CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 10 september 2008 (1)
Zaak C‑376/07
Staatssecretaris van Financiën
tegen
Kamino International Logistics BV
(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
„Tariefindeling – LCD-monitors”
I – Inleiding
1. Het Hof wordt in deze zaak verzocht om een antwoord op drie prejudiciële vragen van de verwijzende rechter, de Hoge Raad der Nederlanden, over enkele bepalingen van de gecombineerde nomenclatuur. De nationale rechter moet zich uitspreken over de tariefindeling van een monitor van het type liquid crystal display (hierna: „LCD”), geïmporteerd door de vennootschap Kamino International Logistics BV (hierna: „Kamino”). In die context verzoekt de Hoge Raad het Hof om uitlegging van enkele bepalingen van de nomenclatuur.
II – Relevante wettelijke regeling
A – De bepalingen van de gecombineerde nomenclatuur
2. De op de in geding zijnde feiten toepasselijke gecombineerde nomenclatuur is die van 2004, vervat in verordening nr. 1789/2003(2) (hierna: „GN 2004”).
3. Titel I van het eerste deel van de GN 2004, „Algemene regels”, bepaalt:
„[...]
Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen.
1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.
[...]
3. Indien goederen [...] vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
a) de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking [...]
b) mengsels, werken die zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen in stellen of assortimenten opgemaakt voor de verkoop in het klein, waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder 3 a, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan de mengsels, de werken, de stellen of de assortimenten hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald;
c) in de gevallen waarin de indeling aan de hand van het bepaalde onder 3 a en 3 b niet mogelijk is, wordt van de verschillende in aanmerking komende posten, de post toegepast die in volgorde van nummering het laatst is geplaatst.
4. Goederen die niet kunnen worden ingedeeld overeenkomstig vorenstaande regels, worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de goederen waarmede zij de meeste overeenkomst vertonen.”
4. Afdeling XVI van de GN 2004 is getiteld „machines en toestellen, elektrotechnisch materieel, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen”. Zij bevat hoofdstuk 84, „Kernreactoren, stoomketels, machines, toestellen en mechanische werktuigen, alsmede delen daarvan”, en hoofdstuk 85, „Elektrische machines, apparaten, uitrustingsstukken, alsmede delen daarvan; toestellen voor het opnemen of het weergeven van geluid, toestellen voor het opnemen of het weergeven van beelden en geluid voor televisie, alsmede delen en toebehoren van deze toestellen”.
5. Hoofdstuk 84 wordt voorafgegaan door de volgende „Aantekeningen”:
„[...]
5.
[...]
B. Automatische gegevensverwerkende machines kunnen voorkomen in de vorm van systemen bestaande uit een variabel aantal afzonderlijke eenheden. Met inachtneming van het bepaalde in letter E hierna, wordt een eenheid als een deel van een compleet systeem aangemerkt, indien zij aan alle hierna omschreven voorwaarden voldoet, te weten:
a) zij moet van de soort zijn die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem;
b) zij moet, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenschakeling van een of meer andere eenheden, op de centrale verwerkingseenheid kunnen worden aangesloten, en
c) zij moet in staat zijn gegevens te ontvangen of te leveren in een vorm – codes of signalen – die bruikbaar is voor het systeem.
C. Afzonderlijk aangeboden eenheden van een automatische gegevensverwerkende machine worden onder post 8471 ingedeeld.
D. Afdrukkers, toetsenborden, invoertoestellen met X-Y-coördinaten en schijvengeheugeneenheden die voldoen aan het bepaalde in letter B, onder b en c, hiervoor, zijn in alle gevallen in te delen als eenheden bedoeld bij post 8471.
E. Machines die een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking, vervullen en die een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of daarmede in samenhang worden gebruikt, worden ingedeeld onder de post die overeenkomstig hun functie in aanmerking komt of, bij ontbreken daarvan, onder een sluitpost.
[...]”
6. Hoofdstuk 84 van de GN 2004 bevat onder meer de volgende posten:
„8471 Automatische gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor; magnetische en optische lezers, machines voor het in gecodeerde vorm op dragers overzetten van gegevens en machines voor het verwerken van die gegevens, elders genoemd noch elders onder begrepen:
[...]
8471 60 – invoereenheden en uitvoereenheden, ook indien zij in dezelfde behuizing geheugeneenheden bevatten:
[...]
8471 60 90 – – – andere”
7. In hoofdstuk 85 van de GN 2004 staan de volgende posten:
„8528 Ontvangtoestellen voor televisie, ook indien met ingebouwd ontvangtoestel voor radio-omroep of toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid of van beelden; videomonitors en videoprojectietoestellen:
[...]
– videomonitors:
8528 21 – – voor kleurenweergave:
– – – met beeldbuis:
[...]
8528 21 90 – – – andere”
B – De toelichtingen op het geharmoniseerde systeem
8. Het geharmoniseerde systeem, dat tot stand is gekomen in het kader van de Werelddouaneorganisatie, vormt het uitgangspunt voor de opstelling van de gecombineerde nomenclatuur.(3) Het geharmoniseerd systeem is voorzien van toelichtingen. In het bijzonder luidden de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding toepasselijke toelichtingen op post 8471 als volgt:
„Onder de eenheden [van een gegevensverwerkend systeem] zijn begrepen beeldschermeenheden van automatische gegevensverwerkende machines die een grafische presentatie weergeven van de verwerkte gegevens. Zij onderscheiden zich van de videomonitoren en ontvangtoestellen voor televisie bedoeld bij post 8528 op de verschillende navolgende wijzen:
1) Beeldschermeenheden van automatische gegevensverwerkende machines zijn slechts in staat om een signaal van de centrale verwerkingseenheid van een automatische gegevensverwerkende machine te ontvangen en kunnen daardoor geen kleurenbeeld van een composiet videosignaal reproduceren waarvan de golfvorm voldoet aan een uitzendnorm (NTSC, SECAM, PAL, D-MAC, enzovoort). Zij zijn voorzien van aansluitingen die karakteristiek zijn voor gegevensverwerkende systemen (bijvoorbeeld een RS-232C koppeleenheid (‚interface’), DIN of SUB-D aansluitingen) en hebben geen audioschakeling. [...]
2) Deze beeldschermeenheden kenmerken zich door lage elektromagnetische veldemissies. De afstand tussen de beeldpunten begint bij 0,41 mm voor gemiddelde (medium) resolutie en wordt kleiner naargelang de resolutie toeneemt.
3) Teneinde de presentatie van beelden van kleine afmetingen maar met hoge definitie te vergemakkelijken, gebruiken de beeldschermeenheden van deze post kleinere beeldpunten (pixels) en grotere convergentienormen dan die gebruikt door videomonitoren en ontvangtoestellen voor televisie, bedoeld bij post 8528 [...]”(4)
C – De toelichtingen op de GN
9. De ten tijde van de feiten toepasselijke toelichtingen op de GN, opgesteld door de Commissie(5), bepalen met betrekking tot post 8471 60 90 het volgende:
„Deze onderverdeling omvat beeldschermeenheden die uitsluitend kunnen worden gebruikt als uitvoereenheid voor een automatische gegevensverwerkende machine.
Deze eenheden kunnen geen beeld reproduceren uit een gecodeerd (composiet video) signaal.”
D – Verordening nr. 754/2004
10. Bij verordening (EG) nr. 754/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur(6) zijn in post 8258 21 90 twee producten ingedeeld, die worden beschreven als volgt:
„1. Een plasmascherm, voor kleurenweergave, met een diagonaal van het beeldscherm van 106 cm (buitenwerks gemeten afmeting l x b x d 104 x 64,8 x 9,5 cm), met 852 x 480 beeldpunten.
Het toestel heeft de volgende interfaces:
– een RGB-aansluiting;
– een DVI-aansluiting (digitale visuele interface);
– een besturingsaansluiting.
De RGB-aansluiting stelt het toestel in staat om rechtstreeks gegevens weer te geven afkomstig van een machine voor automatische gegevensverwerking.
De DVI-aansluiting stelt het toestel in staat om signalen weer te geven afkomstig van een machine voor automatische gegevensverwerking of een andere bron, zoals een DVD-speler of een spelcomputer, via een tunerbox.”
2. Een plasmascherm voor kleurenweergave, met een diagonaal van het beeldscherm van 106 cm (buitenwerks gemeten afmeting l x b x d 103 x 63,6 x 9,5 cm), met 1024 x 1024 beeldpunten en afkoppelbare luidsprekers.
Het toestel heeft de volgende interfaces:
– een DVI-aansluiting (digitale visuele interface);
– een besturingsaansluiting.
De DVI-aansluiting stelt het toestel in staat om signalen weer te geven afkomstig van een machine voor automatische gegevensverwerking of een andere bron, zoals een DVD-speler of een spelcomputer, via een tunerbox.”
11. De voor beide producten gelijkluidende motivering van deze indeling is als volgt:
„De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en op basis van de tekst van de GN-codes 8528, 8528 21en 8528 21 90.
Indeling bij onderverdeling 8471 60 is uitgesloten omdat het beeldscherm niet van een soort is dat hoofdzakelijk of uitsluitend in een systeem voor automatische gegevensverwerking wordt gebruikt (zie aantekening 5 op hoofdstuk 84).
De indeling onder post 8531 is evenzeer uitgesloten, omdat de functie van het product niet is het weergeven via zichtbare signalen (zie de GS-toelichtingen op post 8531, onder D).”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12. Kamino heeft in augustus 2004 een zending kleurenmonitors ingevoerd van het model BenQ FP231W, met de volgende kenmerken: diameter 23 inch (58,42 cm), maximale resolutie 1920 x 1200 pixels, aspect ratio 16:10, beeldhelderheid 250 cd/m2, contrast ratio 500:1, 16,7 miljoen kleuren, pixel pitch 0,258 mm. De monitor heeft poorten voor D-sub (VGA), DVI-D, USB, S-video en Composite-video, alsmede een audio-uitgang.(7)
13. Volgens de Nederlandse douaneautoriteiten moest de monitor worden ingedeeld in post 8528 21 90 van de GN 2004. Kamino is van mening dat het product thuishoort in post 8471 van de GN 2004.
14. De verwijzende rechter, aan wie het geschil in hoogste instantie is voorgelegd, acht het in casu noodzakelijk het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1) Moet aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN in de versie van bijlage I bij verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003 zo worden uitgelegd dat een kleurenmonitor die zowel signalen afkomstig van een automatische gegevensverwerkende machine als bedoeld in post 8471 van de GN, als van andere bronnen kan weergeven, is uitgesloten van indeling onder post 8471 van de GN?
2) Indien voor de hiervoor onder 1 bedoelde kleurenmonitor indeling onder post 8471 van de GN niet is uitgesloten, aan de hand van welke omstandigheden moet dan worden bepaald of deze een eenheid is van de soort die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem?
3) Strekt de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 754/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot indeling van bepaalde goederen in de GN zich uit tot de litigieuze monitor en zo ja, is deze verordening, gelet op de antwoorden op de eerste twee vragen, geldig?”
IV – Eerste prejudiciële vraag
15. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN 2004 betekent dat van indeling in post 8471, in hoofdstuk 84, is uitgesloten een monitor die in staat is, niet alleen signalen van een computer weer te geven maar ook signalen afkomstig van andere bronnen. Hoewel de nationale rechter dit niet met zoveel woorden in de tekst van de vraag aangeeft, wordt mede uit de motivering van de verwijzingsbeslissing duidelijk dat de verwijzing meer speciaal doelt op aantekening 5 B.
A – Argumenten van partijen
16. Kamino stelt dat monitors die uitsluitend met een automatisch gegevensverwerkend systeem kunnen werken, niet bestaan en nooit hebben bestaan, daar alle monitors bij gebruik van de juiste kabels beelden kunnen weergeven die afkomstig zijn van verschillende bronnen.(8)
17. Bijgevolg zou het standpunt van de Commissie en de Nederlandse douaneautoriteiten dat de mogelijkheid om een monitor aan te sluiten op een ander apparaat dan een computer, uitsluit dat die monitor wordt ingedeeld in post 8471, betekenen dat alle monitors van indeling in die post zouden zijn uitgesloten, een absurd resultaat.
18. Ten tweede is de indeling van de litigieuze monitor in post 8471 evenmin uitgesloten op grond van aantekening 5 E bij hoofdstuk 84, aangezien de in geding zijnde monitors geen eigen functie hebben, andere dan gegevensverwerking.(9)
19. Aantekening 5 B op hoofdstuk 84 eist voor een indeling bij de gegevensverwerkende apparaten niet dat de randapparatuur van een computer uitsluitend bestemd is voor gebruik in een gegevensverwerkingscontext. Aangezien dit voorschrift immers eist dat de randapparatuur „van de soort [is] die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem”, is de mogelijkheid van ander gebruik dan als onderdeel van een gegevensverwerkend systeem in principe niet onverenigbaar met indeling in hoofdstuk 84.(10)
20. Voorts heeft de Commissie bij een andere gelegenheid expliciet de mogelijkheid van indeling in post 8471 erkend voor enkele monitors die in abstracto in staat zijn, audio‑ en videosignalen niet afkomstig van een computer weer te geven. Dit is met name het geval geweest in indelingsverordening nr. 2171/2005.(11)
21. Bijgevolg sluit aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN 2004 volgens Kamino niet uit dat een kleurenmonitor die zowel signalen van een automatische gegevensverwerkende machine als van andere bronnen kan weergeven, wordt ingedeeld in post 8471.
22. De Nederlandse regering stelt dat in het algemeen een monitor die zowel beelden van een computer kan produceren als beelden van andere bronnen, zoals een DVD-speler of spelcomputer, niet kan worden ingedeeld in post 8471, maar moet worden ingedeeld onder post 8528 van de GN 2004.(12)
23. Voorts kan een monitor als de onderhavige, die beschikt over de aansluitingen D-Sub, DVI-D, USB, S-video en Composite-video, en die voorzien is van een audio-uitgang, niet onder post 8471 vallen, aangezien deze monitor niet uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor gebruik met gegevensverwerkende machines.(13)
24. De Commissie wijst met name op de kenmerken van de in geding zijnde monitors en sluit uit dat deze zijn te beschouwen als bestemd voor „uitsluitend of hoofdzakelijk [gebruik] in een automatisch gegevensverwerkend systeem”, aangezien zij zich door hun technische kenmerken zeer wel lenen voor andere toepassingen.(14)
25. De indeling van de in geding zijnde monitors in hoofdstuk 84 van de GN 2004 is voorts uitgesloten op grond van aantekening 5 E op dit hoofdstuk, aangezien deze monitors tevens een „eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” vervullen.(15)
26. Meer in het algemeen betoogt de Commissie dat de mogelijkheid om ook signalen weer te geven die afkomstig zijn van andere bronnen dan een computer, de indeling van een monitor in post 8471 van de GN 2004 uitsluit.(16)
B – Beoordeling
1. Opmerkingen vooraf
27. Zowel de Nederlandse regering als de Commissie heeft naar aanleiding van de eerste prejudiciële vraag een uitvoerige uiteenzetting gehouden over de specifieke kenmerken van de in geding zijnde monitors, ten betoge dat deze niet de nodige kenmerken bezitten voor indeling in post 8471 van de GN 2004.
28. Ik wijs er echter op dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag het Hof niet verzoekt, aan te geven in welke tariefpost de in geding zijnde producten moeten worden ingedeeld. De vraag is meer in het algemeen, hoe aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN 2004 moet worden uitgelegd.
29. Bij de bespreking van deze vraag zal ik dan ook niet ingaan op de door partijen aangevoerde argumenten inzake de specifieke eigenschappen van de in geding zijnde producten, en mij beperken tot de uitlegging van aantekening 5. De argumenten van partijen inzake de specifieke kenmerken van de in te delen producten zullen in elk geval aan de orde kunnen komen bij de bespreking van de tweede prejudiciële vraag, al vraagt de nationale rechter ook daarmee het Hof niet om zich uit te spreken over de concrete voorwaarden voor indeling van de producten maar, nogmaals, slechts om enkele algemene aanwijzingen.
2. Inhoudelijke bespreking van de vraag
30. Het in de onderhavige zaak door de Nederlandse regering en de Commissie ingenomen standpunt, dat kennelijk tot doel heeft om het geschil reeds te beslechten met het antwoord op de eerste vraag, houdt in dat het enkele feit dat een monitor in staat is, beelden weer te geven die afkomstig zijn van andere bronnen dan een computer, betekent dat deze monitor noodzakelijkerwijs wordt uitgesloten van indeling in hoofdstuk 84 van de GN 2004.(17)
31. Dit standpunt lijkt mij echter niet te kunnen worden aanvaard.
32. De letterlijke inhoud van aantekening 5 B op hoofdstuk 84 van de GN 2004 is immers duidelijk: om randapparatuur (en dus ook een monitor) te kunnen beschouwen als integrerend deel van een systeem van gegevensverwerking, en deze uit dien hoofde in te delen in hoofdstuk 84, is niet vereist dat deze randapparatuur zich in abstracto leent voor gebruik uitsluitend als onderdeel van dat systeem. Wat geëist wordt, is dat de apparaten „van de soort zijn die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem” (cursivering van mij).
33. De door de Nederlandse regering en de Commissie voorgestane uitlegging zou betekenen dat uit de tekst van de bepaling de woorden „of hoofdzakelijk” worden verwijderd, en is dus niet aanvaardbaar. Ook een eenheid die bestemd is om „hoofdzakelijk”, maar niet uitsluitend, aangesloten op een computer te worden gebruikt, kan dus worden ingedeeld als informaticaproduct.
34. Het standpunt van de Nederlandse regering en de Commissie is naar alle waarschijnlijkheid ingegeven door de moeilijkheden die in de praktijk optreden bij het bepalen van de specifieke betekenis van het woord „hoofdzakelijk”, vooral gelet op de rechtspraak van het Hof, waarin voor de tariefindeling sterk de voorkeur wordt gegeven aan de concrete, objectief vast te stellen kenmerken van producten.(18)
35. Niettemin kunnen mogelijke problemen bij de praktische toepassing van bedoelde bepaling er niet toe leiden dat een wezenlijk onderdeel van die bepaling terzijde wordt geschoven. De oplossing van deze problemen komt in feite pas in een latere fase aan de orde, en kan, voor zover de vraagstelling aan het Hof dit toelaat, worden besproken in het kader van de tweede prejudiciële vraag.
3. De mogelijke relevantie van aantekening 5 E op hoofdstuk 84
36. Ik ben van mening dat slechts kort behoeft te worden stilgestaan bij het argument van de Commissie dat de indeling van de in geding zijnde monitors in hoofdstuk 84 van de GN 2004 ook op grond van aantekening 5 E op dit hoofdstuk uitgesloten is.
37. Allereerst merk ik op dat de verwijzende rechter het Hof niet verzoekt om beoordeling van de toepasselijkheid van deze bepaling op het onderhavige geval.
38. Hoe dan ook ben ik van mening dat aantekening 5 E de indeling van een apparaat in hoofdstuk 84 alleen kan uitsluiten wanneer de „eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” de enige toepassing van het desbetreffende apparaat is. Anders zou het gevaar bestaan dat dergelijke producten worden ingedeeld op basis van een functie van het apparaat die geheel en al secundair, zo niet irrelevant is.(19)
39. Aantekening 5 B lijkt mij dan ook op het onderhavige geval geen toepassing te kunnen vinden. In de eerste plaats heeft het Hof reeds verklaard dat de activiteit van een monitor die bestaat in het weergeven van beelden afkomstig van een computer geen „eigen functie” in vorenbedoelde zin kan zijn.(20) In de tweede plaats verschillen partijen weliswaar van mening over de vraag voor welke toepassingen de onderhavige monitors kunnen worden bestemd, maar geen van hen stelt dat de toepassingen die buiten de context van gegevensverwerking vallen (of, met andere woorden, toepassingen voor andere dan informaticadoeleinden) de enig mogelijke zijn.
4. De toelichtingen op het geharmoniseerd systeem en op de GN
40. Thans moet nog worden nagegaan of in casu een indeling van de in geding zijnde monitors in hoofdstuk 84 van de GN 2004 moet worden uitgesloten op grond van de toelichtingen op het geharmoniseerd systeem en op de GN.
a) De toelichting op post 84.71 van het geharmoniseerd systeem
41. Allereerst moet eraan worden herinnerd dat de toelichtingen volgens vaste rechtspraak weliswaar belangrijk, maar rechtens niet bindend zijn, en niet in strijd mogen zijn met de inhoud van het geharmoniseerd systeem en van de GN.(21)
42. Wat de toelichting op post 84.71 van het geharmoniseerd systeem betreft, merk ik op dat deze, overigens daterend van meer dan twee jaar vóór de feiten van het hoofdgeding (een tijdsverloop dat in de informaticatechnologie voldoende is om de op de markt gebrachte producten drastisch te wijzigen), ook aldus zou kunnen worden uitgelegd dat zij niet alle binnen post 84.71 vallende monitors aangeeft, maar slechts een deel daarvan. Aldus zou de aanhef van deze toelichting, „[o]nder de eenheden” van een gegevensverwerkend systeem „zijn begrepen beeldschermeenheden van automatische gegevensverwerkende machines”, kunnen worden opgevat. In dat geval zouden er andere monitors kunnen bestaan, die niet kunnen worden gedefinieerd als „beeldschermeenheden van automatische gegevensverwerkende machines”, maar wel kunnen worden ingedeeld in post 84.71.
43. Wanneer er echter van wordt uitgegaan dat deze toelichting inderdaad beoogt, een uitputtende opsomming te geven van de in post 84.71 in te delen monitors, moet het volgende worden opgemerkt. Aldus uitgelegd, gaat de toelichting uit van de reeds door mij onjuist bevonden veronderstelling dat in post 84.71 alleen monitors kunnen worden ingedeeld die uitsluitend op een computer kunnen worden aangesloten. Met andere woorden, de toelichting houdt zelfs geen rekening met de mogelijkheid, die in de tekst van het geharmoniseerd systeem niettemin duidelijk wordt voorzien, dat een monitor wordt ingedeeld in post 84.71 terwijl hij ook te gebruiken is, zij het niet als hoofdtoepassing, in andere dan een „informatica”-context.(22) Indien aldus uitgelegd, zou de toelichting dus niet kunnen worden toegepast, daar zij in strijd is met de bewoordingen van het geharmoniseerd systeem zelf.
44. Ik merk overigens op dat, wat de overige in de toelichting genoemde technische kenmerken van monitors van post 84.71 betreft, het onderhavige product kennelijk volledig met die kenmerken overeenkomt.
b) De toelichting op postonderverdeling 8471 60 90 van de GN
45. Ook de toelichting op postonderverdeling 8471 60 90 van de GN 2004 maakt het niet mogelijk, de indeling van de in geding zijnde monitors in die postonderverdeling uit te sluiten.
46. Deze toelichting heeft immers het karakter van een niet-uitputtende reeks voorbeelden. Met andere woorden, zij noemt een specifieke groep onder die post vallende producten, maar sluit niet uit dat andere producten, die van de genoemde producten verschillen, eveneens in die post kunnen worden ingedeeld. Dit blijkt betrekkelijk duidelijk uit de formulering van deze toelichting.(23)
5. De betekenis van de WTO-overeenkomst inzake de handel in informatietechnologieproducten
47. De tot dusver gemaakte opmerkingen vinden verdere bevestiging in de WTO-overeenkomst inzake de handel in informatietechnologieproducten.
48. Men mag niet vergeten dat het kernprobleem van de classificatie van de onderhavige producten uiteindelijk gelegen is in het feit dat naargelang van de GN-post waarin zij worden ingedeeld, op die producten wel of geen invoerrechten kunnen worden geheven.
49. Specifiek zijn informaticaproducten in algemene zin vrijgesteld van invoerrechten op grond van een overeenkomst, gesloten binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en resulterend uit de ministeriële verklaring van 13 december 1996 inzake de handel in informatietechnologieproducten. Deze overeenkomst is door de Raad aanvaard bij besluit 97/359/EG van 24 maart 1997 betreffende afschaffing van de rechten op informatietechnologieproducten.(24)
50. In het algemeen vertonen de Commissie en enkele lidstaten de neiging, deze overeenkomst restrictief uit te leggen en het scala van producten waarvoor daarbij vrijstelling van douanerechten wordt verleend, zo veel mogelijk te beperken.
51. Hoewel de rechtstreekse toepasselijkheid van WTO-overeenkomsten in het gemeenschapsrecht betrekkelijk problematisch is(25), ben ik echter van mening dat, gelet op de verplichting tot conforme uitlegging(26), de duidelijke voorkeur die in die overeenkomst besloten ligt voor het vrije verkeer, onbelast met douanerechten, van informaticaproducten, naar behoren moet worden meegewogen bij de uitlegging van de GN.(27)
6. De vrijwillige eenzijdige schorsing van de douanerechten op enkele typen monitors
52. De moeilijkheid om LCD-monitors eenduidig in te delen is erkend door de gemeenschapswetgever zelf. Met ingang van 2005 zijn alle kleurenmonitors met een diameter van niet meer dan 48,5 cm (circa 19 inch) en een aspect ratio van 4:3 of 5:4 van douanerechten vrijgesteld.(28) Deze keuze, die eenzijdig tot stand is gekomen, is gemaakt in verband met de praktische moeilijkheden van de bepaling welke de belangrijkste bestemming van deze producten is, alsook op basis van de constatering dat „[u]it handelsgegevens blijkt dat videomonitors met vloeibare-kristallenschermen met een diagonaal van het beeldscherm van 48,5 cm of minder en een aspectverhouding (van het scherm) van 4:3 of 5:4 hoofdzakelijk worden gebruikt als productie-eenheden voor automatische gegevensverwerkende machines”(29).
53. Deze vrijwillige schorsing was ten tijde van de feiten nog niet ingegaan, en hoe dan ook komen de technische kenmerken van de onderhavige monitors niet overeen met die van de producten waarvoor de schorsing geldt (zij zijn iets groter en hebben een andere aspect ratio).
54. Ik merk echter op dat uit verordening nr. 493/2005 duidelijk blijkt dat monitors onmogelijk eenvoudig zijn in te delen, en met name ook dat het feit moet worden geaccepteerd dat sommige schermen die in principe in staat zijn signalen van andere bronnen dan een computer weer te geven, in concreto toch hoofdzakelijk in een „informatica”-omgeving kunnen worden gebruikt.
7. Conclusie ten aanzien van de eerste vraag
55. Concluderend ben ik van mening dat de eerste prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de GN 2004 aldus moet worden uitgelegd dat een kleurenmonitor die zowel signalen afkomstig van een automatische gegevensverwerkende machine als van andere bronnen kan weergeven, niet om die reden alleen uitgesloten is van indeling onder post 8471 van de GN 2004.
V – Tweede prejudiciële vraag
56. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, voor het geval de indeling van de onderhavige monitor in post 8471 van de GN 2004 niet uitgesloten is, aan de hand van welke factoren dan kan worden bepaald of deze monitor voldoet aan de vereisten van aantekening 5 B voor indeling bij de informaticaproducten.
A – Argumenten van partijen
57. Kamino stelt dat, om te bepalen of een monitor van het type is dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem, moet worden gekeken naar het gebruik waarvoor het product uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is.
58. In het onderhavige geval kan op grond van verschillende objectieve factoren worden vastgesteld dat de in geding zijnde monitors moeten worden ingedeeld in hoofdstuk 84 van de GN 2004. Het betreft in het bijzonder de pixelgrootte („pixel pitch”), de resolutie, een aspect ratio van 16:10, de aanwezigheid van een VGA‑ of DVI-aansluiting, de afwezigheid van een afstandsbediening, van een SCART-aansluiting, van een TV-tuner en van channel-up-and-down-buttons.(30)
59. De Nederlandse regering en de Commissie zijn daarentegen van mening dat, gezien het door hen voorgestelde antwoord op de eerste vraag, de tweede vraag geen beantwoording behoeft.
60. In weerwil van dit uitgangspunt hebben deze partijen in het kader van de bespreking van de eerste prejudiciële vraag tevens enkele overwegingen gedebiteerd die logisch gezien eigenlijk eerder verband houden met de tweede vraag.
61. In het bijzonder heeft de Nederlandse regering opgemerkt dat haars inziens een monitor met de specifieke eigenschappen als de in geding zijnde niet kan worden beschouwd als van het soort dat uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd is voor gebruik in een automatisch gegevensverwerkend systeem, en wel in het bijzonder in verband met de aansluitingen waarover dit apparaat beschikt (D‑Sub, DVI‑D, USB, S‑video, Composite-video, audio-uitgang).(31)
62. Volgens de Nederlandse regering, die zich aldus heeft uitgelaten in antwoord op de vragen van het Hof, moeten de mogelijke toepassingen van een monitor buiten een informaticacontext, om deze monitor te kunnen indelen in post 8471 „enkel theoretisch” zijn.
63. De Commissie heeft opgemerkt dat de woorden „van de soort die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem” in aantekening 5 B op hoofdstuk 84 van de GN 2004 moeten worden beschouwd als betrekking hebbend niet op het soort gebruik dat van het apparaat wordt gemaakt, maar op de functies die dit vervult.(32) Voorts lenen de technische eigenschappen van de onderhavige monitor, in het bijzonder de afmetingen, de resolutie en de helderheid van het scherm, zich zonder meer voor gebruik in andere dan informaticaomgevingen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden sub a van aantekening 5 B.(33)
B – Beoordeling
64. Ook met deze vraag, die waarschijnlijk van de drie gestelde vragen de neteligste is, wordt het Hof verzocht om enkele algemene aanwijzingen voor de uitlegging van de gecombineerde nomenclatuur. In het bijzonder wordt het Hof gevraagd, aan te geven wat de precieze betekenis is van het bepaalde sub a van aantekening 5 B op hoofdstuk 84 van de GN 2004 en, meer speciaal, aan de hand van welke factoren moet worden bepaald of een product voldoet aan de in die bepaling gestelde voorwaarden.
65. Aangezien het Hof niet wordt gevraagd in welke post van de gecombineerde nomenclatuur de in geding zijnde monitors precies moeten worden ingedeeld, blijft deze specifieke beslissing de bevoegdheid van de verwijzende rechter, die bij zijn uitspraak de aanwijzingen van het Hof in acht zal moeten nemen.
66. Het centrale probleem dat in deze vraag aan de orde wordt gesteld is de definitie van een bijwoord: „hoofdzakelijk”(34). Terwijl het andere bijwoord, „uitsluitend”, geen aanleiding geeft tot twijfel aan de uitlegging ervan, is de betekenis van de term „hoofdzakelijk” aanzienlijk minder eenduidig.
67. Aangezien het uiteraard niet mogelijk is, een interpretatie van dit bijwoord te geven in mathematische/percentuele termen (bijvoorbeeld door het op een computer aangesloten gebruik uit te drukken als 80 % van het totale gebruik), geef ik het Hof in overweging, het begrip „hoofdzakelijk gebruik” te interpreteren als equivalent aan „normaal gebruik”.
68. Het komt mij namelijk voor dat het begrip „normaal gebruik” op concrete gevallen kan worden toegepast met een zeer gering risico dat dit voor meer dan één uitleg vatbaar is.
69. Voor het overige ben ik van mening dat het in deze bepaling gebezigde woord „hoofdzakelijk” geen betrekking heeft op de tijdspanne gedurende welke het product voor een bepaalde toepassing wordt gebruikt in verhouding tot andere toepassingen, maar op de bestemming die het meest frequent aan het product wordt gegeven. Met andere woorden, wat degene die het interpreteert, moet vaststellen is niet het percentage van de verschillende toepassingen van het product bij gebruik daarvan in diverse contexten, maar simpelweg het „standaard”‑ of „normale” gebruik van dit product.
70. Degene die het begrip interpreteert, zal dus in het concrete geval moeten nagaan wat voor het product waarover het op dat moment gaat het gebruik is waarvoor dat product redelijkerwijs moet worden geacht te zijn bestemd.
71. Voorts doet zich, ook wanneer de door mij voorgestelde interpretatie wordt gevolgd en dus wordt afgegaan op het normale gebruik van het onderzochte product, het probleem voor van de bepaling welke factoren in concreto voor dit onderzoek bruikbaar zijn.
72. Naar ik meen, staat buiten kijf dat de belangrijkste factor daarbij wordt gevormd door de technische eigenschappen van het product. In het geval van de litigieuze monitor zullen dit uiteraard eigenschappen zijn als de resolutie, de afmetingen (verhouding tussen breedte en hoogte van het scherm), de beschikbare aansluitingen(35), de verstelbaarheid in hoogte en de kantelbaarheid, de aanwezigheid van specifieke ergonomische kenmerken bedoeld om een gebruik als „schrijftafel” mogelijk te maken, enzovoort, die door de verwijzende rechter moeten worden geanalyseerd om vast te stellen of het normale gebruik van het product al dan niet een gebruik in een automatisch gegevensverwerkend systeem is.
73. Problematischer lijkt de mogelijkheid om voor de bepaling van het normale gebruik van een product te rade te gaan bij de commerciële bestemming, of anders gezegd, het „target” van het product. Mijns inziens moet deze mogelijkheid worden uitgesloten.
74. Duidelijk is immers dat, wanneer belang wordt gehecht aan factoren als het doel van het product zoals aangegeven op de verpakking of in advertenties, het risico van misbruik toeneemt. Het komt immers niet zelden en op allerlei gebied voor dat producten, bijvoorbeeld om verkoopverboden te omzeilen of om de aansprakelijkheid van de producent uit te sluiten, valselijk worden aangeboden als bestemd voor andere doeleinden dan de werkelijke, terwijl het relevante publiek heel wel weet voor welk gebruik het product in werkelijkheid bestemd is.
75. De hiervóór uiteengezette opvatting lijkt mij overigens in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, waarin weliswaar in beginsel de mogelijkheid wordt erkend dat bij de tariefindeling rekening wordt gehouden met het gebruik waarvoor het product is bestemd, maar wordt benadrukt dat die bestemming moet blijken uit specifieke objectieve factoren.(36)
76. Niet gegrond acht ik het in het bijzonder door de Commissie ter terechtzitting verdedigde argument dat het gebruik waarvoor het product bestemd is, irrelevant is. In de eerste plaats wijs ik erop dat in aantekening 5 B op hoofdstuk 84 van de GN 2004 zelf wordt gesproken van het „gebruik” van het product (waar wordt gesproken van producten „van de soort die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem”; cursivering van mij). In de tweede plaats is datgene waar het hier om gaat, het gebruik dat van een product wordt gemaakt vanwege de subjectieve eigenschappen daarvan: een factor die op zijn beurt objectief is, en dus niet een subjectieve of met de marketing van het product verbonden variabele.
77. Ik geef het Hof dan ook in overweging, de tweede prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat, om te kunnen vaststellen dat een product „van de soort [is] die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem” als bedoeld in aantekening 5 B, sub a, op hoofdstuk 84 van de GN 2004, moet worden nagegaan of het normale gebruik van dat product plaatsvindt in het kader van een automatisch gegevensverwerkend systeem. Daarvoor moet, in het kader van een beoordeling van geval tot geval, rekening worden gehouden met alle eigenschappen van het betrokken product.
VI – Derde prejudiciële vraag
78. Met de derde en laatste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in geding zijnde monitors onder verordening nr. 754/2004 vallen; zo ja, dan wil de verwijzende rechter tevens weten of die verordening geldig is.
A – Argumenten van partijen
79. Kamino, die de volgorde van de door de verwijzende rechter aan de orde gestelde problemen omkeert, betoogt allereerst dat verordening nr. 754/2004 in strijd is met het recht, aangezien deze verordening, die duidelijk blijkt geeft van het streven van de Commissie om de indeling in GN-post 8471 van monitors die signalen van meer bronnen dan alleen een computer kunnen weergeven, hoe dan ook onmogelijk te maken, in strijd is met de GN zelf en, meer in het algemeen, met het geharmoniseerde systeem en de door de Gemeenschap in verband daarmee aangegane verplichtingen.(37)
80. In elk geval, ook indien de verordening geldig zou zijn, is zij op het onderhavige geval niet toepasselijk, daar zij betrekking heeft op producten van een totaal ander type dan de thans in geding zijnde.(38)
81. De Nederlandse regering is daarentegen van mening dat de verordening geldig is en ook op de in geding zijnde monitors kan worden toegepast, en wel rechtstreeks of desnoods naar analogie.(39)
82. Volgens de Commissie is het gelet op het antwoord op de eerste vraag niet nodig, de derde vraag te beantwoorden.
B – Beoordeling
83. Ik meen dat verordening nr. 754/2004 van de Commissie niet op de in geding zijnde monitors kan worden toegepast, om de volgende redenen.
84. Allereerst valt een rechtstreekse toepassing van de verordening alleen al uit te sluiten vanwege de aanmerkelijke technische verschillen tussen de in geding zijnde monitors en de schermen die bij deze verordening worden ingedeeld.
85. In verordening nr. 754/2004 gaat het immers om de tariefindeling van twee plasmaschermen met een diameter van 106 cm (ongeveer 42 inch) en een resolutie van 852 x 480, respectievelijk 1024 x 1024 pixels.
86. Reeds uit deze twee factoren blijkt duidelijk dat het gaat om producten die volkomen verschillen van die in de onderhavige zaak: de litigieuze monitors hebben immers bij een veel geringere diameter (23 inch, dat wil zeggen 58,42 cm) een veel hogere resolutie (1920 x 1200 pixels). Dit lijkt overigens ook overeen te komen met de uiteenlopende technologie van de respectieve producten: terwijl een LCD-scherm zich gezien zijn technische eigenschappen leent voor uiteenlopend gebruik, worden plasmaschermen typisch gebruikt voor het weergeven, met een ten opzichte van hun afmeting relatief lage resolutie, van televisie‑ en filmbeelden en presentaties.
87. In de tweede plaats kan niet worden meegegaan met de in punt 41 van de opmerkingen van de Nederlandse regering vervatte redenering dat de plasmatechnologie die kenmerkend is voor de in verordening nr. 754/2004 bedoelde monitors, geen relevante factor is en niet in de weg staat aan toepasselijkheid van deze verordening op de in geding zijnde monitors. Ik meen namelijk dat daaraan de objectieve overweging in de weg staat van de tussen de plasmatechnologie en de LCD-technologie bestaande verschillen, alsmede het feit, dat ter terechtzitting ook door de Nederlandse regering is erkend, dat plasmaschermen als regel niet worden gebruikt als randapparatuur voor gegevensverwerkende machines. Met andere woorden, de in geding zijnde producten zijn niet verwisselbaar.
88. Dan moet nu nog worden nagegaan of, zoals de Nederlandse regering in punt 41 van haar opmerkingen stelt, verordening nr. 754/2004 eventueel niet rechtstreeks maar naar analogie op de in geding zijnde monitors toepasselijk is.
89. Ook daarop moet naar mijn mening evenwel een ontkennend antwoord worden gegeven.
90. Hoewel het Hof inderdaad in algemene zin de mogelijkheid heeft aanvaard om een indelingsverordening naar analogie toe te passen, heeft het daarbij gepreciseerd dat dit mogelijk is voor producten die „vergelijkbaar” zijn met die waarop deze verordening betrekking heeft, wanneer dit „bevorderend [is] voor een coherente uitlegging van de GN en voor de gelijke behandeling van de deelnemers aan het economisch verkeer”(40). In het onderhavige geval kan echter, zoals wij hebben gezien, niet worden volgehouden dat de in geding zijnde LCD-monitors op enigerlei wijze vergelijkbaar zijn met de plasmaschermen waarop verordening nr. 754/2004 betrekking heeft.
91. Ik ben dan ook van mening dat op de derde prejudiciële vraag moet worden geantwoord dat de onderzochte monitors niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 754/2004 vallen. Er zijn derhalve geen gronden om te concluderen dat deze verordening onwettig is.
VII – Conclusie
92. Op grond van het vorenstaande geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Hoge Raad als volgt te beantwoorden:
„1) Aantekening 5 op hoofdstuk 84 van de gecombineerde nomenclatuur voor 2004 moet aldus worden uitgelegd dat een kleurenmonitor die zowel signalen afkomstig van een automatische gegevensverwerkende machine als van andere bronnen kan weergeven, niet op die enkele grond uitgesloten is van indeling in post 8471 van de gecombineerde nomenclatuur voor 2004.
2) Om te kunnen vaststellen dat een product ‚van de soort [is] die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem’ als bedoeld in aantekening 5 B, sub a, op hoofdstuk 84 van de gecombineerde nomenclatuur voor 2004, moet worden nagegaan of het normale gebruik van dat product plaatsvindt in het kader van een automatisch gegevensverwerkend systeem. Daarvoor moet, in het kader van een beoordeling van geval tot geval, rekening worden gehouden met alle eigenschappen van het betrokken product.
3) De in het hoofdgeding onderzochte monitors vallen niet binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 754/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur.”
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – Verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 281, blz. 1).
3 – Voor een overzicht van de bepalingen van de GN en de verhouding daarvan tot het geharmoniseerde systeem zie arrest van 12 januari 2006, ASAD (C‑311/04, Jurispr. blz. I‑609, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
4 – De aangehaalde toelichtingen dateren van februari 2002. Zij zijn enkel in het Frans en Engels beschikbaar; het Italiaans [en het Nederlands (noot van de vertaler)] is dus geen officiële vertaling.
5 – Toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, C 256, blz. 1).
6 – PB L 118, blz. 32.
7 – Ik wijs er overigens op dat deze „audio-uitgang”, hoewel zij in de verwijzingsbeslissing wordt vermeld en door partijen niet is betwist, blijkens de internetsite van de fabrikant in feite bestaat uit een 12V-aansluiting voor twee externe luidsprekers die aan het beeldscherm kunnen worden bevestigd, maar die voor het signaal worden aangesloten op een externe geluidsbron. Met andere woorden, het product heeft kennelijk geen audiocircuit.
8 – Opmerkingen van Kamino, punt 41.
9 – Ibidem, punt 45.
10 – Ibidem, punt 55.
11 – Verordening (EG) nr. 2171/2005 van de Commissie van 23 december 2005 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB L 346, blz. 7). In het bijzonder is in die verordening in post 8471 ingedeeld een LCD-monitor met een diameter van 15 inch, een resolutie van 1024 x 768 pixels en uitsluitend voorzien van een D-sub interface. De indeling is door de Commissie onder meer gemotiveerd als volgt: „De monitor is bestemd om signalen afkomstig van een centrale verwerkingseenheid van een automatische gegevensverwerkende machine te ontvangen (weer te geven). Het product is eveneens in staat om zowel beeld- als geluidssignalen weer te geven. Toch wordt het, vanwege het formaat en de beperkte geschiktheid voor de weergave van signalen afkomstig van andere videobronnen dan automatische gegevensverwerkende machines via een kaart zonder verwerking van videosignalen, aangemerkt als zijnde van de soort die uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt in een automatisch gegevensverwerkend systeem.”
12 – Opmerkingen van de Nederlandse regering, punt 34.
13 – Ibidem, punt 36.
14 – Opmerkingen van de Commissie, punten 28‑36.
15 – Ibidem, punt 37.
16 – Ibidem, punt 39.
17 – Dit volgt in het bijzonder, zoals ik hiervóór reeds heb opgemerkt, uit punt 34 van de opmerkingen van de Nederlandse regering en punt 39 van de opmerkingen van de Commissie. Ik wijs er voorts op dat deze partijen niettemin ook argumenten hebben voorgedragen die, zonder zulks duidelijk aan te geven, uitgaan van de veronderstelling dat de enkele mogelijkheid om videosignalen weer te geven die niet afkomstig zijn van een computer, niet voldoende is om indeling in hoofdstuk 84 uit te sluiten, daar hiervoor nodig is dat die „alternatieve” of „bijkomende” functie niet slechts marginaal of theoretisch is (zie bijvoorbeeld punt 36 van de opmerkingen van de Nederlandse regering en punt 36 van de opmerkingen van de Commissie). Zie dienaangaande in meer detail de bespreking van de tweede prejudiciële vraag.
18 – Zie bijvoorbeeld arresten van 26 september 2000, Eru Portuguesa (C‑42/99, Jurispr. blz. I‑7691, punt 13); 16 september 2004, DFDS (C‑396/02, Jurispr. blz. I‑8439, punt 27), en 8 december 2005, Possehl Erzkontor (C‑445/04, Jurispr. blz. I‑10721, punt 19). Zie ook hierna, punt 75 van deze conclusie.
19 – Ik volsta hier, voor een gedetailleerder bespreking van het probleem, met een verwijzing naar mijn conclusie in de gevoegde zaken C‑362/07 en C‑363/07, Kip Europe e.a., van 17 juli 2008 (punten 50‑69).
20 – Arrest van 19 mei 1994, Siemens Nixdorf (C‑11/93, Jurispr. blz. I‑1945, punt 16).
21 – Zie bijvoorbeeld arresten van 19 april 2007, Sunshine Deutschland Handelsgesellschaft (C‑229/06, Jurispr. blz. I‑3251, punt 27); 18 juli 2007, Olicom (C‑142/06, Jurispr. blz. I‑6675, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 5 juni 2008, JVC France (C‑312/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 34).
22 – De huidige versie van de toelichtingen op het geharmoniseerde systeem, die dateert van 2007, is duidelijker. In de toelichting op post 8528, waarin alle monitors thans zijn ingedeeld, heet het namelijk dat onder monitors die uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn om te worden gebruikt in aansluiting op een computer (in te delen in postonderverdeling 8528.41), „zijn begrepen” monitors die uitsluitend op een computer kunnen worden aangesloten. Derhalve wordt niet uitgesloten dat ook andere monitors in die post kunnen worden ingedeeld.
23 – In enkele taalversies van de toelichtingen blijkt dat de aangehaalde toelichting niet uitputtend is door het gebruik van een bijwoord. In de Italiaanse tekst staat bijvoorbeeld dat „specialmente” in die post zijn begrepen monitors die alleen kunnen functioneren wanneer zij met een computer zijn verbonden; de Franse tekst gebruikt het woord „notamment”, de Spaanse „especialmente”. Het bijwoord ontbreekt in andere taalversies, al lijkt de formulering van de zin in die gevallen toch te suggereren dat de indicatie niet alle in post 8471 60 90 vallende producten betreft. In het bijzonder verklaart de Engelse versie „«[t]his subheading includes visual display units which can only be used as output units for an automatic data-processing machine”, de Duitse „[h]ierher gehören Datensichtgeräte, die nur als Ausgabeeinheiten von automatischen Daten-verarbeitungsmaschinen verwendet werden können” en de Nederlandse „[d]eze onderverdeling omvat beeldschermeenheden die uitsluitend kunnen worden gebruikt als uitvoereenheid voor een automatische gegevensverwerkende machine” (cursivering van mij).
24 – PB L 155, blz. 1. In mei 2008 hebben de Verenigde Staten formeel bij de WTO de communautaire douanepraktijk met betrekking tot onder meer monitors als die in de onderhavige zaak, aangevochten. Bij het schrijven van deze conclusie zijn dienaangaande alleen algemene persartikelen beschikbaar zodat een precieze beoordeling van de kwestie nog niet mogelijk is. Eveneens uit de pers blijkt dat na de actie van de Verenigde Staten vergelijkbare stappen zijn genomen door Japan en Taiwan.
25 – Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat de mogelijkheid om een WTO-overeenkomst als toetssteen voor de wettigheid van een communautaire handeling te hanteren aan zeer strikte voorwaarden gebonden is; zie bijvoorbeeld arrest van 30 september 2003, Biret et Cie/Raad (C‑94/02 P, Jurispr. blz. I‑10565, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft daarin verklaard dat, wil het mogelijk zijn de wettigheid van een communautaire handeling te onderzoeken op basis van een WTO-overeenkomst, vereist is dat „de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of [...] de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst”. Aan geen van deze voorwaarden lijkt in het geval van de GN te zijn voldaan.
26 – Zie inzake deze verplichting in het algemeen arresten van 24 november 1992, Poulsen (C‑286/90, Jurispr. blz. I‑6019, punt 9); 10 september 1996, Commissie/Duitsland (C‑61/94, Jurispr. blz. I‑3989, punt 52), en 14 juli 1998, Bettati (C‑341/95, Jurispr. blz. I‑4355, punt 20). Onder specifieke verwijzing naar het TRIPs, dat binnen het WTO-stelsel valt en dezelfde kenmerken heeft, zie arresten van 16 juni 1998, Hermès International (C‑53/96, Jurispr. blz. I‑3603, punt 28); 14 december 2000, Dior e.a. (C‑300/98 en C‑392/98, Jurispr. blz. I‑11307, punt 47), en 16 november 2004, Anheuser-Busch (C‑245/02, Jurispr. blz. I‑10989, punt 55).
27 – Zie ook mijn conclusie in de zaak Kip Europe e.a. (aangehaald in voetnoot 19), punten 67‑69.
28 – Op grond van verordening (EG) nr. 493/2005 van de Raad van 16 maart 2005 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 82, blz. 1). Deze bepaling is behouden in de successieve versies van de GN: in de voor 2008 geldende versie, vervat in verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 (PB L 286, blz. 1), is de indelingspost 8528 59 90.
29 – Punt 3 van de considerans van verordening nr. 493/2005.
30 – Opmerkingen van Kamino, punten 81‑99.
31 – Opmerkingen van de Nederlandse regering, punt 36.
32 – Opmerkingen van de Commissie, punt 35.
33 – Opmerkingen van de Commissie, punt 36.
34 – De diverse taalversies van aantekening 5 B vertonen op dit punt geen significante verschillen: zo correspondeert het Italiaanse „esclusivamente o principalmente” met het Franse „exclusivement ou principalement”, het Engelse „solely or principally”, het Duitse „ausschließlich oder hauptsächlich”, het Spaans „exclusiva o principalmente” en het Nederlandse „uitsluitend of hoofdzakelijk”.
35 – Ik merk dienaangaande op dat de aanwezigheid van een DVI-aansluiting mijns inziens op zich, anders dan de Nederlandse regering en de Commissie lijken te betogen, niet volstaat om uit te sluiten dat een monitor hoofdzakelijk voor „informatica”-doeleinden wordt gebruikt. De laatste jaren is een toenemend aantal, waarschijnlijk thans het merendeel van de computers voorzien van een DVI-video-uitgang, die in wezen in de plaats is gekomen van de VGA-uitgang.
36 – Zie bijvoorbeeld arresten van 28 maart 2000, Holz Geenen (C‑309/98, Jurispr. blz. I‑1975, punt 15); 5 april 2001, Deutsche Nichimen (C‑201/99, Jurispr. blz. I‑2701, punt 20), en 4 maart 2004, Krings (C‑130/02, Jurispr. blz. I‑2121, punt 30), en arrest Olicom (aangehaald in voetnoot 21, punt 18). Ik merk overigens op dat het Hof in het arrest van 17 maart 2005, Ikegami (C‑467/03, Jurispr. blz. I‑2389, punt 24), zij het slechts ad adiuvandum, toch ook terloops de wijze heeft genoemd waarop voor een product reclame wordt gemaakt.
37 – Opmerkingen van Kamino, punten 100‑106.
38 – Ibidem, punt 107.
39 – Opmerkingen van de Nederlandse regering, punten 38‑42.
40 – Arrest Krings (aangehaald in voetnoot 36, punt 35).
Full & Egal Universal Law Academy