel kon worden beschouwd. Voor zover rekwirant rechtens onjuist en ondanks de duidelijke aanwijzingen dat het tegendeel juist was, uitging van de „nietigheid” van het resterende deel van het besluit, zij eraan herinnerd dat conform de rechtspraak van het Hof(35) handelingen van de Gemeenschap, ook in geval van onregelmatigheden, vermoed worden rechtsgeldig te zijn. Om die reden was rekwirant gehouden hogere voorziening tegen het arrest van 22 december 2005 in te stellen om de rechtsgevolgen van het besluit volledig op te heffen. Aangezien hij dit heeft verzuimd, dient hij uit te gaan van de onherroepelijkheid van het eerste deel van het besluit.
75. Zoals het Gerecht in punt 30 van de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld, stond de gedeeltelijke nietigheid van het besluit van 24 februari 2004 een heropening van een terugvorderingsprocedure tegen rekwirant – na herstel van de procedurefout door de in artikel 27, lid 4, van de Regeling kosten en vergoedingen voorgeschreven procedure alsnog te doorlopen – niet in de weg, temeer omdat volgens vaste rechtspraak(36) de nietigverklaring van een handeling van de Gemeenschap niet noodzakelijkerwijs van invloed is op de voorbereidende handelingen. Door het arrest van 22 december 2005 werd het Parlement derhalve niet verplicht het eerste deel van zijn besluit in te trekken en de invorderingsprocedure in haar geheel opnieuw te doorlopen.
76. Om die reden dient dit middel als ongegrond te worden afgewezen.
4. Vierde middel: Niet-inachtneming van het betoog van rekwirant
77. Rekwirant verwijt het Gerecht geen rekening te hebben gehouden met de door hem aangevoerde argumenten voor een nietigverklaring van het besluit van 22 maart 2006. In dit verband verwijst hij naar de verklaringen van het Gerecht in de punten 53 en 54 van de bestreden beschikking, waarin wordt geconcludeerd dat de tegen het eerste deel van het besluit gerichte argumenten dienen te worden afgewezen.
78. Het Gerecht motiveert zijn beslissing in wezen met het argument dat dit deel van het besluit slechts een herhaling van het eerste deel van het besluit van 24 februari 2004 was, waarvan de rechtmatigheid reeds bij arrest van 22 december 2005 werd bevestigd. Het Gerecht is van mening dat, aangezien aan dit deel van het besluit de materiële rechtsgeldigheid van het arrest toekomt, alle grieven, waarmee de rechtmatigheid hiervan in twijfel wordt getrokken, kennelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
79. Naar mijn mening dient op voorhand te worden opgemerkt dat, anders dan rekwirant deze in zijn verzoekschrift in hogere voorziening weergeeft(37), de verklaringen van het Gerecht geenszins betrekking hebben op het volledige besluit van 22 maart 2006, maar uitsluitend op het eerste deel daarvan, dat inhoudelijk overeenkomt met het eerste deel van het besluit van 24 februari 2004.
80. Voor het overige is de uiteenzetting van het Gerecht in de punten 49 tot en met 54 van de bestreden beschikking rechtens niet onjuist. Het betrokken deel van het besluit van 22 maart 2006 is op grond van de reeds genoemde inhoudelijke overeenstemming geen nieuwe handeling, maar slechts een bevestigende handeling die geen nieuwe rechtsgevolgen heeft en derhalve niet het onderwerp van een beroep tot nietigverklaring kan zijn.(38) Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof(39), waar het Gerecht in punt 51 van de bestreden beschikking naar verwijst, is het eerste deel van het besluit van 22 maart 2006 derhalve evenals het eerste deel van het besluit van 24 februari 2004 voor rekwirant onherroepelijk geworden.
81. Het Gerecht heeft derhalve terecht geconcludeerd dat de daartegen gerichte grieven van rekwirant kennelijk niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Bijgevolg dient ook dit middel als ongegrond te worden afgewezen.
5. Vijfde middel: Niet-inachtneming van overmacht
82. Rekwirant verwijt het Gerecht dat het onder verwijzing naar de onherroepelijkheid van het besluit van 24 februari 2004 zou hebben geweigerd om zijn op een geval van overmacht gebaseerd middel te toetsen, hoewel een dergelijk middel in het kader van het beroep tegen dit besluit niet werd ingesteld. Anders dan door het Gerecht wordt aangenomen, gaat het volgens rekwirant namelijk niet om een tweede toetsing van een reeds bij arrest van 22 december 2005 beoordeeld middel. In dit verband voert hij aan dat als een geval van overmacht dient te worden beschouwd dat het Spaanse ministerie van Justitie niet heeft geantwoord op zijn brief van 15 april 2006, waarin hij om afgifte van kopieën van in beslag genomen documenten had verzocht, die samenhingen met zijn mandaat als parlementslid.
83. Onder de gemeenschapsrechtelijke begrippen overmacht respectievelijk toeval moeten in beginsel alleen worden verstaan abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich hebben voorgedaan buiten toedoen van degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.(40) Uit het voorgaande volgt dat zowel het begrip overmacht als het begrip toeval een objectief element bevat, dat betrekking heeft op abnormale omstandigheden die niet de betrokkene betreffen, en een subjectief element dat betrekking heeft op de verplichting voor de betrokkene om zich tegen de gevolgen van de abnormale gebeurtenis te beschermen door passende maatregelen te treffen zonder buitensporige offers te brengen.(41)
84. De verklaring van rekwirant dat het Gerecht zijn op een geval van overmacht gebaseerde derde middel niet zou hebben beoordeeld, is niet juist. In dit verband zij eraan herinnerd dat rekwirant reeds in zaak T‑146/04(42) alsmede in zaak T‑132/06(43) heeft verklaard dat hij niet in staat was bepaalde gegevens uit zijn boekhouding te verschaffen, omdat zijn boekhouder in hechtenis was genomen en vele boekhoudkundige stukken door de Spaanse en Franse autoriteiten alsmede het bedrag van 200 304 EUR door de eerste onderzoeksrechter bij het Tribunal de grande instance de Paris in beslag waren genomen. Hoewel hij deze feiten pas in zaak T‑132/06 uitdrukkelijk als een geval van overmacht aanmerkte, is duidelijk dat hij reeds in het kader van zaak T‑146/04 een beroep had gedaan op volgens hem onvoorziene en hem niet betreffende omstandigheden en bijgevolg, rechtens, op een geval van overmacht in de zin van de boven bedoelde definitie.
85. Dit werd door het Gerecht onderkend, hetgeen blijkt uit punt 54 van de bestreden beschikking, waarin het Gerecht vaststelt dat rekwirant tegen het eerste deel van het bestreden besluit in wezen dezelfde argumenten aanvoert, zoals samengevat in punt 147 van het arrest van 22 december 2005. Aangezien deze argumenten, zoals door het Gerecht eveneens werd onderkend, reeds in dat arrest werden afgewezen en dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan, mocht het Gerecht deze met verwijzing naar de onherroepelijkheid van het eerste deel van het besluit niet-ontvankelijk verklaren.
86. Derhalve hoeft alleen te worden ingegaan op de bewering dat de brief van 15 april 2006 door het Spaanse ministerie van Justitie niet werd beantwoord. Ongeacht de vraag of het niet beantwoorden van een brief op zichzelf reeds een geval van overmacht kan zijn, kan worden vastgesteld dat rekwirant in het kader van de onderhavige hogere voorziening voor het eerst beroep doet op een dergelijk geval. Dit werd weliswaar reeds betoogd in het kader van de procedure in eerste aanleg in verband met het elfde middel op grond van beweerdelijke beoordelingsfouten ten aanzien van het bestreden besluit(44), maar niet in verband met het derde middel met betrekking tot het bestaan van gevallen van overmacht.(45) Het Gerecht heeft dit argument derhalve beoordeeld in het kader van de bespreking van het elfde middel overeenkomstig het verzoekschrift en dit samen met de andere argumenten afgewezen. De afwijzing van het elfde middel als kennelijk niet-ontvankelijk wordt door rekwirant zelf niet bestreden.
87. Verder dient te worden gewezen op het feit dat de betrokken brief volgens de verklaringen van rekwirant op 15 april 2006, dat wil zeggen een kleine maand na het bestreden besluit van 22 maart 2006, werd verzonden naar het Spaanse ministerie van Justitie. Om die reden kon het uitblijven van een antwoord van de Spaanse autoriteiten op dit schrijven geen invloed hebben op het besluit van het Parlement. De verklaringen van rekwirant missen in zoverre hun doel.
88. Derhalve dient dit middel als ongegrond te worden afgewezen.
6. Zesde middel: Niet-inachtneming van het betoog betreffende een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
89. Naar de in de doctrine gangbare opvatting(46) gaat het bij het beginsel van behoorlijk bestuur, waar rekwirant zich in het kader van zijn zesde middel op beroept, niet om één enkel beginsel van administratief recht, maar om een geheel van meerdere beginselen, in zekere zin een verzamelbegrip voor alle of meerdere beginselen van administratief recht. In sommige gevallen wordt dit begrip als synoniem voor die beginselen gebruikt die staan voor een administratieve procedure overeenkomstig de normen van de rechtsstaat. Het beginsel van behoorlijk bestuur houdt bijvoorbeeld in dat bestuursorganen fouten of omissies dienen te herstellen(47), blijk moeten geven van voldoende objectiviteit en onpartijdigheid tijdens het procedureverloop(48) en binnen een redelijke termijn moeten beslissen.(49) Verder omvat dit beginsel een verstrekkende zorgplicht van het administratief gezag(50) en het recht van verweer, dus de verplichting van ambtenaren om, alvorens een besluit te nemen, betrokkenen de gelegenheid te bieden hun standpunt kenbaar te maken(51), alsmede de verplichting het besluit te motiveren.(52)
90. Welke beginselen echter daadwerkelijk onder het begrip „beginsel van behoorlijk bestuur” vallen, verschilt en kan niet altijd precies worden aangegeven. Hierbij komt dat het moeilijk is vast te stellen of het daarbij gaat om beginselen die door het administratief gezag moeten worden geëerbiedigd, of zelfs om het subjectieve recht van een ieder om van het administratief gezag een bepaalde handeling of omissie te kunnen eisen.(53) Dit is enerzijds afhankelijk van het juridische karakter van de bron, anderzijds van het normatieve karakter van de betrokken bepaling.
91. Het beginsel van behoorlijk bestuur komt in verschillende uitdrukkingsvorm voor in talrijke bepalingen van primair en secundair gemeenschapsrecht, in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in de Code van goed administratief gedrag van de Europese ombudsman alsmede in de door de gemeenschapsorganen in het kader van de uitvoering van de Code vastgestelde procedurevoorschriften. Bijgevolg is hun bindend karakter voor de organen en instellingen van de gemeenschap in het kader van de directe tenuitvoerlegging van het gemeenschapsrecht erg verschillend. Van begin af aan was de rechtspraak van het Hof de belangrijkste inspiratiebron voor het ontwerp van artikel 41 van het Handvest, waardoor het beginsel van behoorlijk bestuur tot een grondrecht voor de individuele burger werd verklaard.(54)
92. Bij de beantwoording van de vraag of een gemeenschapsorgaan bij de vaststelling van een handeling het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, dient derhalve, bij gebreke van een juridisch bindend document, waarin de rechten op grond van artikel 41 van het Handvest voor alle gemeenschapsorganen en ‑instellingen worden vastgesteld(55), steeds de rechtspraak van het Hof als uitgangspunt te worden genomen.(56)
93. Het Gerecht heeft derhalve enerzijds in punt 72 van de bestreden beschikking terecht gewezen op het ontbrekende regelgevende karakter van de resolutie van 6 september 2001(57), waarmee het Parlement, op instigatie van de ombudsman, de Commissie heeft gevraagd om een passend voorstel voor een verordening op grond van artikel 308 EG ter invoering van uniforme regels van goed administratief gedrag. Bij gebreke van een bindend karakter kan rekwirant namelijk noch van deze resolutie(58) noch van de door de ombudsman opgestelde Code zelf, die slechts een voorbeeldfunctie voor de vaststelling van eigen gedragscodes door de communautaire organen heeft, rechten voor zich zelf afleiden.
94. Anderzijds kan de opvatting van rekwirant worden gevolgd dat het Gerecht bij de beoordeling van het zevende middel gehouden was zich niet te beperken tot artikel 20 van de bovengenoemde Code van goed administratief gedrag, maar ook andere rechtsbronnen erbij te betrekken, temeer omdat rekwirant zich in zijn verzoekschrift uitdrukkelijk had beroepen op artikel 41 van het Handvest.(59) Desondanks kan deze onvoldoende motivering niet automatisch de vernietiging van de bestreden beschikking tot gevolg hebben, omdat de redenen waar het Gerecht zijn beslissing om het zevende middel als gedeeltelijk niet-ontvankelijk respectievelijk als gedeeltelijk ongegrond af te wijzen, op heeft gebaseerd, ook na een juridische toets overeind blijven.
95. Zo heeft het Gerecht op de grief van rekwirant, dat hij niet zou zijn geïnformeerd over het besluit van het bureau van 1 februari 2006, enerzijds in punt 72 van de bestreden beschikking geantwoord dat dit niet het hem belastende definitieve besluit was. Vooralsnog kan inderdaad worden vastgesteld dat de geadresseerde van het besluit van het bureau van 1 februari 2006 niet rekwirant, maar de secretaris-generaal van het Parlement is. Bovendien heeft dit besluit juridisch gezien het karakter van een machtiging van de secretaris-generaal door het bureau conform artikel 27, lid 4, van de Regeling kosten en vergoedingen, om de terugvordering van onterecht betaalde bedragen bij wege van verrekening te bewerkstelligen. Deze machtiging is echter slechts in de relatie tussen het bureau en de secretaris-generaal relevant en heeft zelf geen externe werking. De rechten van rekwirant worden pas door de gebruikmaking van deze machtiging door de secretaris-generaal bij het besluit van 22 maart 2006 aangetast waardoor een zelfstandig bezwarend besluit ontstaat. Hieruit valt af te leiden, zoals door het Gerecht terecht werd onderkend, dat het rekwirant rechtstreeks rakende besluit van 22 maart 2006 aan hem had moeten worden meegedeeld en niet het besluit van 1 februari 2006.
96. Anderzijds heeft het Gerecht in punt 33 van de bestreden beschikking erop gewezen dat het besluit van 1 februari 2006 geen tegen rekwirant te gebruiken bewijsmiddel was, waarvan hij kennis had moeten kunnen nemen.(60) Daarmee heeft het Gerecht een schending van de rechten van de verdediging van rekwirant terecht afgewezen.
97. Derhalve heeft het Gerecht onderkend dat het Parlement tegenover rekwirant niet tot een mededeling over de inhoud van dit besluit gehouden was. Er is derhalve geen sprake van een schending van het recht van betrokkene op informatie als onderdeel van het beginsel van hoor en wederhoor in het kader van een administratieve procedure.
98. Het Gerecht heeft het zevende middel aldus terecht als gedeeltelijk niet-ontvankelijk respectievelijk gedeeltelijk ongegrond afgewezen. Omdat dit besluit geen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur inhield, dient ook dit middel als ongegrond te worden afgewezen.
B – Resultaat van het onderzoek
99. Gezien het bovenstaande dient de hogere voorziening ongegrond te worden verklaard en te worden afgewezen in haar geheel.
V – Kosten
100. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Europees Parlement heeft gevorderd rekwirant in de kosten te verwijzen en hij in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten worden verwezen.
VI – Conclusie
101. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te verklaren:
– de hogere voorziening af te wijzen in haar geheel, en
– rekwirant te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Beschikking van 24 april 2007.
3 – PB L 248, blz. 1.
4 – PB L 357, blz. 1.
5 – T‑146/04, Jurispr. blz. II‑5989.
6 – Zie in die zin Rengeling, H.-W./Middeke, A./Gellermann, M., Handbuch des Rechtsschutzes in der Europäischen Union, München 2003, § 26, punt 18, blz. 463; Lenaerts, K./Arts, D./Maselis, I., Procedural Law of the European Union, tweede druk, Londen 2006, punten 24‑112, blz. 577.
7 – Beschikkingen van het Gerecht van 9 juli 1991, Minic/Rekenkamer (T‑48/91, Jurispr. blz. II‑479, punt 11), en 8 december 1999, Euro-Lex/Bureau voor harmonisatie (T‑79/99, Jurispr. blz. II‑3555, punt 10).
8 – Nog in zijn advies 2/94 van 28 maart 1996 (Jurispr. blz. I‑1759) was het Hof tot de conclusie gekomen dat de Gemeenschap bij de toenmalige stand van het gemeenschapsrecht nog niet bevoegd was om toe te treden tot het EVRM. De Europese Unie is op dit moment evenwel bezig om de juridische voorwaarden te creëren voor een toetreding. Zo voorzag artikel I‑9, lid 2, van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (2004/C 310/01) in een dergelijke toetreding van de Unie tot het EVRM. Deze machtiging is nu te vinden in artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie (PB C 115, blz. 1). In artikel 17 van het veertiende aanvullende protocol bij het EVRM van 13 mei 2004, dat primair bepalingen betreffende de hervorming van het Europese Hof voor de rechten van de mens bevat, is een aanvulling op artikel 59 van het EVRM te vinden, bepalende dat de Europese Unie tot dit verdrag kan toetreden.
9 – De Gemeenschap bezit op grond van artikel 281 EG rechtspersoonlijkheid en is als volkenrechtelijk subject uit het oogpunt van het internationaal verdragenrecht in beginsel slechts gebonden aan de door haar geratificeerde internationale verdragen. In artikel 300, lid 7, EG is de gemeenschapsinterne bindende werking van deze verdragen geregeld, aangezien de instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten daarin worden verplicht tot uitvoering en inachtneming van de gemeenschapsakkoorden. Volgens vaste rechtspraak vormen de op behoorlijke wijze, met inachtneming van het primaire recht tot stand gekomen verdragen van de Gemeenschap „een integrerend bestanddeel van de communautaire rechtsorde”. Als voorwaarde en doorslaggevend tijdstip voor de toepasselijkheid van het internationale verdragenrecht binnen de communautaire rechtsorde geldt de inwerkingtreding van het betreffende verdrag, dus het moment waarop het voor de Gemeenschap volkenrechtelijk bindend wordt (vgl. arresten van 30 april 1974, Haegeman, 181/73, Jurispr. blz. 449, punt 5; 26 oktober 1982, Kupferberg, Jurispr. blz. 3641, punten 11‑13, en 11 september 2003, Commissie/Raad, C‑211/01, Jurispr. blz. I‑8913, punt 57). Lenaerts, K./Van Nuffel, P., Constitutional Law of the European Union, tweede druk, Londen 2005, punt 17-092, blz. 740, gaan eveneens uit van de inwerkingtreding van een door de Gemeenschap gesloten verdrag. Zij wijzen er evenwel op dat ook een door de lidstaten gesloten verdrag voor de Gemeenschap bindend kan zijn, namelijk wanneer de Gemeenschap zich verplicht om haar bevoegdheden overeenkomstig dit verdrag uit te oefenen. Zij verwijzen in dit verband naar het in artikel 63, lid 1, EG genoemde verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, zonder echter het EVRM te noemen. Verder zijn de Raad van de Europese Unie en de Raad van Europa in een gezamenlijke intentieverklaring van 10‑11 mei 2007 het weliswaar eens geworden over een samenwerking in het kader van de wetgeving, maar hebben zij tegelijkertijd hun autonomie met betrekking tot de wederzijdse besluitvorming bekrachtigd.
10 – Zie advies 2/94, aangehaald in voetnoot 8, punt 33, alsmede arresten van 12 november 1969, Stauder (29/69, Jurispr. blz. 419, punt 7); 12 juli 1957, Algera (7/56, 3/57, 7/57, Jurispr. blz. 82, 117), en 29 mei 1997, Kremzow (C‑299/95, Jurispr. blz. I‑2629, punt 14).
11 – Zie bijvoorbeeld arrest Stauder (aangehaald in voetnoot 10, punt 7), en arresten van 14 mei 1974, Nold (4/73, Jurispr. blz. 491); 13 december 1979, Hauer (44/79, Jurispr. blz. 3727, punt 15); 15 mei 1986, Johnston (222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18); 28 maart 2000, Krombach (C‑7/98, Jurispr. blz. I‑1935, punt 25); 6 maart 2001, Connolly/Commissie (C‑274/99 P, Jurispr. blz. I‑1611, punt 37); 12 juni 2003, Schmidberger (C‑112/00, Jurispr. blz. I‑5659, punt 71); 27 juni 2006, Parlement/Raad (C‑540/03, Jurispr. blz. I‑5769, punt 35); 18 januari 2007, Öcalan/Raad (C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punt 76); 26 juni 2007, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. (C‑305/05, Jurispr. blz. I‑5305, punt 29); 14 februari 2008, Varec (C‑450/06, Jurispr. blz. I‑0000, punt 44), en 8 mei 2008, Weiss en Partner (C‑14/07, Jurispr. blz. I‑0000, punt 57).
12 – Arrest Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a. (aangehaald in voetnoot 11, punt 29).
13 – Nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
14 – T.a.p. (punt 46). Het Hof heeft daarbij allereerst verwezen naar het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 23 april 1996, Remli v Frankrijk (individueel verzoekschrift nr. 16839/90, punt 48), waarin werd gewezen op de plicht van iedere nationale rechter om de eerbiediging van het beginsel van de onpartijdigheid ten aanzien van zijn concrete samenstelling te toetsen. Aansluitend heeft het Hof verwezen naar zijn eigen rechtspraak met betrekking tot de ambtshalve te onderzoeken punten (zie arresten van 2 april 1998, Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, Jurispr. blz. I‑1719, punt 67, en 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C‑166/95 P, Jurispr. blz. I‑983, punt 25). Daarmee heeft het Hof in wezen de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens met gevolgen voor het gemeenschapsrecht overgenomen.
15 – Naar de opvatting van Calliess, G.‑P., „Judicial Independece and Impartiality in International Courts”, International Conflict Resolution, Tübingen 2006, blz. 144, is het beginsel van de onpartijdigheid gekenmerkt door de afwezigheid van ontoelaatbare beïnvloeding en rechterlijke vooringenomenheid ten opzichte van de partijen van een procedure. Volgens Decaux, E./Imbert, P.‑H., La Convention européenne des droits de l’homme (ed. Von Louis-Edmond Pettiti), tweede druk, artikel 6, blz. 260, dient allereerst te worden vastgesteld wat een bepaalde rechter onder de gegeven omstandigheden dacht en of hij een bepaalde reden had om verzoeker te benadelen.
16 – Zie in die zin Frowein, J./Peukert, W., Europäische Menschenrechtskonvention, Kehl/Straßburg/Arlington 1985, artikel 6, punt 94, blz. 153. Naar de opvatting van Krekeler, W., „Der befangene Richter”, Neue Juristische Wochenschrift, 1981, blz. 1633, eist het gebod van de onpartijdige neutraliteit van een rechter dat hij in elke procedure die hij behandelt, en wel in elke fase van de procedure, niet ter zake doende, subjectieve gezichtspunten buiten beschouwing moet laten. Hij dient de door hem te behandelen zaak zonder aanzien des persoons uitsluitend op grond van de objectieve omstandigheden van het geval en uitsluitend op grond van het recht en de wet te beoordelen.
17 – Zie ook Kanska, K., „Towards Administrative Human Rights in the EU – Impact of the Charter of Fundamental Rights”, European Law Journal, 2004, blz. 313, die het vereiste van onpartijdigheid herleid tot de Romeinsrechtelijke regel. Marriott, A., „Conflicts of Interest – A Way Forward?”, Bijlage punt 8 (bij Betriebs-Berater 2003, nr. 47), blz. 3, verbindt met deze regel de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een orgaan voor geschillenbeslechting. Het Romeinsrechtelijke beginsel luidt letterlijk dat niemand rechter in eigen zaak mag zijn (zie Liebs, D., Lateinische Rechtsregeln und Rechtssprichwörter, München 1998, blz. 145).
18 – Arrest van 15 december 2005, Kyprianou v Cyprus (individueel verzoekschrift nr. 73797/01, punt 118).
19 – Arresten van 24 mei 1989, Hauschildt v Denemarken (individueel verzoekschrift nr. 10486/83, punt 48), en 16 december 2003, Grieves v Verenigd Koninkrijk (individueel verzoekschrift nr. 57067/00, punt 69).
20 – Arresten van 22 oktober 2007, Lindon, Otchakovsky en July v Frankrijk (individuele verzoekschriften nrs. 21279/02 en 36448/02, punten 75 en 76); 4 oktober 2007, Forum Maritime S.A. v Roemenië (individuele verzoekschriften nrs. 63610/00 en 38692/05, punt 116); 10 augustus 2006, Schwarzenberger v Duitsland (individueel verzoekschrift nr. 75737/01, punt 38); 16 december 2003, Grieves v Verenigd Koninkrijk, aangehaald in voetnoot 19, punt 69), en 1 oktober 1982, Piersack v België (individueel verzoekschrift nr. 8692/79, serie A nr. 53, punt 30).
21 – Zie arrest Piersack v België (aangehaald in voetnoot 20, punt 30) en arrest 23 juni 1981, Le Compte, Van Leuven en De Meyere v België (individuele verzoekschriften nrs. 6878/75 en 7238/75, serie A nr. 43, blz. 25, punt 58). Reid, K., A practioner’s Guide to the European Convention on Human Rights, tweede druk, punt IIA-090, blz. 114 e.v., merkt op dat dit vermoeden in de praktijk slechts zeer moeilijk kan worden weerlegd waardoor zelfs een negatieve opvatting van de rechter met betrekking tot de hem ter beslissing voorgelegde zaak onvoldoende is om een vooringenomenheid aan te nemen.
22 – Arrest van 25 februari 1997, Findlay v Verenigd Koninkrijk (individueel verzoekschrift nr. 22107/93, punt 73).
23 – Zie arresten van 26 september 1995, Diennet v Frankrijk (individueel verzoekschrift nr. 18160/91, serie A nr. 325-A, punt 36), en Hauschildt v Denemarken (aangehaald in voetnoot 19, punt 47), waarin het Europese Hof voor de rechten van de mens bij gebrek aan bewijs voor een persoonlijke vooringenomenheid van de betrokken nationale rechter uitsluitend het objectieve criterium van de onpartijdigheid heeft toegepast.
24 – Arrest Schwarzenberger v Duitsland (aangehaald in voetnoot 20, punt 42). Koering‑Joulin, R., „La notion européenne de tribunal indépendant et impartial au sens de l’article 6 par. 1 de la Convention européenne des droits de l’homme”, Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, 1990, blz. 772, gebruikt in verband met de rechtsstatelijke vereisten voor de samenstelling van een gerecht het begrip „structurele onpartijdigheid”.
25 – Arresten Lindon, Otchakovsky en July v Frankrijk (aangehaald in voetnoot 20, punt 77), Kyprianou v Cyprus (aangehaald in voetnoot 18, punt 58) en Grieves v Verenigd Koninkrijk (aangehaald in voetnoot 19, punt 69), alsmede arrest van 9 juni 1998, Incal v Turkije (individueel verzoekschrift nr. 22678/93, punt 71) en arresten Findlay v Verenigd Koninkrijk (aangehaald in voetnoot 22, punt 73) en Hauschildt v Denemarken (aangehaald in voetnoot 19, punt 48).
26 – Aangehaald in voetnoot 20, punt 42.
27 – Arresten Schwarzenberger v Duitsland (aangehaald in voetnoot 20, punt 42) en Hauschildt v Denemarken (aangehaald in voetnoot 19, punt 50), alsmede arrest van 12 juni 2006, Romero Martin/Spanje (individueel verzoekschrift nr. 32045/03).
28 – Arresten Schwarzenberger v Duitsland (aangehaald in voetnoot 20, punt 42) en Diennet v Frankrijk (aangehaald in voetnoot 23, punt 38), alsmede arrest van 16 juli 1971, Ringeisen v Oostenrijk (serie A nr. 13, blz. 40, punt 97). Het Hof is in het arrest Chronopost en UFEX/Commissie (aangehaald in voetnoot 13, punten 56‑60) tot dezelfde conclusie gekomen. Daarin heeft het Hof vastgesteld dat het feit dat een en dezelfde rechter zitting houdt in twee rechtsprekende formaties die achtereenvolgens kennis hebben genomen van dezelfde zaak, op zich niet kan leiden tot het vermoeden dat de rechtsprekende formatie op onregelmatige wijze is samengesteld. Het Hof heeft daarmee in wezen de rechtsopvatting van advocaat-generaal Sharpston overgenomen (zie conclusie van 6 december 2007 in dezelfde zaak, punten 58 en 59).
29 – Zie arrest Lindon, Otchakovsky en July v Frankrijk (aangehaald in voetnoot 20, punt 79), waarin het ging om de betrokkenheid van twee rechters bij twee procedures waarvan de eerste uitspraak in kracht van gewijsde was gegaan. Daarin verklaarde het Europese Hof voor de rechten van de mens, dat elke andere rechter aan de materiële rechtsgeldigheid van de eerste uitspraak gebonden zou zijn geweest, hetgeen betekende dat hun betrokkenheid niet van invloed was op de tweede uitspraak.
30 – Cremer, W., Kommentar zu EUV/EGV (ed. Calliess/Ruffert), derde druk, 2007, artikel 231, punt 1; Rengeling, H.‑W./Middeke, A./Gellermann, M., Handbuch des Rechtsschutzes in der Europäischen Union, München 2003, § 7, punt 107, blz. 144.
31 – In die zin Cremer, W., t.a.p. (voetnoot 30), artikel 231, punt 1.
32 – Aangehaald in voetnoot 13, punt 53.
33 – Zie punt 11 van deze conclusie.
34 – Zie arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie (56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450); 23 oktober 1974, Transocean Marine Paint Association/Commissie (17/74, Jurispr. blz. 1063, punt 21), en 6 maart 1979, Simmenthal/Commissie (92/78, Jurispr. blz. 777, punten 107 e.v.).
35 – Het Hof heeft meermaals vastgesteld dat handelingen van de gemeenschapsinstellingen in beginsel vermoed worden rechtsgeldig te zijn en bijgevolg rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard (zie in die zin arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, Jurispr. blz. I‑2555, punt 48; 8 juli 1999, Chemie Linz/Commissie, C‑245/92 P, Jurispr. blz. I‑4643, punt 93, en 5 oktober 2004, Commissie/Griekenland, C‑475/01, Jurispr. blz. I‑8923, punt 18).
36 – Arresten van 13 november 1990, Fedesa e.a. (C‑331/88, Jurispr. blz. I‑4023, punt 34), en 12 november 1998, Spanje/Commissie (C‑415/96, Jurispr. blz. I‑6993, punt 32).
37 – Punt 55 van het verzoekschrift in hogere voorziening.
38 – Arresten Hof van 25 oktober 1977, Metro/Commissie (26/76, Jurispr. blz. 1875, punt 4); 15 december 1988, Irish Cement/Commissie (166/86 en 220/86, Jurispr. blz. 6473, punt 16); 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie (C‑180/96, Jurispr. blz. I‑2265, punten 28 e.v.), en 11 januari 1996, Zunis Holding e.a./Commissie (C‑480/93 P, Jurispr. blz. I‑1, punt 14); zie ook arresten Gerecht van 18 september 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie (T‑121/96 en T‑151/96, Jurispr. blz. II‑1355, punt 48); 27 november 1997, Tremblay e.a./Commissie (T‑224/95, Jurispr. blz. II‑2215, punt 49), en 16 september 1998, Waterleiding Maatschappij „Noord-West Brabant”/Commissie (T‑188/95, Jurispr. blz. II‑3713, punten 88‑141), alsmede beschikking Gerecht van 16 maart 1998, Goldstein/Commissie (T‑235/95, Jurispr. blz. II‑523, punt 41). Zie verder Cremer, W., t.a.p. (voetnoot 20), artikel 230, punt 19; Lenaerts, K./Arts, D./Maselis, I., t.a.p. (voetnoot 6), punt 7-016, blz. 212.
39 – Het Gerecht verwijst naar het arrest van 16 februari 1965, Barge/Hoge Autoriteit (14/64, Jurispr. blz. 68). Zie verder arrest Hof van 11 mei 1989, Maurissen e.a./Rekenkamer (193/97 en 194/87, Jurispr. blz. 1045, punt 26), en arrest Gerecht van 27 oktober 1994, Chavane de Dalmassy e.a./Commissie (T‑64/92, Jur.Ambt. blz. I-A-227 en blz. II‑723, punt 25), waarin is bepaald dat een beroep tegen een bevestigend besluit alleen dan niet-ontvankelijk is, wanneer het bevestigende besluit voor de betrokkene onherroepelijk is geworden doordat niet tijdig beroep werd ingesteld.
40 – Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld arresten Hof van 5 februari 1987, Denkavit (145/85, Jurispr. blz. 565, punt 11); 7 december 1993, Huygen (C‑12/92, Jurispr. blz. I‑6381, punt 31); 17 oktober 2002, Parras Medina (C‑208/01, Jurispr. blz. I‑8955, punt 19); 5 oktober 2006, Commissie/Duitsland (C‑105/02, Jurispr. blz. I‑9659, punt 89), van diezelfde dag Commissie/België (C‑377/03, Jurispr. blz. I‑9733, punt 95), en 18 december 2007, Société Pipeline Méditerranée et Rhône (C‑314/06, Jurispr. blz. I‑12273, punt 23).
41 – Arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie (C‑195/91 P, Jurispr. blz. I‑5619, punt 32); beschikking van 18 januari 2005, Zuazaga Meabe/HABM (C‑325/03 P, Jurispr. blz. I‑403, punt 25).
42 – Zie arrest Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement (aangehaald in voetnoot 5, punt 147).
43 – Zie punt 67 van het verzoekschrift in zaak T‑132/06.
44 – Zie punten 94‑98 (in het bijzonder punt 96) van het verzoekschrift in zaak T‑132/06.
45 – Zie punten 66‑69 van het verzoekschrift in zaak T‑132/06.
46 – In die zin Wakefield, J., The right to good administration, Alphen 2007, blz. 23; Lais, M., „Das Recht auf eine gute Verwaltung unter besonderer Berücksichtigung der Rechtsprechung des Europäischen Gerichtshofs”, Zeitschrift für europarechtliche Studien, 2002, nr. 3, blz. 453, 454, en Dutheil de la Rochère, J., „The EU Charter of Fundamental Rights, Not Binding but Influential: the Example of Good Administration”, Continuity and change in EU law: essays in honour of Sir Francis Jacobs, 2008, blz. 169, die uitgaan van een samenvatting van meerdere beginselen. Lenaerts, K./Van Nuffel, P., t.a.p. (voetnoot 9), punt 17-069, blz. 713, gaan eveneens uit van een veelvoud van rechtsbeginselen, die „beginselen van behoorlijk bestuur” worden genoemd. Martínez Soria, J., „Die Kodizes für gute Verwaltungspraxis”, Europarecht, 2001, nr. 5, blz. 685, merkt op dat het begrip goed administratief gedrag op verschillende manieren wordt gebruikt. Deze hebben gemeen dat daaronder steeds verplichtingen tot handelen voor de overheid ten opzichte van de burger worden verstaan. Deze opsomming mag niet limitatief zijn, maar zou veeleer open moeten staan voor nieuwe aspecten in de relatie tussen overheid en burger.
47 – Arrest van 12 mei 1971, Reinarz/Commissie (55/70, Jurispr. blz. 379, punten 19 en 21).
48 – Arrest Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie (T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 245).
49 – Arrest van 15 februari 2001, Oostenrijk/Commissie (C‑99/98, Jurispr. blz. I‑1101, punt 73).
50 – Arrest van 23 oktober 1986, Schwiering/Rekenkamer (321/85, Jurispr. blz. 3199, punt 18); arrest Gerecht van 15 december 1999, Petrotub (T‑33/98 en T‑34/98, Jurispr. blz. II‑3837, punt 133).
51 – Arrest van 28 mei 1980, Kuhner/Commissie (33/79 en 75/79, Jurispr. blz. 1677, punt 25); arrest Gerecht van 6 november 1994, Lisrestal (T‑450/93, Jurispr. blz. II‑1177, punt 42).
52 – Arrest Gerecht van 18 september 1995, Nölle/Raad en Commissie (T‑167/94, Jurispr. blz. II‑2589, punt 73).
53 – Wakefield, J., t.a.p. (voetnoot 46), blz. 23, wijst erop dat de afzonderlijke regels die onderdeel zijn van het beginsel van behoorlijk bestuur, binnen de hiërarchie van gemeenschapsbeginselen niet dezelfde status hebben en derhalve niet allemaal even relevant zijn. Terwijl sommige niets meer en niets minder zijn dan gedragsregels, hebben andere inmiddels de status van bindende verplichting. Een aanwijzing hiervoor biedt naar mijn mening de definitie die de voormalige ombudsman Jacob Södermann op grond van het ontbreken van een wettelijke definitie van het begrip „wanbeheer” in de zin van artikel 195, lid 1, EG in 1997 in zijn jaarverslag aan het Europees Parlement heeft voorgelegd en sindsdien wordt gebruikt. Deze luidt als volgt: „Wanbeheer doet zich voor wanneer een overheidsinstantie niet handelt in overeenstemming met een regel of een beginsel waaraan zij gehouden is.” Zoals ik reeds in mijn conclusie van 28 maart 2007 in zaak C‑331/05 P, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, Jurispr. blz. I‑5475, punt 68, heb uiteengezet, vloeit uit deze definitie voort dat in beginsel niet alleen de schending van dwingende rechtsnormen als wanbeheer moet worden aangemerkt, maar ook elke inbreuk op de beginselen van behoorlijk bestuur die vanwege het feit dat zij juridisch niet bindend zijn, gewoonlijk tot de zogenoemde soft law worden gerekend. Verder kan worden gewezen op de conclusie van advocaat-generaal Slynn van 23 oktober 1983 in zaak 64/82, Tradax/Commissie, Jurispr. blz. 1359, 1387, waarin hij heeft verklaard dat naar zijn opvatting geen algemeen rechtsbeginsel bestaat dat inhoudt dat hetgeen geboden is in het kader van behoorlijk bestuur, ook daadwerkelijk kan worden afgedwongen. Een naar behoren functionerende archivering mag dan weliswaar een essentieel onderdeel van behoorlijk bestuur zijn, maar volgens de advocaat-generaal bestaat geen juridisch afdwingbaar recht hierop. De advocaat-generaal meende in dit verband dat rechtsregels en regels van behoorlijk bestuur gedeeltelijk kunnen overlappen, maar niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis hebben.
54 – Volgens Kanska, K., t.a.p. (voetnoot 17), blz. 304, was de rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties de belangrijkste inspiratiebron voor de conventie bij het ontwerp van artikel 41 van het Handvest. In de juridisch niet bindende toelichting van de conventie bij het Handvest staat dat deze bepaling is gebaseerd op het bestaan van een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie, die met name het beginsel van behoorlijk bestuur heeft bevestigd (zie onder meer het arrest Hof van 31 maart 1992 in zaak C‑255/90 P, Burban, Jurispr. blz. I‑2253; arrest Nölle, aangehaald in voetnoot 52, en arrest van 9 juli 1999 in zaak T‑231/97, New Europe Consulting e.a., Jurispr. blz. II‑2403). De uitdrukkingsvormen van dit recht in de eerste twee leden vloeien voort uit de jurisprudentie (arresten Hof van 15 oktober 1987 in zaak 222/86, Heylens, Jurispr. blz. 4097, punt 15; 18 oktober 1989 in zaak 374/87, Orkem, Jurispr. blz. 3283, en 21 november 1991 in zaak C‑269/90, TU München, Jurispr. blz. I‑5469, en de arresten Lisrestal, aangehaald in voetnoot 51, en Nölle, aangehaald in voetnoot 52) en, wat de motiveringsplicht betreft, uit artikel 253 van het EG-Verdrag. Wat de rol van de communautaire rechterlijke instanties bij de ontwikkeling van de algemene rechtsbeginselen van het communautaire administratieve recht betreft, zie Schwarze, J., European Administrative Law, eerste druk, Londen 2006, blz. 59 e.v.
55 – De Europese ombudsman heeft in zijn toespraak op 2 februari 2000 ten overstaan van de Conventie, waarin hij pleitte voor de eerbiediging van het recht op behoorlijk bestuur, benadrukt dat dit beginsel ten uitvoer zou moeten worden gelegd door een regel vast te stellen waarmee goed administratief gedrag wordt gewaarborgd. In het verslag van het Europees Parlement over de toestand van de grondrechten in de Europese Unie werd eveneens erop gewezen dat de vaststelling van een Code van goed administratief gedrag voor de uitvoering van artikel 41 van het Handvest in de praktijk onmisbaar is (verslag Cornillet van 21 juni 2001, Toestand van de grondrechten in de Europese Unie, A5-0223/2001, blz. 113 e.v.). Bij een onderzoek, uitgevoerd door de Europese ombudsman bij alle organen en instellingen van de Gemeenschappen, was gebleken dat op dit gebied geen regels bestonden. Naar aanleiding daarvan werden door de ombudsman ontwerpaanbevelingen opgesteld met betrekking tot een code van goed administratief gedrag en aan de organen en instellingen van de Gemeenschap gestuurd met het advies de passende regels vast te stellen. Deze regels zouden moeten worden aangenomen in de vorm van een besluit en in het Publicatieblad van de Europese Unie moeten worden gepubliceerd. Terwijl de gedecentraliseerde organen de aanbevelingen hebben aangenomen, heeft de Commissie gedragsregels gepubliceerd onder de titel „Code van goed administratief gedrag”, hetgeen echter niet in de vorm van een besluit, maar als bijlage bij het reglement van orde van de Commissie (PB L 308 van 8 december 2000, blz. 26‑34) gebeurde.
56 – Zie ook Lais, M., t.a.p. (voetnoot 46), blz. 461, die van mening is dat met betrekking tot het recht op behoorlijk bestuur respectievelijk de afzonderlijke bestanddelen van dit recht in eerste instantie dient te worden uitgegaan van de door het Hof aangegeven grenzen en beperkingen respectievelijk van de door het Hof geformuleerde inhoud.
57 – Europees Parlement, Resolutie van 6 september 2001 over het speciaal verslag van de Europese ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van het initiatiefonderzoek naar het bestaan, bij de verschillende instellingen en organen van de Gemeenschappen, van een code van goed administratief gedrag en de toegankelijkheid van die code voor het publiek, C5-0438/2000 – 2000/2212(COS).
58 – Naar de opvatting van Lenaerts, K./Van Nuffel, P., t.a.p. (voetnoot 9), punten 17‑140, blz. 783, horen „resoluties” bij de overige, in artikel 249 EG niet genoemde handelingen, die de communautaire organen kunnen vaststellen. Zij wijzen er echter op dat met deze handelingen niet steeds het ontstaan van rechtsgevolgen wordt beoogd. Volgens Schoo, J., EU-Kommentar (ed. Jürgen Schwarze), eerste druk, Baden-Baden 2000, artikel 189 EG, punt 11, blz. 1732, vallen politieke resoluties en aan andere organen gerichte verzoeken om te handelen onder die handelingen die het Europees Parlement als politiek discussieforum, maar niet als wetgevende instantie vaststelt. De resolutie van 6 september 2001 als verzoek aan de Commissie, om van haar recht van initiatief in het kader van de communautaire wetgevingsprocedure gebruik te maken, kan onder dit type politieke handelingen worden ingedeeld.
59 – Zie punten 49, 50 en 86 van het verzoekschrift. Het Gerecht heeft eerder schendingen van het beginsel van behoorlijk bestuur getoetst en daarbij zelf gerefereerd naar artikel 41 van het Handvest. Zie arresten Gerecht van 30 januari 2002, max.mobil/Commissie (T‑54/99, Jurispr. blz. II‑313, punt 48), betreffende het recht op een zorgvuldige en onpartijdige behandeling van een klacht, en 13 juli 2005, Sunrider/HABM (T‑242/02, Jurispr. blz. II‑2793 punt 51), in verband met het beginsel van een redelijke termijn als onderdeel van het beginsel van behoorlijk bestuur.
60 – Het Gerecht heeft in dit verband gewezen op de reeds in punt 118 van het arrest Gorostiaga Atxalandabaso/Parlement (aangehaald in voetnoot 5) genoemde rechtspraak van de communautaire rechterlijke instanties met betrekking tot het algemene beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, volgens welk een persoon jegens wie een gemeenschapsinstelling een grief uit, de mogelijkheid moet krijgen zijn mening te kennen te geven ten aanzien van elk document dat laatstgenoemde tegen hem wil gebruiken.
Full & Egal Universal Law Academy