CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 4 november 2008 1(1)
Zaak C‑459/07
Veli Elshani
tegen
Hauptzollamt Linz
[verzoek van de Unabhängige Finanzsenat Graz (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Communautair douanewetboek – Artikel 233 – Tenietgaan van douaneschuld – Begrip ‚onregelmatig binnenbrengen’”
1. De problematiek waarover het Hof in casu wordt verzocht om uitspraak te doen, is op zich vrij beperkt. Het Hof wordt namelijk in essentie gevraagd om uitlegging van één korte passage in het communautair douanewetboek, te weten de uitdrukking „het onregelmatig binnenbrengen”, die voorkomt in artikel 233, eerste alinea, sub d, van dat wetboek.
2. Ondanks haar schijnbare eenvoud vertoont de vraag nogal ingewikkelde aspecten. Enerzijds biedt de letterlijke tekst van de regeling geen ondubbelzinnige aanknopingspunten voor de uitleg daarvan. Anderzijds kan de keuze voor de ene dan wel de andere mogelijke uitlegging belangrijke praktische gevolgen hebben voor de heffing van de douanerechten.
3. Het verdient overigens ook de aandacht, dat aan het probleem dat de verwijzende rechter aan het Hof heeft voorgelegd, een controverse in de rechtspraak ten grondslag ligt over de juiste uitlegging van genoemd artikel 233, die repercussies heeft in de literatuur en waarin verschillende nationale rechterlijke instanties tegenover elkaar staan.
4. De controverse in de rechtspraak, om beslechting waarvan de verwijzende rechter het Hof verzoekt, heeft bovendien een grensoverschrijdend karakter, zij het tussen twee staten in hetzelfde taalgebied. De twee rechterlijke instanties die momenteel tegengestelde uitleggingen van de betrokken bepaling hanteren, zijn immers het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof en het Duitse Bundesfinanzhof. Twee gezaghebbende vertegenwoordigers van deze instanties hebben onlangs in een tweeledig essay het respectieve standpunt uiteengezet van het rechtsprekende orgaan waartoe zij behoren.(2)
I – Normatieve context
A – Bepalingen van het douanewetboek
5. De bepalingen van het communautair douanewetboek(3) die voor deze zaak van belang zijn, zijn de volgende:
„Artikel 38
1. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, moeten onverwijld door de persoon die deze binnenbrengt, in voorkomend geval langs de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op de door deze autoriteiten vastgestelde wijze, worden gebracht:
a) [...] naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere, door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats;
[...]
2. Elke persoon die zich met het vervoer van de goederen belast, nadat deze in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, met name na overlading, is voor het nakomen van de in lid 1 bedoelde verplichting aansprakelijk. [...]”
„Artikel 202
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, [...]
[...]
Onder ‚op onregelmatige wijze binnenbrengen’ van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.
[...]”
„Artikel 203
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
[...]”
„Artikel 233
Onverminderd de geldende bepalingen inzake de verjaring van de douaneschuld alsmede inzake de niet-invordering van het bedrag van de douaneschuld ingeval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat de douaneschuld teniet:
[...]
d) indien goederen ten aanzien waarvan ingevolge artikel 202 een douaneschuld is ontstaan, bij het onregelmatig binnenbrengen in beslag worden genomen en op hetzelfde tijdstip of naderhand worden verbeurdverklaard.
In geval van inbeslagneming en verbeurdverklaring wordt de douaneschuld voor de strafwetgeving die van toepassing is op inbreuken op de douanewetgeving evenwel geacht niet te zijn tenietgegaan indien de strafwetgeving van een Lidstaat bepaalt dat de douanerechten als grondslag dienen voor de vaststelling van sancties, of indien het bestaan van een douaneschuld een grond vormt tot strafvervolging.”
B – Bepalingen van de uitvoeringsverordening
6. Hier moet nog melding worden gemaakt van twee bepalingen van de uitvoeringsverordening van het douanewetboek(4):
„Artikel 867
De verbeurdverklaring van goederen in de zin van artikel 233, onder c) en d), van het Wetboek wijzigt de douanestatus van die goederen niet.”
Artikel 867 bis
1. Niet-communautaire goederen die aan de Schatkist zijn afgestaan, in beslag zijn genomen of verbeurd verklaard, worden geacht onder het stelsel van douane-entrepots te zijn geplaatst.
2. De in lid 1 bedoelde goederen kunnen door de douaneautoriteiten slechts worden verkocht onder de voorwaarde dat de koper onverwijld de formaliteiten verricht om aan deze goederen een douanebestemming te geven.
Wanneer de verkoop plaats heeft tegen een prijs met inbegrip van de rechten bij invoer, wordt deze verkoop gelijkgesteld met een aangifte voor het vrije verkeer, waarbij de douaneautoriteiten zelf de rechten berekenen en boeken.
In die gevallen gebeurt deze verkoop volgens de in de lidstaten geldende procedures.
3. Ingeval de overheid besluit over de in lid 1 bedoelde goederen anders dan ten behoeve van een verkoop te beschikken, verricht zij onverwijld de formaliteiten om aan deze goederen een van de in artikel 4, punt 15, onder a) tot en met d), van het wetboek bedoelde douanebestemmingen te geven.”
II – Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vragen
7. Afgaande op inlichtingen uit onderschepte telefoongesprekken heeft de Oostenrijkse politie op 21 mei 2001 in de omgeving van Wels een uit Kosovo afkomstige reisbus aangehouden waarin 150 sloffen gesmokkelde sigaretten werden aangetroffen, die in beslag zijn genomen en vervolgens verbeurd zijn verklaard en zijn vernietigd.
8. De betrokken autobus was het douanegebied van de Gemeenschap binnengekomen in de haven van Brindisi in Italië, ergens tussen 19 en 21 mei 2001. De bestemming van het voertuig was het dorp Eferding, dat op het moment van de politie-interventie nog niet was bereikt.
9. De Oostenrijkse douane heeft vervolgens de douanerechten voor de betrokken sigaretten berekend en betaling daarvan gevorderd. De douanerechten bedragen 961,46 EUR.
10. Na een reeks administratieve procedures voor de Oostenrijkse autoriteiten (die in essentie waren toegespitst op problemen in verband met de vaststelling van de precieze feitelijke toedracht van de zaak en van de specifieke verantwoordelijkheden van de verschillende betrokkenen), is de vraag aan de verwijzende rechter voorgelegd. Gezien de centrale rol van artikel 233 van het douanewetboek voor de beslissing, heeft deze rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) De voorwaarden voor het tenietgaan van een douaneschuld die zijn vastgesteld in artikel 233, eerste alinea, sub d, van [het douanewetboek] verwijzen niet naar het tijdstip van ontstaan van de douaneschuld, maar naar een tijdstip na het ontstaan van de douaneschuld, aangezien sprake is van een douaneschuld die ingevolge artikel 202 douanewetboek ‚is ontstaan’.
Moeten de woorden ‚bij het onregelmatig binnenbrengen’ in de zin van artikel 233, eerste alinea, sub d, douanewetboek aldus worden uitgelegd,
– dat het binnenbrengen van een goed in het douanegebied van de Gemeenschap, ten aanzien waarvan ingevolge artikel 202 douanewetboek een douaneschuld is ontstaan, reeds is voltooid met de overbrenging ervan naar het douanekantoor aan de grens of naar een andere, door de douaneautoriteiten aangeduide plaats, maar in elk geval met het verlaten van het terrein van het douanekantoor of van de aangeduide andere plaats, aangezien het goed daardoor het douanegebied is binnengekomen, zodat de inbeslagneming en verbeurdverklaring van de goederen na dit tijdstip niet meer tot tenietgaan van de douaneschuld leidt,
of moeten deze woorden aldus worden uitgelegd,
– dat het binnenbrengen van een goed in het douanegebied van de Gemeenschap, ten aanzien waarvan ingevolge artikel 202 douanewetboek een douaneschuld is ontstaan, uit economisch oogpunt voortduurt zolang het vervoer duurt dat aansluit op het binnenbrengen van het goed in het douanegebied en hiermee een samenhangend geheel vormt, en dus zolang het goed nog niet is aangekomen en gestopt op zijn eerste plaats van bestemming in het douanegebied, zodat de inbeslagneming en verbeurdverklaring van de goederen tot op dit tijdstip nog tot een tenietgaan van de douaneschuld leidt?
2. Bij een onregelmatige handelwijze in de zin van artikel 202 douanewetboek die bij het binnenbrengen wordt ontdekt, gaat de douaneschuld dwingend teniet. De inbeslagneming van goederen op het ogenblik dat deze aan het douanetoezicht worden onttrokken, een onregelmatige handelwijze in de zin van artikel 203 douanewetboek, leidt daarentegen niet tot het onmiddellijke tenietgaan van de douaneschuld.
Moet artikel 233, eerste alinea, sub d, douanewetboek aldus worden uitgelegd, dat dit tenietgaan van de douaneschuld, dat uitdrukkelijk is beperkt tot gevallen waarin de douaneschuld is ontstaan ingevolge artikel 202 douanewetboek, toch strookt met de verplichting tot gelijke behandeling van onregelmatige handelwijzen?”
III – De prejudiciële vragen
A – De eerste vraag
11. De eerste van de twee prejudiciële vragen die de verwijzende rechter heeft voorgelegd, is zonder enige twijfel de belangrijkste en meest netelige vraag. De rechter vraagt het Hof hiermee in het bijzonder om zich uit te spreken over de uitlegging van de uitdrukking „bij het onregelmatig binnenbrengen” in artikel 233 van het douanewetboek. De Unabhängige Finanzsenat stelt eigenlijk een soort multiple choice vraag waarbij hij twee mogelijke alternatieve uitleggingen aangeeft. Zoals wij zo dadelijk zullen zien, leent deze uitdrukking zich in werkelijkheid nog voor meer uitleggingen.
12. Voor een goed begrip van de problematiek die de verwijzende rechter aan de orde stelt, dienen in elk geval allereerst kort de twee richtingen in de rechtspraak te worden weergegeven waarvan de verwijzingsbeschikking melding maakt.
1. De „ruime” uitlegging
13. Volgens de minder enge uitlegging van artikel 233 van het douanewetboek, die onder meer en in het bijzonder door het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof wordt aangehangen, gaat de douaneschuld voor smokkelwaar die in de Gemeenschap is binnengebracht, teniet in alle gevallen waarin de goederen in beslag worden genomen voordat zij hun eerste bestemming binnen het douanegebied van de Gemeenschap hebben bereikt.
14. In casu zou dus het feit dat de sigaretten in beslag zijn genomen voordat de autobus waarin zij waren verborgen, zijn bestemming (het dorp Eferding) had bereikt, ertoe leiden dat de douaneschuld teniet is gegaan.
15. Dit standpunt wordt in deze zaak in het bijzonder door de Oostenrijkse regering ingenomen.
16. De Oostenrijkse regering merkt allereerst op, dat het begrip „binnenbrengen” in artikel 233 van het douanewetboek niet samenvalt met het begrip „binnenbrengen” op andere plaatsen in het douanewetboek. Binnenbrengen is immers in de regel een onmiddellijke handeling, die dus afloopt op het moment dat de grens wordt overschreden. Zij merkt echter op, dat artikel 202 van het douanewetboek het „op onregelmatige wijze binnenbrengen” definieert als „elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje”. Een dergelijke uitlegging valt met gebruikmaking van het gewone begrip „binnenbrengen” niet te verklaren. Zou hier immers met „binnenbrengen” de onmiddellijke handeling van de grensoverschrijding zijn bedoeld, dan zou de verwijzing naar de artikelen 38 tot en met 41 en 177 van het douanewetboek, betreffende handelingen die na de grensoverschrijding plaatsvinden, onzinnig zijn.
17. Bijgevolg is het begrip „binnenbrengen” in de artikelen 202 en 233 van het douanewetboek volgens de Oostenrijkse regering een op zichzelf staand begrip, dat een langere tijdsspanne omvat dan de simpele onmiddellijke grensoverschrijding.(5)
18. Zou men hier een enge uitlegging hanteren, dan zou daarmee volgens haar het aantal gevallen waarin die bepaling in concreto toepassing kan vinden, op een volstrekt onredelijke wijze worden beperkt.(6)
19. De Finse regering staat een nog minder enge uitlegging voor. Volgens haar moet de douaneschuld namelijk op grond van artikel 233 tenietgaan in alle gevallen waarin kan worden aangetoond dat de onregelmatig op het douanegebied binnengebrachte goederen niet in het economisch circuit zijn gebracht. Zolang de goederen nog niet „in het verkeer” zijn gebracht, gaat de verplichting om douanerechten te betalen dus ook teniet wanneer de inbeslagneming plaatsvindt na het moment waarop de goederen hun eerste bestemming binnen het douanegebied van de Gemeenschap hebben bereikt.(7)
20. Dit strookt volgens haar met het doel van artikel 233 van het douanewetboek, aangezien door tijdige inbeslagneming van de goederen elke schade voor de schatkist wordt vermeden. Op grond van artikel 867 bis van de verordening tot toepassing van het douanewetboek brengt de eventuele latere verkoop van de in beslag genomen goederen betaling van de douanerechten mee, zodat het bedrag hiervan toch wordt geïnd.
21. Bovendien komt de enge uitlegging volgens de Finse regering in strijd met het gelijkheidsbeginsel wanneer situaties radicaal verschillend worden behandeld hoewel zij in concreto grote overeenkomst vertonen, zoals de situatie van degene van wie goederen die hij op onregelmatige wijze binnenbrengt, bij het overschrijden van de grens in beslag worden genomen, en die van degene bij wie dit, al is het maar even, later gebeurt.(8)
2. De enge uitlegging
22. Volgens de enge uitlegging van artikel 233 van het douanewetboek, die, zoals hiervoor opgemerkt, onlangs door het Duitse Bundesfinanzhof is gevolgd, gaat de douaneschuld met betrekking tot smokkelwaar die in beslag is genomen en vervolgens verbeurd is verklaard, slechts teniet in de gevallen waarin de inbeslagneming plaatsvindt op het exacte moment waarop de grens wordt overschreden of het douanekantoor aan de grens wordt verlaten, en wel omdat de uitdrukking „bij het onregelmatig binnenbrengen” enkel verwijst naar het precieze moment waarop de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.
23. In de onderhavige zaak maakte het feit dat de inbeslagneming van de gesmokkelde sigaretten had plaatsgevonden op een tijdstip na de grensoverschrijding (die, zoals gezegd, had plaatsgevonden in de haven van Brindisi, Italië) het tenietgaan van de douaneschuld op die grond onmogelijk. Ondanks de inbeslagneming en verbeurdverklaring van de binnengesmokkelde goederen, waren degenen die verantwoordelijk waren voor het illegaal binnenbrengen van de sigaretten bijgevolg gehouden ook de desbetreffende douanerechten te betalen.
24 In de onderhavige zaak wordt dit standpunt met name ingenomen door de Deense regering en de Commissie.
25. De Deense regering neigt tot een enge uitlegging van artikel 233, zowel op systematische gronden – aangezien de term „binnenbrengen” in andere passages van het douanewetboek wijst op een onmiddellijke en niet-duurzame handeling(9) – als op gronden van rechtszekerheid, omdat begrippen als „opnemen in het economisch circuit” en „plaats van bestemming” te vaag zijn.(10)
26. Daar de enge uitlegging de facto een extra sanctie vormt voor degene die goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnensmokkelt, draagt zij volgens de Deense regering ook bij tot het voorkomen van fraude.(11)
27. Volgens de Commissie is de enge uitlegging in de eerste plaats verdedigbaar op grond van de letterlijke interpretatie van artikel 233 en een vergelijking van de verschillende taalversies van dat artikel.(12) Die uitlegging vindt ook steun in een systematische benadering, aangezien het begrip „binnenbrengen” daardoor in het gehele communautaire douanewetboek één en dezelfde betekenis zou krijgen. Bovendien zou het tenietgaan van de douaneschuld op grond van artikel 233, als uitzonderingsbepaling, eng moeten worden uitgelegd.(13)
3. Een andere visie: het standpunt van de Poolse regering
28. De Poolse regering geeft het Hof in overweging om voor de uitlegging een andere weg te volgen, waarbij een antwoord op de prejudiciële vragen onnodig is. Zij verwijst hiervoor naar artikel 867 bis van de uitvoeringsverordening, volgens hetwelk niet-communautaire goederen die in beslag zijn genomen of verbeurd zijn verklaard, worden geacht onder het stelsel van douane-entrepots te zijn geplaatst. Deze bepaling is een lex specialis ten opzichte van de bepalingen die het ontstaan en tenietgaan van de douaneschuld regelen. In de gevallen waarin genoemd artikel 867 bis van de uitvoeringsverordening van toepassing is, ontstaat de douaneschuld dus niet eens, en is het dus ook niet nodig om zich af te vragen onder welke voorwaarden zij op grond van artikel 233 van het douanewetboek tenietgaat.(14)
29. De Poolse regering merkt overigens op, dat wanneer men douanerechten van toepassing acht op in beslag genomen goederen, de rechten twee keer worden betaald indien deze goederen vervolgens door de overheid worden verkocht.(15)
4. Beoordeling
30. Zoals ik hiervoor reeds heb opgemerkt, is de vraag die het Hof hier moet oplossen niet zo eenvoudig. De uit te leggen tekst verschaft geen ondubbelzinnige aanwijzingen, en alle standpunten van partijen bevatten zeer interessante elementen die de volle aandacht verdienen.
31. De oplossing die ik aan het Hof wil voorstellen, is die welke de Oostenrijkse regering voorstaat. Ik zal hierna de redenen vermelden die mij ertoe hebben gebracht om deze boven de andere mogelijke uitleggingen te verkiezen, waarbij ik echter enkele problematische aspecten daarvan niet zal verhelen.
a) De verschillende taalversies
32. Volgens de Commissie biedt de analyse van de verschillende taalversies steun aan de enge uitlegging van artikel 233 die zij voorstaat. Dit blijkt volgens haar vooral duidelijk uit de Italiaanse en de Spaanse versie van het douanewetboek. Andere taalversies bieden ook steun aan de enge uitlegging, ook al komt het standpunt van de Commissie daarin minder duidelijk naar voren.
33. Anders dan de Commissie stelt, kunnen mijns inziens uit de analyse van de verschillende taalversies(16) van het douanewetboek geen beslissende aanwijzingen worden geput voor de juiste uitlegging van artikel 233. De Italiaanse versie („all’atto dell’introduzione irregolare”) en de Spaanse („en el momento de la introducción irregular”) zijn namelijk zowel te rijmen met het idee dat het binnenbrengen van de goederen een „onmiddellijke” handeling is, als met de opvatting van een langduriger proces. Voor zover het gebruik van de woorden „atto” en „momento” suggestief is, moet immers worden opgemerkt dat die woorden eenvoudig deel uitmaken van een uitdrukking (respectievelijk „all’atto di” en „en el momento de”), en op geen enkele wijze het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap definiëren of kwalificeren. Vanuit dit oogpunt bezien, zijn de twee genoemde taalversies equivalent aan de andere.(17) Maar zelfs aangenomen dat de Italiaanse en de Spaanse versie tenderen te verwijzen naar een gebeurtenis die samenvalt met het overschrijden van de grens, doet dit niet af aan het feit dat een dergelijke nuance in de andere taalversies niet voorkomt.
34. Concluderend ben ik van mening dat de analyse van de verschillende taalversies geen doorslaggevende gegevens oplevert voor de uitlegging.
b) Het standpunt van de Poolse regering
35. Het oorspronkelijke standpunt van de Poolse regering is, hoe interessant het ook moge zijn, mijns inziens niet aanvaardbaar. Met de stelling dat in de gevallen waarin artikel 867 bis van de uitvoeringsverordening van toepassing is, de douaneschuld als bedoeld in artikel 202 van het douanewetboek niet eens ontstaat, en het bijgevolg niet nodig is om artikel 233, sub d, van het douanewetboek uit te leggen, kent men de facto aan een uitvoeringsbepaling (genoemd artikel 867 bis) het vermogen toe om te verhinderen dat een „hoofdregel” wordt toegepast. Immers, artikel 233, eerste alinea, sub d, dat als enige voorwaarde stelt dat er een douaneschuld als bedoeld in artikel 202 is ontstaan, zou aldus zonder voorwerp blijven en bijgevolg niet-toepasselijk zijn.
36. Bovendien, en belangrijker nog, is dit artikel 233, eerste alinea, sub d, het artikel dat expliciet spreekt van een douaneschuld die ingevolge artikel 202 „is ontstaan” (cursivering van mij). Het lijdt, met andere woorden, geen enkele twijfel dat de douaneschuld eerst moet ontstaan en vervolgens teniet moet gaan.
37. Het verdient echter opmerking dat de Poolse regering zelf in haar opmerkingen wijst op het gevaar voor dubbele heffing van douanerechten voor dezelfde goederen en op de noodzaak om een dergelijke situatie te vermijden. Ik kom hierna nog op dit specifieke probleem terug.(18)
c) Gegevens die voor een niet-restrictieve uitlegging pleiten
i) Het begrip „op onregelmatige wijze binnenbrengen”
38. Het „op onregelmatige wijze binnenbrengen” wordt, voor zover hier van belang, in artikel 202 van het douanewetboek gedefinieerd als „elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje”. Mijns inziens zijn partijen echter zowel in hun schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting aan een volgens mij cruciaal punt voorbijgegaan.
39. Het is immers duidelijk, en wordt zelfs door de Commissie niet ontkend, dat het binnenbrengen van de goederen op het grondgebied van de Gemeenschap niet „onregelmatig” is zolang degene die deze goederen binnenbrengt, niet met een ondubbelzinnige gedraging te kennen heeft gegeven dat hij niet aan de bevoegde douaneautoriteit wil meedelen dat de goederen zijn binnengebracht. Ingeval de goederen bij een bewaakte grensovergang worden binnengebracht, is hiervan sprake zodra de betrokkene de grenspost verlaat zonder de door hem meegevoerde goederen te hebben aangegeven. Worden de goederen via de zogenoemde „groene grens” binnengebracht, dat wil zeggen via een onbewaakt stuk van de grens, dan verwezenlijkt de „onregelmatigheid” zich op het moment dat het voornemen van de betrokkene om de goederen niet naar het douanekantoor te brengen, zich manifesteert.(19)
40. Van „op onregelmatige wijze binnenbrengen” is dus enkel sprake nadat de betrokkene de grenspost heeft verlaten of, in elk geval, wanneer zijn voornemen om de goederen niet bij de douaneautoriteiten aan te geven, zich op ondubbelzinnige wijze heeft gemanifesteerd.
41. Volgens de enge uitlegging gaat de douaneschuld, zoals gezegd, enkel teniet indien inbeslagneming plaatsvindt voordat degene die de goederen vervoert, de grenspost heeft verlaten of blijk heeft gegeven van zijn voornemen om zich niet naar de bevoegde douaneautoriteit te begeven. Volgt men deze uitlegging, dan leidt dit tot de stelling dat, in strijd met de letter van artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek, een douaneschuld teniet gaat met betrekking tot goederen waarvan het „binnenbrengen” nog niet „onregelmatig” is.
42. Hiermee wordt de wettelijke regeling mijns inziens duidelijk geweld aangedaan. Temeer nu volgens artikel 202, lid 2, van het douanewetboek „de douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht”. Welbeschouwd wil de enge uitlegging dus uiteindelijk dat een schuld tenietgaat die nog niet is ontstaan.
43. Anderzijds kan de enge uitlegging tot de stelling leiden dat de douaneschuld nooit „tenietgaat” in bovengenoemde zin, omdat niet is voldaan aan een expliciet genoemde voorwaarde (te weten het „op onregelmatige wijze binnenbrengen”).
44. De enge uitlegging leidt bijgevolg tot een logische tegenstrijdigheid die mijns inziens de intrinsieke zwakte ervan aantoont.
ii) Nuttige werking
45. Zonder deze uitdrukking expliciet te gebruiken, suggereert de Oostenrijkse regering dat een enge uitlegging van het bepaalde in artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek deze bepaling van haar nuttige werking dreigt te beroven, en wel omdat de beperking van het tenietgaan van de douaneschuld tot gevallen waarin de inbeslagneming van de smokkelwaar plaatsvindt op het moment dat de grens wordt overschreden, maakt dat die bepaling praktisch nooit kan worden toegepast (of althans in een veel kleiner aantal gevallen toepasselijk is). In de praktijk vindt de inbeslagneming van smokkelwaar namelijk in de regel niet plaats op het moment van de grensoverschrijding, maar op een later tijdstip.(20)
46. Hoewel dit argument op zich niet doorslaggevend is, verdient het mijns inziens wel de aandacht. Het is bekend dat het beginsel van de nuttige werking een beslissende rol speelt bij de uitlegging van het gemeenschapsrecht. Op grond daarvan moet altijd de voorkeur worden gegeven aan de uitlegging die een gemeenschapshandeling in staat stelt haar doelstellingen te bereiken.(21) In dat licht lijdt het geen twijfel dat de „ruime” uitlegging geschikter lijkt om de toepassing van de regeling te verzekeren.
iii) Evenredigheid
47. Zoals bekend, heeft het Hof systematisch het evenredigheidsbeginsel als een van de fundamentele beginselen erkend. Dit beginsel is gebruikt om sancties onwettig te verklaren die te zwaar (en dus onevenredig) werden geacht voor de gedragingen die zij bestraften.(22) Bovendien is op basis van dit beginsel verklaard dat, in het algemeen, wanneer er voor een specifieke situatie een keuze mogelijk is tussen verschillende sancties, van de maatregelen waarmee het beoogde doel kan worden bereikt, de maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt.(23)
48. Wanneer men deze, op het evenredigheidsbeginsel gebaseerde redenering uitbreidt tot de uitlegging van gemeenschapshandelingen, kan men zich afvragen of, indien er twee uitleggingen mogelijk zijn van een bepaling die negatieve gevolgen heeft voor een rechtssubject, de uitlegger niet verplicht is de uitlegging te kiezen die de minst zware lasten oplegt. Dit lijkt mij in beginsel redelijk. In casu zou dit pleiten voor de „ruimere” uitlegging.
49. Uiteraard geldt als voorwaarde, dat de twee mogelijke uitleggingen beide geschikt moeten zijn om het met de uit te leggen regeling beoogde doel te bereiken. Daarom wil ik hier enkele overwegingen wijden aan het doel van de uit te leggen bepaling.
iv) De ratio van de bepaling
50. Wat is het doel dat de uit te leggen bepaling – artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek – wenst te bereiken? Deze vraag is uiteraard essentieel voor de uitlegging.
51. Volgens mij valt moeilijk te ontkennen dat met het tenietgaan van de douaneschuld in de zin van artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek wordt beoogd te vermijden dat een douanerecht wordt opgelegd in gevallen waarin de goederen weliswaar op onregelmatige wijze het grondgebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, maar er nog geen gelegenheid is geweest om ze in de handel te brengen en zij dus in mededingingsrechtelijke zin geen „bedreiging” hebben gevormd voor de communautaire goederen.(24)
52. Het is duidelijk dat een strikte teleologische uitlegging van de bepaling, uitgewerkt op basis van het voorgaande, zou kunnen leiden tot de uitspraak dat de douaneschuld tenietgaat in alle gevallen waarin de smokkelwaar in beslag is genomen voordat zij in de handel wordt gebracht, los van de vraag waar en wanneer dat gebeurt. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, heeft de Finse regering zich overigens in die zin uitgelaten.
53. Deze bijzonder „ruime” uitlegging van artikel 233 van het douanewetboek kan mijns inziens echter niet worden aanvaard, om de simpele reden dat zij de bewoordingen van die bepaling te duidelijk geweld aandoet.
54. Bij die uitlegging zou de douaneschuld met betrekking tot smokkelwaar ook tenietgaan indien de smokkelwaar bijvoorbeeld in beslag wordt genomen enkele maanden nadat zij op onregelmatige wijze is binnengebracht en nadat zij vervolgens in afwachting van haar verhandeling op een „veilige” plek verborgen is gehouden. Het is duidelijk dat een dergelijke opvatting op geen enkele wijze valt te verzoenen met de litigieuze bepaling volgens welke de douaneschuld tenietgaat voor goederen die „bij het op onregelmatige wijze binnenbrengen” in beslag zijn genomen. Het lijkt mij met andere woorden duidelijk, dat deze bepaling een zekere continuïteit in de tijd verlangt tussen het moment dat de smokkelwaar de grens overschrijdt en de inbeslagneming ervan.
55. Hoewel de bijzonder „ruimhartige” uitlegging van de betrokken bepaling, die ik in punt 52 als mogelijkheid heb opgevoerd, niet kan worden aanvaard, neemt dat niet weg dat de ratio van die bepaling – ook al laat die een complete verdraaiing van de letterlijke betekenis ervan niet toe – toch verlangt dat aan die bepaling een strekking wordt gegeven die zo nauw mogelijk aansluit bij de doelstellingen daarvan. Inachtneming van de doelstellingen van het betrokken voorschrift leidt in casu dus tot een uitlegging waarbij, zolang er geen verhandeling van de smokkelwaar heeft plaatsgevonden, met eerbiediging van het tekstgegeven de scala van situaties wordt uitgebreid, waarin de douaneschuld tenietgaat.
56. Zoals met name de Deense regering in haar schriftelijke opmerkingen en de Commissie in haar opmerkingen ter terechtzitting benadrukken, wordt bij de engere uitlegging van artikel 233, eerste alinea, sub d, het bestraffende/afschrikkende aspect van de bepaling meer geaccentueerd. In dit verband merk ik echter het volgende op.
57. Het tenietgaan van de douaneschuld voor in beslag genomen smokkelwaar vindt zijn bestaansgrond in het feit dat de goederen zelf geen concurrentiedreiging meer kunnen vormen voor communautaire goederen. Wanneer die goederen vervolgens weer in het verkeer worden gebracht, moeten ingevolge artikel 867 bis van de uitvoeringsverordening de desbetreffende douanerechten worden betaald.
58. De redenering van de Commissie en de Deense regering, dat de „bestraffende” toepassing van artikel 233 van het douanewetboek haar rechtvaardiging vindt in het feit dat de waarschijnlijkheid groter is dat de smokkelwaar, nadat zij de grenspost is gepasseerd, in het economisch circuit wordt gebracht en dus een schadepost vormt voor de communautaire goederen en voor de schatkist van de Gemeenschap, is inconsequent en berust op een logische fout.
59. Want enerzijds is er geen gevaar voor schade meer wanneer de smokkelwaar in beslag is genomen: de smokkelwaar concurreert dan niet oneerlijk met de gemeenschapsgoederen, en indien zij in het economisch circuit wordt gebracht, dan gebeurt dit na betaling van de douanerechten. Wanneer anderzijds de goederen aan inbeslagneming ontsnappen, komen zij hoe dan ook in het handelsverkeer terecht zonder dat er douanerechten worden betaald, ongeacht hoe ruim of eng artikel 233 wordt uitgelegd.
60. Ook kan niet worden gezegd dat de sanctiewerking een ontmoedigend effect heeft op aspirant-smokkelaars. Indien de wetgever de betaling van de douanerechten voor in beslag genomen smokkelwaar als sanctie had willen gebruiken, dan had hij niet in artikel 233 van het douanewetboek voorzien in een situatie waarin ook voor smokkelaars wordt erkend dat de douaneschuld tenietgaat. Indien de gemeenschapswetgever aan deze bepaling een echte ontmoedigende werking had willen geven, dan had hij in geen enkel geval van tenietgaan van de douaneschuld voorzien en had hij de smokkelaar veroordeeld om de douanerechten voor de bij hem in beslag genomen goederen altijd en hoe dan ook te betalen. Volgens de enge uitlegging treft deze „sanctie” echter enkel smokkelaars die in een relatief vergevorderd stadium van hun illegale activiteiten worden ontdekt, terwijl de douanerechten worden kwijtgescholden aan smokkelaars die in een aanvankelijk stadium worden ontdekt.
61. Ik meen daarentegen dat de echte strafaspecten in verband met smokkelactiviteiten het voorwerp vormen van de straf- en/of administratiefrechtelijke bepalingen die tegen deze gedragingen zijn gericht. Dergelijke overwegingen zijn daarentegen vreemd aan de redenering betreffende het al dan niet opleggen van douanerechten, het enige punt waar het in casu om gaat.
62. Dit wordt bevestigd door de laatste alinea van artikel 233 van het douanewetboek, die, ter waarborging van de mogelijkheid om strafsancties ook op te leggen ingeval de douaneschuld tenietgaat, preciseert dat de inbeslagneming of verbeurdverklaring van de smokkelwaar voor de toepassing van het strafrecht wordt geacht niet tot het tenietgaan van de douaneschuld te hebben geleid.
63. Wat ik zojuist heb voorgesteld, vindt overigens ook expliciet bevestiging in een arrest van het Hof, dat mijns inziens zijn geldigheid heeft behouden ondanks dat het formeel betrekking had op een normatief kader van vóór de inwerkingtreding van het huidige douanewetboek. In dat arrest verklaart het Hof in het bijzonder „dat de redenen van het tenietgaan dienen te worden gebaseerd op de vaststelling, dat de goederen niet daadwerkelijk de economische bestemming hebben gekregen welke de toepassing van rechten bij invoer rechtvaardigt”.(25)
v) De historische ontwikkeling van de regeling en de uitlegging daarvan
64. De regeling in artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek, betreffende het tenietgaan van de douaneschuld na de inbeslagneming en verbeurdverklaring van smokkelwaar, vormt een verscherping van de regeling van verordening nr. 2144/87(26), die op dit punt tot aan de inwerkingtreding van het douanewetboek gold. Deze verordening voorzag in artikel 8, lid 1, sub b, in het tenietgaan van de douaneschuld in alle gevallen van verbeurdverklaring van de goederen.
65. Van haar kant knoopt verordening nr. 450/2008(27), met het nieuwe douanewetboek dat binnenkort in werking treedt, in artikel 86 opnieuw aan bij de „zachte” lijn die reeds in verordening nr. 2144/87 voorkwam, door onder meer te bepalen dat de douaneschuld tenietgaat „indien goederen waarvoor invoer‑ of uitvoerrechten verschuldigd zijn, worden verbeurdverklaard” (lid 1, sub d), „indien goederen waarvoor invoer‑ of uitvoerrechten verschuldigd zijn, in beslag worden genomen en tegelijkertijd of naderhand worden verbeurdverklaard” (sub e) en „indien goederen waarvoor in‑ en uitvoerrechten verschuldigd zijn, onder douanetoezicht worden vernietigd of aan de staat worden afgestaan” (sub f). Ook in het nieuwe douanewetboek is het moment waarop de inbeslagneming en/of verbeurdverklaring plaatsvindt dus irrelevant voor het tenietgaan van de douaneschuld.
66. Welnu, aangezien het douanewetboek dat thans van kracht is, met betrekking tot het tenietgaan van de douaneschuld voor smokkelwaar een bijzonder strenge regeling geeft die chronologisch zit tussen twee regelingen die een stuk minder streng zijn, leidt een bijzonder enge uitlegging van artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek mijns inziens naar alle waarschijnlijkheid tot een forcering van de interne logica van de gemeenschapsregeling en van de vermoedelijke wil van de wetgever.(28)
vi) Het probleem van de inbeslagneming aan de „groene grens”
67. De enge uitlegging van artikel 233 wordt bijzonder problematisch indien de smokkelwaar in de Gemeenschap wordt binnengebracht via de „groene grens”. In dat geval zijn er namelijk twee verschillende lezingen mogelijk.
68. Volgens een eerste lezing, die de Commissie zelf in punt 26 van haar schriftelijke opmerkingen onderschrijft, komt er bij smokkel over de niet-bewaakte grenslijn reeds een einde aan het op onregelmatige wijze binnenbrengen met de fysieke overschrijding van de grenslijn. Het is duidelijk dat er bij een dergelijke lezing praktisch nooit sprake zal zijn van tenietgaan van de douaneschuld in de zin van artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek, aangezien het praktisch onmogelijk is dat de inbeslagneming van de goederen precies op de grenslijn plaatsvindt. Een lijn is een geometrisch concept en heeft per definitie geen breedte.
69. Volgens een andere lezing, die de Commissie daarentegen ter terechtzitting heeft verdedigd, is bij het binnenbrengen van goederen via de groene grens het op onregelmatige wijze binnenbrengen in de zin van artikel 233 voltooid op het moment waarop degene die de goederen vervoert, een andere richting kiest dan die welke moet worden gevolgd om de dichtstbijzijnde douanepost te bereiken, en daarmee te kennen geeft dat hij de goederen wil binnensmokkelen.(29)
70. Deze tweede „variant” van de enge uitlegging lijkt zeker overtuigender dan de eerste. Zij sluit ten minste de toepassing van artikel 233, eerste alinea, sub d, niet praktisch uit. Enkele problemen blijven echter bestaan, omdat het in concreto niet altijd makkelijk is om vast te stellen welke richting de importeur na overschrijding van de grens is uitgegaan, in het bijzonder in bosrijke of moeilijk toegankelijke gebieden, wat typisch de gebieden zijn waardoor de „groene grens” loopt.
71. Ook vanuit deze optiek geef ik de voorkeur aan de niet-restrictieve uitlegging.
d) De grenzen van de voorgestelde uitlegging
72. Hoewel de door mij voorgestelde uitlegging mijns inziens zonder enige twijfel de voorkeur verdient, neemt dat niet weg dat zij een aantal problemen opwerpt.
73. Om aan artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek een niet-restrictieve uitlegging te kunnen geven, moet allereerst worden aanvaard dat het begrip „binnenbrengen” in artikel 233, verschilt van het begrip ”binnenbrengen” dat in andere passages van het douanewetboek voorkomt. Idealiter zou het verkieslijker zijn als een dergelijke discrepantie tussen betekenissen zou kunnen worden vermeden. Anderzijds meen ik te hebben aangetoond, dat wanneer men aan de term „binnenbrengen” in artikel 233 een betekenis wil toekennen van „onmiddellijk” en in de tijd beperkt, een betekenis die deze term onmiskenbaar heeft in andere passages van het douanewetboek, men daarmee uiteindelijk meer problemen creëert dan oplost.
74. In de tweede plaats bevat de niet-restrictieve uitlegging een element van onzekerheid, verband houdend met de eerste plaats van bestemming van de smokkelwaar. Het is duidelijk, dat het begrip „eerste bestemming” een vrij vaag begrip is dat niet nader kan worden gedefinieerd en dat, zoals de Oostenrijkse regering zelf ter terechtzitting heeft erkend, met een beoordeling van geval tot geval verder moet worden uitgewerkt. Bovendien kunnen zich in concreto gevallen van inbeslagneming van goederen voordoen waarin het volstrekt niet duidelijk is of de goederen hun eerste bestemming binnen het douanegebied van de Gemeenschap hebben bereikt. In die gevallen kan ook een diepgaand onderzoek naar de feiten noodzakelijk zijn. Dit soort onderzoeken is anderzijds volstrekt normaal in het kader van bijvoorbeeld het strafrecht, en niet mag worden vergeten dat de plaatselijke autoriteiten in de regel bij smokkelen als strafbaar feit, voor strafrechtelijke doeleinden hoe dan ook feitelijke vaststellingen moeten doen. Eventueel is ook denkbaar dat bij inbeslagneming van goederen „in beweging” de eerste plaats van bestemming, behoudens tegenbewijs, wordt geacht nog niet te zijn bereikt.
75. Overigens valt niet te ontkennen dat ook de enge uitlegging aspecten vertoont die even vaag zijn. Zoals wij hiervoor hebben gezien(30), geldt dit met name voor de inbeslagneming van smokkelwaar langs de „groene grens”.
76. In de derde plaats beperkt de voorgestelde uitlegging weliswaar het risico dat voor dezelfde goederen tweemaal douanerechten worden betaald, maar sluit zij die mogelijkheid niet uit.(31) Een dergelijke situatie van dubbele betaling kan zich immers voordoen in het geval van goederen die in beslag zijn genomen nadat zij hun eerste plaats van bestemming hebben bereikt (zodat de douaneschuld niet tenietgaat), en vervolgens weer worden verkocht door de overheidsinstanties, met als gevolg een (tweede) betaling van de douanerechten door de verkrijger op grond van artikel 867 bis van verordening nr. 2454/93.
77. Zoals reeds opgemerkt, kan het risico van een dubbele heffing van douanerechten enkel totaal worden vermeden als men zich op het standpunt stelt, dat de douaneschuld tenietgaat in alle gevallen waarin de smokkelwaar in beslag wordt genomen en verbeurd wordt verklaard voordat zij in de handel wordt gebracht. Anderzijds heb ik ook reeds beklemtoond dat die oplossing, die in verordening nr. 2144/87 aanwezig is en thans opnieuw wordt aangereikt in verordening nr. 450/2008, in het licht van de letterlijke tekst van het douanewetboek onhoudbaar lijkt.(32)
e) Conclusie met betrekking tot de eerste vraag
78. Mijns inziens zijn de beperkingen en de problemen die ik heb vermeld, al met al niet van dien aard dat zij serieus in de weg staan aan de uitlegging die ik hiervoor heb geschetst. De alternatieve uitleggingen hebben hoe dan ook nog grotere bezwaren.
79. Daarom geef ik het Hof in overweging op de eerste vraag van de Unabhängige Finanzsenat te antwoorden dat de uitdrukking „bij het onregelmatig binnenbrengen” in artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek moet worden uitgelegd als een verwijzing naar een tijdsspanne die loopt van het moment van de grensoverschrijding tot het moment waarop de illegaal binnengebrachte goederen hun eerste bestemming binnen het grondgebied van de Gemeenschap hebben bereikt.
B – De tweede vraag
80. Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het niet in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, dat artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek het tenietgaan van de douaneschuld enkel als consequentie verbindt aan een inbeslagneming van goederen die op onregelmatige wijze zijn binnengebracht in de zin van artikel 202 van het douanewetboek, terwijl niets van dien aard is voorzien voor goederen die in beslag worden genomen na aan het douanetoezicht te zijn onttrokken in de zin van artikel 203.
81. Het is al meteen duidelijk, dat de tweede vraag aanzienlijke problemen oplevert wat haar relevantie voor de beslissing in het hoofdgeding betreft.
1. De noodzaak van een antwoord op de vraag
82. Zowel de Commissie als, zij het in enigszins andere termen, de Oostenrijkse regering stellen dat de vraag duidelijk vreemd is aan het voorwerp van het hoofdgeding.(33)
83. De overwegingen van de Commissie en de Oostenrijkse regering zijn mijns inziens juist. De positie van verzoeker in het hoofdgeding wordt namelijk ontegenzeglijk beheerst door artikel 202 van het douanewetboek, dat zich bezighoudt met het op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen via de grens. De casus die in artikel 203 wordt geregeld – de onttrekking van goederen aan het douanetoezicht – is daarentegen volstrekt vreemd aan de feiten van deze zaak.
84. Het is duidelijk dat, indien in concreto voor de situatie van artikel 203 een gunstiger regeling zou gelden dan voor de situatie waarop artikel 202 betrekking heeft, zich de vraag zou kunnen voordoen of de ongunstigste regeling wel geldig was in het licht van het beginsel van gelijke behandeling. In casu is echter in de hoofdzaak de op artikel 202 berustende regeling van toepassing, met andere woorden, de gunstigste.
85. Hoewel het Hof altijd terecht heel voorzichtig is ten aanzien van de mogelijkheid om een prejudiciële vraag niet te beantwoorden, kan het volgens vaste rechtspraak besluiten om zich niet over een prejudiciële vraag uit te spreken, indien duidelijk is dat de beoordeling waarom de verwijzende rechter verzoekt, voor de hoofdzaak van geen enkel belang is.(34) Het is voor mij duidelijk, dat in de onderhavige zaak de vraag volstrekt hypothetisch van aard is en niet relevant voor de oplossing van het hoofdgeding. Daarom ben ik van mening dat het Hof zich niet over de tweede vraag moet uitspreken.
86. Voor het geval het Hof echter mocht besluiten om de vraag inhoudelijk te beoordelen, volgen hier enkele korte overwegingen ter zake.
2. Subsidiair: de vraag ten gronde
87. De Deense en de Finse regering stellen dat de situaties die respectievelijk door artikel 202 en artikel 203 douanewetboek worden beheerst, objectief verschillen, zodat een verschil in behandeling geen schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert.(35)
88. De Oostenrijkse regering lijkt daarentegen van mening dat artikel 233 inderdaad een ongerechtvaardigde discriminatie tot stand brengt tussen de situaties die respectievelijk door artikel 202 en artikel 203 worden beheerst. Deze discriminatie kan in concreto worden overwonnen door naar analogie te erkennen dat de douaneschuld ook tenietgaat in geval van inbeslagneming van goederen die aan het douanetoezicht zijn onttrokken in de zin van artikel 203. Anderzijds blijft de vraag hier echter volstrekt irrelevant nu de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, door artikel 202 wordt beheerst.(36) De Oostenrijkse regering merkt echter op dat dit probleem zich onder het nieuwe douanewetboek niet meer zal voordoen, aangezien dit voorziet in het tenietgaan van de douaneschuld bij inbeslagneming en verbeurdverklaring, ongeacht wanneer en onder welke omstandigheden die inbeslagneming en/of verbeurdverklaring plaatsvinden.(37)
89. Met een redenering die gelijkenis vertoont met die welke de Poolse regering meer in algemene zin heeft ontwikkeld(38), citeert de Commissie artikel 867 bis van de uitvoeringsverordening en stelt zij dat, aangezien die bepaling zonder onderscheid betrekking heeft op smokkelwaar ex artikel 202 en goederen die aan het douanetoezicht zijn onttrokken ex artikel 203 douanewetboek, men onmogelijk kan stellen dat artikel 233, eerste alinea, sub d, discriminatoir van inhoud is.
90. Voor een uitspraak over de vraag zelf is het onontbeerlijk het aanzienlijke feitelijke verschil te belichten dat bestaat tussen de situaties die respectievelijk door de artikelen 202 en 203 douanewetboek worden beheerst.
91. In het bijzonder bestaat dit hierin, dat terwijl artikel 202 het oog heeft op „klassieke” situaties van smokkel binnen het douanegebied van de Gemeenschap, artikel 203 alle situaties op het oog heeft waarbij sprake is van een handelen of nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteiten, al is het maar kortstondig, de toegang wordt belemmerd tot goederen die onder douanetoezicht staan en wordt belet de in het douanewetboek voorgeschreven controles te verrichten.(39)
92. Met andere woorden, in de in artikel 203 douanewetboek bedoelde situatie is het in beginsel waarschijnlijker dat de goederen, nadat zij aan het douanetoezicht zijn onttrokken, in het economisch circuit terechtkomen, daar zij zich de facto reeds binnen het douanegebied bevinden. Tezelfdertijd zijn de douaneautoriteiten echter op de hoogte van het bestaan van die goederen. Reeds deze feitelijke gegevens kunnen voldoende zijn om de verschillende behandeling van de twee situaties te rechtvaardigen.
93. Ook zij opgemerkt, dat goederen die in de zin van artikel 203 van het douanewetboek aan het douanetoezicht zijn onttrokken, per definitie goederen zijn waarvan reeds eerder is meegedeeld dat zij het douanegebied zijn binnengebracht. Zoals de Deense regering terecht opmerkt(40), is bijgevolg het feit dat er een inbeslagneming/verbeurdverklaring plaatsvindt (en dat artikel 233 van het douanewetboek dus potentieel van toepassing is), in concreto minder relevant voor goederen die onder artikel 203 vallen dan voor goederen die illegaal zijn binnengebracht in de zin van artikel 202.
94. Weliswaar is ook in dit verband een bepaling als die in het nieuwe douanewetboek dat binnenkort van kracht wordt, die in het algemeen voorziet in het tenietgaan van de douaneschuld voor alle inbeslaggenomen goederen, waarschijnlijk logischer en „billijker”. Maar gezien de duidelijke inhoud van de tekst van artikel 233 van het douanewetboek dat thans van kracht is, en dat voor in beslag genomen goederen die onder artikel 203 van het douanewetboek vallen niet in het tenietgaan van de douaneschuld voorziet, zijn de objectieve verschillen tussen de situaties die door artikel 202 respectievelijk artikel 203 worden beheerst, groot genoeg om het door de gemeenschapswetgever opgelegde verschil in behandeling van die twee situaties gerechtvaardigd (zij het wellicht niet „optimaal”) te achten.
IV – Conclusie
95. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de vragen van de Unabhängige Finanzsenat aldus te beantwoorden dat de uitdrukking „bij het onregelmatig binnenbrengen” in artikel 233, eerste alinea, sub d, van het douanewetboek moet worden uitgelegd als een verwijzing naar een tijdsspanne die loopt van het moment van de grensoverschrijding tot het moment waarop de illegaal binnengebrachte goederen hun eerste bestemming binnen het grondgebied van de Gemeenschap hebben bereikt.
1 – Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 – K. Höfinger, R. Rüsken, „Wann erlischt die Zollschuld infolge Beschlagnahme und Einziehung von Schmuggelware?”, in Zeitschrift für Zölle und Verbrauchsteuern, nr. 8/2007, blz. 197.
3 – Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1).
4 – Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1).
5 – Punt 10 van de opmerkingen van de Oostenrijkse regering.
6 – Ibidem, punt 15.
7 – Opmerkingen van de Finse regering, punten 13 en 14.
8 – Ibidem, punten 16 en 17.
9 – Opmerkingen van de Deense regering, punt 16.
10 – Ibidem, punt 20.
11 – Ibidem, punt 26.
12 – Opmerkingen van de Commissie, punten 15‑23.
13 – Ibidem, punt 36.
14 – Opmerkingen van de Poolse regering, punten 18‑26.
15 – Ibidem, punt 23.
16 – Zoals bekend, wijst het Hof voortdurend op de noodzaak om in geval van twijfel over de uitlegging de vergelijking van de verschillende taalversies van de gemeenschapshandelingen als hulpmiddel bij de uitlegging te gebruiken. Zie bijvoorbeeld arresten van 5 december 1967, Sociale Verzekeringsbank (19/67, Jurispr. blz. 432, 441); 12 juli 1979, Koschniske (9/79, Jurispr. blz. 2717, punt 6), en 2 april 1998, EMU Tabac (C‑296/95, Jurispr. blz. I‑1605, punt 36). Zie specifiek in verband met het douanewetboek arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke (C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 46).
17 – Zie bijvoorbeeld de Franse („lors de l’introduction irrégulière”), de Engelse („upon their unlawful introduction”), de Duitse („bei dem vorschriftswidrigen Verbringen”) en de Nederlandse („bij het onregelmatig binnenbrengen”) versie.
18 – Zie punten 76 en 77 van deze conclusie.
19 – Zie voor dit aspect de punten 67 e.v. van deze conclusie.
20 – Opmerkingen van de Oostenrijkse regering, punt 15.
21 – Het concept en de toepassing van het beginsel van de nuttige werking vormen een thema met een draagwijdte die zich veel verder uitstrekt dan het gebied dat door deze conclusie wordt beslagen. Het betreft een beginsel dat de uitlegging van het gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie van meet af aan heeft gekenmerkt. Zie bijvoorbeeld arresten van 6 oktober 1970, Grad (9/70, Jurispr. blz. 825, punt 5); 21 oktober 1970, Haselhorst (23/70, Jurispr. blz. 881, punt 5); 22 september 1988, Saarland e.a. (187/87, Jurispr. blz. 5013, punt 19), en 14 oktober 1999, Adidas (C‑223/98, Jurispr. blz. I‑7081, punt 24).
22 – Zie bijvoorbeeld arrest van 20 februari 1979, Buitoni (122/78, Jurispr. blz. 677, punt 16). Zie voor het evenredigheidsbeginsel als vereiste voor douanerechtelijke sancties, in het algemeen, arrest van 16 december 1992, Commissie/Griekenland (C‑210/91, Jurispr. blz. I‑6735, punten 19 en 20).
23 – Zie bijvoorbeeld arresten van 11 juli 1989, Schräder (265/87, Jurispr. blz. 2237, punt 21), en 5 mei 1998, National Farmers’ Union e.a. (C‑157/96, Jurispr. blz. I‑2211, punt 60 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 – Zie conclusie van advocaat-generaal Tizzano van 12 juni 2003 in zaak C‑337/01, Hamann International, waarin op 12 februari 2004 arrest is gewezen (Jurispr. blz. I‑1791, punt 50).
25 – Arrest van 5 oktober 1983, Magazzini Generali (186/82 en 187/82, Jurispr. blz. 2951, punt 14).
26 – Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (PB L 201, blz. 15).
27 Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145, blz. 1).
28 – Ik merk overigens op, dat ook in Duitsland de enge uitlegging niet unaniem wordt gevolgd. Zij is het product van een zeer recent, zij het tamelijk gezaghebbend uitleggingsstandpunt. Deze uitlegging is echter zwaar bekritiseerd met argumenten die deels analoog zijn met die welke in deze conclusie worden aangevoerd. Zie bijvoorbeeld P. Witte, Zollkodex – Kommentar (4e ed., München, Beck, 2006), onder artikel 233.
29 – Ik merk overigens op, dat de Commissie met dit standpunt wezenlijk ingaat tegen haar eigen opmerkingen betreffende het noodzakelijkerwijs „onmiddellijke” karakter van het binnenbrengen, dat uit de letterlijke uitlegging artikel 233 zou volgen. Zie punten 32 e.v. van deze conclusie.
30 – Zie punten 67 e.v. van deze conclusie.
31 – Volgt men de enge uitlegging, dan is dat gevaar uiteraard veel uitgesprokener, daar in dat geval de mogelijkheden voor het tenietgaan van de douaneschuld tot het minimum zijn beperkt.
32 – Zie punten 53 en 54 van deze conclusie.
33 – Opmerkingen van de Oostenrijkse regering, punt 22, en opmerkingen van de Commissie, punt 44.
34 – Zie in dit verband arresten van 16 juli 1992, Meilicke (C‑83/91, Jurispr. blz. I‑4871, punten 26 e.v.), en 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a. (C‑222/04, Jurispr. blz. I-289, punt 75).
35 – Opmerkingen van de Finse regering, punt 22, en opmerkingen van de Deense regering, punt 34.
36 – Opmerkingen van de Oostenrijkse regering, punt 22.
37 – Ibidem, punt 24. Zie in verband met dit aspect punt 65 van deze conclusie.
38 – Het betoog van de Commissie vertoont overigens enkele tamelijk obscure aspecten en verwijst naar een bepaling die gekenmerkt wordt door een aantal verschillen tussen de taalversies. De door de Commissie geciteerde negende overweging van de considerans van verordening nr. 3665/93, waarbij artikel 867 bis in de uitvoeringsverordening is ingevoegd, bepaalt namelijk dat, totdat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, „può sorgere nei confronti di esse un'obbligazione doganale”. In die zin ook de Franse („une dette douanière reste susceptible de naître à leur égard”), de Engelse („a customs debt may still be incurred with regard to them”), de Spaanse („una deuda aduanera sigue siendo susceptible de nacer al respecto”) en de Nederlandse versie („een douaneschuld ten aanzien daarvan zou kunnen ontstaan”). De Duitse versie bepaalt daarentegen dat, totdat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, „entsteht keine Zollschuld im Hinblick auf sie” (ofwel: „ontstaat er met betrekking tot deze goederen geen douaneschuld”). De versies zijn niet onverenigbaar, maar leggen wel zonder enige twijfel het accent op verschillende aspecten.
39 – Zie arrest Hamann International (aangehaald in voetnoot 24, punt 31), en arresten van 1 februari 2001, Wandel (C‑66/99, Jurispr. blz. I‑873, punt 47), en 11 juli 2002, Liberexim (C‑371/99, (Jurispr. blz. I‑6227, punt 55).
40 – Opmerkingen van de Deense regering, punt 35.
Full & Egal Universal Law Academy