CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 23 april 2009 (1)
Zaak C‑370/07
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Raad van de Europese Unie
„Besluit – Beschikking sui generis – Vaststelling van standpunten die namens de Gemeenschap in een uit hoofde van een akkoord opgericht lichaam moeten worden ingenomen – Motiveringsplicht – Vermelding rechtsgrondslag – 14e Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier‑ en plantensoorten (CITES)”
I – Inleiding
1. In het onderhavige geding is de vraag aan de orde in welke gevallen een handeling van de Gemeenschappen de rechtsgrondslag moet vermelden en welke gevolgen het ontbreken van een dergelijke vermelding heeft.
2. Het beroep heeft betrekking op het besluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het namens de Europese Gemeenschap in te nemen standpunt ten aanzien van bepaalde voorstellen waarover tijdens de 14e vergadering van de Conferentie van de Partijen (hierna: „COP14”) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier‑ en plantensoorten (CITES)(2) van 3 tot 15 juni 2007 werd gediscussieerd. De Commissie verzoekt om nietigverklaring van dit besluit omdat de Raad hierin geen rechtsgrondslag heeft aangegeven.
II – Rechtskader
3. Artikel 253 EG bepaalt:
„De verordeningen, richtlijnen en beschikkingen die door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk worden aangenomen, en de verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Raad of van de Commissie worden met redenen omkleed en verwijzen naar de voorstellen of adviezen welke krachtens dit Verdrag moeten worden gevraagd.”
4. Artikel 300, lid 2, EG regelt onder meer de procedure voor het vastleggen van standpunten van de Gemeenschap die namens haar in de lichamen van internationale organisaties worden ingenomen:
„Onder voorbehoud van de aan de Commissie te dezer zake toegekende bevoegdheden, neemt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie een besluit over de ondertekening, die vergezeld kan gaan van een besluit inzake de voorlopige toepassing vóór de inwerkingtreding, en over de sluiting van de akkoorden. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen wanneer het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor, wat de aanneming van de interne voorschriften betreft, eenparigheid vereist is, alsook wanneer het gaat om akkoorden zoals bedoeld in artikel 310.
In afwijking van lid 3 zijn dezelfde procedures van toepassing voor een besluit tot opschorting van de toepassing van een akkoord en voor het bepalen van de standpunten die namens de Gemeenschap worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen, met uitzondering van besluiten tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het akkoord.
Het Europees Parlement wordt onverwijld en volledig op de hoogte gebracht van elk besluit uit hoofde van dit lid dat betrekking heeft op de voorlopige toepassing of de opschorting van akkoorden, of de bepaling van het standpunt van de Gemeenschap in een bij een akkoord opgericht lichaam.”
5. In de punten 2 tot en met 4 van de considerans van het besluit worden de redenen voor het vastleggen van een gemeenschappelijk standpunt toegelicht:
„(2) Wijzigingen van de bijlagen van de CITES en bepaalde resoluties van de Conferentie van de Partijen zijn doorgaans van invloed op de desbetreffende wetgeving van de Gemeenschap en kunnen een wijziging daarvan noodzakelijk maken.
(3) Doordat de ‚Gaborone-clausule’ bij de CITES nog niet in werking is getreden, is de Gemeenschap nog geen partij bij de overeenkomst.
(4) In gevallen waarin communautaire regels zijn vastgesteld voor de verwezenlijking van de Verdragsdoelstellingen, kunnen de lidstaten buiten het kader van de communautaire instellingen geen verplichtingen aangaan die deze regels kunnen beïnvloeden of het toepassingsgebied daarvan kunnen veranderen.”
6. De twee artikelen van het besluit bepalen:
„Artikel 1
Met betrekking tot de gebieden waarvoor de Gemeenschap bevoegd is, stemt het standpunt van de Gemeenschap dat door gezamenlijk in het belang van de Gemeenschap handelende lidstaten zal worden vertegenwoordigd op COP14 van de CITES, overeen met de bijlagen bij dit besluit.
Artikel 2
Wanneer nieuwe, na de vaststelling van dit besluit en vóór of tijdens COP14 gepresenteerde wetenschappelijke of technische informatie van invloed kan zijn op het in artikel 1 bedoelde standpunt, of wanneer er op die vergadering nieuwe voorstellen worden gedaan over zaken waarover de Gemeenschap nog geen standpunt heeft ingenomen, wordt, wat de gebieden betreft waarvoor de Gemeenschap bevoegd is, het standpunt van de Gemeenschap inzake de desbetreffende voorstellen via coördinatie ter plaatse bepaald vóórdat deze voorstellen op de COP in stemming worden gebracht.”
III – Achtergrond van het geschil
7. Het bestreden besluit had tot doel het door de lidstaten bij COP14 in te nemen standpunt op gemeenschapsniveau intern voor te bereiden.
8. De CITES-overeenkomst is een internationale overeenkomst die ten doel heeft de bedreigde dier‑ en plantensoorten te beschermen door controle op de internationale handel in specimens van deze soorten.(3)
9. De Europese Gemeenschap is tot dusver geen partij bij de overeenkomst.(4) Haar toetreding hangt af van een wijziging van de CITES-overeenkomst, die nog niet in werking is getreden. De Europese Gemeenschap is derhalve momenteel slechts waarneemster bij de conferenties van de partijen bij de CITES-overeenkomst. Sinds 1982 stelt de Gemeenschap echter autonoom maatregelen vast waarmee zij de uit de CITES-overeenkomst voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten in de Gemeenschap implementeert alsof zij zelf partij bij de overeenkomst zou zijn.(5)
10. De meest recente maatregel ter uitvoering van de CITES-overeenkomst is verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier‑ en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer.(6) Rechtsgrondslag van deze verordening is artikel 130 S, lid 1, EG-Verdrag, thans artikel 175, lid 1, EG.
11. Van 3 tot en met 14 juni 2007 werd in Den Haag de 14e Conferentie van de partijen bij de CITES-overeenkomst gehouden. Op deze conferentie werden onder andere wijzigingen besproken in de bijlagen bij de overeenkomst, waarin de beschermde soorten worden opgesomd.(7)
12. De Commissie keurde op 4 april 2007 een voorstel goed voor een besluit van de Raad tot vaststelling van het namens de Europese Gemeenschap in te nemen standpunt ten aanzien van bepaalde voorstellen die aan deze conferentie zouden worden voorgelegd.(8) Als rechtsgrondslagen voor dit ontwerpbesluit vermeldde zij artikel 175, lid 1, EG (milieubeleid), artikel 133 EG (handelsbeleid) en artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG.
13. De Raad stelde vervolgens op 24 mei 2007 met algemene stemmen de bestreden handeling, met het opschrift „Besluit van de Raad”(9), vast, zonder echter een rechtsgrondslag aan te geven.(10)
14. De Commissie stelt onweersproken dat de Raad heeft besloten geen rechtsgrondslag te noemen omdat geen overeenstemming over de te vermelden rechtsgrondslag kon worden bereikt. Sommige vertegenwoordigers waren gekant tegen een dubbele materiële rechtsgrondslag, in de vorm van de artikelen 175, lid 1, EG en 133 EG, en pleitten ervoor alleen artikel 175, lid 1, EG te vermelden. Anderen maakten bezwaar tegen de formele rechtsgrondslag van artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG.
15. De Commissie was van mening dat een rechtsgrondslag diende te worden vermeld en sprak zich voorafgaande aan de vaststelling van het besluit door de Raad uit voor een uitdrukkelijke verwijzing naar de artikelen 133, 175, lid 1, en 300, lid 2, tweede alinea, EG.
IV – Procesverloop voor het Hof
16. Bij verzoekschrift van 1 augustus 2007 stelde de Commissie op basis van artikel 230 EG beroep in tegen het „besluit van de Raad tot vaststelling van het namens de Europese Gemeenschap in te nemen standpunt ten aanzien van bepaalde voorstellen die worden voorgelegd aan de van 3 tot 15 juni 2007 in Den Haag, Nederland, te houden 14e vergadering van de Conferentie van de Partijen (COP14) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier‑ en plantensoorten (CITES)”.
17. De Commissie verzoekt het Hof
– het besluit nietig te verklaren en
– de Raad te verwijzen in de kosten.
18. De Raad verzoekt het Hof
– het beroep te verwerpen,
– subsidiair, voor het geval dat het Hof het bestreden besluit nietig verklaart, vast te stellen dat de gevolgen ervan blijven gehandhaafd, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
19. Bij beschikking van de president van 20 november 2007 heeft het Hof het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten als interveniënt aan de zijde van de Raad.
20. Bij het Hof zijn over het beroep van de Commissie eerst schriftelijke opmerkingen ingediend, en vervolgens heeft er op 4 maart 2009 een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
V – Juridische beoordeling
A – Ontvankelijkheid
21. Om te beginnen moet worden nagegaan of het bestreden besluit wel een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG is. Deze vraag dient door het Hof ambtshalve te worden onderzocht.
22. Een besluit van de Raad waarmee een standpunt van de Gemeenschap wordt vastgelegd, vormt ongetwijfeld een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG. Ingevolge dat artikel zijn de handelingen van de Raad namelijk vatbaar voor toetsing door het Hof, en volgens vaste rechtspraak staat beroep tot nietigverklaring open tegen alle maatregelen van de instellingen, ongeacht de aard of vorm ervan, die rechtsgevolgen beogen teweeg te brengen.(11)
23. Dit ligt echter anders bij een besluit van de vertegenwoordigers van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, waarmee de lidstaten hun externe optreden coördineren. Een dergelijk besluit is geen handeling waartegen op grond van artikel 230, eerste alinea, EG kan worden opgekomen.(12) In dat geval is er namelijk geen sprake van een handeling van de Raad, maar van een gemeenschappelijke handeling van de vertegenwoordigers van de lidstaten.
24. In het onderhavige geschil gaat het niet om het normale geval van bepaling van een standpunt van de Gemeenschap dat betrekking heeft op een overeenkomst waarbij de Gemeenschap is aangesloten. De Gemeenschap is immers juist geen partij bij de CITES-overeenkomst. Aangezien de Gemeenschap daarom niet als partij bij de CITES-overeenkomst aan de conferentie kan deelnemen, legt de bestreden handeling ook niet het door de Gemeenschap in te nemen standpunt vast, maar het standpunt dat de lidstaten, die als enigen partij bij de overeenkomst zijn, bij de conferentie zullen bepleiten.
25. Tegen deze achtergrond moet worden onderzocht of het in casu om een handeling van de Raad gaat of om een besluit van de vertegenwoordigers van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen.
26. De tekst van het besluit duidt erop dat het om een handeling van de Raad gaat. Hierin wordt namelijk uitdrukkelijk gesteld dat de Raad van de Europese Unie het besluit neemt. Uit punt 2 van de considerans van de bestreden handeling volgt dat wijzigingen van de CITES-overeenkomst van invloed kunnen zijn op de desbetreffende wetgeving van de Gemeenschap. Het besluit legt derhalve vast welk standpunt de lidstaten op de conferentie zullen innemen. In artikel 1 van de handeling wordt vervolgens gerept van „het standpunt van de Gemeenschap dat door gezamenlijk in het belang van de Gemeenschap handelende lidstaten zal worden vertegenwoordigd”.
27. Hieruit volgt dat de bestreden handeling een handeling van de Raad is.
28. Bovendien is een op grond van artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG vastgesteld besluit van de Raad geen loutere voorbereidingshandeling, maar het eindpunt van het besluitvormingsproces binnen de Gemeenschap. Hierin wordt definitief en met bindende werking het standpunt van de Gemeenschap vastgesteld, dat later in internationale lichamen dient te worden verdedigd.(13) Aangezien het besluit de lidstaten voorschrijft welke standpunten zij op de COP14 dienen in te nemen, brengt het ook bindende rechtsgevolgen teweeg. Dit betekent dat het een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG is.
29. Ten slotte wil ik nog ingaan op het argument van de Raad dat het beroep niet ontvankelijk is omdat de bestreden handeling haar gevolgen reeds heeft gesorteerd en het beroep daarom zonder voorwerp is.
30. Om te beginnen herinner ik eraan dat de uitoefening van het recht van beroep in het geval van een geprivilegieerde verzoeker niet afhangt van het bestaan van een procesbelang.(14)
31. Maar zelfs indien een procesbelang noodzakelijk was, zou dit in het onderhavige geval bestaan. Met betrekking tot beroepen van particulieren tegen de Commissie heeft het Hof namelijk reeds beslist dat het procesbelang van de verzoeker niet vervalt doordat de bestreden handeling ten tijde van instelling van het beroep reeds is uitgevoerd(15) of niet meer toepasselijk is.(16) Het Hof gaat er in een dergelijke situatie van uit dat het procesbelang voortvloeit uit het feit dat met een beroep kan worden voorkomen dat de beweerde onrechtmatigheid zich nog eens voordoet.
32. De Commissie heeft in casu benadrukt dat zij met haar beroep wil voorkomen dat de Raad in de toekomst vergelijkbare besluiten vaststelt zonder een rechtsgrondslag te vermelden. Hiermee heeft zij op overtuigende wijze kenbaar gemaakt dat een risico van herhaling bestaat.
33. Het beroep van de Commissie is dan ook ontvankelijk.
B – Gegrondheid
34. Het beroep van de Commissie is gebaseerd op één enkele nietigheidsgrond, namelijk dat het bestreden besluit geen rechtsgrondslag vermeldt. Dit is in strijd met wezenlijke vormvoorschriften, in het bijzonder de motiveringsplicht van artikel 235 EG, en heeft de nietigheid van de handeling tot gevolg.
1. Verplichte vermelding van de rechtsgrondslag
35. Artikel 253 EG bepaalt dat verordeningen, richtlijnen en beschikkingen met redenen moeten worden omkleed. Het vereiste van vermelding van de rechtsgrondslag maakt deel uit van de motiveringsplicht.(17)
36. Artikel 249 EG bevat een opsomming van de handelingen waarvan de gemeenschappelijke instellingen gebruik kunnen maken bij het vervullen van hun taken. Dit zijn verordeningen, richtlijnen, beschikkingen, aanbevelingen en adviezen.
37. In casu twisten partijen over de vraag of de bestreden handeling, die in de Duitse taalversie met „Beschluss” (besluit) is aangeduid, een beschikking sui generis is dan wel een beschikking in de zin van artikel 249 EG, waarvoor de motiveringsplicht van artikel 253 EG geldt.
38. De Commissie is van mening dat een besluit dat overeenkomstig artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG een standpunt van de Gemeenschap vastlegt, een beschikking in de zin van artikel 249 EG is en dus ook overeenkomstig artikel 253 EG met redenen moet worden omkleed.
39. Volgens de Raad daarentegen is artikel 253 EG op een handeling als de onderhavige niet van toepassing. Bij het vastleggen van een standpunt overeenkomstig artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG gaat het om een beschikking sui generis, die geen beschikking in de zin van artikel 249 EG is en dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 253 EG valt. Daarom geldt voor het bestreden besluit zijns inziens ook geen motiveringsplicht.
40. De Commissie argumenteert vooral dat de meeste taalversies van het Verdrag voor de in artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG bedoelde handeling een begrip gebruiken waarmee artikel 253 EG één van de motiveringsplichtige handelingen kwalificeert. Zo bezigt de Franse taalversie in beide bepalingen het begrip „décision”, de Engelse taalversie het begrip „decision”.
41. De Raad voert van zijn kant aan dat in vier taalversies van het Verdrag een begripsmatig onderscheid wordt gemaakt. In de Duitse taalversie noemt artikel 253 EG het begrip „Entscheidung”, terwijl artikel 300, lid 2, tweede en derde alinea, EG spreekt van „Beschluss”. Het Deens maakt een onderscheid tussen „afgørelse” en „beslutning”, het Nederlands tussen „beschikking” en „besluit”, het Sloveens ten slotte tussen „odločba” en „sklep”. Uit dit begripsmatige onderscheid volgt in de ogen van de Raad dat de vaststelling van een standpunt overeenkomstig artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG een beschikking sui generis en dus geen beschikking in de zin van de artikelen 249 en 253 EG is.
42. De regering van het Verenigd Koninkrijk verwijst ter onderbouwing van de argumentatie van de Raad naar de ontstaansgeschiedenis van artikel 300, lid 2, EG. Vóór de door het Verdrag van Nice aangebrachte wijzigingen stelde de Raad handelingen ter bepaling van standpunten van de Gemeenschap vast in de vorm van beschikkingen sui generis. Met deze wijzigingen ging het de lidstaten niet erom de beschikkingen sui generis te vervangen door beschikkingen in de zin van artikel 249 EG.
43. In wezen argumenteren partijen op zuiver terminologisch niveau, door naar de verschillende taalversies van artikel 300, lid 2, EG te verwijzen.
44. Het feit dat de meeste taalversies in artikel 300, lid 2, EG de handeling omschrijven met een term die ook in de artikelen 249 en 253 EG wordt gebruikt, is echter hooguit een eerste aanwijzing dat de Commissie het bij rechte eind heeft.(18) Doorslaggevend is dit nog niet, aangezien alle taalversies principieel gelijkwaardig zijn.(19) Indien de taalversies van elkaar afwijken, moet de betekenisinhoud, gelet op de noodzaak van uniforme uitlegging, langs systematische en teleologische weg worden bepaald.(20)
45. Tegen een alleen bij de terminologie van artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG aanknopende argumentatie pleit overigens ook dat het geenszins evident is dat een situatie als die in casu überhaupt binnen de werkingssfeer van die bepaling valt. Op het eerste gezicht is artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG namelijk alleen van toepassing bij overeenkomsten waarbij de Gemeenschap zelf partij is. In het onderhavige geval is zij echter juist geen partij bij de CITES-overeenkomst. Mocht deze bepaling dus inderdaad niet de relevante rechtsgrondslag zijn, zou een argumentatie die het motiveringsvereiste uitsluitend afleidt uit het in artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG gebezigde begrip, klem lopen.
46. Ter beoordeling van de vraag of in het bestreden besluit al dan niet de rechtsgrondslag diende te worden vermeld, kan derhalve niet alleen worden uitgegaan van het in artikel 300, lid 2, EG gebruikte begrip. Relevant zijn veeleer de materiële criteria waaraan een handeling moet voldoen om als met redenen te omkleden beschikking in de zin van de artikelen 249 EG en 253 EG te worden gekwalificeerd.
47. Een „beschikking” in de zin van artikel 249 EG wordt in materieel opzicht gekenmerkt door het feit dat zij bindende en directe rechtsgevolgen en een adressaat heeft.
48. In het normale geval waarvan artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG uitgaat, wordt een standpunt van de Gemeenschap vastgelegd dat de Commissie in een lichaam van een internationale organisatie waarvan de Gemeenschap lid is, dient in te nemen. Een dergelijke handeling heeft geen rechtstreekse adressaat, aangezien zij alleen gemeenschapsintern het optreden van een andere instelling bepaalt. Dit pleit ervoor dat een dergelijke handeling geen beschikking in de zin van artikel 249 EG is, maar een beschikking sui generis.
49. Kenmerkend voor het onderhavige geval is echter dat de handeling tot de lidstaten gericht is. Zij legt het door de lidstaten in te nemen standpunt vast, aangezien de Gemeenschap juist geen lid van de internationale organisatie is, alhoewel ze in de ogen van de Raad en de Commissie gemeenschapsintern bevoegd is voor de overeenkomst. De bestreden handeling heeft dus als adressaten de lidstaten, hetgeen ook de Raad erkent. Dit betekent dat zij meer weg heeft van een beschikking in de zin van artikel 249 EG dan van het normale geval van artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG.
50. In wezen kan de kwalificatie als beschikking in de zin van artikel 249 EG dan wel beschikking sui generis in casu echter in het midden blijven.
51. Want ook indien de handeling als beschikking sui generis moet worden aangemerkt, geldt hiervoor een motiveringsplicht. Dit volgt al naargelang van het dogmatische uitgangspunt ofwel uit een ruime uitlegging van het begrip „beschikking” in artikel 253 EG ofwel uit de analoge toepassing ervan. Naast de principieel bestaande motiveringsplicht speelt het aspect van de omvang van de motiveringsplicht (uitsluitend vermelding van de rechtsgrondslag of een verdergaande redengeving), waarop ik nog nader zal ingaan, een rol.
52. Overeenkomstig de in artikel 253 EG van het Verdrag verankerde motiveringsplicht dienen alle in dat artikel genoemde handelingen een omschrijving van de redenen te bevatten die de instelling tot de vaststelling ervan hebben bewogen. Volgens het Hof heeft deze motiveringsplicht vooral tot doel het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen.(21) Daarnaast wordt hierdoor gewaarborgd dat de lidstaten en de belanghebbenden de voorwaarden kennen waaronder de gemeenschapsinstellingen het Verdrag hebben toegepast.(22)
53. De diepere zin van de motiveringsplicht, een zo ruim mogelijk rechterlijk toezicht mogelijk te maken, geldt echter niet alleen voor de beschikkingen van artikel 249 EG, maar evengoed voor een handeling als de onderhavige, die bindende rechtsgevolgen teweegbrengt.
54. Het Hof heeft artikel 230 EG aldus uitgelegd dat beroep tot nietigverklaring openstaat tegen alle maatregelen van de instellingen die, ongeacht aard of vorm, rechtsgevolgen beogen teweeg te brengen.(23) Het is daarom niet meer dan consequent deze handelingen tevens aan een motiveringsplicht te onderwerpen, om het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen. Zo laat ook artikel 253 EG slechts die van de in artikel 249 EG genoemde handelingen buiten beschouwing, die geen bindende rechtsgevolgen teweegbrengen, namelijk aanbevelingen en adviezen. Hieruit kan worden opgemaakt dat voor artikel 253 EG evenals voor artikel 230 EG relevant is of een maatregel bindende rechtsgevolgen heeft. Ook beschikkingen sui generis die rechtsgevolgen teweegbrengen, moeten derhalve met redenen worden omkleed.
55. Dat een motivering ten minste de rechtsgrondslag vermeldt, is ook noodzakelijk met het oog op de eerbiediging van het in artikel 5, eerste alinea, EG verankerde beginsel van bevoegdheidsattributie. Dit beginsel houdt in dat de Gemeenschap uitsluitend binnen de grenzen van de haar verleende bevoegdheden en toegewezen doelstellingen handelt, en geldt voor intern als volkenrechtelijk optreden van de Gemeenschap.(24) Zonder de verplichting tot vermelding van de rechtsgrondslag zou het risico kunnen bestaan dat de Gemeenschap zich in geval van onduidelijkheid over de rechtsgrondslag bevoegdheden toe-eigent die eigenlijk aan de lidstaten zijn voorbehouden. De motiveringsplicht heeft in deze gevallen bovendien een waarschuwingsfunctie, in zover zij de bevoegde instellingen verplicht om vóór de vaststelling van een handeling na te gaan of de Gemeenschap wel bevoegd is.
56. De vermelding van de rechtsgrondslag is tevens noodzakelijk om de juiste besluitvorming binnen de Raad te waarborgen. Volgens artikel 300, lid 2, eerste alinea, EG beslist de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, tenzij het akkoord betrekking heeft op een gebied waarvoor, wat de aanneming van de interne voorschriften betreft, eenparigheid vereist is. Dit betekent dat de stemwijze afhangt van de toepasselijke rechtsgrondslag. De verplichting om deze uitdrukkelijk aan te geven, zorgt ervoor dat de Raad de rechtsgrondslag en dus de stemwijze voorafgaand aan de beslissing vastlegt. Dit is des te belangrijker omdat de stemwijze ook van invloed kan zijn op de inhoud van het besluit. Wanneer een besluit uit voorzorg met eenparigheid wordt genomen, dan kan dit tot gevolg hebben dat slechts een minimale consensus tot stand komt, terwijl bij een beslissing met gekwalificeerde meerderheid wellicht een andere uitkomst zou zijn bereikt.
57. Vóór een motiveringsplicht pleit bovendien het transparantiebeginsel. Dit beginsel komt tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, EU, dat bepaalt dat besluiten in zo groot mogelijke openheid worden genomen. Zoals het Hof in verband met verordening (EG) nr. 1049/2001(25) heeft vastgesteld, is het transparantiebeginsel bijzonder relevant wanneer de Raad als wetgever optreedt.(26) Transparantie in deze context draagt bij tot de versterking van de democratie, door de burgers in staat te stellen alle informatie te controleren die aan de totstandkoming van een wetgevingshandeling ten grondslag heeft gelegen.(27)
58. Met het oog op een zo groot mogelijke transparantie van de besluitvorming is het noodzakelijk dat de rechtsgrondslag van een rechtshandeling wordt aangegeven. Het transparantiebeginsel is ook in de onderhavige context relevant, alhoewel handelingen als die in casu niet altijd gepubliceerd worden. De Raad ziet wellicht in eerste instantie af van publicatie om de onderhandelingspositie van de Gemeenschap niet door bekendmaking van haar standpunt te verzwakken. Zoals de Raad ter terechtzitting heeft aangevoerd, betekent dit echter niet dat de tekst niet op verzoek aan individuele personen ter beschikking kan worden gesteld. Overigens zou het voor de bescherming van de onderhandelingspositie van de Gemeenschap volstaan wanneer dergelijke handelingen na afloop van de conferenties worden gepubliceerd.
59. De Raad verwijst ter onderbouwing van zijn opvatting dat voor beschikkingen sui generis geen motiveringsplicht bestaat, naar het AETR-arrest van het Hof. Volgens de Commissie is dit arrest echter niet relevant, aangezien hierin alleen maar „bepaalde procedures” in de Raad aan de orde waren en niet een handeling als de onderhavige.
60. Aan de zaak AETR lag een beroep van de Commissie tegen een besluit van de Raad ten grondslag. Dit besluit had betrekking op de onderhandeling over en de sluiting van de Europese overeenkomst betreffende de arbeidsvoorwaarden voor de bemanning van motorrijtuigen voor het internationale vervoer over de weg (AETR) door de lidstaten van de Gemeenschap in het kader van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties. Met dit besluit had de Raad „na een gedachtewisseling tussen zijn leden en de vertegenwoordiger van de Commissie, een aantal ‚conclusies’ [...] vastgesteld inzake de door de regeringen der lidstaten aan te nemen houding bij de beslissende onderhandelingen over de AETR”.(28) Op het eerste gezicht bestaat er dus een zekere gelijkenis tussen het AETR-arrest en de feiten die aan het onderhavige geding ten grondslag liggen.
61. Nu valt aan de formulering van voornoemd arrest op dit punt af te lezen dat het Hof principiële uitspraken zorgvuldig wilde vermijden en zich tot het specifieke geval wenste te beperken. Kenmerkend voor dit geval was dat een vertegenwoordiger van de Commissie bij de onderhandelingen in de Raad aanwezig was geweest en de Commissie derhalve als enige betrokken derde(29) reeds volkomen op de hoogte was van de totstandkoming van de rechtshandeling.
62. Mocht de onderhavige handeling echter gebaseerd zijn op artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG, zou er een derde zijn die niet bij de vaststelling van de handeling betrokken was en die dus belang heeft bij een motivering ervan of althans bij vermelding van de rechtsgrondslag.
63. Artikel 300, lid 2, derde alinea, EG verplicht de Raad namelijk het Parlement onverwijld en volledig van een genomen besluit op de hoogte te brengen. Het bestreden besluit had daarom onverwijld moeten worden voorgelegd aan het Parlement. In dit opzicht was vermelding van de rechtsgrondslag ook nodig om de informatierechten van het Parlement duidelijk aan te geven en zodoende een doeltreffend toezicht op de naleving daarvan mogelijk te maken. Daar de Raad het Parlement de handeling in casu pas zes weken na de vaststelling ervan en tegelijkertijd met het begin van de CITES-conferentie heeft doen toekomen, heeft hij overigens ook in strijd gehandeld met de verplichting tot onverwijlde informatie in de zin van artikel 300, lid 2, derde alinea, EG.
64. Dit impliceert, in tegenstelling tot de opvatting van de Raad, dat de bestreden handeling ook niet alleen de lidstaten raakt.
65. Overigens heeft het Hof in een later arrest, met betrekking tot een mededeling van de Commissie die de lidstaten verplichtte jaarlijks en systematisch gegevens te verstrekken betreffende de financiële betrekkingen van een bepaalde categorie ondernemingen, de achtergrond van de motiveringsplicht nader toegelicht. Het stelde vast dat de rechtszekerheid vereist dat elke handeling die rechtsgevolgen teweeg beoogt te brengen, haar verbindendheid ontleent aan een bepaling van gemeenschapsrecht, die expliciet als rechtsgrondslag moet worden vermeld en de rechtsvorm bepaalt waarin de handeling moet worden verricht.(30)
66. Thans zal ik ingaan op het argument van het Verenigd Koninkrijk betreffende de praktische uitvoerbaarheid van de motiveringsplicht. Het stelt namelijk dat een motiveringsplicht de totstandkoming van handelingen als die in casu log en onflexibel maakt. De Raad wijst er in dit verband op dat tussen de presentatie van het Commissievoorstel en het begin van de conferentie slechts twee maanden ter beschikking stonden om een standpunt te bepalen.
67. Ik ben het ermee eens dat flexibele actiemogelijkheden juist in de internationale handel van groot belang zijn. Moeilijkheden die in dit verband kunnen opkomen, kunnen echter door flexibele eisen aan de omvang van de motiveringsplicht worden verholpen. De vereiste mate van uitvoerigheid van de motivering hangt immers af van de aard en de context van de handeling.(31) Minimaal dient een motivering echter altijd de rechtsgrondslag te omvatten. Dit lijkt nooit een buitensporige motiveringsinspanning met zich te brengen.
68. Ook tijdsdruk kan geen grond voor afwijking opleveren. Hoe complexer de problematiek en hoe meer rechtsgrondslagen in aanmerking komen, des te belangrijker is het dat zo snel mogelijk duidelijkheid wordt verkregen over de relevante rechtsgrondslagen, en des te intensiever moet dit vraagstuk worden onderzocht. Uit het beginsel van de bevoegdheidsattributie volgt namelijk dat de Gemeenschap slechts mag optreden wanneer het Verdrag haar hiervoor bevoegd verklaart. Voordat zij stappen onderneemt, moet zij dus absoluut vaststellen welke rechtsgrondslag haar hiervoor de bevoegdheid verleent. Als dit duidelijk is, moet het een kleine moeite zijn die rechtsgrondslag ook in de handeling op te nemen. Ook is het niet voldoende dat – zoals de Raad aanvoert – de rechtsgrondslag later wordt vermeld in een handeling die gemeenschapsintern de wijzigingen in de CITES-overeenkomst implementeert. Dit doet er immers niet aan af dat de Gemeenschap, om tot een door de lidstaten op de CITES-conferentie te vertolken standpuntbepaling te komen, een bevoegdheid moet hebben die daarom ook in die handeling zelf dient te worden vermeld.(32)
69. Ten slotte wijst de Raad erop dat vergelijkbare besluiten in het verleden eveneens zijn vastgesteld zonder dat hierin een rechtsgrondslag was vermeld. Wat dit argument inzake de eerdere praktijk betreft, behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat een loutere praktijk van de Raad inhoudelijke regelingen van de Verdragen niet kan wijzigen en dus ook niet als precedent kan fungeren.(33)
70. Al met al stel ik vast dat in de bestreden handeling de rechtsgrondslag had moeten worden vermeld.
2. Gevolgen van het ontbreken van een vermelding van de rechtsgrondslag
71. Thans zal ik nagaan welke gevolgen het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de geldigheid van de handeling heeft.
a) Kan de rechtsgrondslag aan de hand van andere elementen van de handeling worden bepaald?
72. Het ontbreken van een verwijzing naar een concrete bepaling van het Verdrag komt nog niet automatisch neer op een schending van de motiveringsplicht van artikel 253 EG, die ongeldigheid tot gevolg heeft. Dit behoeft geen wezenlijk vormgebrek te zijn, indien de rechtsgrondslag van de handeling aan de hand van andere elementen kan worden bepaald.(34)
73. In casu kan de rechtsgrondslag echter niet duidelijk aan de hand van andere elementen van de handeling worden bepaald. Dit volgt enerzijds reeds uit het feit dat bij de onderhandelingen in de Raad uiterst omstreden was welke rechtsgrondslag de juiste is, en in dit verband zeer uiteenlopende voorstellen op tafel lagen. De Commissie stelt, zonder te zijn tegengesproken, dat zowel vermelding van enkel artikel 300, lid 2, EG als procedurele rechtsgrondslag, vermelding van enkel een materiële rechtsgrondslag als een combinatie van beide ter discussie stonden. Ook over de relevante materiële bevoegdheidsgrondslag, alleen artikel 175 EG dan wel artikel 175 EG in combinatie met artikel 133 EG, is vruchteloos gediscussieerd.
74. In hun schriftelijke opmerkingen in de procedure voor het Hof lijken de Raad en de Commissie ervan uit te gaan dat artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG de procedureelrechtelijke grondslag van de bestreden handeling is. Deze bepaling regelt de procedure voor besluiten waarmee de standpunten worden bepaald „die namens de Gemeenschap worden ingenomen in een lichaam dat is opgericht uit hoofde van een akkoord, wanneer dat lichaam besluiten dient te nemen met rechtsgevolgen”.
75. In dit verband rijst ook de vraag of artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG alleen van toepassing is op situaties waarin de Gemeenschap partij is bij de internationale overeenkomst. Hiervoor pleit niet in het laatst de systematische uitlegging, aangezien lid 1 van dat artikel zonder enige twijfel alleen betrekking heeft op de sluiting van internationale overeenkomsten door de Gemeenschap. Bij de CITES-overeenkomst is de Gemeenschap echter zelf geen partij, alleen de lidstaten.
76. Een teleologische uitlegging pleit er echter voor dat artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG ook moet worden toegepast op overeenkomsten waarvan de inhoud binnen de bevoegdheidssfeer van de Gemeenschap valt, maar waarbij de Gemeenschap op grond van de opzet van de internationale overeenkomst nog geen partij kan zijn.
77. Juist vanwege deze uitleggingsproblematiek kan niet worden gezegd dat de relevante rechtsgrondslag onmiskenbaar uit de bestreden handeling valt op te maken.
78. Ook indien artikel 300, lid 2, tweede alinea, EG de rechtsgrondslag zou zijn, kan alleen deze procedurele bepaling als rechtsgrondslag niet volstaan. In de handeling moet veeleer ook een materiële rechtsgrondslag worden vermeld waaruit de omvang van de bevoegdheden en dus uiteindelijk ook de door het EG-Verdrag afgebakende manoeuvreerruimte van de Gemeenschap kan worden opgemaakt.(35)
79. Maar ook de materiële rechtsgrondslag volgt niet duidelijk uit de bestreden handeling, aangezien meerdere grondslagen in aanmerking komen. Te denken valt aan de handelspolitiek, het milieubeleid of ook een combinatie van beide.(36)
80. Tegen deze achtergrond moet worden geconcludeerd dat uit de handeling niet duidelijk kan worden opgemaakt op welke rechtsgrondslag zij gebaseerd is.
b) Gaat het enkel om een zuiver formele fout?
81. De Raad is van mening dat, aangenomen dat een motiveringsplicht bestaat, schending ervan geen nietigheid tot gevolg kan hebben, aangezien het een zuiver formeel gebrek van de handeling betreft.
82. Het Hof heeft in gevallen waarin het om de verwijzing naar een verkeerde rechtsgrondslag naast de eigenlijk relevante rechtsgrondslag ging, uitgemaakt dat dit slechts dan nietigverklaring van de bestreden handeling tot gevolg heeft, wanneer het om meer dan een vormgebrek gaat, dat wil zeggen om een gebrek dat gevolgen kan hebben gehad voor de toepasselijke procedure en dus uiteindelijk voor de inhoud van de handeling.(37)
83. Deze rechtspraak is moeilijk toepasbaar op een geval waarin geheel geen rechtsgrondslag is aangegeven. Is er helemaal geen rechtsgrondslag vermeld, valt immers al moeilijk te bepalen welke procedure is toegepast, en dus of de weglating van de rechtsgrondslag gevolgen voor de toepasselijke procedure kan hebben gehad. Mijns inziens behoort dan ook, althans in gevallen waarin het motiveringsgebrek erin bestaat dat de vermelding van de rechtsgrondslag volledig ontbreekt, te worden uitgegaan van een zo wezenlijk gebrek, dat dit steeds tot nietigverklaring van de handeling moet leiden. Zoals ik namelijk al heb uiteengezet, is de vermelding van de rechtsgrondslag een onmisbaar bestanddeel van de motivering.
84. Ten slotte pleit ook het volgende ertegen om hier van een zuiver formele fout te spreken. Als materiële rechtsgrondslag van de bestreden handeling komt artikel 133 EG, artikel 175 EG alsook een combinatie van beide in aanmerking. Artikel 133 EG verleent de Gemeenschap een exclusieve bevoegdheid, terwijl artikel 175 EG voorziet in een tussen de Gemeenschap en de lidstaten gedeelde bevoegdheid. Wordt voor het ene dan wel het andere artikel gekozen, dan heeft dit gevolgen voor de verdeling van de bevoegdheden tussen Gemeenschap en lidstaten. Ook om deze reden kan hier niet van een zuiver formele fout worden gesproken.(38)
3. Tussenresultaat
85. In het licht van het voorgaande concludeer ik dat de bestreden handeling nietig moet worden verklaard omdat hierin geen rechtsgrondslag is vermeld.
VI – Beperking van de gevolgen van een eventuele nietigverklaring
86. De Raad verzoekt het Hof voor het geval het bestreden besluit nietig wordt verklaard, de gevolgen ervan te handhaven. Dit verzoek moet worden ingewilligd.
87. Overeenkomstig artikel 231, lid 2, EG kan het Hof, zo het dit nodig acht, de gevolgen van een nietig verklaarde handeling aanwijzen die gehandhaafd moeten worden. Deze regeling is naar de letter eigenlijk alleen van toepassing op verordeningen, maar het Hof heeft haar analoog op besluiten toegepast.(39)
88. Handhaving van de gevolgen van het bestreden besluit is in casu gerechtvaardigd, aangezien COP14 reeds heeft plaatsgevonden en bij die gelegenheid besluiten zijn genomen. Deze besluiten zouden hun volkenrechtelijk bindende karakter voor de lidstaten weliswaar behouden ingeval een vooraf vastgesteld besluit ter bepaling van het standpunt van de Gemeenschap nietig werd verklaard, aangezien schendingen van interne bepalingen bij de voorbereiding van een op een internationale conferentie in te nemen standpunt volgens de algemene regels van volkenrecht principieel niet relevant zijn. Maar binnen de Gemeenschap zelf zou rechtsonzekerheid omtrent de bij de conferentie goedgekeurde maatregelen kunnen ontstaan. Om elke rechtsonzekerheid te voorkomen, dienen de gevolgen van het bestreden besluit derhalve te worden gehandhaafd.
89. De Raad behoeft echter niet te worden gelast een nieuw besluit zonder het gelaakte juridische gebrek vast te stellen. Daar COP14 reeds achter de rug is, zou het zinloos zijn de Raad voor te schrijven zijn standpunt voor deze conferentie opnieuw te bepalen.
VII – Kosten
90. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Raad op alle punten in het ongelijk is gesteld, dient hij conform de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
91. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dient het Verenigd Koninkrijk zijn eigen kosten te dragen.
VIII – Conclusie
92. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:
„1) Het besluit van de Raad van 24 mei 2007 tot vaststelling van het namens de Europese Gemeenschap in te nemen standpunt ten aanzien van bepaalde voorstellen die worden voorgelegd aan de van 3 tot 15 juni 2007 in Den Haag, Nederland, te houden 14e vergadering van de Conferentie van de Partijen bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier‑ en plantensoorten (CITES) wordt nietig verklaard.
2) De gevolgen van het in punt 1 van deze conclusie genoemde besluit worden gehandhaafd.
3) Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt zijn eigen kosten. Voor het overige wordt de Raad van de Europese Unie in de kosten verwezen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Hierna: „CITES-overeenkomst”.
3 – Zie punt 1 van de considerans van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier‑ en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, PB L 61, blz. 1.
4 – De tekst van de overeenkomst is door 80 staten op 3 maart 1970 goedgekeurd. De overeenkomst is op 1 juli 1975 in werking getreden.
5 – Verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier‑ en plantensoorten, PB L 384, blz. 1.
6 – Aangehaald in voetnoot 2.
7 – Zie punt 2 van de considerans van het bestreden besluit.
8 – Voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van het namens de Europese Gemeenschap in te nemen standpunt ten aanzien van bepaalde voorstellen die worden voorgelegd aan de van 3 tot 15 juni 2007 in Den Haag, Nederland, te houden 14e vergadering van de Conferentie van de Partijen (COP14) bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) [SEC(2007) 443 def.].
9 – In het Frans „Décision du Conseil”, in het Engels „Council Decision”.
10 – Het besluit is niet bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
11 – Zie bijvoorbeeld arresten van 31 maart 1971, Commissie/Raad („AETR”, 22/70, Jurispr. blz. 263, punten 39 en 42), 11 november 1981, IBM/Commissie (60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9), en 17 juli 2008, Athinaïki Techniki/Commissie (C‑521/06 P, Jurispr. blz. I‑00000, punt 42).
12 – Zie ook mijn conclusie van 26 maart 2009 in de zaak Commissie/Raad (C‑13/07, punten 33 e.v.).
13 – Zie mijn conclusie in de zaak Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 12, punt 34).
14 – Arrest van 26 maart 1987, Commissie/Raad (45/86, Jurispr. blz. 1493, punt 3).
15 – Arrest van 24 juni 1986, AKZO/Commissie (53/85, Jurispr. blz. 1965, punt 21).
16 – Arrest van 26 april 1988, APESCO/Commissie (207/86, Jurispr. blz. 2151, punt 16).
17 – Zie bijvoorbeeld arrest Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 14, punt 9), en arrest van 20 september 1988, Spanje/Raad (203/86, Jurispr. blz. 4563, punten 36 e.v.).
18 – Zo vermeldt het Hof een overeenstemming tussen de meerderheid van de taalversies pas ter bekrachtiging van het resultaat van zijn uitlegging, zie arrest van 15 oktober 1996, Henke (C‑298/94, Jurispr. blz. 1996, I‑4989, punt 15).
19 – Een andere benadering zou onverenigbaar zijn met het vereiste van uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht, zie bijvoorbeeld arrest van 27 maart 1990, Cricket St Thomas (C‑372/88, Jurispr. blz. I‑1345, punt 18).
20 – Zie onder meer arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau (30/77, Jurispr. blz. 1999, punten 13‑14); 7 december 1995, Rockfon (C‑449/93, Jurispr. blz. I‑4291, punt 28), en 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a. (C‑72/95, Jurispr. blz. I‑5403, punt 28).
21 – Arrest Commissie/Raad („AETR”, aangehaald in voetnoot 11, punt 11).
22 – Zie arrest van 13 mei 1997, Duitsland/Parlement en Raad (C‑233/94, Jurispr. blz. I‑02405, punt 25), onder verwijzing naar het arrest van 17 mei 1994, Frankrijk/Commissie (C‑41/93, Jurispr. blz. I‑1829, punt 34).
23 – Zie bijvoorbeeld arresten „AETR” (aangehaald in voetnoot 11, punten 38‑42), IBM/Commissie (aangehaald in voetnoot 11, punt 9), en Athinaïki Techniki/Commissie (aangehaald in voetnoot 11, punt 42).
24 – Zie advies 2/94 van 28 maart 1996 („ECRM-advies”, Jurispr. blz. I‑1759, punt 24).
25 – Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, PB L 145, blz. 43.
26 – Arrest van 1 juli 2008, Zweden en Turco/Raad (C‑39/05 P en C‑52/05 P, Jurispr. blz. I‑00000, punt 46).
27 – Arrest Zweden en Turco/Raad (aangehaald in voetnoot 26, punt 46).
28 – Arrest Commissie/Raad („AETR”, aangehaald in voetnoot 11, punt 11).
29 – Anders dan overeenkomstig artikel 300, lid 2, derde alinea, EG behoefde het Parlement destijds niet te worden geïnformeerd.
30 – Arrest van 16 juni 1993, Frankrijk/Commissie (C‑325/91, Jurispr. blz. I‑3283, punt 26).
31 – Zie arresten van 30 maart 2000, VBA/Florimex e.a. (C‑265/97 P, Jurispr. blz. I‑2061); 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, Jurispr. blz. I‑00000, punt 166), en 22 december 2008, Regie Networks (C‑333/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 63).
32 – Zie arrest van 21 januari 2003, Commissie/Parlement en Raad (C‑378/00, Jurispr. blz. I‑937, punt 66), waarin het Hof heeft beslist dat de motivering van een gemeenschapshandeling in de handeling zelf moet zijn opgenomen.
33 – Zie bijvoorbeeld arresten van 23 februari 1988, Verenigd Koninkrijk/Raad (68/86, Jurispr. blz. 855, punt 24), en 26 maart 1996, Parlement/Raad (C‑271/94, Jurispr. blz. I‑1689, punt 24).
34 – Arrest Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 14, punt 9).
35 – Zie mijn conclusie van 26 maart 2009 in de zaak Commissie/Raad (aangehaald in voetnoot 11, punt 47) en arrest Kramer.
36 – Over de combinatiemogelijkheid van artikel 133 EG met artikel 175, lid 1, EG, zie arresten van 10 januari 2006, Commissie/Parlement en Raad (C-178/03, Jurispr. blz. I‑107, punt 59); 6 november 2008, Parlement/Raad (C‑155/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 77‑83), en 10 januari 2006, Commissie/Raad (C‑94/03, Jurispr. blz. I‑1, punten 52‑55), mijn conclusies in deze zaken, alsmede de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro van 26 maart 2009 in de zaak Commissie/Parlement en Raad (C‑411/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 6).
37 – Zie arresten van 27 september 1988, Commissie/Raad (165/87, Jurispr. blz. 5545, punten 19 e.v.), en 14 december 2004, Swedish Match (C‑210/03, Jurispr. blz. I‑11893, punt 44 en de daar aangehaalde rechtspraak).
38 – Zie conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Commissie/Parlement en Raad (aangehaald in voetnoot 36, punt 7).
39 – Arrest van 28 mei 1998, Parlement/Raad (C‑22/96, Jurispr. blz. I‑3231, punt 42), en arrest Parlement/Raad (aangehaald in voetnoot 36, punt 87).
Full & Egal Universal Law Academy