CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 17 juli 2008 (1)
Gevoegde zaken C‑362/07 en C‑363/07
Kip Europe SA
Kip (UK) Ltd
Caretrex Logistiek BV
Utax GmbH
tegen
Administration des douanes − Direction Générale des douanes et droits indirects
en
Hewlett Packard International SARL
tegen
Administration des douanes − Direction Générale des douanes et droits indirects
[Verzoek van het Tribunal d’instance du VIIe arrondissement de Paris (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Tariefindeling – Automatische gegevensverwerkende machines – Machines die een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking, vervullen – Multifunctionele apparaten”
I – Inleiding
1. In de onderhavige zaak verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van een aantal bepalingen van de tariefnomenclatuur. De voorgelegde specifieke vragen betreffen de zogenoemde „multifunctionele” toestellen. In de context daarvan dient het Hof evenwel ook enige toelichting met een meer algemene strekking te geven.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Gecombineerde nomenclatuur
2. Op de feiten van het geding is de gecombineerde nomenclatuur voor het jaar 2006 van toepassing. Deze is opgenomen in verordening nr. 1719/2005(2) (hierna: „GN 2006”).
3. Titel I van het eerste deel van de GN 2006 heeft als opschrift „Algemene regels”, en luidt als volgt:
„1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.
[...]
3. Indien goederen [...] vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. [...]
b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a), worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;
c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a) en 3 b) niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.
[...]”
4. Afdeling XVI van de GN 2006, met als opschrift „Machines, toestellen en elektrotechnisch materieel, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen”, wordt ingeleid door de volgende „Aantekeningen”:
„1. Deze afdeling omvat niet:
[...]
m) artikelen bedoeld bij hoofdstuk 90;
[...]
3. Voor zover niet anders is bepaald, worden combinaties van machines van verschillende soorten, die bestemd zijn om gezamenlijk te functioneren en die een geheel vormen, alsmede machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies, ingedeeld naar de hoofdfunctie die kenmerkend is voor het complex.
[...]”
5. Afdeling XVI omvat hoofdstuk 84, met als opschrift „Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, alsmede delen daarvan”. Bedoeld hoofdstuk wordt ingeleid door de volgende „Aantekeningen”:
„[...]
5.
[...]
B) Automatische gegevensverwerkende machines kunnen voorkomen in de vorm van systemen bestaande uit een variabel aantal afzonderlijke eenheden. Met inachtneming van het bepaalde in letter E hierna, wordt een eenheid als een deel van een compleet systeem aangemerkt, indien zij aan alle hierna omschreven voorwaarden voldoet, te weten:
a) zij moet van de soort zijn die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem;
b) zij moet, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenschakeling van een of meer andere eenheden, op de centrale verwerkingseenheid kunnen worden aangesloten, en
c) zij moet in staat zijn gegevens te ontvangen of te leveren in een vorm – codes of signalen – die bruikbaar is voor het systeem.
[...]
D) Afdrukkers, toetsenborden, invoertoestellen met X-Y-coördinaten en schijvengeheugeneenheden die voldoen aan het bepaalde in letter B, sub b en c, hiervoor, zijn in alle gevallen in te delen als eenheden bedoeld bij post 8471.
E) Machines die een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking, vervullen en die een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of daarmede in samenhang worden gebruikt, worden ingedeeld onder de post die overeenkomstig hun functie in aanmerking komt of, bij ontbreken daarvan, onder een sluitpost.
[...]”
6. Tariefpost 8471 van de GN 2006 is opgebouwd als volgt:
„8471 Automatische gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor; magnetische en optische lezers, machines voor het in gecodeerde vorm op dragers overzetten van gegevens en machines voor het verwerken van die gegevens, elders genoemd noch elders onder begrepen:
[...]
8471 60 – invoereenheden en uitvoereenheden, ook indien zij in dezelfde behuizing geheugeneenheden bevatten:
8471 60 20 – – afdrukeenheden
8471 60 60 – – toetsenborden
8471 60 80 – – andere
[...]”
7. Afdeling XVIII van de GN 2006, met als opschrift „optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet‑, verificatie‑, controle‑ en precisie-instrumenten, ‑apparaten en ‑toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; uurwerken; muziekinstrumenten; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”, bevat in hoofdstuk 90 de volgende posten:
„9009 Fotokopieerapparaten werkend met een optisch systeem of voor contactdruk, alsmede thermokopieerapparaten:
– elektrostatische fotokopieerapparaten:
[...]
9009 12 00 – – waarbij de kopie via een tussenliggende drager wordt verkregen (indirecte methode)”.
B – Verordening nr. 400/2006
8. Met verordening nr. 400/2006(3) heeft de Commissie een besluit genomen omtrent de indeling van een aantal goederen in posten van de gecombineerde nomenclatuur. Deze verordening, voor zover hier van belang, heeft het hierna omschreven product onder post 9009 12 00 ingedeeld:
„4. Een multifunctioneel apparaat dat de volgende functies kan verrichten:
− scannen,
− laserprinten,
− laserkopiëren (indirecte methode).
Het toestel beschikt over verschillende laden voor papier en is in staat tot 40 bladzijden op A4 formaat per minuut te reproduceren.
Het apparaat functioneert hetzij zelfstandig (als kopieertoestel) of is aangesloten op een automatisch gegevensverwerkende machine of op een netwerk van automatisch gegevensverwerkende machines (als printer, scanner en kopieertoestel).”
9. De keuze voor die post is als volgt gemotiveerd:
„De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3, sub c, en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 5, onder E, op hoofdstuk 84 en op basis van de tekst van de GN-codes 9009 en 9009 12 00.
Het toestel beschikt over verschillende functies, maar geen enkele daarvan kan worden geacht het product zijn wezenlijke karakter te verlenen.”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10. De twee hoofdgedingen waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld die het Hof dient te beantwoorden, betreffen enerzijds het toestel „KIP 3000”, en anderzijds drie verschillende modellen multifunctionele printers van het merk Hewlett-Packard (hierna: „HP”) (laserjet CM 1015 MFP, laserjet M 1017 MFP en laserjet M 1005 MFP).
11. Hierbij gaat het om nogal verschillende producten. Zo is het toestel KIP 3000 een grootformaat printer/scanner die hoofdzakelijk bedoeld is voor een vakpubliek van architecten en ingenieurs en eveneens een volledige onder Windows draaiende computer bevat. De producten van HP zijn daarentegen voornamelijk bestemd voor thuisgebruik en voor gebruik in kleine ondernemingen.
12. Het gemeenschappelijke kenmerk van de genoemde producten is het feit dat zij zowel over een printmodule als een scanmodule beschikken. Door deze combinatie van een printer en een scanner kunnen deze producten niet alleen printen en scannen, maar ook kopiëren. Het maken van kopieën is met name ook mogelijk zonder dat het apparaat op een computer is aangesloten.
13. De Franse douaneautoriteiten hebben de betrokken toestellen onder post 9009 12 00 van de GN ingedeeld, op grond dat het in wezen om echte kopieerapparaten ging. Hierbij zij opgemerkt dat een dergelijke indeling aanleiding geeft tot inning van een recht van 6 %. Omgekeerd wordt bij de door de invoerende ondernemingen gesuggereerde indeling onder post 8471 60 geen douanerecht geheven. De afschaffing van de douanerechten op „informaticaproducten” is het gevolg van een daartoe strekkende overeenkomst, die is gesloten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en voortvloeit uit de ministeriële verklaring van 13 december 1996 inzake de handel in informatietechnologieproducten. De Raad heeft deze overeenkomst goedgekeurd bij besluit nr. 97/359/EG van 24 maart 1997 betreffende afschaffing van de rechten op informatietechnologieproducten.(4)
14. Toen hij zich voor de problematiek gesteld zag, heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:(5)
„1) Is de kopieerfunctie van een multifunctioneel apparaat zoals het in het onderhavige geding beschreven apparaat, dat is ontworpen om te functioneren terwijl het rechtstreeks of via een netwerk met een of meer computers is verbonden, maar ook zelfstandig kan functioneren, maar dan alleen als kopieertoestel, ‚een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking’ in de zin van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de gecombineerde nomenclatuur?
2) Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: sluit het bestaan van deze eigen functie, met betrekking tot welke uitdrukkelijk wordt erkend dat zij het goed zijn wezenlijke karakter niet verleent, ingevolge aantekening 5 E de indeling onder hoofdstuk 84 uit, niettegenstaande het feit dat het apparaat over een afdruk‑ en een scanfunctie beschikt, die onder de gegevensverwerking vallen?
3) Moet in een dergelijk geval een apparaat dat is vervaardigd door samenvoeging van drie materieel onderscheiden modules (printer, scanner en computer) niet worden ingedeeld op basis van algemene regel 3, sub b?
4) Moeten, meer in het algemeen, het geharmoniseerde systeem en de gecombineerde nomenclatuur aldus worden uitgelegd dat printers als die welke in het onderhavige geding zijn beschreven, worden ingedeeld onder post 8471 60, dan wel dat zij worden ingedeeld onder post 9009 12 00?
5) Is verordening (EG) nr. 400/2006 van de Commissie van 8 maart 2006 niet ongeldig, met name wegens strijdigheid met het geharmoniseerde systeem, met de gecombineerde nomenclatuur en met de leden 1 en 3, sub b, van de algemene regels voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem en de gecombineerde nomenclatuur, voor zover in de motivering wordt verwezen naar het begrip ‚functie die het toestel zijn wezenlijke karakter verleent’, en printers zoals de beschreven printers op grond van deze verordening onder post 9009 12 00 worden ingedeeld?”
IV – Beantwoording van de prejudiciële vragen
A – Opmerkingen vooraf
15. Opgemerkt moet worden dat de tariefindeling van multifunctionele apparaten als die welke in de onderhavige prejudiciële procedure aan de orde zijn, in de toekomst geen problemen meer zou mogen opleveren, aangezien de versie 2007 van de GN niet langer de post 9009 bevat, en dat de betrokken producten zouden moeten worden ingedeeld onder post 8443, die thans „machines en toestellen die gebruikt worden om te drukken [...]; andere afdrukkers, kopieertoestellen en telekopieertoestellen, ook indien gecombineerd [...]” omvat. Meer in het bijzonder omvat post 8443 31, in de thans geldende versie 2008 van de GN(6), „machines die twee of meer van de functies afdrukken, kopiëren of telekopiëren verrichten, geschikt om te worden aangesloten op een automatische gegevensverwerkende machine of op een netwerk”.
16. Een van de essentiële problemen in de onderhavige zaak, namelijk de uitlegging van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de GN, stelt zich evenwel nog steeds, aangezien deze bepaling nog steeds voorkomt in de tekst van de GN.
B – Beantwoording van de eerste vier vragen, betreffende de uitlegging van de GN
1. Inleidende opmerkingen
17. Mijns inziens kunnen de eerste vier vragen van de verwijzende rechter tezamen worden onderzocht. Met zijn vragen verzoekt deze het Hof immers om uitlegging van in de onderhavige zaak relevante bepalingen van de GN, teneinde de hierboven beschreven toestellen te kunnen indelen.
18. Concreet rijst in de eerste plaats de vraag, welke interpretatieve bepalingen van de GN in casu moeten worden toegepast, en in de tweede plaats, hoe deze moeten worden opgevat.
2. Argumenten van partijen
19. De ondernemingen Kip Europe en Hewlett-Packard, verzoeksters in de hoofdgedingen en vertegenwoordigd door dezelfde advocaten, hebben gelijkluidende opmerkingen ingediend, die ertoe strekken aan te tonen dat de betrokken apparaten onder post 8471 60 moeten worden ingedeeld.
20. Verzoeksters voeren in de eerste plaats aan, dat de apparaten onder post 8471 60 moeten worden ingedeeld op grond van algemene regel 3, sub b, omdat zij hun „wezenlijk karakter” ontlenen aan de printmodule (of subsidiair aan de print‑ en de scanmodule tezamen).
21. Volgens verzoeksters kan daarentegen geen rekening worden gehouden met de „functie” van de toestellen, aangezien dat element niet voorkomt in de bewoordingen van algemene regel 3, sub b. Het criterium van de „hoofdfunctie” is immers slechts vermeld in aantekening 3 op afdeling XVI, en deze aantekening is niet van toepassing indien de producten in abstracto eveneens kunnen worden ingedeeld onder posten die onder afdeling XVI vallen (zoals hier het geval is).(7)
22. Dienaangaande stellen verzoeksters dat het Hof zich in het arrest Xerox(8) heeft vergist, waar het bij de toepassing van algemene regel 3, sub b, het criterium van de „functie” heeft gebruikt in plaats van het criterium van de „stof” of het „goed”.(9)
23. Verzoeksters betogen voorts dat aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de GN, waarop de redenering van de Franse douaneadministratie was gebaseerd, ten onrechte is toegepast. Deze bepaling beoogt immers slechts uit te sluiten dat toestellen met heel andere kenmerken, die niet voor gegevensverwerking bestemd zijn maar om redenen die verband houden met de constructie of het gebruik ervan een computer bevatten of daarop kunnen worden aangesloten, zouden worden aangemerkt als informaticaproducten.(10)
24. Zou aantekening 5 E op het onderhavige geval worden toegepast, dan zou alleen de kopieerfunctie als wezenlijk worden beschouwd, met voorbijgaan van de print‑ en de scanfunctie, waarvan onbetwist vaststaat dat het wél om gegevensverwerkende functies gaat. Volgens verzoeksters in de hoofdgedingen heeft aantekening 5 E uitsluitend betrekking op toestellen die één enkele functie vervullen.(11)
25. Bij toepassing van de logica van de Franse douaneautoriteiten zou men volgens verzoeksters kunnen komen tot het absurde resultaat dat een computer als een uurwerk zou worden aangemerkt zodra hij ook over een uurwerkfunctie beschikt.(12)
26. Verzoeksters merkten voorts op dat de kopieerfunctie zelf als een vorm van gegegevensverwerking zou kunnen worden beschouwd, waardoor de toepassing van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 automatisch wordt uitgesloten.(13)
27. De Franse, de Nederlandse en de Poolse regering, evenals de Commissie spreken zich daarentegen voor indeling onder post 9009 12 00 uit.
28. Hoewel hun argumenten verscheiden zijn, kan de achterliggende redenering van die partijen als volgt worden samengevat.
29. De indeling onder post 9009 12 00 vloeit in de eerste plaats voort uit de toepassing van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de GN. De omstandigheid dat de in geding zijnde multifunctionele apparaten zelfstandig kunnen functioneren als kopieertoestel, zelfs zonder daarbij op een computer te zijn aangesloten, volstaat voor de toepassing van voornoemde bepaling en dus voor de indeling van de producten onder de tariefpost die overeenkomt met die specifieke functie (in casu post 9009 12 00 van de GN 2006).(14)
30. Subsidiair zou men deze indeling ook kunnen afleiden uit algemene regel 3, sub c, aangezien algemene regel 3, sub b, niet van toepassing is wegens de onmogelijkheid om een element vast te stellen waaraan de producten hun „wezenlijke karakter” ontlenen.(15)
3. Beoordeling
a) Algemene opmerkingen
31. Mijns inziens bestaat het bijzondere belang van de onderhavige zaak hierin, dat het Hof in casu niet zozeer wordt verzocht om concrete aanwijzingen betreffende de indeling van een specifiek product, maar vooral om uitlegging van bepaalde fundamentele regels inzake de tariefindeling. Hierbij verwijs ik inzonderheid, zoals uit het hiernavolgende betoog duidelijk zal blijken, naar aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN, alsmede naar algemene regel 3 van de GN.
32. Voorts zij opgemerkt dat, zoals algemeen bekend is, het in casu toepasselijke recht gedeeltelijk voortvloeit uit door de Gemeenschappen gesloten internationale overeenkomsten.
33. Hierbij verwijs ik uiteraard in de eerste plaats naar het in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte geharmoniseerde systeem, waarop de GN is gebaseerd.(16) Evenmin kan anderzijds worden voorbijgegaan aan de eventuele relevantie in de onderhavige zaak van de WTO-overeenkomst inzake de handel in informatietechnologieproducten.(17) Verderop in deze conclusie zal worden onderzocht of dergelijke internationale bepalingen in casu relevant zijn.(18)
34. Bovendien zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak bij de tariefindeling van goederen gebruik dient te worden gemaakt van zo objectief mogelijke criteria, waarbij wordt gerefereerd aan de bewoordingen van de posten van de GN en aan de objectieve kenmerken en eigenschappen van de in te delen goederen.(19) Van hun kant vormen de door de Internationale Douaneraad en de Commissie verstrekte toelichtingen zeer belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging, ook al zijn deze rechtens niet bindend.(20)
35. In de onderhavige zaak dient de nationale rechter uitspraak te doen over de vraag, of de hierboven beschreven multifunctionele apparaten moeten worden ingedeeld onder GN-post 8471 (die is opgenomen in afdeling XVI – hoofdstuk 84) dan wel onder GN-post 9009 (die is opgenomen in afdeling XVIII – hoofdstuk 90).
36. In het algemeen blijkt duidelijk uit de bepalingen van de GN, dat bij de interpretatie ervan voorrang dient te worden gegeven aan het onderzoek van de specifieke en gedetailleerde voorschriften, en dat slechts naar de meer algemene voorschriften wordt gezien wanneer geen indeling mogelijk is op basis van eerstbedoelde voorschriften. Dit vloeit inzonderheid voort uit algemene regel 1 voor de interpretatie van de GN, waarin met name is bepaald dat de algemene regels slechts worden toegepast in geval van noodzaak en in ieder geval onverminderd het bepaalde in de specifieke posten van de GN en in de aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken. Bovendien bepaalt algemene regel 3, sub a, dat „de post met de meer specifieke omschrijving voorrang [heeft] boven posten met een meer algemene strekking”.
37. Volgens deze logica dient in casu dus eerst aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN te worden onderzocht op de draagwijdte en eventuele toepasselijkheid ervan in de onderhavige zaak. In voorkomend geval dient vervolgens te worden gekeken naar aantekening 3 op afdeling XVI, en ten slotte, eventueel, naar algemene regel 3.
b) Aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN
38. Zoals opgemerkt, bepaalt aantekening 5 E op hoofdstuk 84 dat „machines die een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking, vervullen en die een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of daarmede in samenhang worden gebruikt, worden ingedeeld onder de post die overeenkomstig hun functie in aanmerking komt of, bij ontbreken daarvan, onder een sluitpost”.
39. In de onderhavige zaak hebben de Franse en de Nederlandse regering betoogd dat de in geding zijnde producten ingevolge de toepassing van aantekening 5 E niet onder hoofdstuk 84 vallen, aangezien het vermogen van deze toestellen om ook zonder aansluiting op een computer kopieën te maken, aanleiding geeft tot indeling onder hoofdstuk 90.
40. De beoordeling, of deze bepaling in casu toepassing vindt, vereist drie opeenvolgende stappen. Eerst dient te worden onderzocht, of aantekening 5 E abstract bezien kan worden gebruikt om een bepaald product in te delen onder een ander hoofdstuk dan het hoofdstuk dat door die aantekening wordt ingeleid, en dus niet onder hoofdstuk 84. Bij een bevestigend antwoord moet vervolgens worden nagegaan, of de kopieerfunctie van de in geding zijnde producten „een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” is. Wanneer ook deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet ten slotte worden onderzocht of deze aantekening in casu concreet van toepassing is.
i) Is aantekening 5 E in abstracto van toepassing?
41. In de eerste plaats moet worden onderzocht of aantekening 5 E kan worden gebruikt om een product in te delen onder een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 84, dat door deze aantekening wordt ingeleid.
42. Dienaangaande zij opgemerkt dat de aantekeningen op de verschillende onderverdelingen van de GN in beginsel slechts van toepassing zijn in het kader van de onderverdeling waarin zij zijn opgenomen.(21)
43. Dit volstaat mijns inziens evenwel niet om de toepasselijkheid in abstracto van aantekening 5 E in het onderhavige geval uit te sluiten.
44. Deze aantekening strekt er immers enerzijds niet toe, bepaalde producten specifiek in te delen, maar beoogt slechts een bepaalde indeling uit te sluiten. In het bijzonder heeft aantekening 5 E tot doel, te voorkomen dat een product als een „informaticaproduct” zou worden aangemerkt op de enkele grond dat het een computer bevat, of daarmee in samenhang worden gebruikt, ook al vervult het totaal andere functies. Het is duidelijk dat een indeling van de betrokken producten in de categorie „informaticaproducten” zou geschieden in het kader van hoofdstuk 84 van de GN 2006, aangezien informaticaproducten in dat hoofdstuk zijn opgenomen. Bijgevolg kon een aantekening die ertoe strekt in dergelijke gevallen een indeling in de categorie van de „informaticaproducten” uit te sluiten, niet op een andere dan de gekozen plaats, in de inleiding op hoofdstuk 84, zijn opgenomen. Overigens, zouden producten die een computer bevatten of daarmee in samenhang worden gebruikt, doch andere dan „informaticafuncties” vervullen, in eender welk ander hoofdstuk van de GN kunnen moeten worden ingedeeld, dan had zich als alternatief voor opneming van de betrokken aantekening in de inleiding op hoofdstuk 84, de opneming ervan onder de algemene regels voor de indeling aangediend. Gelet op het feit dat deze algemene regels erg abstract zijn, lijkt dit weinig opportuun.
45. Anderzijds zij eveneens opgemerkt dat in het enige bekende geval waarin het Hof heeft geoordeeld dat was voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van aantekening 5 E, als mogelijk alternatief voor indeling onder hoofdstuk 84, de indeling in een ander hoofdstuk, hoofdstuk 85, in aanmerking kwam.(22) Ware het Hof van oordeel geweest dat aantekening 5 E slechts kon worden toegepast om producten binnen hoofdstuk 84 in te delen in een andere categorie dan die van de „informaticaproducten”, dan had het in het betrokken geval de aantekening niet mogen toepassen.
46. Volgens mij is aantekening 5 E dan ook in abstracto van toepassing op het onderhavige geval.
ii) Is er sprake van een „eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking”?
47. Thans moet worden nagegaan of de kopieerfunctie van de in geding zijnde multifunctionele producten kan worden aangemerkt als een „eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” in de zin van aantekening 5 E.
48. Mijns inziens kan er geen twijfel over bestaan dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.
49. De fotokopieerfunctie was immers, althans in het kader van de GN 2006, zeker een „eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking”, aangezien zij onder een ander hoofdstuk (en een andere afdeling) van de GN viel. Hierbij refereer ik uiteraard aan hoofdstuk 90, waarin de Commissie en de interveniërende lidstaten de betrokken producten willen indelen.
iii) Is aantekening 5 E in casu concreet van toepassing?
50. De omstandigheid dat aantekening 5 E potentieel van toepassing is en dat de kopieerfunctie een „eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” is, betekent mijns inziens echter nog niet dat aantekening 5 E in casu toepassing moet vinden.
51. Ik ben immers enerzijds van mening dat deze bepaling zonder meer en zonder nader onderzoek kan worden toegepast indien de „eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” in concreto de enige functie is van de in te delen producten.
52. Wanneer, anderzijds, het product zowel gegevensverwerkende als andere functies vervult, lijkt de mogelijkheid om de aan de orde zijnde bepaling toe te passen echter veel twijfelachtiger.
53. Zulks is in casu het geval.
54. De in geding zijnde apparaten combineren immers gegevensverwerkende functies, waarvan vaststaat dat zij onder het desbetreffende hoofdstuk van de GN vallen (de print‑ en de scanfunctie) met functies die niet onder dat hoofdstuk vallen (de kopieerfunctie).
55. Zou reeds het bestaan van een enkele andere functie dan gegevensverwerking volstaan om de indeling van de in geding zijnde producten als „informaticaproducten” in hoofdstuk 84 van de GN volledig uit te sluiten, dan zou er sprake zijn van een mijn inziens paradoxale situatie, waarin bij de indeling wordt afgegaan op een functie van dat product, die volstrekt bijkomstig of zelfs irrelevant kan zijn.
56. Bovendien zou de indeling van producten met meer dan een andere functie dan gegevensverwerking eveneens problematisch zijn. Men denke in dat verband aan het allesbehalve theoretische geval van multifunctionele producten die niet alleen over een print‑, scan‑, en kopieerfunctie, maar ook over een faxfunctie beschikken.
57. De rechtspraak van het Hof in verband met aantekening 5 E is mijns inziens niet strijdig met de uitlegging die ik aan deze bepaling wil geven.
58. Enerzijds heeft het Hof immers, in een geval waarin een product weliswaar een computer bevatte maar geconfigureerd en aangeboden werd als een bewakingstoestel met videocamera, gesteld dat aantekening 5 E van toepassing was omdat het betrokken product een „eigen functie”, andere dan gegevensverwerking, vervulde. Er was met andere woorden sprake van een product waarvan de enige praktische functie niet bestond in gegevensverwerking.(23)
59. Anderzijds was het Hof in een aantal arresten van oordeel dat niet was voldaan aan de voorwaarden waaronder een toestel geacht kan worden een „eigen functie”, andere dan gegevensverwerking te vervullen.(24)
60. In een feitelijke context die zeer nauw aansluit bij die van de onderhavige zaak en waarin multifunctionele apparaten met een printer, een scanner en een fax in geding waren, diende het Hof zich jammer genoeg niet uit te spreken over de juiste indeling van de betrokken producten, aangezien de voorgelegde prejudiciële vraag enkel de geldigheid van een indelingsverordening betrof.(25)
61. In het onderhavige geval staat daarentegen vast dat de kopieerfunctie maar één, en zelfs niet de belangrijkste functie van de betrokken apparaten is. Zou de indeling van die apparaten in de categorie informaticaproducten bij voorbaat absoluut worden uitgesloten op grond dat zij ook kunnen fotokopiëren, dan zou het gevaar bestaan dat de GN verkeerd wordt opgevat.
62. Ter voorkoming van duidelijke fouten bij de tariefindeling, mag aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de GN derhalve slechts worden toegepast wanneer de eigen functie van een product tegelijkertijd de enige functie ervan is. Als dat niet het geval is, wordt het product ingedeeld aan de hand van de andere bepalingen van de GN.
63. Uiteraard volgt uit de omstandigheid dat aantekening 5 E in een concreet geval niet van toepassing is, niet noodzakelijk dat een product moet worden ingedeeld in de categorie informaticaproducten, aangezien de toepassing van andere indelingsvoorschriften ook tot een ander resultaat kan leiden.
64. Aangezien de kopieerfunctie niet de enige en overigens evenmin de hoofdfunctie van de in geding zijnde producten is, kan in casu geen beroep worden gedaan op aantekening 5 E op hoofdstuk 84. Bijgevolg kan de indeling van deze producten in de categorie „informaticaproducten” van hoofdstuk 84 van de GN 2006 niet a priori en volstrekt worden uitgesloten.
65. Deze overwegingen worden mijns inziens bovendien bevestigd door aantekening 5 B op hoofdstuk 84, waarin, onder voorbehoud van het bepaalde in aantekening 5 E, uitdrukkelijk is bepaald dat een eenheid als een deel van een gegevensverwerkend systeem wordt aangemerkt indien zij, onder andere, „van de soort [is] die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem” (mijn cursivering). De wetgever zelf gaat met andere woorden uit van de vooronderstelling, dat ook componenten die in staat zijn, ook al is dit maar bijkomstig, andere functies dan gegevenswerking te vervullen, kunnen worden geacht deel uit te maken van een informaticasysteem. Zou, zoals voorgesteld door de Commissie en de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, aantekening 5 E aldus moeten worden uitgelegd dat zelfs een onbeduidende „niet-informaticafunctie” van een product steeds in de weg zou staan aan de indeling in de categorie „informaticaproducten”, dan zou het bijwoord „hoofdzakelijk” volkomen zinloos zijn, aangezien aantekening 5 B slechts van toepassing zou zijn op producten die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik in een informaticasysteem.
66. Voorts kan niet worden voorbijgegaan aan de – weliswaar niet beslissende – omstandigheid dat multifunctionele apparaten als die welke hier in geding zijn in de recentere versies van de GN in hoofdstuk 84, en meer bepaald onder tariefpost 8443 31 zijn ingedeeld.(26)
67. Ten slotte wordt de voorgestelde strikte uitlegging van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 eveneens bevestigd in het licht van de WTO-overeenkomst inzake de handel in informatietechnologieproducten.
68. Los van de vraag of bedoelde overeenkomst, waarop de partijen geen beroep hebben gedaan(27), in casu van toepassing is, staat vast dat zij, gezien tegen de achtergrond van de verplichting tot conforme uitlegging(28), niet verenigbaar is met een uitlegging als die voorgesteld door de Commissie en de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, die ertoe strekt de werkingssfeer van douanevrijstellingen zoveel mogelijk te beperken.
69. Uit die overeenkomst blijkt immers een duidelijke voorkeur voor het vrije, niet door heffingen belemmerde verkeer van informaticaproducten, waarvan wordt erkend dat zij een „sleutelrol spelen in de ontwikkeling van de informatie-industrieën en in de dynamische groei van de wereldeconomie”.
c) Aantekening 3 op afdeling XVI
70. Nu de toepasselijkheid van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 is uitgesloten, moet, volgens de logica die ik hierboven als kenmerk van de interpretatieve bepalingen van de GN heb geïdentificeerd(29), worden onderzocht of aantekening 3 op afdeling XVI kan worden toegepast met het oog op de tariefindeling van de in geding zijnde producten. Volgens deze aantekening „worden combinaties van machines van verschillende soorten [...] alsmede machines met twee of meer verschillende [...] functies, ingedeeld naar de hoofdfunctie die kenmerkend is voor het complex” (mijn cursivering).
71. Mijns inziens is evenwel duidelijk dat die bepaling in casu niet toepasselijk is.
72. Zoals gezegd kunnen de betrokken toestellen immers worden ingedeeld in hoofdstuk 84 dan wel in hoofdstuk 90. Aangezien deze twee hoofdstukken zich in verschillende afdelingen bevinden (afdeling XVI respectievelijk XVIII) kan een aantekening die slechts in een van deze afdelingen is opgenomen, in casu niet worden toegepast.(30) Ter terechtzitting waren ook de partijen het hiermee eens.
73. Bovendien bepaalt aantekening 1 op afdeling XVI, als ware het om een duidelijk onderscheid te maken tussen die twee delen van de GN dat „deze afdeling [...] m) artikelen bedoeld bij hoofdstuk 90 [...] [niet omvat]”.(31)
d) Algemene regel 3
i) Algemene opmerkingen
74. Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat in casu de algemene regels voor de interpretatie van de GN moeten worden toegepast. Deze zijn in titel I van de GN opgenomen. In het bijzonder wordt bij de indeling van producten die vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten algemene regel 3 toegepast.
75. In de eerste van de drie onderverdelingen van deze algemene regel heet het dat de post met de meest specifieke omschrijving voorrang heeft boven posten met een meer algemene strekking. Dit beginsel, dat in overeenstemming is met de algemene kenmerken van het indelingssysteem van de GN, is evenwel niet van nut in het onderhavige geval, aangezien de twee mogelijke indelingen van de betrokken producten even specifiek zijn en in verschillende hoofdstukken en afdelingen zijn opgenomen.
76. Algemene regel 3, sub b, bepaalt evenwel dat „mengsels [...] worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan [zij] hun wezenlijk karakter ontlenen”.
77. Zoals bleek uit de samenvatting van de standpunten van partijen, zijn de regeringen die opmerkingen hebben ingediend en de Commissie van mening dat dit voorschrift niet van toepassing is, aangezien het in casu niet mogelijk is een bestanddeel aan te duiden dat de in geding zijnde multifunctionele apparaten een specifiek wezenlijk karakter verleent.(32) Bijgevolg, zo stellen zij, moet algemene regel 3, sub c, worden toegepast.
78. Verzoeksters in de hoofdgedingen leggen daarentegen de nadruk op het onderscheid dat zou bestaan tussen algemene regel 3, sub b, enerzijds, en aantekening 3 op afdeling XVI anderzijds. In het bijzonder stellen zij dat een nauwkeurig onderscheid moet worden gemaakt tussen het in deze laatste bepaling opgenomen begrip „hoofdfunctie” en de begrippen „stof” en „goed” die een product kenmerken in de zin van algemene regel 3, sub b.
79. Het standpunt van verzoeksters valt te begrijpen, wanneer men bedenkt dat het vermogen van de in geding zijnde toestellen om zelfstandig fotokopieën te maken weliswaar een „functie” kan zijn, doch zeker niet identificeerbaar is als materieel bestanddeel van het product zelf. De aan de orde zijnde multifunctionele apparaten zijn immers samengesteld uit een print‑ en een scanmodule, die de enige twee materieel te onderscheiden bestanddelen zijn. Het vermogen om kopieën te maken is als het ware louter een „neveneffect” van de combinatie van deze twee modules.
80. Zou verzoeksters’ betoog dus worden gevolgd, dan zou bij de indeling als bedoeld in algemene regel 3, sub b, geen rekening mogen worden gehouden met het vermogen om fotokopieën te maken, nu het daarbij om een loutere „functie” gaat. Gezien het feit dat slechts mag worden gekeken naar de materiële bestanddelen van de producten, en dat deze uitsluitend kunnen worden ingedeeld onder hoofdstuk 84 van de GN, zou indeling onder hoofdstuk 90 onmogelijk zijn.
81. Ik ben evenwel van mening dat deze stelling niet kan worden aanvaard. Zoals immers de redenering van de regeringen die opmerkingen hebben ingediend en van de Commissie betreffende de mogelijkheid om aantekening 5 E op afdeling XVI in casu toe te passen, zou leiden tot een verkeerde opvatting van de GN-regeling, zo zou ook de door verzoeksters voorgestelde strikt letterlijke uitlegging van algemene regel 3, sub b, kunnen leiden tot even onaanvaardbare resultaten.
82. Een interpretatieve benadering waarbij uitsluitend wordt gezien naar de materiële bestanddelen van een polyvalent product zoals de in casu in geding zijnde multifunctionele apparaten, en volledig wordt voorbijgegaan aan de functies die deze apparaten vervullen, lijkt mij immers nogal beperkend te zijn. Dit geldt des te meer in een tijdperk waarin, als gevolg van het feit dat er steeds meer elektronische toestellen zijn, die steeds kleiner worden en – ingevolge de zogenoemde „technologische convergentie” – steeds vaker verschillende functies combineren, de mogelijkheid om alleen rekening te houden met uiterlijke of materiële bestanddelen van een in te delen product, steeds minder een bevredigend antwoord kan bieden.
83. Ik ben dan ook van mening dat de door het Hof in het arrest Xerox gegeven uitlegging volledig geldig blijft en helemaal niet het resultaat is van een schrijffout, zoals verzoeksters in de hoofdgedingen ter terechtzitting hebben gesuggereerd, en dat de desbetreffende kritiek(33) moet worden afgewezen.
84. In de zaak die door dat arrest is beslecht, diende het Hof zich uit te spreken over de tariefindeling van een multifunctioneel apparaat met fax‑ en fotokopieerfunctie. In het kader van zijn redenering heeft het Hof de toepassing van algemene regel 3, sub b, uitgesloten „omdat de betrokken apparaten geen functie bezitten aan de hand waarvan hun wezenlijke karakter kan worden bepaald” (mijn cursivering).(34) Het Hof gaat er met andere woorden van uit dat, wanneer dit in het licht van de technische kenmerken van het betrokken product noodzakelijk lijkt, ook bij de toepassing van algemene regel 3 rekening kan worden gehouden met de functie van dat product, ook al wordt in die bepaling niet naar de „functie”, maar alleen naar de „stof” en het „goed” verwezen.
ii) Toepassing van algemene regel 3 op het onderhavige geval
85. Bij toepassing van algemene regel 3 op de in geding zijnde producten, zij in de eerste plaats opgemerkt dat de vraag, of het bepaalde sub b dan wel sub c, van die bepaling, moet worden toegepast, in beginsel slechts van geval tot geval kan worden beoordeeld.
86. Hierdoor rijst in casu evenwel nog een probleem.
87. Wanneer immers wordt uitgegaan van de mijns inziens voor de hand liggende zienswijze dat de hoofdfuncties van de in geding zijnde multifunctionele apparaten de print‑ en de scanfunctie zijn, en dat de kopieerfunctie een nevenfunctie is, rijst de vraag, of bij de indeling het bepaalde sub b dan wel sub c moet worden toegepast.
88. Anderzijds zou, zelfs wanneer wordt aangenomen dat de print‑, de scan‑ en de kopieerfunctie even belangrijk zijn, dit niet afdoen aan het feit dat de print‑ en de scanfunctie, die allebei kunnen worden aangemerkt als „informaticafunctie” in de zin van de GN 2006, tezamen het merendeel uitmaken van de functies van de betrokken toestellen (tweederde van de functies).
89. Zou er maar één hoofdfunctie zijn, dan leed het geen twijfel dat het bepaalde sub b zou moeten worden toegepast. Kan daarentegen geen kenmerkend element worden vastgesteld, dan zou het bepaalde sub c moeten worden toegepast. In het onderhavige geval is er evenwel sprake van een dubbele „hoofdfunctie” (printen en scannen – twee functies die onder hoofdstuk 84 vallen) en van een enkele „nevenfunctie” (kopiëren – een functie die onder hoofdstuk 90 valt). Volgt uit de onmogelijkheid om een enkele hoofdfunctie vast te stellen, dat het bepaalde sub c moet worden toegepast, en dat de betrokken producten bijgevolg in hoofdstuk 90 worden ingedeeld?
90. Deze vraag lijkt mij ontkennend te moeten worden beantwoord, aangezien anders de indeling tot stand zou komen op basis van een relatief onbelangrijk nevenaspect van het in te delen product. Ik ben daarentegen van mening dat wanneer een welbepaald product meerdere „hoofdfuncties” (of, vanuit materieel oogpunt, meerdere verschillende bestanddelen) heeft, die evenwel onder eenzelfde hoofdstuk of afdeling van de GN vallen, bedoeld product moet worden ingedeeld in dat hoofdstuk of in die afdeling, waarbij de aantekeningen op dat hoofdstuk of die afdeling eventueel moeten worden toegepast met het oog op de exacte vaststelling van de post waaronder het product moet worden ingedeeld.
91. Mede op grond van ter terechtzitting overgelegde informatie concludeer ik dat post 8471 60 in hoofdstuk 84, waar ook de verwijzende rechter naar verwijst, de meest geschikte tariefpost is voor de indeling van de betrokken apparaten.
e) Voorlopige conclusie
92. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de eerste vier prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
1. De kopieerfunctie van multifunctionele apparaten zoals de in het onderhavige geding beschreven apparaten, is „een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” in de zin van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de GN.
2. Het bestaan van deze eigen functie sluit de indeling in de categorie informaticaproducten van hoofdstuk 84 slechts dan ingevolge aantekening 5 E uit, wanneer deze functie de enige functie is van het in te delen toestel.
3. In het kader van de GN 2006 moeten multifunctionele apparaten met een print‑, een scan‑ en een kopieerfunctie worden ingedeeld aan de hand van algemene regel 3. Wanneer het mogelijk is één enkele overheersende functie vast te stellen, of een samenstel van overheersende functies die onder dezelfde afdeling of hetzelfde hoofdstuk van de GN kunnen worden ingedeeld, moet de indeling geschieden aan de hand van algemene regel 3, sub b, waarbij eventueel de aantekeningen op die afdeling of dat hoofdstuk worden toegepast. In het tegenovergestelde geval vindt het bepaalde sub c toepassing.
4. Multifunctionele apparaten zoals die welke in het onderhavige geding aan de orde zijn, moeten worden ingedeeld onder post 8471 60 van de GN 2006.
C – Geldigheid van verordening nr. 400/2006
1. Argumenten van partijen
93. Verzoeksters benadrukken de noodzaak om verordening nr. 400/2006 nietig te verklaren. Zoals reeds werd opgemerkt, heeft de Commissie in deze verordening een multifunctioneel apparaat dat de functies van scanner, laserprinter en kopieertoestel verricht, ingedeeld onder post 9009 12 00. Deze indeling werd in het bijzonder vastgesteld op basis van de toepassing van de hierboven uiteengezette bepalingen, aangezien „het toestel over verschillende functies [beschikt], maar geen enkele daarvan kan worden geacht het product zijn wezenlijke karakter te verlenen”.
94. Volgens verzoeksters moet het product dat in die verordening van de Commissie aan de orde is, evenwel in hoofdstuk 84 van de GN worden ingedeeld, zoals zij dit ook voorstellen voor de in casu in geding zijnde producten. Dit vloeit voort uit de toepassing van de hierboven uiteengezette logica en uitlegging.
95. De Commissie is daarentegen van mening dat de vijfde vraag, gelet op de door haar voorgestelde antwoorden op de eerste vier vragen, niet hoeft te worden beantwoord.(35)
96. De Franse en de Nederlandse regering geven het Hof in overweging, op grond van in wezen identieke gronden te verklaren dat verordening nr. 400/2006 geldig is.(36) De Poolse regering bespreekt de vraag uitvoeriger en spreekt zich in dezelfde zin uit(37), waarbij zij bovendien benadrukt dat het wenselijk is dat het Hof, wanneer het de verordening toch nietig zou verklaren, de nodige bepalingen vaststelt om de gevolgen van zijn uitspraak te beperken in de tijd.(38)
2. Beoordeling
97. De partijen in de onderhavige zaak lijken ervan uit te gaan dat er sprake is van een parallellisme tussen, enerzijds, de uitspraak van het Hof inzake de indeling van de in geding zijnde multifunctionele apparaten, en anderzijds, de geldigheid van verordening nr. 400/2006. Ik ben evenwel van mening dat de twee vragen duidelijk van elkaar moeten worden onderscheiden.
98. Zoals het Hof duidelijk heeft vastgesteld, is een indelingsverordening immers slechts van toepassing wanneer de in het concrete geval in te delen producten daadwerkelijk overeenstemmen met de in bedoelde verordening aan de orde zijnde producten. Dit vereist met name dat de producten niet alleen dezelfde functies moeten hebben, maar ook dat wanneer zij meerdere functies vervullen, zij dezelfde hoofdfunctie moeten hebben.(39)
99. In dat verband komt de in de indelingsverordening opgenomen motivering bijzonder belang toe.(40)
100. Mijns inziens kunnen de in deze zaak aan de orde zijnde multifunctionele toestellen niet worden geacht overeen te stemmen met het apparaat dat aan de orde was in verordening nr. 400/2006.
101. In de eerste plaats zij opgemerkt dat de Commissie, onder de gronden die haar ertoe hebben gebracht het in verordening nr. 400/2006 aan de orde zijnde product onder post 9009 12 00 van de GN in te delen, in de motivering van de verordening een hoofdrol heeft toegekend aan het feit dat geen van de functies van het toestel kon worden geacht de belangrijkste te zijn. Zoals wij hebben gezien, lijken in het onderhavige geval daarentegen de print‑ en de scanfunctie te prevaleren.
102. Voorts zij opgemerkt dat de Commissie bij de technische kenmerken van het in verordening nr. 400/2006 aan de orde zijnde apparaat, heeft gepreciseerd dat „het toestel over verschillende laden voor papier [beschikt] en in staat [is] tot 40 bladzijden op A4-formaat per minuut te reproduceren”. Klaarblijkelijk gaat het dus om een product met bijzonder geavanceerde kopieerfuncties, dat naar alle waarschijnlijkheid ook beschikt over een module voor automatische aanvoer van de te kopiëren bladzijden. Daarentegen gaat het bij de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde apparaten vanuit dit oogpunt om totaal andere toestellen, alleen al omdat zij in vergelijking over een heel rudimentaire kopieerfunctie beschikken.(41)
103. Volgt men de hierboven door mij voorgestelde interpretatieve benadering van aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN 2006, dan kan er maar een kritische opmerking worden gemaakt betreffende de betrokken verordening, namelijk dat aantekening 5 E daarin is vermeld als een van de bij de indeling toegepaste bepalingen. Zoals wij hebben gezien, lijkt die bepaling immers moeilijk te kunnen worden toegepast in het geval van multifunctionele toestellen waarmee kan worden geprint, gescand en gekopieerd. Anderzijds is het mijns inziens duidelijk dat, zelfs indien deze normatieve verwijzing zou worden weggelaten, de in verordening nr. 400/2006 voorgestelde indeling zonder enig probleem kan worden gebaseerd op de overige vermelde bepalingen, en inzonderheid op algemene regel 3, sub c.
104. Mitsdien zijn er mijns inziens geen feiten of omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat verordening nr. 400/2006 ongeldig is.
V – Conclusie
105. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vragen van het Tribunal d’instance du VIIe arrondissement de Paris als volgt te beantwoorden:
„1) De kopieerfunctie van multifunctionele apparaten zoals de in het onderhavige geding beschreven apparaten, is ‚een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking’ in de zin van aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de gecombineerde nomenclatuur.
2) Het bestaan van deze eigen functie sluit de indeling in de categorie informaticaproducten van hoofdstuk 84 slechts dan ingevolge aantekening 5 E uit, wanneer deze functie de enige functie is van het in te delen toestel.
3) In het kader van de gecombineerde nomenclatuur 2006 moeten multifunctionele apparaten met een print‑, een scan‑ en een kopieerfunctie worden ingedeeld aan de hand van algemene regel 3. Wanneer het mogelijk is één enkele overheersende functie vast te stellen, of een samenstel van overheersende functies die onder dezelfde afdeling of hetzelfde hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur kunnen worden ingedeeld, moet de indeling geschieden aan de hand van algemene regel 3, sub b, waarbij eventueel de aantekeningen op die afdeling of dat hoofdstuk worden toegepast. In het tegenovergestelde geval vindt het bepaalde sub c toepassing.
4) Multifunctionele apparaten zoals die welke in het onderhavige geding aan de orde zijn, moeten worden ingedeeld onder post 8471 60 van de gecombineerde nomenclatuur 2006.
5) Bij het onderzoek van de vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 400/2006 van de Commissie van 8 maart 2006 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – Verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 286, blz. 1).
3 – Verordening (EG) nr. 400/2006 van de Commissie van 8 maart 2006 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB L 70, blz. 9).
4 – PB L 155, blz. 1. In mei 2008 hebben de Verenigde Staten bij de WTO een formele klacht ingediend tegen de douanepraktijk van de Gemeenschap betreffende, onder meer, multifunctionele apparaten als die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn. Bij het opstellen van deze conclusie waren in dat verband slechts algemene persberichten beschikbaar, zodat een nauwkeurige beoordeling ter zake nog niet mogelijk is.
5 – Hier weergegeven is de tekst van de vragen in zaak C‑362/07. De tekst van de vragen in zaak C‑363/07 is in wezen identiek, op een klein verschil in de derde vraag na. Daarin ontbreekt de vermelding van een computer als een van de bestanddelen van de betrokken apparaten, die dus slechts twee in plaats van drie modules bevatten.
6 – Zie verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 286, blz. 1).
7 – Schriftelijke opmerkingen van verzoeksters, punten 37 en 38.
8 – Arrest van 9 oktober 1997, Rank Xerox Manufacturing (C‑67/95, Jurispr. blz. I‑5401).
9 – Ibidem, punt 30. Volgens verzoeksters wist het Gerecht van eerste aanleg daarentegen een dergelijke vergissing te vermijden in zijn arrest van 30 september 2003, Sony Computer Entertainment Europe/Commissie (T‑243/01, Jurispr. blz. II‑4189, punt 124): zie in dat verband verzoeksters’ schriftelijke opmerkingen, punten 41‑43.
10 – Zie verzoeksters’ schriftelijke opmerkingen, punt 48.
11 – Ibidem, punten 66 en volgende.
12 – Ibidem, punt 71.
13 – Ibidem, punten 56 en volgende.
14 – Opmerkingen van de Commissie, punten 32‑37, van de Franse regering, punten 23‑27, van de Nederlandse regering, punten 27‑28, en van de Poolse regering, punt 25.
15 – Zie de opmerkingen van de Commissie, punten 43 en volgende, van de Franse regering, punten 51‑56, van de Nederlandse regering, punten 31‑39, en van de Poolse regering, punt 22-24.
16 – Zie voor een beschrijving van de samenhang tussen de bepalingen van de GN en het in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte geharmoniseerde systeem: arrest van 12 januari 2006, ASAD (C‑311/04, Jurispr. blz. I‑609, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 – Zie hierboven punt 13.
18 – Zie hieronder punten 67 en volgende.
19 – Zie bijvoorbeeld arrest van 18 december 1997, Techex (C‑382/95, Jurispr. blz. I‑7363, punt 11); arrest ASAD, aangehaald in voetnoot 16, punt 26; arresten van 4 maart 2004, Krings (C‑130/02, Jurispr. blz. I‑2121, punt 28), en 17 maart 2005, Ikegami (C‑467/03, Jurispr. blz. I‑2389, punt 17).
20 – Zie arresten van 10 oktober 1985, Daiber (200/84, Jurispr. blz. 3363, punten 13‑14), en 19 mei 1994, Siemens Nixdorf (C‑11/93, Jurispr. blz. I‑1945, punten 11‑12); arrest Techex, aangehaald in voetnoot 19, punt 12, arresten van 18 juli 2007, Olicom (C‑142/06, Jurispr. blz. I‑6675, punt 17), en 5 juni 2008, JVC France (C‑312/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34).
21 – Verderop in deze conclusie zal dit inzonderheid blijken bij de bespreking van aantekening 3 op afdeling XVI van de GN 2006: zie punten 70 e.v. van deze conclusie.
22 – Zie arrest Ikegami, aangehaald in voetnoot 19. Zie inzonderheid punt 12.
23 – Arrest Ikegami, aangehaald in voetnoot 19. Zie voor de overwegingen aangaande de wijze waarop het product werd verhandeld en aangeboden, alsmede de personen voor wie het bestemd was, inzonderheid de punten 21, 23 en 24 van het arrest. Zie in deze zin ook de overwegingen van advocaat-generaal Kokott in punt 55 van haar conclusie van 20 januari 2005 in deze zaak. Zie eveneens arrest Olicom, aangehaald in voetnoot 20, punt 18 en aldaar aangehaalde jurisprudentie.
24 – Arresten Olicom, aangehaald in voetnoot 20, punt 30 (betreffende netwerkkaarten met modemfunctie), en Techex, aangehaald in voetnoot 20, punt 21 (grafische kaarten voor computers); arrest van 19 oktober 2000, Peacock (C‑339/98, Jurispr. blz. I‑8947, punten 16 en 17) (netwerkkaarten); arrest Siemens Nixdorf, aangehaald in voetnoot 20, punt 16 (computerschermen); arresten van 10 mei 2001, Cabletron (C‑463/98, Jurispr. blz. I‑3495, punt 27) (uiteenlopende netwerkapparatuur), en 7 juni 2001, CBA (C‑479/99, Jurispr. blz. I‑4391, punt 27) (geluidskaarten voor computers).
25 – Arrest van 17 mei 2001, Hewlett Packard (C‑119/99, Jurispr. blz. I‑3981). Zie evenwel de conclusie van advocaat-generaal Mischo van 18 januari 2001 in deze zaak (inzonderheid de punten 13‑18), waarin de ongeldigheid wordt aangenomen van een verordening die voor alle multifunctionele apparaten die een fax omvatten, automatisch voorziet in de indeling van deze toestellen op basis van de faxfunctie.
26 – Dit niettegenstaande het feit dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, technologische ontwikkelingen de gemeenschapsinstellingen weliswaar nopen tot aanpassing van de GN, maar geen rechtvaardiging zijn voor een andere inhoudelijke uitlegging van de GN, zolang deze niet is gewijzigd [arrest van 19 november 1981, Analog Devices (122/80, Jurispr. blz. 2781, punt 12) en arrest Rank Xerox Manufacturing, aangehaald in voetnoot 8, punt 22].
27 – Zoals algemeen bekend heeft het Hof meermaals vastgesteld dat een WTO-overeenkomst slechts onder zeer strikte voorwaarden kan worden gebruikt als maatstaf bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling. Aan die voorwaarden lijkt in casu niet te zijn voldaan. Zie met name arrest van 30 september 2003, Biret & Cie/Raad (C‑94/02 P, Jurispr. blz. I‑10565, punten 55‑56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarin heeft het Hof vastgesteld dat de toetsing van de wettigheid van een gemeenschapshandeling aan een WTO-overeenkomst vereist dat „de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of [dat] de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst”. Aan deze voorwaarden is niet voldaan in het geval van de GN.
28 – Zie inzake deze verplichting, in het algemeen, arresten van 24 november 1992, Poulsen (C‑286/90, Jurispr. blz. I‑6019, punt 9); 10 september 1996, Commissie/Duitsland (C‑61/94, Jurispr. blz. I‑3989, punt 52), en 14 juli 1998, Bettati (C‑341/95, Jurispr. blz. I‑4355, punt 20). Wat specifiek de TRIPs-overeenkomst betreft, die een onderdeel is van het WTO-systeem en de kenmerken ervan deelt, zie arresten van 16 juni 1998, Hermès International (C‑53/96, Jurispr. blz. I‑3603, punt 28); 14 december 2000, Dior e.a. (C‑300/98 en C‑392/98, Jurispr. blz. I‑11307, punt 47), en 16 november 2004, Anheuser-Busch (C‑245/02, Jurispr. blz. I‑10989, punt 55).
29 – Punt 36.
30 – Zie arrest Rank Xerox Manufacturing, aangehaald in voetnoot 8, punten 28‑29.
31 – Voorts moet het argument worden afgewezen, dat met name door de Commissie wordt aangevoerd en volgens hetwelk aantekening 1, sub m, van afdeling XVI in de weg zou staan aan de indeling van de betrokken producten in deze afdeling, daar deze immers ook in hoofdstuk 90 zouden kunnen worden ingedeeld. Aantekening 1, sub m, doet weliswaar het duidelijke onderscheid tussen de twee afdelingen uitkomen, maar preciseert niet dat in geval van twijfel tussen hoofdstuk 90 en een hoofdstuk van afdeling XVI, de voorkeur aan hoofdstuk 90 moet worden gegeven.
32 – Zie hierboven, punt 30.
33 – Zie hierboven, punt 22.
34 – Arrest Rank Xerox Manufacturing, aangehaald in voetnoot 8, punt 30.
35 – Opmerkingen van de Commissie, punt 51.
36 – Opmerkingen van de Franse regering, punt 58; opmerkingen van de Nederlandse regering, punt 40.
37 – Opmerkingen van de Poolse regering, punten 28‑34.
38 – Ibidem, punten 35 en volgende.
39 – Arrest Hewlett Packard, aangehaald in voetnoot 25, punten 21‑22. Ofschoon het Hof heeft erkend dat de toepassing naar analogie van een indelingsverordening in beginsel mogelijk is (arrest Krings, aangehaald in voetnoot 19, punt 35), is mijns inziens in casu niet voldaan aan de voorwaarden daarvoor.
40 – Arrest Hewlett Packard, aangehaald in voetnoot 25, punt 20.
41 – Hierbij kan misschien worden opgemerkt dat in de recentere versies van de GN de kopieersnelheid van multifunctionele apparaten onder post 8443 31 bepalend is voor de indeling ervan en voor de eventuele heffing van een recht.
Full & Egal Universal Law Academy