CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 4 september 2008 (1)
Zaak C‑375/07
Staatssecretaris van Financiën
tegen
Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading BV
(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Communautair douanewetboek – Artikelen 220 en 239 – Navordering van invoerrechten – Boeking achteraf – Kwijtschelding van invoerrechten – Billijkheidsredenen – Parallelle procedures voor nationale rechterlijke instanties en communautaire rechterlijke instanties – Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefindeling – Gecombineerde nomenclatuur – Uitlegging en geldigheid van verordening (EG) nr. 1196/97 – Rijstpapier/rijstvellen”
I – Inleiding
1. Het onderhavige verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen de Staatssecretaris van Financiën en Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading BV (hierna: „Heuschen & Schrouff”) inzake de navordering van invoerrechten.
2. Het verzoek betreft enerzijds de tariefindeling van een als „rice paper” aangeduid goed (rijstpapier oftewel rijstvellen; hierna: „rijstpapier”) en de geldigheid van een verordening van de Commissie die regelingen bevat betreffende de tariefindeling van dit goed.
3. Anderzijds is tegelijk met dit verzoek om een prejudiciële beslissing een tweede zaak voor het Hof aanhangig, die dezelfde invoer van rijstpapier door Heuschen & Schrouff, alsmede de tariefbehandeling ervan betreft. Heuschen & Schrouff verzoekt om nietigverklaring van beschikking REM 19/2002 van de Commissie van 17 juni 2004. Tegen het in dit verband door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen gewezen arrest van 30 november 2006(2) is onder zaaknummer C‑38/07 P een hogere voorziening ingesteld.(3)
4. In samenhang met deze gelijktijdig aanhangige zaak tussen Heuschen & Schrouff en de Commissie, stelt de verwijzende rechter vragen over de bevoegdheden van de nationale rechterlijke instanties bij parallelle procedures die gelijktijdig op nationaal niveau en op communautair niveau aanhangig zijn, alsmede over de vraag hoe in deze situatie de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht kan worden gewaarborgd.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
1. Voorschriften inzake de tariefindeling
5. De bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief(4) in bijlage I ingevoerde „gecombineerde nomenclatuur” (hierna: „GN”) is gebaseerd op het wereldwijd geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”), dat is opgesteld door de Internationale Douaneraad, thans de Werelddouaneorganisatie, en is ingevoerd bij het Internationaal Verdrag van Brussel van 14 juni 1983, dat namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987.(5) De GN stemt overeen met het GS wat de posten en de uit zes cijfers bestaande subposten betreft. De postonderverdelingen met een zevende en achtste cijfer zijn specifiek voor de GN.(6)
6. Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2658/87 machtigt de Commissie van de Europese Gemeenschappen om, bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, volgens de procedure van artikel 10 van verordening nr. 2658/87 regelingen betreffende de indeling van goederen in de GN vast te stellen.
7. De algemene regels voor de interpretatie van de GN die zijn opgenomen in bijlage I, deel I, titel I, A, van verordening nr. 2658/87, bepalen onder meer:
„Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen.
1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en, voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen, de navolgende regels.
[...]
3. Indien goederen [...] vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking. [...]
[...]”
8. Bijlage I, deel II, afdeling IV, hoofdstuk 19, van verordening nr. 2658/87 bevat de GN-codes voor „Bereidingen van graan, van meel, van zetmeel of van melk; gebak”.
9. GN-post 1901 omvat „Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan [...] cacao bevattend, [...]; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404 [(7)] [...]”, waaronder GN-postonderverdeling 1901 90 99 met de goederenomschrijving „andere”.
10. GN-post 1905 betreft „Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel: [...]”, met in de GN-postonderverdeling 1905 90 „andere” de nadere GN-postonderverdeling 1905 90 20 „ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten, van meel of van zetmeel”.
11. Volgens punt 1 van de bijlage bij verordening (EG) nr. 1196/97 van de Commissie van 27 juni 1997 houdende indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur(8) (welke verordening is gebaseerd op het reeds aangehaalde artikel 9 van verordening nr. 2658/87) moeten producten die vallen onder de volgende goederenomschrijving worden ingedeeld in GN-postonderverdeling 1905 90 20:
„Voedselbereiding in de vorm van droge, doorschijnende vellen, met verschillende afmetingen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water.
De vellen worden, na weken in water om ze plooibaar te maken, meestal gebruikt om daarvan de ‚wikkels’ voor loempia’s en dergelijke te vervaardigen.”
12. Punt 1 van de bijlage bij verordening nr. 1196/97 bevat de volgende toelichting daarbij:
„De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 1905, 1905 90 en 1905 90 20.”
2. Regels voor het afzien van de boeking, respectievelijk kwijtschelding/terugbetaling om billijkheidsredenen, en voor de desbetreffende procedurele bevoegdheden van nationale instellingen en gemeenschapsinstellingen
13. Artikel 220 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(9) (hierna: „douanewetboek”) bevat bepalingen inzake een boeking achteraf van het bedrag van de douaneschuld voor gevallen waarin het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld niet is geboekt of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag.
14. Dienaangaande bepaalt artikel 220, lid 2, van het douanewetboek onder meer:
„[...] tot boeking achteraf [wordt niet] overgegaan wanneer:
[...]
b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;
[...]”
15. Met betrekking tot een eventuele kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer in bijzondere situaties, bepaalt artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek:
„Tot [...] kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen [...] welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. [...]”
16. De administratieve procedure inzake de beschikkingen op grond van artikel 220, lid 2, sub b, en artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek is geregeld in het hoofdstuk „Invordering van het bedrag van de douaneschuld” van verordening nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92(10), die meermaals is gewijzigd. De verwijzende rechter verwijst in zijn derde prejudiciële vraag(11) naar verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd(12) bij verordening (EG) nr. 1677/98 van de Commissie van 29 juli 1998.(13) Deze verordening heeft met betrekking tot de hier aan de orde zijnde administratieve procedure wijzigingen aangebracht in de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale douaneautoriteiten en de Commissie. Een grondige herziening van de regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale douaneautoriteiten en de Commissie volgde later, en trad in werking op 1 augustus 2003 met de wijziging van verordening nr. 2454/93 bij verordening (EG) nr. 1335/2003 van de Commissie van 25 juli 2003.(14) Aangezien in casu zowel de versie van vóór als die van na de wijziging van de rechtstoestand in 2003 van belang kan zijn, afhankelijk van de vraag om wiens beschikking het op welk tijdstip gaat, dient hier op beide versies te worden ingegaan.
17. Wat de beschikkingen op grond van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek betreft, wordt de administratieve procedure geregeld door de artikelen 869 tot en met 876, sub a, van verordening nr. 2454/93. Wat de beschikkingen op grond van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek betreft, wordt deze geregeld door de artikelen 899 en 905 e.v. van verordening nr. 2454/93.
18. Zowel voor de rechtstoestand tot en met 31 juli 2003 als voor de rechtstoestand vanaf 1 augustus 2003(15) geldt, dat de nationale douaneautoriteiten de beschikkingen op grond van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek en de beschikkingen op grond van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, altijd zelf geven, wanneer zij van mening zijn dat de voorwaarden van deze bepalingen niet zijn vervuld.(16)
19. Voor zover de nationale douaneautoriteiten een voor de belastingschuldige gunstige beschikking willen geven, gelden zowel voor de administratieve procedure inzake de beschikkingen op grond van artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek, als voor de administratieve procedure inzake de beschikkingen op grond van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek bepaalde regels inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale douaneautoriteiten en de Commissie. De versie van verordening nr. 2454/93 waarnaar door de verwijzende rechter in de derde prejudiciële vraag wordt verwezen, dat wil zeggen de rechtstoestand tot en met 31 juli 2003, werd gekenmerkt door een maximumbedrag van 50 000 EUR, waarboven de zaak ter beslissing moest worden voorgelegd aan de Commissie, wanneer een positieve beschikking diende te worden genomen. Onder deze drempelwaarde bestonden er mogelijkheden tot voorlegging, bijvoorbeeld in twijfelgevallen. Voor de rechtstoestand vanaf 1 augustus 2003 gold echter een drempelwaarde van 500 000 EUR en ook voor het overige een sterke verlegging van de beschikkingspraktijk naar de nationale douaneautoriteiten.(17) Nog slechts in een klein aantal gevallen moet de zaak worden voorgelegd aan de Commissie.
20. De tot en met 31 juli 2003 geldende versie van het door de verwijzende rechter genoemde artikel 869 van verordening nr. 2454/93 bepaalde:
„De douaneautoriteiten beslissen zelf om niet over te gaan tot boeking achteraf van niet geïnde rechten:
[...]
b) wanneer zij van oordeel zijn dat aan alle in artikel 220, lid 2, sub b, van het wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan en voor zover het ten gevolge van een zelfde vergissing van de betreffende belanghebbende niet geïnde bedrag, dat in voorkomend geval uit verscheidene invoer‑ of uitvoerverrichtingen voortvloeit, lager is dan 50 000 [EUR];
[...]”
21. De tot en met 31 juli 2003 geldende versie van het eveneens genoemde artikel 871, lid 1, van verordening nr. 2454/93 bepaalde:
„Wanneer de douaneautoriteiten, in andere dan de in artikel 869 bedoelde gevallen, van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, sub b, van het wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor opdat het wordt behandeld overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 872 tot en met 876. [...]”
B – Nationaal recht
22. Artikel 8:72, lid 4, van de Algemene Wet Bestuursrecht bepaalt:
„Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van haar uitspraak, dan wel kan zij bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.”
III – Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
23. Heuschen & Schrouff, een importeur van voedingsmiddelen en voedselingrediënten, voert sinds vele jaren rijstpapier uit Vietnam in.
24. In 1996 en de daaropvolgende jaren deed de in naam van Heuschen & Schrouff handelende douane-expediteur aangifte voor het vrije verkeer van het ingevoerde rijstpapier onder GN-postonderverdeling 1901 90 99. De bevoegde nationale douaneautoriteiten hebben de aangifte steeds aanvaard, ook nadat een naar aanleiding van een aangifte genomen monster met het oog op de tariefindeling ervan was geanalyseerd.(18)
25. Naar aanleiding van een aangifte voor het vrije verkeer van 14 januari 1998 deelde de bevoegde douaneautoriteit te Rotterdam het rijstpapier op 16 maart 1998 na verificatie in GN-postonderverdeling 1905 90 20 in.(19)
26. Bij uitnodigingen tot betaling van 22 november 2000 werden van Heuschen & Schrouff douanerechten nagevorderd ten belope van een totaalbedrag van 645 399,50 NLG (292 869,52 EUR(20)) voor alle invoeren van rijstpapier die waren verricht in het tijdvak van 13 november 1997 tot en met 31 december 1998. Onder verwijzing naar verordening nr. 1196/97 verklaarde de douaneautoriteit dat de in de aangiften vermelde GN-postonderverdeling 1901 90 99 onjuist was en dat de betrokken uitnodigingen tot betaling moesten worden gecorrigeerd.
27. Bij uitspraak van de inspecteur van 9 maart 2001 op het door Heuschen & Schrouff ingediende bezwaar, werden de uitnodigingen tot betaling bevestigd. Hiervan uitgezonderd werd een uitnodiging tot betaling van een bedrag van 13 650,30 NLG (6 194,24 EUR(21)) met betrekking tot een douaneaangifte van 16 maart 1998, welke uitnodiging ongedaan is gemaakt.(22)
28. Op 29 maart 2001 ging Heuschen & Schrouff bij de Tariefcommissie, thans Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: „Gerechtshof te Amsterdam”), in beroep tegen de uitspraak waarbij de inspecteur haar bezwaar had afgewezen.
29. De mondelinge behandeling voor het Gerechtshof te Amsterdam heeft plaatsgevonden op 17 december 2002.
30. In zijn uitspraak van 7 december 2004 stelde het Gerechtshof te Amsterdam met betrekking tot de eigenschappen van rijstpapier vast dat het gaat om een product dat is gemaakt van de ingrediënten rijstmeel, water en zout. De drie bestanddelen worden vermengd en gekneed tot deeg, waarvan klompjes worden gevormd. Deze klompjes worden gewalst tot cirkelvormige, doorzichtige vellen die vervolgens worden gedroogd. Het product als zodanig is niet geschikt voor onmiddellijke consumptie, maar moet eerst een warmtebehandeling ondergaan.
31. Het Gerechtshof te Amsterdam besliste dat dit product voor de bepaling van het douanetarief moest worden ingedeeld in GN-postonderverdeling 1905 90 20. De boeking achteraf van de douanerechten had overeenkomstig artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek achterwege moeten blijven omdat Heuschen & Schrouff te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften en bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan. Het Gerechtshof te Amsterdam verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak van de inspecteur alsmede de uitnodigingen tot betaling.
32. Parallel aan het voor het Gerechtshof te Amsterdam ingestelde beroep heeft Heuschen & Schrouff op 13 september 2002(23) bij de nationale douaneautoriteit verzocht om kwijtschelding van de betrokken douaneschuld overeenkomstig artikel 239, lid 1, van het douanewetboek. Dit verzoek werd op 19 september 2002 voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die het bij beschikking van 17 juni 2004 heeft afgewezen op grond dat weliswaar sprake was van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het douanewetboek, doch dat Heuschen & Schrouff klaarblijkelijk nalatig is geweest.
33. Op het tijdstip van de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, op 7 december 2004, was tegen deze beschikking van de Commissie een op 23 september 2004 ingesteld beroep aanhangig voor het Gerecht van eerste aanleg. Dit beroep werd verworpen bij arrest van 30 november 2006, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Hof.(24)
34. In het kader van het cassatieberoep tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam heeft de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 13 juli 2007 het Hof de hier te behandelen vragen voorgelegd:
„1) Vallen vellen als omschreven in de bijlage bij verordening [...] nr. 1196/97 [...] onder post 1905 van de gecombineerde nomenclatuur indien het betreft vellen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water, die gedroogd zijn doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan?
2) Is, gelet op het antwoord op de vorige vraag, de zo-even genoemde verordening geldig?
3) Moet artikel 871 van verordening [...] nr. 2454/93 [...], zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1677/98 van de Commissie van 29 juli 1998 [...] aldus worden uitgelegd dat, indien ingevolge artikel 871, lid 1, voornoemd, op de douaneautoriteit de verplichting zou rusten om een geval voor te leggen aan de Commissie, alvorens te kunnen besluiten tot het afzien van een boeking achteraf in dat geval, de nationale rechter die oordeelt over een beroep van de belastingschuldige tegen het besluit van de douaneautoriteit om (wel) over te gaan tot boeking achteraf, niet de macht heeft de boeking achteraf te vernietigen op grond van zijn bevinding dat is voldaan aan de in artikel 220, lid 2, onder b, bedoelde voorwaarden voor het achterwege (moeten) laten van de boeking achteraf, welke bevinding niet wordt ondersteund door de Commissie?
4) Indien het antwoord op vraag 3 luidt dat de omstandigheid dat aan de Commissie enige beslissingsbevoegdheid is toegekend op het gebied van de navordering van douanerechten, geen beperking meebrengt van de bevoegdheid van de nationale rechter die heeft te oordelen over een beroep inzake navordering van douanerechten, houdt dan het gemeenschapsrecht een andere voorziening in die een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht waarborgt bij het in een concreet geval uiteenlopen van beoordelingen door de Commissie en door de nationale rechter naar de criteria die in het kader van artikel 220 van het [douanewetboek] worden gehanteerd om uit te maken of een vergissing van de douaneautoriteit door een belastingschuldige kan worden ontdekt?”
35. Onder verwijzing naar de vaststellingen van het Gerechtshof te Amsterdam betreffende de productkenmerken van rijstpapier, wijst de verwijzende rechter aangaande zijn eerste twee vragen erop dat er twee zeer verschillende uitleggingsopvattingen bestaan met betrekking tot de vraag welk kenmerk van een product als rijstpapier met het oog op de indeling in GN-codes 1901 en 1905 beslissend is. Twijfels met betrekking tot een indeling volgens GN-post 1905 zouden met name voortvloeien uit het arrest Uelzena Milchwerke(25). Indien GN-post 1905 onjuist zou zijn, rijst de vraag of verordening nr. 1196/97 geldig is.
36. De derde en vierde vraag stelt de verwijzende rechter met het oog op een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht, in casu de artikelen 220, lid 2, en 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, alsmede met het oog op het gevaar van uiteenlopende beslissingen dat is gelegen in parallelle procedures voor de Commissie en de gemeenschapsrechter enerzijds en de nationale douaneautoriteiten en de nationale rechter anderzijds.
37. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie(26) volgt namelijk dat voor de beoordeling van de vraag of de belastingschuldige blijk heeft gegeven van klaarblijkelijke nalatigheid in de zin van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, dezelfde criteria gelden als die welke in het kader van artikel 220 van het douanewetboek moeten worden gehanteerd om uit te maken of er sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten die door de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon worden ontdekt.
38. In dit verband is de derde vraag specifiek erop gericht te vernemen of een rechterlijke instantie tegen wier uitspraak kan worden opgekomen in hoger beroep of beroep in cassatie, en die geen verzoek om een prejudiciële beslissing indient bij het Hof, een uitspraak kan doen die, buiten de Commissie om, de boeking achteraf uitsluit, of dat deze rechterlijke instantie hoogstens een uitspraak kan doen die de aan het besluit tot boeking achteraf inherent zijnde beslissing van de nationale douaneautoriteiten om de zaak niet aan de Commissie voor te leggen, vernietigt.
39. Na afloop van de schriftelijke procedure heeft op 22 mei 2008 een terechtzitting plaatsgevonden, waaraan Heuschen & Schrouff, de Commissie, de Nederlandse regering, de Griekse regering, en de Italiaanse regering hebben deelgenomen. Tijdens de terechtzitting zijn geen nieuwe aspecten naar voren gekomen.
IV – Juridische analyse
A – Tariefindeling van rijstpapier
40. De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft de criteria(27) voor de juiste indeling van rijstpapier in de GN. Met betrekking tot de GN-codes 1901 en 1905 rijst de vraag naar het voor de indeling relevante productkenmerk. In zijn vraagstelling gaat de verwijzende rechter wat GN-post 1905 betreft met name in op het aspect van het ontbreken van een warmtebehandeling. De tweede vraag, aangaande de geldigheid van verordening nr. 1196/97, hangt dan samen met het antwoord op de eerste vraag.
41. Alvorens in te gaan op de indelingsbeginselen van de GN, dient allereerst het in te delen product nader te worden bezien, te weten Aziatisch rijstpapier (oftewel rijstvellen), dat in eetbare vorm(28) wordt gebruikt als (eetbare) verpakking van levensmiddelen. Zoals het Gerechtshof te Amsterdam heeft vastgesteld, gaat het in casu om een product dat is gemaakt van de ingrediënten rijstmeel, water en zout. Na het vermengen en kneden van de bestanddelen worden er klompjes van gevormd, die tot cirkelvormige, doorzichtige vellen worden gewalst die vervolgens worden gedroogd. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bovendien aangegeven dat het product als zodanig niet geschikt is voor onmiddellijke consumptie, maar eerst een warmtebehandeling moet ondergaan. Hieraan moet worden toegevoegd dat voor ieder verder gebruik, met inbegrip van warmtebehandeling, de vliesdunne rijstpapiervellen in water moeten worden geweekt. Samen met hun vulling worden ze gebakken, gebraden of gefrituurd (bijvoorbeeld als loempia’s). Afhankelijk van het recept kunnen ze evenwel kennelijk ook ongebakken als gevulde rolletjes met hun inhoud worden geconsumeerd.
42. Aanhakend bij punt 1 van de algemene regels voor de interpretatie van de GN(29), zijn bij de indeling met name de bewoordingen van de posten en postonderverdelingen van de GN relevant.(30) In vaste rechtspraak van het Hof wordt gepreciseerd dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de posten van de GN en in de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken zijn omschreven.(31)
43. De verwijzende rechter stelt terecht vast dat uit de bewoordingen van GN-post 1905 niet uitdrukkelijk kan worden afgeleid dat de aldaar vermelde goederen het kenmerk moeten vertonen dat zij gebakken zijn. Weliswaar vallen daaronder als eerste groep producten „Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten”, doch duidelijk daarvan afgescheiden door een puntkomma volgt een andere groep producten, waarvan het kenmerk „gebakken zijn” niet met zoveel woorden wordt genoemd, te weten „ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel”. Deze groep producten wordt precies met deze tekst uitdrukkelijk ingedeeld in GN-postonderverdeling 1905 90 20. Het begrip „gebakken zijn” wordt hier niet letterlijk vermeld. In deze postonderverdeling is het gemeenschappelijke kenmerk veeleer de dunne vorm en de droge toestand, die met verschillende methoden wordt bereikt (drogen met of zonder warmtebehandeling).
44. Dit wordt overigens door de verschillende taalversies van de bepaling bevestigd.(32) In enkele versies, zij het niet in de Nederlandse(33), worden uitdrukkelijk „gedroogde” producten genoemd, en zelfs ook „gedroogde deegvellen van meel”.(34) Dat geldt ook voor het in casu in te delen product. In sommige versies, bijvoorbeeld de Engelse en de Sloveense, wordt zelfs uitdrukkelijk het begrip „rijstpapier”(35) vermeld.
45. Aan de bevindingen tot zover over de indeling in postonderverdeling GN-1905 90 20 wordt geen afbreuk gedaan door het arrest Uelzena Milchwerke(36). Weliswaar heeft Heuschen & Schrouff in haar standpunt aangaande de onderhavige procedure onder verwijzing naar dit arrest aangevoerd dat het aspect van het „gebakken zijn” een voorwaarde is die noodzakelijkerwijs dient te zijn vervuld met het oog op GN-post 1905, doch hier kan tegenin worden gebracht dat dit arrest enkel de eerste groep van producten van GN-post 1905 betreft, waarvan de kenmerken en eigenschappen worden aangeduid met „Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten”. Concreet heeft het arrest Uelzena Milchwerke betrekking op GN-postonderverdeling 1905 30, te weten „koekjes en biscuits [...]”. Aangezien dit arrest dus niet de productgroep „ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten, van meel of van zetmeel” betreft, kan het in de onderhavige context derhalve niet tot de uitlegging bijdragen.
46. Een vergelijking met de productomschrijvingen van GN-post 1901 toont bovendien aan dat de bewoordingen hiervan, en met name ook de bewoordingen van de door Heuschen & Schrouff als juist aangemerkte GN-postonderverdeling 1901 90 99 („andere”), geen aanknopingspunten bevatten voor een specifiekere productomschrijving in de zin van punt 3, sub a, van de algemene regels voor de interpretatie van de GN.(37)
47. Mijns inziens behoeft in deze, op grond van de bewoordingen van de GN-code duidelijke, indelingssituatie geen gebruik meer te worden gemaakt van de door Heuschen & Schrouff ter sprake gebrachte(38) toelichtingen van de Werelddouaneorganisatie(39).
48. Mitsdien moet de eerste vraag van de verwijzende rechter bevestigend worden beantwoord, zoals overigens ook is voorgesteld door de Nederlandse, de Griekse en de Italiaanse regering, alsmede door de Commissie. Vellen als omschreven in de bijlage bij verordening nr. 1196/97 dienen derhalve in GN-post 1905 – concreet in GN-postonderverdeling 1905 90 20 – te worden ingedeeld, indien het vellen betreft, gemaakt van rijstmeel, zout en water, die zijn gedroogd, doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan.
49. Aangezien uit al het voorgaande volgt dat de indeling van rijstvellen volgens verordening nr. 1196/97 overeenkomt met de wijze waarop dit product op grond van de bewoordingen van de GN moet worden ingedeeld, bestaat er geen twijfel over de geldigheid van verordening nr. 1196/97.
B – Afzien van de boeking, respectievelijk kwijtschelding/terugbetaling om billijkheidsredenen, en desbetreffende procedurele bevoegdheden van nationale instellingen en gemeenschapsinstellingen
50. Met de derde en vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe kan worden gewaarborgd dat de artikelen 220, lid 2, en 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek uniform worden toegepast, wanneer in een situatie als de onderhavige een rechterlijke instantie oordeelt tegen wier uitspraak kan worden opgekomen in hoger beroep of beroep in cassatie.
51. Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moet eerst worden vastgesteld of er met betrekking tot de artikelen 220, lid 2, en 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, die allebei regelingen op grond van de billijkheid bevatten, een noodzaak van uniforme uitlegging en toepassing bestaat. Deze vraag zou bevestigend moeten worden beantwoord, wanneer de onderscheidenlijk toe te passen criteria geheel of gedeeltelijk identiek zijn.
52. In dit verband dient allereerst, met betrekking tot de plaats van de hier aan de orde zijnde bepalingen, te worden opgemerkt dat zij op verschillende tijdstippen toepassing vinden. Beide maken deel uit van titel VII van het douanewetboek, met het opschrift „douaneschuld”, doch zijn opgenomen in verschillende hoofdstukken daarvan. Artikel 220, lid 2, maakt deel uit van hoofdstuk 3, met het opschrift „invordering van het bedrag van de douaneschuld”. In dit hoofdstuk wordt het beginsel van de boeking – dat wil zeggen de berekening en de registratie „in de boekhouding” van het bedrag van de rechten(40) – geregeld, alsmede de met deze procedure verband houdende detailkwesties, zoals bijvoorbeeld in artikel 220 de boeking achteraf, dat wil zeggen de gevallen waarin aanvankelijk geen boeking heeft plaatsgevonden. Dat is het tijdstip waarop in het kader van artikel 220, lid 2, van het douanewetboek om billijkheidsredenen eventueel kan worden afgezien van boeking achteraf. Artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek maakt daarentegen deel uit van hoofdstuk 5, met het opschrift „terugbetaling en kwijtschelding van rechten”. Het tijdstip dáárvoor is gelegen na de boeking, respectievelijk de boeking achteraf. Artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, behelst één van verschillende mogelijkheden tot het corrigeren van reeds geboekte, en dus reeds geregistreerde bedragen van rechten, door middel van terugbetaling of kwijtschelding. De bepaling bevat een algemene billijkheidclausule(41), die geschreven is voor een uitzonderlijke situatie waarin de betrokken aangever verkeert ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten.(42) Deze algemene clausule vindt vooral toepassing wanneer het gelet op de verhouding tussen de aangever en de administratie niet billijk zou zijn om eerstgenoemde een nadeel te berokkenen dat hij normaliter niet zou hebben ondergaan.(43)
53. Net als artikel 220, lid 2, van het douanewetboek maakt artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek dus ruimte voor billijkheidsredenen. Beide regelingen hebben hetzelfde doel(44), te weten betaling achteraf van in‑ of uitvoerrechten te beperken tot de gevallen waarin een dergelijke betaling gerechtvaardigd is en verenigbaar met een zo fundamenteel beginsel als het vertrouwensbeginsel.(45) Zij houden derhalve verband met rechtvaardigheidsoverwegingen, en inzonderheid met het vertrouwensbeginsel. Zij overlappen elkaar gedeeltelijk (zoals ik nog zal aantonen), maar vallen niet geheel samen(46), waardoor artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek een ruimere werkingssfeer heeft dan artikel 220, lid 2, van het douanewetboek.
54. Met betrekking tot het vraagstuk van de overeenstemming van bepaalde criteria van artikel 220, lid 2, en artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, bestaat reeds rechtspraak.(47) In de arresten Hewlett Packard France(48), Söhl & Söhlke(49), en Nederland/Commissie(50) heeft het Hof expliciet geoordeeld dat voor het in casu aan de orde zijnde begrip „klaarblijkelijke nalatigheid”, in de zin van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, de criteria die in het kader van artikel 220 van het douanewetboek worden gehanteerd om uit te maken of een vergissing van de douaneautoriteit door een ondernemer kon worden ontdekt, op overeenkomstige wijze moeten worden toegepast.
55. Aangezien de in casu aan de orde zijnde criteria dus in hoge mate overeenstemmen, doch de desbetreffende beslissingen niet in alle gevallen in dezelfde hand liggen, kan de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in parallelle procedures, zoals de onderhavige, gevaar lopen.
56. Op het punt van de waarborging van de uniforme toepassing van de elementen die de beide betrokken bepalingen gemeen hebben, en op het punt van de voorkoming van het gevaar van uiteenlopende beslissingen dat is gelegen in parallelle procedures voor de Commissie en de gemeenschapsrechter enerzijds en de nationale douaneautoriteiten en nationale rechter anderzijds, bevat de huidige rechtspraak van het Hof reeds wezenlijke aanwijzingen. Evenals de Griekse regering wil ik in dit verband de op het douanerecht betrekking hebbende arresten Deutsche Fernsprecher(51), Mecanarte(52), Faroe Seafood e.a.(53) en Conseil général de la Vienne(54) noemen, die weliswaar niet zijn gewezen in een situatie van parallelle procedures, maar wel betrekking hebben op de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en de Commissie bij de navordering van rechten. Op basis van de in deze arresten gegeven aanwijzingen, kunnen uit het arrest Masterfoods en HB(55), dat het mededingingsrecht betrof en betrekking had op parallelle procedures voor de nationale rechterlijke instanties en de gemeenschapsrechter, overdraagbare beginselen worden afgeleid; iets waarop overigens ook de Nederlandse regering heeft gewezen. Mijns inziens wijst de genoemde serie arresten in diezelfde richting.
57. In punt 33 van het arrest Mecanarte heeft het Hof, zoals ook daarvóór reeds in het arrest Deutsche Fernsprecher, met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale autoriteiten en de Commissie bij de navordering van in‑ en uitvoerrechten er duidelijk op gewezen dat in een situatie zoals de onderhavige „de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht [...] door het Hof van Justitie [kan] worden gewaarborgd in het kader van de prejudiciële procedure”. Wanneer de betrokken persoon dus voor de nationale rechterlijke instanties opkomt tegen een besluit tot navordering, dan moet er rekening mee worden gehouden dat de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in ieder geval door middel van een prejudiciële verwijzing moet kunnen worden gewaarborgd.
58. In de situatie die ten grondslag lag aan het arrest Mecanarte, bestond er, gelet op de in die zaak gestelde prejudiciële vragen, geen noodzaak om nader in te gaan op de thans aan de orde zijnde aspecten van deze problematiek.
59. Voor de situatie die thans moet worden geanalyseerd, waarin bijvoorbeeld ook van belang is of er voor een volgens artikel 234, lid 3, EG niet tot prejudiciële verwijzing verplichte rechterlijke instantie, die de behandeling van de voor hem aanhangige zaak niet wil schorsen en die niet wil afwachten, bij wijze van uitzondering toch een verplichting tot prejudiciële verwijzing kan bestaan(56), biedt het arrest Masterfoods een voortzetting van de benadering die is ontwikkeld in de genoemde arresten Deutsche Fernsprecher, Mecanarte, Faroe Seafood e.a. en Conseil général de la Vienne.
60. De aan het arrest Masterfoods(57) ten grondslag liggende situatie betrof eveneens parallelle procedures voor nationale rechterlijke instanties en communautaire rechterlijke instanties, zij het met betrekking tot de artikelen 85 en 86 EG-Verdrag (thans de artikelen 81 EG en 82 EG). Een ander verschil met de onderhavige situatie is gelegen in het feit dat in die zaak de beslechting van het geding voor de nationale rechterlijke instantie afhing van de geldigheid van de beschikking van de Commissie, terwijl het in casu gaat om de overeenstemming van beoordelingscriteria.
61. In punt 51 van het arrest Masterfoods heeft het Hof, onder verwijzing naar punt 47 van het arrest Delimitis(58), met betrekking tot de toepassing van de artikelen 85, lid 1, en 86 alsmede artikel 85, lid 3, EG-Verdrag geoordeeld dat de nationale rechterlijke instanties, wanneer zij zich uitspreken over gedragingen of overeenkomsten waarover nog een beschikking van de Commissie kan worden gegeven, beslissingen moeten voorkomen die in tegenspraak zijn met een beschikking die de Commissie beoogt te geven.
62. Voorts heeft het Hof in punt 52 van het arrest Masterfoods geoordeeld dat de nationale rechterlijke instanties, wanneer zij zich uitspreken over overeenkomsten of gedragingen waarover de Commissie reeds een beschikking heeft gegeven, a fortiori geen beslissingen mogen nemen die tegen die beschikking indruisen, ook al is zij in tegenspraak met de beslissing van een nationale rechterlijke instantie in eerste aanleg.
63. In het arrest Masterfoods werden deze vaststellingen van het Hof zeer algemeen geformuleerd en niet speciaal toegesneden op mededingingsrechtelijke situaties. Ik zie niet in waarom deze beginselen niet zouden kunnen worden overgedragen op het gebied van het douanerecht, waar, zoals in het onderhavige geval, het gevaar bestaat van niet-uniforme toepassing en uiteenlopende beslissingen met betrekking tot uniforme rechtselementen in parallelle procedures.
64. Het in het arrest Masterfoods gegeven antwoord op de vraag wat een nationale rechterlijke instantie moet doen in een door parallelliteit gekenmerkte situatie als de onderhavige, is tweeledig: om geen beslissing te nemen die tegen de beschikking van de Commissie indruist, dient de nationale rechter de behandeling van de zaak te schorsen tot een definitieve beslissing van de communautaire rechterlijke instanties op het beroep tot nietigverklaring, tenzij hij van oordeel is, dat het in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is het Hof een prejudiciële vraag over de geldigheid van de beschikking van de Commissie te stellen.(59)
65. Uit dit antwoord spreekt een duidelijke voorkeur voor de schorsing tot een definitieve beslissing op het beroep tot nietigverklaring, zonder evenwel de prejudiciële procedure uit te sluiten. Deze voorkeur om voorrang te geven aan de beslissing op het beroep tot nietigverklaring is voor situaties zoals de onderhavige zeer begrijpelijk, wanneer men de hoogst uiteenlopende benaderingswijzen van de procedure van het beroep tot nietigverklaring en de prejudiciële procedure voor ogen houdt.(60)
66. Anderzijds kan het om bijzondere redenen, bijvoorbeeld in een situatie zoals de onderhavige, ook zeer zinvol zijn om niet af te wachten, doch een prejudicieel verzoek aan het Hof te richten. Immers, in een situatie zoals de onderhavige heeft de beschikking van de Commissie betrekking op de – eigenlijk secundaire – vraag inzake de kwijtschelding van invoerrechten, die eigenlijk vooraf zou moeten gaan aan de kernvraag (inzake de navordering van invoerrechten). Voor de oplossing van deze kernvraag diende in het onderhavige geding de juiste indeling van rijstpapier te worden onderzocht.(61) Daarin kan een bijzondere reden voor het stellen van een prejudiciële vraag gelegen zijn, waarbij ook denkbaar is dat vervolgens op nationaal niveau middels een deelvonnis enkel over dit aspect uitspraak wordt gedaan.
67. Aan de vaststelling dat de Masterfoods-rechtspraak overdraagbaar is, wordt niet afgedaan door arresten als Sportgoods(62) en Sommer(63), aangezien die betrekking hebben op een andere situatie dan de onderhavige. In beide gevallen betrof de beslissing van het Hof, anders dan in de onderhavige zaak, een situatie waarin de beschikking van de Commissie geen enkel gegeven, feitelijk of rechtens, bevatte ter zake van de vraag of voor de navordering van de desbetreffende invoerrechten in de bestreden verordening een rechtgrondslag te vinden was. Daardoor was de beschikking van de Commissie in dit opzicht niet bindend voor alle instanties van de staat tot wie zij was gericht, diens rechterlijke instanties daaronder begrepen.(64)
68. Gelet op al het voorgaande is het mijns inziens noodzakelijk dat de nationale rechterlijke instanties, in situaties zoals de onderhavige, die worden gekenmerkt door parallelle procedures, de beslissingsbevoegdheid van de Commissie eerbiedigen, welke bevoegdheid haar bijzondere uitdrukking heeft gevonden in de bij verordening nr. 2454/93 vastgestelde procedures.
69. Dit kan, wanneer er reeds een beschikking van de Commissie bestaat waarvan de nietigverklaring is gevorderd in een andere procedure, primair worden gewaarborgd door schorsing van de behandeling van de zaak voor de nationale rechter tot de definitieve beslissing op het beroep tot nietigverklaring, en dit ook reeds aan het begin van de rechtsgang. Als andere mogelijkheid blijft in deze situatie nog die van het verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG(65), zij het veeleer als een secundaire weg, wanneer bijzondere redenen aan de primaire mogelijkheid in de weg staan.
70. Wanneer de beschikking van de Commissie nog niet is vastgesteld, ligt de zaak anders, zoals ook de Commissie in haar opmerkingen heeft benadrukt. Dit aspect is thans van hypothetische aard, aangezien het verder gaat dan de vraagstelling van de verwijzende rechter. Omdat het bij de besluitvorming evenwel nuttig kan zijn ook potentiële gevallen voor ogen te houden en de overwogen oplossing daaraan te toetsen, dient daarop kort te worden ingegaan: met de Commissie ben ik van mening dat de eerbiediging van de beslissingsbevoegdheid van de Commissie in een dergelijk geval wel gebiedt dat de nationale rechter de behandeling van de zaak schorst tot deze beschikking is gegeven.(66) Anders zou namelijk het gevaar bestaan dat de rechterlijke beslissing vooruitloopt op de beschikking van de Commissie, en dus daarvoor in de plaats zou treden.
71. Om de hierboven beschreven samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en de communautaire rechterlijke instanties in de praktijk te verzekeren, is het mijns inziens noodzakelijk dat elke nationale rechterlijke instantie waarbij dergelijke parallelle gemeenschapsrechtelijke kwesties aanhangig zijn gemaakt, zich, door ambtshalve inlichtingen in te winnen, ervan vergewist of een als parallel aan te merken verzoek is ingediend dan wel alsnog binnen de daarvoor geldende termijn ingediend kan worden(67), op welk verzoek de Commissie moet beslissen, alsmede in welk stadium (beschikking, kracht van gewijsde) dit verzoek zich in voorkomend geval bevindt.(68)
72. Rest mij nog in te gaan op een speciaal aspect van de derde vraag van de verwijzende rechter. Deze vraag is namelijk concreet gericht op de uitlegging van artikel 871, lid 1, van verordening nr. 2454/93, die procedurevoorschriften voor de nationale douaneautoriteiten bevat. De achtergrond van deze vraag is, zoals valt op te maken uit de uiteenzetting van de Nederlandse regering waarin wordt verwezen naar artikel 8:72, lid 4, van de Algemene Wet Bestuursrecht, dat de Nederlandse douaneautoriteiten krachtens deze bepaling bij de vernietigingsbeslissing voorwaarden en handelwijzen met het oog op het verdere verloop van de procedure kunnen opleggen. Een dergelijke handelwijze zou er bijvoorbeeld in kunnen bestaan dat de nationale douaneautoriteiten het verzoek van de belastingschuldige daarna dienen voor te leggen aan de Commissie, aangezien een voor hem gunstige beschikking tot de mogelijkheden behoort.
73. Daarmee wordt een aanvullende mogelijkheid genoemd ter waarborging van een uniforme uitlegging van artikel 220, lid 2, en artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek, te weten de vernietiging van het besluit van de nationale douaneautoriteit, zonder daarmee zelf een beslissing in de zaak te nemen. Dienaangaande zij opgemerkt dat, voor zover het nationale procesrecht voorziet in een dergelijke mogelijkheid om het besluit van de nationale autoriteit te vernietigen en onder voorwaarden opnieuw bij laatstgenoemde autoriteit aanhangig te maken, ook daarin een met het gemeenschapsrecht in overeenstemming zijnde werkwijze kan zijn gelegen(69), zolang de beslissingsbevoegdheid van de Commissie wordt geëerbiedigd.
V – Conclusie
74. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen van de Hoge Raad der Nederlanden als volgt te beantwoorden:
„1) Vellen als omschreven in de bijlage bij verordening nr. 1196/97 vallen onder post 1905 van de gecombineerde nomenclatuur indien het vellen betreft, gemaakt van rijstmeel, zout en water, die zijn gedroogd, doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan.
2) Gelet op het antwoord op de eerste vraag, is bovengenoemde verordening nr. 1196/97 geldig.
3) Met het oog op een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht dienen nationale rechterlijke instanties, onafhankelijk van hun onderscheiden positie binnen de rechtsgang, in geval van inhoudelijke overeenstemmende criteria in het douanewetboek de beslissingsbevoegdheid van de Commissie te eerbiedigen. Teneinde in parallel lopende procedures op grond van (deels) overeenstemmende bepalingen geen beslissing te nemen die indruist tegen de beschikking van de Commissie, dient de nationale rechterlijke instantie de behandeling van de zaak te schorsen totdat de communautaire rechterlijke instanties een definitieve beslissing hebben genomen over het beroep tot nietigverklaring, tenzij zij het onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd acht het Hof een prejudiciële vraag naar de geldigheid van de beschikking van de Commissie voor te leggen. Ook een nieuwe aanhangigmaking, in het kader van de administratieve samenwerking tussen de douaneautoriteiten en de Commissie, bij de nationale douaneautoriteiten onder de voorwaarde van voorlegging aan de Commissie, behoort tot de mogelijkheden.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits
2 – Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2006, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods/Commissie (T‑382/04).
3 – Zie in dit verband mijn conclusie van 4 september 2008 in zaak C‑38/07 P, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading/Commissie.
4 – PB L 256, blz. 1.
5 – PB L 198, blz. 1.
6 – Zie in dit verband de overwegingen van de considerans van verordening nr. 2658/87 (met name de derde overweging), de artikelen 1 en 3 van deze verordening alsmede arrest van 27 september 2007, Medion (C‑208/06 en C‑209/06, Jurispr. blz. I‑7963, punt 3).
7 – De posten 0401 tot en met 0404 omvatten waren als melk, room, wei en daarvan afkomstige producten.
8 – PB L 170, blz. 13.
9 – PB L 302, blz. 1.
10 – PB L 253, blz. 1.
11 – Zie punt 34 van deze conclusie.
12 – Daarentegen verwijst hij in een passage van zijn motivering naar de „tekst tot 1 augustus 2003”, waarbij hij evenwel een drempel vermeld van 50 000 EUR, die hoort bij de tot en met 31 juli 2003 geldende rechtstoestand.
13 – PB L 212, blz. 18. Hierbij werd bijvoorbeeld de administratieve procedure inzake de beschikkingen op grond van artikel 239, lid 1, van het douanewetboek in artikel 905, lid 1, aangevuld door toevoeging van een tweede alinea.
14 – PB L 187, blz. 16. Volgens Berr/Trémeau, Le droit douanier, Communautaire et national, 7e druk, 2006, blz. 232, heeft deze grondige herziening onder meer plaatsgevonden om de nadelen van het eerdere systeem van dubbele bevoegdheid op te heffen, een substantiële ontlasting van de Commissie te bewerkstelligen en de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor het beheer van de eigen middelen te herstellen. Zie in dit verband ook het hierna in voetnoot 17 genoemde punt 2 van de considerans van verordening nr. 1335/2003.
15 – Zie in verband met de datum van deze rechtswijziging punt 16 van deze conclusie.
16 – Met betrekking tot een regeling die voorafging aan de hier aan de orde zijnde administratieve procedure, heeft het Hof in het arrest van 27 juni 1991, Mecanarte (C‑348/89, Jurispr. blz. I‑3277, punt 33), geoordeeld dat de te verzekeren uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht in gevaar zou kunnen komen wanneer een verzoek om van navordering af te zien wordt ingewilligd, aangezien de beoordeling waarop een lidstaat een positieve beslissing kan baseren zich in de praktijk, omdat daartegen waarschijnlijk geen administratief beroep zal worden ingesteld, dreigt te onttrekken aan een controle waarmee de uniforme toepassing van de door de gemeenschapswetgeving gestelde voorwaarden kan worden verzekerd. Zulks is evenwel niet het geval, wanneer de nationale autoriteiten wel tot navordering overgaan, ongeacht het bedrag waar het om gaat. De betrokkene kan die beslissing dan voor de nationale rechter aanvechten. De uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht kan dan in voorkomend geval door het Hof van Justitie worden gewaarborgd in het kader van de prejudiciële procedure.
17 – Zie in dit verband de punten 1‑4 van de considerans van verordening nr. 2454/93 in de versie van verordening nr. 1335/2003:
„(1) Volgens artikel 220, lid 2, sub b, en artikel 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 bestaat in bepaalde gevallen de mogelijkheid in‑ of uitvoerrechten niet achteraf te boeken of deze om redenen van billijkheid terug te betalen of kwijt te schelden.
(2) Daar de inning van de traditionele eigen middelen krachtens artikel 8 van besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen [...] in de eerste plaats de taak is van de lidstaten, verdient het aanbeveling de autoriteiten van de lidstaten in eerste instantie zelf te laten beslissen of in‑ of uitvoerrechten, al dan niet achteraf moeten worden geboekt krachtens artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 of moeten worden terugbetaald of kwijtgescholden krachtens artikel 239 van de genoemde verordening.
(3) Het is echter wenselijk, teneinde de gelijke behandeling van alle marktdeelnemers te waarborgen en de financiële belangen van de Gemeenschappen veilig te stellen, de verplichting te handhaven dat bepaalde dossiers ter beslissing aan de Commissie worden voorgelegd, met name wanneer de lidstaten van mening zijn dat een gunstige beschikking moet worden genomen en a) de Commissie mogelijk een vergissing of verzuim heeft begaan, of b) de in het dossier beschreven omstandigheden verband houden met communautaire onderzoeken op grond van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane‑ en landbouwvoorschriften [...], of c) het bedrag aan rechten 500 000 EUR of meer is.
(4) Verwijzing naar de Commissie is evenwel niet nodig indien deze reeds een beschikking heeft genomen in een geval waarin zich feitelijk en juridisch vergelijkbare omstandigheden voordoen en de lidstaten zich voor hun definitieve beslissing kunnen baseren op de meest recente, feitelijk en juridisch vergelijkbare beschikking van de Commissie.”
18 – Uitspraak van 7 december 2004 van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam, zaak nr. 01/90096 DK, blz. 2.
19 – Uit het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods/Commissie (aangehaald in voetnoot 2), in het parallelle beroep tot nietigverklaring van beschikking REM 19/2002 van de Commissie van 17 juni 2004 blijkt het volgende: Na de vaststelling van verordening nr. 1196/97, die op 28 juni 1997 is bekendgemaakt en op 19 juli 1997 in werking is getreden, heeft Heuschen & Schrouff haar importen van het betrokken rijstpapier onder GN-postonderverdeling 1901 90 99 voortgezet, wat door de Nederlandse douaneautoriteiten bij 29 aangiften in zes maanden is aanvaard (met documentaire en, in één geval, fysieke controle). Op 16 maart 1998 lieten de Nederlandse douaneautoriteiten weten dat de aangifte diende te geschieden onder GN-postonderverdeling 1905 90 20. Later op diezelfde dag werd evenwel door diezelfde douaneautoriteiten de juistheid bevestigd van een aangifte onder GN-postonderverdeling 1901 90 99. Vanaf 17 maart 1998 heeft Heuschen & Schrouff de invoer van rijstpapier verricht onder GN-postonderverdeling 1905 90 20.
20 – Zie de uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam, aangehaald in voetnoot 18, blz. 1 en 3, alsmede het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods/Commissie (aangehaald in voetnoot 2), punt 12.
21 – Zie de uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam, aangehaald in voetnoot 18, blz. 3.
22 – Blijkens punt 12 van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods/Commissie (aangehaald in voetnoot 2), gaat het uiteindelijk om de betaling ten belope van een bedrag van 636 518,40 NLG (282 645,21 EUR).
23 – Zie voor de datum punt 13 van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods/Commissie (aangehaald in voetnoot 2).
24 – Zie punt 3 van deze conclusie.
25 – Arrest van 11 augustus 1995 (C‑12/94, Jurispr. blz. I‑2397).
26 – Arrest van 13 maart 2003, Nederland/Commissie (C‑156/00, Jurispr. blz. I‑2527).
27 – Wanneer het Hof een prejudiciële vraag krijgt voorgelegd op het gebied van de tariefindeling, heeft het veeleer tot taak de nationale rechter de criteria aan te reiken aan de hand waarvan deze de betrokken producten correct in de GN kan indelen, dan zelf deze indeling te verrichten, temeer daar het Hof niet altijd over de daarvoor noodzakelijke gegevens beschikt. De nationale rechter lijkt hiertoe in ieder geval veel beter toegerust (arrest van 7 november 2002, Lohmann en Medi Bayreuth, C‑260/00–C‑263/00, Jurispr. blz. I‑10045, punt 26).
28 – Aziatisch rijstpapier kan onder meer uit verschillende plantenvezels worden gewonnen en wordt, bijvoorbeeld in Japan en China, zeer veelvuldig gebruikt, zelfs in woningen (bijvoorbeeld voor tussenwanden en lampen).
29 – Zie punt 7 van deze conclusie.
30 – Op het bijzondere belang hiervan wijst ook Lyons, EC Customs Law, 2e druk, 2008, blz. 142.
31 – Zie onder andere arresten van 26 september 2000, Eru Portuguesa (C‑42/99, Jurispr. blz. I‑7691, punt 13), en 15 september 2005, Intermodal Transports (C‑495/03, Jurispr. blz. I‑8151, punt 47), en arrest, Medion (aangehaald in voetnoot 6, punt 34).
32 – Volgens vaste rechtspraak brengt het vereiste van een uniforme uitlegging van de gemeenschapsverordeningen mee, dat de tekst van een bepaling in geval van twijfel niet op zichzelf kan worden beschouwd, maar moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in de andere officiële talen (arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 46; zie voor de vaste rechtspraak ook arrest van 13 december 2007, Götz, C‑408/06, Jurispr. blz. I‑11295, punt 29, met verdere verwijzingen).
33 – De Nederlandse („dergelijke producten van meel of van zetmeel”), de Deense („lignende varer af mel eller stivelse”) en de Zweedse („liknande produkter”) versie beëindigen de opsomming met een meer of minder gedetailleerde verwijzing naar „dergelijke producten” en zijn dus minder uitvoerig uitgewerkt dan sommige andere versies, die tussen de vermelding van „plakouwels” en „dergelijke producten” nog de in de volgende voetnoot genoemde begrippen bevatten.
34 – Dit geldt onder andere voor de Duitse („getrockener Teigblätter aus Mehl oder Stärke”), de Franse („pâtes séchées de farine, d’amidon ou de fécule en feuilles”), de Spaanse („pastas secas de harina, almidón o fécula, en hojas”) en de Portugese („pastas secas de farinha, amido ou fécula”) versie.
35 – Zie „rice paper” in de Engelse versie en „rižev papir” in de Sloveense versie.
36 – Aangehaald in voetnoot 25 van deze conclusie.
37 – Zie punt 7 van deze conclusie.
38 – Overigens heeft de verwijzende rechter deze toelichting eveneens vermeld, zij het met een andere bedoeling dan Heuschen & Schrouff.
39 – De in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (GS) zijn, naast de door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten (arrest van 17 maart 2005, Ikegami, C‑467/03, Jurispr. blz. I‑2389, punt 17).
40 – Zie voor bijzonderheden in verband met het beginsel van de boeking artikel 217 van het douanewetboek.
41 – Zie onder andere arrest van 3 april 2008, Militzer & Münch (C‑230/06, Jurispr. blz. I‑0000, punt 50).
42 – Zie onder andere arresten van 7 september 1999, De Haan (C‑61/98, Jurispr. blz. I‑5003, punt 52), en 18 oktober 2007, Nordspedizionieri di Danielis Livio e.a./Commissie (C‑62/05 P, Jurispr. blz. I‑8647, punt 41), met betrekking tot de oudere bepalingen van artikel 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek en artikel 905 van verordening nr. 2454/93.
43 – Zie mijn conclusie van 13 maart 2008 in zaak C‑204/07 P, CAS/Commissie, punten 68 en 69, met verdere verwijzingen.
44 – Arrest van 1 april 1993, Hewlett Packard France (C‑250/91, Jurispr. blz. I‑1819, punt 46); Alexander, „Vorbemerkungen zu Art. 220, 221”, in: Witte, Zollkodex, Kommentar, 4e druk, 2006, punt 5; Huchatz, „Art. 239 – „Erstattung oder Erlass in Sonderfällen”, op. cit., punt 32.
45 – Arrest Hewlett Packard France, aangehaald in voetnoot 44, punt 46.
46 – Zie arrest De Haan, aangehaald in voetnoot 42, punt 42 juncto punt 41, met betrekking tot de oudere bepalingen van de artikelen 220, lid 2, en 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek. Alexander, „Vorbemerkungen zu Art. 220, 221”, aangehaald in voetnoot 44, punt 2, wijst erop dat artikel 220, lid 2, van het douanewetboek slechts een gedeeltelijke regeling van het vertrouwensbeginsel behelst. Het vertrouwensbeginsel is daardoor enerzijds niet uitputtend gedefinieerd. Anderzijds is het op grond van deze bepaling niet mogelijk op gedifferentieerde wijze rekening te houden met schuld aan de zijde van zowel douaneautoriteit als de belastingschuldige. Om aan deze gebreken te ontkomen, zullen de partijen bij douaneprocedures in toenemende mate parallelle verzoeken om terugbetaling indienen, of beroepen wegens overheidsaansprakelijkheid instellen. Alexander wijst op het gevaar dat het voeren van meerdere juridisch gescheiden procedures met betrekking tot dezelfde feiten, onder de meest uiteenlopende materiële en formele voorwaarden, een bron van zeer veel fouten kan vormen. Dit zal in de regel gepaard gaan met de noodzaak voor de belastingschuldige om technisch gekwalificeerde, uitgebreide en dus dure adviezen in te winnen, alsmede met onevenredig zware administratieve lasten voor de met de zaak belaste douaneautoriteiten en voor de Commissie. Om redenen van proceseconomie zullen de procedures vaak niet parallel worden behandeld, doch deels worden uitgesteld. Om dit te verhelpen, is een grondige herziening van de boeking achteraf en het recht inzake kwijtschelding en terugbetaling dringend noodzakelijk. Zie ook Lyons, aangehaald in voetnoot 30, blz. 496, die bevestigt dat de beide regelingen niet samenvallen. Hij wijst bovendien op het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 februari 1998, Eyckeler & Malt/Commissie (T‑42/96, Jurispr. blz. II‑401, punten 135 e.v.), met betrekking tot de overeenkomstige oudere bepalingen van de artikelen 220, lid 2, en 239, lid 1, tweede gedachtestreepje, van het douanewetboek.
47 – Zie voetnoot 46 van deze conclusie met betrekking tot het feit dat de betrokken bepalingen toch niet geheel samenvallen.
48 – Aangehaald in voetnoot 44, punt 46.
49 – Aangehaald in voetnoot 32, punten 55 en 56.
50 – Aangehaald in voetnoot 26, punt 92.
51 – Arrest van 26 juni 1990 (C‑64/89, Jurispr. blz. I‑2535, punt 13).
52 – Aangehaald in voetnoot 16, punt 33.
53 – Arrest van 14 mei 1996 (C‑153/94 en C‑204/94, Jurispr. blz. I‑2465, punt 80).
54 – Arrest van 22 juni 2006 (C‑419/04, Jurispr. blz. I‑5645, punt 42).
55 – Arrest van 14 december 2000 (C‑344/98, Jurispr. blz. I‑11369).
56 – Hetgeen bijvoorbeeld is erkend voor wat betreft de constatering van de ongeldigheid van een gemeenschapshandeling, zie onder andere arresten van 22 oktober 1987, Foto-Frost (314/85, Jurispr. blz. 4199, punt 20), en 21 maart 2000, Greenpeace France e.a. (C‑6/99, Jurispr. blz. I‑1651, punt 54). Zie ook arrest van 21 februari 1991, Zuckerfabrik Süderdithmarschen en Zuckerfabrik Soest (C‑143/88 en C‑92/89, Jurispr. blz. I‑415, punt 24).
57 – Aangehaald in voetnoot 55.
58 – Arrest van 28 februari 1991 (C‑234/89, Jurispr. blz. I‑935, punten 43‑54).
59 – Aangehaald in voetnoot 55, punten 57 en 59.
60 – Advocaat-generaal Cosmas heeft zich in zijn conclusie van 16 mei 2000, Masterfoods (aangehaald in voetnoot 55, punten 40‑55), uitvoerig beziggehouden met deze problematiek, die ook een stempel heeft gedrukt op de standpunten van de partijen in die procedure. Advocaat-generaal Cosmas beschrijft onder andere de mogelijkheid dat partijen, of één partij, zouden/zou kunnen proberen, zelf het type procedure uit te kiezen en daarmee de communautaire rechtsgang te bepalen. De prejudiciële procedure, die niet is gericht op de beoordeling van de feiten, is voor de toetsing van de geldigheid van een beschikking van de Commissie in het kader van de beantwoording van een prejudiciële vraag, bovendien ongeschikt, aangezien een toetsing van dergelijke administratieve handelingen uit hoofde van een volledige rechtsmacht van wezenlijk belang is teneinde een doeltreffende rechtsbescherming te waarborgen. Mijns inziens kan hieraan worden toegevoegd dat ook op het niveau van de stelplicht en de bewijslast ernstige problemen liggen: deze spelen bij het beroep tot nietigverklaring een doorslaggevende rol, doch zijn daarentegen in een prejudiciële procedure niet van belang. Daarbij komt de relatief nauwe structuur van de „middelen” in het rechtstreekse beroep, die ertoe leidt dat veel reeds op het niveau van de ontvankelijkheid wordt beslist, zonder dat wordt ingegaan op de gegrondheid, en anderzijds de relatief open structuur van de prejudiciële procedure, waarin de argumenten van alle partijen in de procedure (met inbegrip van de diverse betrokken lidstaten) inhoudelijk worden beoordeeld. Ten slotte kunnen deze verschillen leiden tot aanzienlijke onevenwichtigheden, afhankelijk van de vraag in welk type procedure de zaak voor het eerst aan het Hof wordt voorgelegd.
61 – Zie in dit verband punt 36 van mijn conclusie van 4 september 2008 in zaak C‑38/07 P, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading/Commissie.
62 – Arrest van 24 september 1998 (C‑413/96, Jurispr. blz. I‑5285, punten 41‑43).
63 – Arrest van 19 oktober 2000 (C‑15/99, Jurispr. blz. 8989, punt 31).
64 – Arrest Sportgoods, aangehaald in voetnoot 62, punt 41.
65 – In dit verband moet evenwel in aanmerking worden genomen dat wanneer de termijn voor het beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230, lid 5, EG reeds is verstreken, en daarmee de desbetreffende beschikking van de Commissie tegenover haar adressaten definitief geworden is, deze rechtsgevolgen teweegbrengende gemeenschapshandeling niet meer met een beroep voor nationale rechterlijke instanties en eventueel daarmee samenhangende verzoeken om een prejudiciële beslissing in geding kan worden gebracht (zie arresten van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf, C‑188/92, Jurispr. blz. I‑833, punten 13‑26, en 30 januari 1997, Wiljo, C‑178/95, Jurispr. blz. I‑585, punten 20‑31).
66 – Daarvoor pleit ook punt 48 van het arrest De Haan, aangehaald in voetnoot 42.
67 – Voor een verzoek krachtens artikel 239, lid 2, van het douanewetboek bestaat bijvoorbeeld een termijn van 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de douanerechten zijn medegedeeld, welke termijn slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden verlengd.
68 – Aangezien het gaat om ingediende verzoeken, zal voor deze informatie doorgaans kunnen worden volstaan met het inwinnen van inlichtingen bij de partijen in het geding. Voor het overige zij erop gewezen dat in voorkomend geval ook de mogelijkheid bestaat om bij de Commissie te vragen naar de stand van een aldaar aanhangige procedure. Deze is ingevolge artikel 10 EG verplicht tot loyale samenwerking met de rechterlijke instanties van de lidstaten, zie in dit verband arrest Delimitis, aangehaald in voetnoot 58, punt 53, met verdere verwijzingen.
69 – Daarbij moet voor een geval als het onderhavige evenwel worden bedacht dat sinds de wijziging van de rechtstoestand die op 1 augustus 2003 gold (zie punten 16‑19 van deze conclusie), waarop in dit verband ook is gewezen door de Italiaanse regering, de mogelijkheid van voorlegging aan de Commissie zeer is ingeperkt. De rechterlijke instantie aan wie het verzoek is voorgelegd, dient derhalve steeds concreet te onderzoeken of een voorleggingsmogelijkheid nog bestaat.
Full & Egal Universal Law Academy