CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 6 november 2008 (1)
Zaak C‑473/07
Association nationale pour la protection des eaux et rivières – TOS,
Association OABA
tegen
Ministère de l’Écologie, du Développement et de l’Aménagement durables
[verzoek van de Conseil d’État (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 96/61/EG – Preventie en bestrijding van verontreiniging – Milieu – Begrippen ‚pluimvee’ en ‚plaatsen’ – Opneming of niet van kwartels, patrijzen en duiven in de werkingssfeer van de richtlijn – Maximumaantal stuks pluimvee per plaats – Regelingen van voorafgaande melding en vergunning voor installaties voor intensieve pluimveehouderij”
I – Inleiding
1. Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de Conseil d’État (Frankrijk) van het Hof te vernemen hoe punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging(2), moet worden uitgelegd.
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van beroepen die Association nationale pour la protection des eaux et rivières (hierna: „ANPER-TOS”) en Association OABA bij de verwijzende rechter hebben ingesteld met het oog op de nietigverklaring van Décret nº 2005-989 du 10 août 2005 modifiant la nomenclature des installations classées (Frans decreet nr. 2005-989 van 10 augustus 2005 tot wijziging van de lijst van de ingedeelde installaties).(3)
3. In wezen dient te worden bepaald of kwartels, patrijzen en duiven moeten worden beschouwd als pluimvee in de zin van richtlijn 96/61, volgens welke voor installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen vooraf een vergunning moet worden afgegeven. Indien het antwoord bevestigend luidt, moet bovendien worden uitgemaakt of een nationaal systeem van „dierequivalenten”, als bepaald in decreet nr. 2005-989, waarbij dieren volgens de werkelijke stikstofemissies worden gewogen en dat wordt gebruikt om de drempel te berekenen vanaf welke voor de installaties een voorafgaande vergunning is vereist, verenigbaar is met richtlijn 96/61.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsregeling
4. Artikel 1 van richtlijn 96/61 luidt:
„Deze richtlijn heeft de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel. Zij bevat maatregelen ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies door de bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, onverminderd de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG [van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40)] en andere gemeenschapsvoorschriften.”
5. Artikel 2 van richtlijn 96/61, getiteld „Definities”, bepaalt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
3) ‚installatie’: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I vermelde activiteiten [...] plaatsvinden [...]
4) ‚bestaande’ installaties: een installatie die in bedrijf is of, in het kader van de voor de datum van toepassing van deze richtlijn bestaande wetgeving, een installatie waarvoor een vergunning is verleend of waarvoor naar het oordeel van de bevoegde autoriteit een volledige vergunningsaanvraag is ingediend, op voorwaarde dat die installatie uiterlijk een jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn in werking wordt gesteld;
[...]
9) ‚vergunning’: het gedeelte van (een) schriftelijk(e) besluit(en) of dat besluit (die besluiten) in zijn (hun) geheel waarbij machtiging wordt verleend om een installatie of een gedeelte daarvan te exploiteren onder bepaalde voorwaarden die moeten garanderen dat de installatie voldoet aan de eisen van deze richtlijn, [...]
[...]”
6. In artikel 4 van richtlijn 96/61 is bepaald:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen nieuwe installatie wordt geëxploiteerd zonder een vergunning overeenkomstig deze richtlijn [...]”.
7. Artikel 5 van richtlijn 96/61 luidt:
„1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten er, door middel van vergunningen overeenkomstig de artikelen 6 en 8 of op passende wijze door toetsing en, zo nodig, aanpassing van de voorwaarden, op toezien dat de bestaande installaties uiterlijk acht jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn worden geëxploiteerd overeenkomstig de eisen van de artikelen 3, 7, 9, 10 en 13, artikel 14, eerste en tweede streepje, en artikel 15, lid 2, onverminderd andere bijzondere gemeenschapsvoorschriften.
2. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de bepalingen van de artikelen 1, 2, 11 en 12, artikel 14, derde streepje, artikel 15, de leden 1, 3 en 4, de artikelen 16 en 17 en artikel 18, lid 2, met ingang van de datum van toepassing van deze richtlijn toe te passen op de bestaande installaties.”
8. Artikel 9 van deze richtlijn, getiteld „Vergunningsvoorwaarden”, bepaalt:
„1. De lidstaten controleren of de vergunning alle maatregelen omvat die ter vervulling van de vergunningsvoorwaarden van de artikelen 3 en 10 nodig zijn om de bescherming van lucht, water en bodem te waarborgen en aldus een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken.
[...]
3. De vergunning bevat emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen, met name die van bijlage III, die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten (water, lucht en bodem). [...] De grenswaarden kunnen, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen.
Voor de installaties van [punt] 6.6 van bijlage I wordt bij de overeenkomstig dit lid vastgestelde emissiegrenswaarden rekening gehouden met de aan die categorieën installaties aangepaste praktische regelingen.
4. Onverminderd artikel 10 zijn de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in lid 3, gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. De vergunningsvoorwaarden bevatten in ieder geval bepalingen betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en waarborgen een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
[...]”
9. In artikel 16, lid 2, van richtlijn 96/61 is bepaald:
„De Commissie organiseert de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de betrokken bedrijfstakken over de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende controlevoorschriften en de ontwikkelingen op dat gebied. De Commissie maakt de resultaten van de informatie-uitwisseling om de drie jaar bekend.”
10. Artikel 18 van richtlijn 96/61 luidt:
„1. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad volgens de bij het [EG‑]Verdrag vastgestelde procedures emissiegrenswaarden vast voor
– de in bijlage I bedoelde categorieën van installaties [...]
– en
– de in bijlage III bedoelde verontreinigende stoffen
– waarvoor de noodzaak van een gemeenschapsoptreden geconstateerd is, met name op grond van de in artikel 16 bedoelde informatie-uitwisseling.
2. Waar geen ingevolge deze richtlijn vastgestelde communautaire emissiegrenswaarden bestaan, gelden de relevante emissiegrenswaarden zoals vastgesteld in de in bijlage II genoemde richtlijnen en de andere gemeenschapsvoorschriften voor de in bijlage I vermelde installaties als minimaal vereiste emissiegrenswaarden uit hoofde van deze richtlijn.
[...]”
11. Bijlage I bij richtlijn 96/61, getiteld „In artikel 1 bedoelde categorieën van industriële activiteiten”, bepaalt in punt 6.6:
„Installaties voor intensieve pluimvee[...]houderij met meer dan:
a) 40 000 plaatsen voor pluimvee;
[...]”
12. In bijlage III bij richtlijn 96/61, getiteld „Indicatieve lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen die in aanmerking moeten worden genomen indien zij relevant zijn voor de vaststelling van de emissiegrenswaarden”, is bepaald:
„Lucht
[...]
2. Stikstofoxiden en andere stikstofverbindingen.
[...]
5. Metalen en verbindingen daarvan.
[...]
Water
[...]
2. Organische fosforverbindingen.
[...]
7. Metalen en verbindingen daarvan.
[...]
11. Stoffen die bijdragen tot eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten).
[...]”
B – Nationale regeling
13. Volgens artikel 1 van decreet nr. 2005-989 wordt de lijst van de ingedeelde installaties in bijlage I bij dit decreet gevoegd.
14. Bijlage I bij decreet nr. 2005-989 bepaalt in rubriek 2111:
„Pluimvee, vederwild (kwekerij, verkoop, enz.), met uitzondering van bijzondere activiteiten bedoeld in andere rubrieken:
1. Meer dan 30 000 dierequivalenten: vergunning
2. Van 5 000 tot en met 30 000 dierequivalenten: aanmelding
Noot. – Pluimvee en vederwild worden geteld aan de hand van de volgende waarden die in dierequivalenten zijn uitgedrukt:
kwartel = 0,125;
duif, patrijs = 0,25;
jonge haan = 0,75;
licht kuiken = 0,85;
hen, standaardkuiken, labelkip, biologische kip, jonge kip, leghen, opfokkip, fazant, parelhoen, wilde eend = 1;
zwaar kuiken = 1,15;
braadeend, eend klaar voor vetmesting, fokeend = 2;
lichte kalkoen = 2,20;
mediumkalkoen, fokkalkoen, gans = 3;
zware kalkoen = 3,50;
vette zwemvogel die wordt vetgemest = 7.”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vraag
15. Blijkens de verwijzingsbeslissing betoogt ANPER-TOS dat de in decreet nr. 2005-989 gekozen berekeningswijze in strijd is met richtlijn 96/61, terwijl de Ministre de l’Écologie, du Développement et de l’Aménagement durables (minister van ecologie en duurzame ontwikkeling) van mening is dat deze richtlijn kwartels, patrijzen en duiven niet vermeldt bij het pluimvee waarop zij betrekking heeft, en dat de waarden in dierequivalenten zijn berekend om beter rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende soorten.
16. De verwijzende rechter merkt op dat volgens richtlijn 96/61 voor installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen een vergunning is vereist en dat deze richtlijn, in tegenstelling tot andere op pluimvee toepasselijke gemeenschapshandelingen die naargelang het geval kwartels, patrijzen en duiven opnemen in of uitsluiten van hun respectieve werkingssfeer, het begrip pluimvee niet definieert.
17. Daarop heeft de Conseil d’État, van oordeel dat de vraag of de bepalingen inzake installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen moeten worden geacht ook te gelden voor kwartels, patrijzen en duiven, een ernstige moeilijkheid doet rijzen, de behandeling van de zaak geschorst tot de uitspraak van het Hof over de vraag of „punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 [...] aldus moet worden uitgelegd dat [...] kwartels, patrijzen en duiven binnen de werkingssfeer ervan vallen”, en of „bij een bevestigend antwoord, dit punt een regeling toestaat die ertoe leidt dat de vergunningdrempels worden berekend op basis van een systeem van dierequivalenten, waarbij het aantal dieren per dierplaats naar soort wordt gewogen, om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende soorten”.
IV – Procesverloop voor het Hof
18. Overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie hebben ANPER-TOS, Association France Nature Environnement – interveniënte in het hoofdgeding –, de Franse en de Griekse regering alsmede de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof. Deze partijen zijn ook in hun pleidooien gehoord ter terechtzitting van 18 september 2008, behalve verzoekster en interveniënte in het hoofdgeding, die zich er niet hebben laten vertegenwoordigen.
V – Analyse
19. Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, volgt uit de bepalingen van richtlijn 96/61 en bijlage I, punt 6.6, sub a, daarbij, dat voor installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen een voorafgaande vergunning is vereist.
20. Zoals ook uit de verwijzingsbeslissing blijkt, bepaalt decreet nr. 2005-989 daarentegen in rubriek 2111 van de lijst van de ingedeelde installaties een vergunningdrempel van 30 000 dierequivalenten voor pluimvee‑ en vederwildhouderijen, waarbij met name een omzettingscoëfficiënt van 0,125 voor kwartels en 0,25 voor patrijzen en duiven is vastgesteld. Door deze berekeningswijze, die is ingegeven door de wens om beter rekening te houden met de werkelijke hoeveelheid stikstofemissies van de verschillende soorten in het milieu, kunnen kwekerijen van meer dan 40 0000 kwartels, patrijzen of duiven volstaan met een voorafgaande aanmelding. Meer bepaald is voor installaties voor kwartelhouderij slechts een voorafgaande vergunning vereist indien een drempel van 240 000 dieren wordt overschreden, terwijl voor installaties die patrijzen of duiven exploiteren, slechts een vergunning is vereist boven een drempel van 120 000 vogels.(4)
21. De werkingssfeer van punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 wordt door drie cumulatieve elementen bepaald. De kwekerij moet intensief zijn, het moet gaan om een pluimveehouderij, en de bedoelde installaties moeten meer dan 40 000 plaatsen tellen.
22. Richtlijn 96/61 definieert noch het begrip „intensieve [...]houderij”, noch de termen „pluimvee” en „plaatsen”.
23. Met betrekking tot de intensieve kwekerij betoogt de Franse regering in haar bij het Hof ingediende opmerkingen dat kwartels, patrijzen en duiven, doordat zij oorspronkelijk in het wild leefden, in tegenstelling tot tamme soorten, zoals kippen of eenden, niet intensief kunnen worden gehouden en dus niet kunnen vallen onder punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61.
24. In dit verband gaat de verwijzende rechter er bij zijn vraag, die uitsluitend betrekking heeft op de uitlegging die aan de in richtlijn 96/61 bedoelde begrippen „pluimvee” en „plaatsen” moet worden gegeven, van uit dat kwartels, patrijzen en duiven, die in decreet nr. 2005-989 zijn vermeld, intensief kunnen worden gehouden. In de motivering van de verwijzingsbeslissing staat geenszins dat die feitelijke omstandigheid een punt van onenigheid tussen partijen in het hoofdgeding is geweest.
25. Volgens vaste rechtspraak behoort in het kader van de procedure van artikel 234 EG, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter. Het Hof moet in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de communautaire en de nationale rechterlijke instanties acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vragen moeten worden geplaatst.(5)
26. Ik geef het Hof dus in overweging het bezwaar van de Franse regering dat kwartels, patrijzen en duiven niet intensief kunnen worden gehouden, niet te onderzoeken.
27. Mocht het Hof het toch noodzakelijk achten om over die vraag uitspraak te doen, lijkt het bezwaar van de Franse regering mij hoe dan ook ongegrond.
28. Behoudens naar behoren gedocumenteerd bewijs – dat in casu ontbreekt – kan immers niet a priori worden uitgesloten dat er thans of in de toekomst exploitaties van kwartels, duiven en patrijzen kunnen bestaan die aan intensieve kwekerij doen. De enkele omstandigheid, vermeld door de Franse regering, dat de Franse kwartel‑ en duivenhouderijen gemiddeld 3 000 dieren bevatten, betekent echter niet dat het onmogelijk is dat bepaalde exploitaties van deze dieren de in richtlijn 96/61 bepaalde drempel van 40 000 plaatsen te boven gaan.
29. Het is juist dat een intensieve kwekerij niet alleen wordt afgemeten aan het aantal dieren dat de exploitatie telt. Zij wordt ook gekenmerkt door andere elementen, zoals de dichtheid van de dieren per vierkante meter, het ontbreken van uitloop in open lucht, de aanwending van niet-grondgebonden kwekerij (batterij) of het gebruik van industriële productiewijzen, bijvoorbeeld de mechanisering van de kwekerij, zoals verzoeksters en interveniënte in het hoofdgeding alsmede de Franse regering hebben betoogd. In dit verband preciseert het ministerieel besluit van 18 september 1985(6), dat door ANPER-TOS aan het Hof is overgelegd en dat betrekking heeft op de economische levensvatbaarheid van landbouwexploitaties, waarbij deze recht op diverse financiële en sociale voordelen wordt gegeven, dat de minimale oppervlakte voor installaties voor niet-grondgebonden kwekerijen 200 000 levend verkochte kwartels en 120 000 dood verkochte kwartels is. Zoals de Franse regering ter terechtzitting heeft betoogd, bevat een dergelijk ministerieel besluit stellig geen nauwkeurige informatie over de al dan niet intensieve aard van bestaande kwekerijen. Mijns inziens kan die tekst echter een ernstige aanwijzing vormen dat intensieve kwekerijen van die vogels, zoals niet-grondgebonden kwekerijen, niet a priori zijn uitgesloten in Frankrijk en op zijn minst de door richtlijn 96/61 voorgeschreven drempel van 40 000 plaatsen kunnen overschrijden. Hetgeen voor kwartels geldt, kan evengoed gelden voor duiven, die in bedoeld besluit uitdrukkelijk zijn vermeld, of voor patrijzen.
30. Na hierop te hebben gewezen, moet worden ingegaan op het – niet-gedefinieerde – begrip „pluimvee” in de zin van richtlijn 96/61.
31. In dit verband is de vraag of een ruime uitlegging aan dit begrip moet worden gegeven, zoals verzoekster en interveniënte in het hoofdgeding alsmede de Commissie betogen, dan wel of dit begrip strikt moet worden uitgelegd, zoals de Franse regering stelt.
32. Om die vraag te beantwoorden moet eerst worden ingegaan op de algemene opzet en het doel van richtlijn 96/61, zoals dit uit de rechtspraak volgt.(7)
33. Wat het eerste van deze twee punten betreft, vormt het gebruik, in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61, van de algemene term „pluimvee”, die in zijn algemene betekenis doelt op het geheel van de vogels die voor hun eieren of hun vlees worden gehouden(8), een tegenstelling met de nauwkeurigheid van punt 6.6, sub b en c, dat betrekking heeft op „mestvarkens (van meer dan 30 kg)” (sub b) en „zeugen” (sub c). Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, wordt met het gebruik, in punt 6.6, sub a, van een zo algemeen begrip als „pluimvee” beoogd de onvolkomenheden van een opsomming van de vogelsoorten die onder richtlijn 96/61 kunnen vallen, te voorkomen, nu een dergelijke opsomming immers vaak, zoniet altijd, onvolledig is.
34. Het onderzoek van het doel van richtlijn 96/61 noopt mijns inziens ook tot een ruime uitlegging van het begrip pluimvee. In dit verband zij eraan herinnerd dat die richtlijn beoogt een algemeen kader voor geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging in de lucht, het water of de bodem tot stand te brengen, teneinde te voorkomen dat afzonderlijke initiatieven ertoe leiden dat verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere wordt overgeheveld.(9) Die geïntegreerde benadering wordt verwezenlijkt door een volledige coördinatie van de vergunningprocedure en ‑voorwaarden voor industriële installaties die een groot verontreinigingspotentieel hebben, die het mogelijk maakt het hoogste niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, waarbij die voorwaarden in ieder geval bepalingen bevatten betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel waarborgen.(10)
35. Richtlijn 96/61 heeft dus een ruim doel.
36. Mijns inziens zou aan dat doel afbreuk worden gedaan indien het begrip pluimvee strikt werd opgevat, zodat bepaalde categorieën industriële installaties, zoals intensieve kwartel‑, patrijzen‑ of duivenhouderijen, zouden ontsnappen aan de in richtlijn 96/61 bepaalde vergunningprocedure en ‑voorwaarden, ook al zouden die installaties de in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 vastgestelde drempel hebben overschreden en zouden zij dus de lucht, het water en/of de bodem aanzienlijk en onbeheerst kunnen verontreinigen.
37. Gelet op die opmerkingen hoeft mijns inziens geen uitspraak te worden gedaan over het debat dat de verwijzende rechter heeft ingeleid en dat ook de partijen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, verdeelt, over de relevantie van het begrip pluimvee in andere gemeenschapsinstrumenten ter zake van de gezondheid(11) en het milieu(12).
38. Mocht het Hof toch, in navolging van het standpunt van de Franse regering en de Commissie, oordelen dat richtlijn 85/337 relevant kan zijn voor de uitlegging van het begrip „pluimvee” in richtlijn 96/61, met name omdat die twee handelingen een gemeenschappelijk doel hebben(13), kan daar volgens mij niet worden uit geconcludeerd, zoals de Franse regering betoogt, dat richtlijn 96/61 slechts betrekking mag hebben op kuikens en hennen. Het is stellig juist dat punt 17, sub a, van bijlage I bij richtlijn 85/337 vereist dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn een voorafgaande beoordeling wordt verricht van projecten inzake installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 85 000 plaatsen voor kuikens of meer dan 60 000 plaatsen voor hennen. De werkingssfeer van richtlijn 85/337 beperkt zich echter niet tot die installaties, aangezien deze overeenkomstig punt 1, sub e, van bijlage II bij deze richtlijn ook betrekking heeft op projecten inzake „[i]ntensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen)”. Hoewel voor de in deze laatste bijlage vermelde projecten niet systematisch een voorafgaande beoordeling is vereist, overeenkomstig de regel van artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337, neemt dit niet weg dat alle installaties voor intensieve kwekerij, dus ook die welke niet in punt 17, sub a, van bijlage I bij richtlijn 85/337 genoemd pluimvee exploiteren, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Derhalve kan niet worden betoogd, met een beroep op de bepalingen van richtlijn 85/337, dat installaties voor intensieve kwartel‑, patrijzen‑ of duivenhouderij niet onder richtlijn 96/61 vallen.
39. Anders dan de Franse regering, ben ik overigens niet van mening dat lering kan worden getrokken uit het referentiedocument dat de Commissie in juli 2003 heeft gepubliceerd over de best beschikbare technieken voor intensieve pluimvee‑ en varkenshouderij (hierna: „BREF 2003-document”)(14) inzake de uitlegging die aan het begrip „pluimvee” in de zin van richtlijn 96/61 moet worden gegeven.
40. Stellig lijkt een dergelijk argument mij niet te kunnen worden afgewezen op de enkele grond dat BREF-documenten geen bindende rechtswaarde hebben, zoals de Commissie primair aanvoert.
41. Ook al hebben die documenten geen bindende waarde, heeft het Hof immers reeds in de beschikking Saetti en Frediani(15), die op basis van artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering is vastgesteld, verwezen naar onder meer de vermeldingen in een op basis van richtlijn 96/61 vastgesteld BREF-document over de omstandigheden van de productie en het gebruik van petroleumcokes in een petroleumraffinaderij, teneinde na te gaan of aan de hand van dergelijke omstandigheden de kwalificatie als „afvalstof” in de zin van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen(16), kon worden uitgesloten.
42. De door het Hof in de reeds aangehaalde beschikking Saetti en Frediani genoemde vermeldingen van het BREF-document maakten melding van de meest gangbare wijzen van gebruik van petroleumcokes en hadden dus, anders dan de onderhavige zaak, geen betrekking op een vraag inzake de uitlegging van een begrip van gemeenschapsrecht en inzake de afbakening van de werkingssfeer van richtlijn 96/61. Bovendien heeft het Hof deze vermeldingen overgenomen in het kader van het door de rechtspraak opgelegde vereiste dat de vraag of er werkelijk sprake is van een afvalstof moet worden nagegaan aan de hand van alle omstandigheden, rekening houdend met het doel van richtlijn 75/442 en zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid van deze laatste richtlijn.(17) Uit die beschikking volgt dat de vermeldingen in het BREF-document slechts een van de gegevens vormden die de verwijzende rechter in staat konden stellen de omstandigheden van de productie en het gebruik van petroleumcokes in een petroleumraffinaderij na te gaan.
43. Gelet op de context waarin het Hof naar een BREF-document heeft verwezen en gezien de aard van de informatie die het uit dat document heeft gehaald, lijkt de benadering in voormelde beschikking Saetti en Frediani dan ook moeilijk te kunnen worden toegepast op de situatie van de onderhavige zaak.
44. Het BREF 2003-document noemt weliswaar enkel de leghen, het vleeskuiken, de kalkoen, de eend en het parelhoen en behandelt slechts de eerste twee categorieën pluimvee in detail, maar het is duidelijk dat de betrokken opsomming enkel geldt „in dit document”(18) en dus geen afbreuk doet aan de uitlegging van het begrip „pluimvee” in de zin van richtlijn 96/61. Overigens staat, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in herinnering heeft gebracht, uitdrukkelijk in het document „IPPC BREF Outline and Guide”, dat zij in december 2005 heeft gepubliceerd(19), dat een BREF-document richtlijn 96/61 niet uitlegt. Daaraan moet worden toegevoegd dat indien het BREF 2003-document als uitleggingsregel voor die richtlijn zou worden aangemerkt, dit er bijvoorbeeld op zou neerkomen dat ganzen van de werkingssfeer van het begrip „pluimvee” in de zin van deze richtlijn worden uitgesloten, zelfs al zijn alle partijen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, het er – terecht – over eens dat deze dieren tot die algemene categorie behoren. Met andere woorden, de omstandigheid dat het BREF 2003-document alleen bepaalde categorieën pluimvee vermeldt en/of onderzoekt, betekent niet dat de draagwijdte van het begrip „pluimvee” in de zin van richtlijn 96/61 tot die categorieën is beperkt. Bovendien zou een beperkende uitlegging van het begrip pluimvee, waarbij dit begrip alleen de in het BREF 2003-document genoemde soorten betreft, afbreuk doen aan het doel van richtlijn 96/61, zoals ik in de onderhavige conclusie reeds heb benadrukt.
45. Tot slot ben ik van mening dat ook moet worden afgewezen de stelling van de Franse regering dat het op 21 december 2007 door de Commissie ingediende voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)(20), dat beoogt diverse gemeenschapsinstrumenten, waaronder richtlijn 96/61, in één enkel juridisch instrument te herschikken, een strikte opvatting van het begrip „pluimvee” in de zin van deze laatste richtlijn onderbouwt. Het volstaat immers vast te stellen dat, los van de inhoud van bedoeld voorstel, dit zeker niet de huidige stand van het gemeenschapsrecht vormt.(21)
46. Derhalve geef ik het Hof in overweging op het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag te antwoorden dat punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 aldus moet worden uitgelegd dat deze richtlijn ook betrekking heeft op kwartels, patrijzen en duiven.
47. Met het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter zoals gezegd te vernemen of punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 zich ertegen verzet dat een lidstaat een regeling invoert waarbij de drempels voor een voorafgaande vergunning voor installaties voor intensieve pluimveehouderij worden vastgesteld onder verwijzing naar het begrip dierequivalenten, berustend op een systeem waarbij dieren per plaats naar soort worden gewogen om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende soorten. In casu staat vast dat dit systeem als gevolg heeft dat voor installaties voor intensieve kwartelhouderij slechts een voorafgaande vergunning is vereist indien er meer dan 240 000 dieren zijn, terwijl voor installaties voor intensieve patrijs‑ of duivenhouderij slechts een vergunning is vereist wanneer zij de drempel van 120 000 vogels overschrijden.
48. Zoals reeds is uiteengezet, volgt uit punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 dat voor installaties voor intensieve pluimveehouderij een voorafgaande vergunning is vereist wanneer zij „meer dan 40 000 plaatsen” tellen, ongeacht de betrokken pluimveesoort.
49. Hoewel richtlijn 96/61 het begrip „emplacements” [gebruikt in de Franse versie] niet definieert, kan dit mijns inziens niet verschillen van de betekenis die daar gewoonlijk aan wordt gegeven, namelijk een plaats of een ruimte die door een persoon of een zaak wordt ingenomen.(22) Die beoordeling lijkt te worden bevestigd door de vergelijking van de diverse taalversies van punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61, die voor het merendeel de term „plaatsen” gebruiken.(23) Aangezien een plaats over het algemeen slechts door één wezen kan worden ingenomen, namelijk in casu door één dier, lijkt het logisch te stellen dat het begrip installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan „40 000 plaatsen” in werkelijkheid betrekking heeft op installaties waarvan de kwekerij‑ of productiecapaciteit 40 000 pluimveedieren te boven gaat, ongeacht de betrokken pluimveesoort. Punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 maakt overigens geen onderscheid tussen de vogels die onder het begrip pluimvee in de zin van deze richtlijn vallen.
50. Die uitlegging vloeit mijns inziens ook voort uit de opzet van richtlijn 96/61. In de eerste plaats kan de drempel van 40 000 plaatsen, die met name moet gelden voor nieuwe installaties voor intensieve pluimveehouderij met dat aantal plaatsen immers niet afhangen van de daadwerkelijke bezetting van deze installaties, die overigens met de seizoenen kan variëren, maar heeft deze eerder betrekking op een kwekerij‑ of productiecapaciteit. In de tweede plaats verwijzen de overige bepalingen van punt 6 van bijlage I bij richtlijn 96/61 uitdrukkelijk naar ofwel productiecapaciteiten, ofwel verwerkings‑ of verbruikscapaciteiten.
51. Dit betekent uiteraard niet dat de afmeting van elke plaats dezelfde is voor ganzen, eenden en kwartels. Wanneer echter, nadat de grootte van een plaats per soort is bepaald – voor welke taak de lidstaten zeer goed bevoegd kunnen zijn –, een installatie over meer dan 40 000 pluimveeplaatsen beschikt, is voor de activiteit daarvan noodzakelijkerwijs een voorafgaande vergunning als bedoeld in richtlijn 96/61 vereist.
52. Ik ben derhalve van mening dat een systeem als dat van decreet nr. 2005-989, dat als gevolg heeft dat een voorafgaande vergunning als bedoeld in richtlijn 96/61 alleen is vereist voor installaties voor intensieve kwartel‑, duiven‑ of patrijzenhouderij die respectievelijk 240 000 kwartels of 120 000 patrijzen of duiven te boven gaan, in strijd is met punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61.
53. Aan die beoordeling wordt mijns inziens niet afgedaan door het algemene argument van de verwijzende rechter en de Franse regering dat de in decreet nr. 2005-989 voorziene weging van de pluimveesoorten is ingegeven door de wens om met de werkelijke hoeveelheid stikstofemissies van deze verschillende soorten rekening te houden en dus beantwoordt aan het doel van richtlijn 96/61.
54. In dit verband heeft de Franse regering de door ANPER-TOS aan het Hof voorgelegde referentienormen, die komen uit de bijlagen bij de circulaire van het Ministère de l’Écologie, du Développement et de l’Aménagement durables van 7 september 2007 inzake de ingedeelde installaties (kwekerijen, pluimvee) – gebruik van nieuwe emissiereferenties.(24) Uit die informatie blijkt dat de verhouding tussen de stikstofemissies van een kwartel, een duif of een patrijs en die van een standaardkuiken kennelijk niet overeenstemt met de weging tussen diezelfde pluimveesoorten waarin het systeem van dierequivalenten van decreet nr. 2005-989 voorziet. Terwijl dit laatste decreet bepaalt dat een standaardkuiken gelijkstaat met acht kwartels, vier duiven of vier patrijzen, blijkt uit de bij de circulaire gevoegde referentienormen dat het stikstofgehalte van de uitwerpselen van een kwartel de helft is van dat van een standaardkuiken; dit gehalte is iets hoger voor patrijzen en een duif produceert vijf keer meer stikstof.(25) Uit het onderzoek van die officiële gegevens kan, indien enkel rekening wordt gehouden met het door de verwijzende rechter en de Franse regering aangevoerde stikstofgehalte, worden afgeleid, zoals verzoeksters en interveniënte in het hoofdgeding hebben uiteengezet, dat decreet nr. 2005-989 als gevolg heeft dat geen voorafgaande vergunning als bedoeld in richtlijn 96/61 is vereist voor Franse installaties voor intensieve kwekerij van 40 001 tot en met 240 000 kwartels of van 40 001 tot en met 120 000 duiven of patrijzen, niettegenstaande het feit dat deze installaties meer stikstof kunnen produceren dan installaties voor intensieve kwekerij van 40 000 standaardkuikens.(26)
55. De Franse regering heeft dus niet uiteengezet hoe de door decreet nr. 2005-989 vastgestelde drempels voor installaties voor intensieve kwartel‑, patrijzen‑ of duivenhouderij beantwoordden aan het doel van richtlijn 96/61, een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te waarborgen.
56. Voor alle duidelijkheid voeg ik hieraan toe dat die beoordeling niet betekent – in tegenstelling tot de conclusie die de Commissie aanvankelijk in haar schriftelijke opmerkingen had voorgesteld en die ter terechtzitting verstandig is genuanceerd – dat een systeem van dierequivalenten als dat van decreet nr. 2005-989 op zich in strijd is met richtlijn 96/61. Deze laatste richtlijn verzet zich er immers niet tegen dat een lidstaat een dergelijk systeem invoert wanneer het, zoals voor talrijke soorten pluimvee bedoeld in decreet nr. 2005-989 het geval is, als gevolg heeft dat drempels voor een voorafgaande vergunning voor de betrokken installaties voor intensieve kwekerij worden vastgesteld die lager zijn dan of gelijk zijn aan de drempel van punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61.
57. Mijns inziens dient bijgevolg op het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 zich verzet tegen een nationale regeling die als gevolg heeft dat de vergunningdrempels worden berekend aan de hand van een systeem van dierequivalenten dat het aantal dieren per plaats naar soort weegt om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende soorten, wanneer een dergelijk systeem ertoe leidt dat installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen worden uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 96/61, met name van het door deze richtlijn gestelde vereiste van een voorafgaande vergunning, zonder dat dit systeem in werkelijkheid lijkt te beantwoorden aan het door de nationale regeling gestelde – met dat van richtlijn 96/61 overeenstemmende – doel, een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te waarborgen.
VI – Conclusie
58. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Conseil d’État als volgt te beantwoorden:
„Punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, dat installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen betreft, moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op kwartels, patrijzen en duiven, en dat het zich verzet tegen een nationale regeling die als gevolg heeft dat de vergunningdrempels worden berekend aan de hand van een systeem van dierequivalenten dat het aantal dieren per plaats naar soort weegt om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende soorten, wanneer een dergelijk systeem ertoe leidt dat installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen worden uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 96/61, met name van het door deze richtlijn gestelde vereiste van een voorafgaande vergunning, zonder dat dit systeem in werkelijkheid lijkt te beantwoorden aan het door de nationale regeling gestelde – met dat van richtlijn 96/61 overeenstemmende – doel, een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te waarborgen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 257, punt 26.
3 – JORF van 13 augustus 2005, blz. 13195.
4 – Derhalve bepaalt richtlijn 96/61 een vaste drempel van 40 000 pluimveeplaatsen vanaf welke voor een installatie voor intensieve kwekerij een voorafgaande vergunning is vereist, terwijl onder de regeling van decreet nr. 2005-989 daarentegen de vergunningdrempel van 30 000 dierequivalenten varieert naargelang de betrokken soort.
5 – Zie met name arrest van 18 december 2007, Laval un Partneri (C‑341/05, Jurispr. blz. I‑11767, punten 45 en 47).
6 – Arrêté du ministère de l’Agriculture fixant les coefficients d’équivalence pour les productions hors sol (Besluit van het ministerie van landbouw tot vaststelling van de gelijkwaardigheidscoëfficiënten voor niet-grondgebonden productie; JORF van 8 oktober 1985, blz. 11683).
7 – Zie in dit verband met name arrest van 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a. (C‑72/95, Jurispr. blz. I‑5403, punt 38), inzake de uitlegging van een niet in richtlijn 85/337 gedefinieerde uitdrukking.
8 – Volgens de definitie die in het Franse woordenboek Le Grand Robert de la langue française, Dictionnaires Le Robert, Parijs, 2005, van dat begrip wordt gegeven.
9 – Zie punten 7 en 8 van de considerans en artikel 1 van richtlijn 96/61.
10 – Zie punten 14, 17 en 27 van de considerans en artikel 9 van richtlijn 96/61.
11 – Zoals richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PB L 303, blz. 6), die kwartels, patrijzen en duiven in haar werkingssfeer opneemt, of richtlijn 71/118/EEG van de Raad van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PB L 55, blz. 23), die vlees van dat pluimvee van haar werkingssfeer uitsluit.
12 – Zoals richtlijn 85/337.
13 – Een dergelijke benadering lijkt te volgen uit het arrest van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C‑127/02, Jurispr. blz. I‑7405, punt 26), waarin het Hof de relevantie van het begrip „project”, zoals dit wordt gedefinieerd in richtlijn 85/337, heeft erkend met het oog op de verduidelijking van het begrip „plan” of „project” in de zin van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7), aangezien deze laatste richtlijn, „evenals richtlijn 85/337 tot doel heeft, te voorkomen dat voor activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor het milieu, toestemming wordt verleend zonder een voorafgaande beoordeling van hun milieueffecten”. De relevantie van richtlijn 85/337 voor de uitlegging van de in richtlijn 96/61 bedoelde begrippen lijkt ook te worden versterkt door de wederzijdse verwijzingen in deze twee handelingen. In het bijzonder preciseert richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB L 73, blz. 5), in artikel 2.a dat de lidstaten kunnen voorzien in een enkelvoudige procedure om te voldoen aan de voorschriften van beide richtlijnen.
14 – Het volledige BREF-document, getiteld „Integrated Pollution and Control (IPPC) – Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Poultry and Pigs”, is beschikbaar op het internet op het adres .
15 – Beschikking van 15 januari 2004 (C‑235/02, Jurispr. blz. I‑1005, punten 41‑44).
16 – PB L 194, blz. 39.
17 – Beschikking Saetti en Frediani, reeds aangehaald (punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 – Zie bladzijde i) van de samenvatting van het BREF-document, door ANPER-TOS aan het Hof overgelegd.
19 – Dit document kan worden geconsulteerd op het internet op het adres .
20 – COM(2007) 844 def.
21 – Bovendien is dit voorstel thans het voorwerp van een eerste lezing voor het Europees Parlement, waarvan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid een voorstel tot wijzigingen heeft ingediend dat met name betrekking heeft op punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 [zie ontwerpverslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van het Europees Parlement, 2007/0286 (COD) van 2 juli 2008, blz. 39 en 40].
22 – Zie bijvoorbeeld de definitie in het Franse Le Grand Robert de la langue française, op. cit.
23 – Dit is onder meer het geval in de versies van deze tekst in het Deens („pladser”), het Duits („Plätzen”), het Engels („places”), het Italiaans („posti”), het Nederlands („plaatsen”), het Fins („paikkaa”) en het Zweeds („platser”). De Spaanse versie gebruikt het begrip „emplazamientos” en de Portugese taalversie bevat geen precisering.
24 – Bulletin officiel du ministère de l’Écologie, du Développement et de l’Aménagement durables van 30 oktober 2007, MEDAD 2007/20, tekst 15, blz. 1. Die circulaire is weliswaar enkele maanden na de instelling van de beroepen tot nietigverklaring bij de Conseil d’État in de onderhavige zaak vastgesteld, maar zij berust op gegevens uit werkzaamheden die in 2006 zijn verricht door de groep „Volailles [Pluimvee]” van het Comité d’orientation pour les pratiques agricoles respectueuses de l’environnement (Corpen, stuurgroep goede milieupraktijken in de landbouw), geplaatst onder de Franse minsteries van landbouw en visvangst en van ecologie en duurzame ontwikkeling, zoals in die circulaire wordt uiteengezet en blijkt uit de door ANPER-TOS aan het Hof overgelegde stukken.
25 – Zie de gegevens van tabel A, getiteld „Quantités d’éléments maîtrisables produits, après déduction des pertes en bâtiment et au stockage (en g par animal sauf Cu et Zn en mg)” [„Hoeveelheden geproduceerde beheersbare elementen, na aftrek van de verliezen bij de bouw en bij de opslag (in g per dier behoudens Cu en Zn in mg)”], gevoegd bij bedoelde circulaire.
26 – Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat verzoeksters en interveniënte in het hoofdgeding in hun schriftelijke opmerkingen bij het Hof ook melding hebben gemaakt van emissies van fosfor, koper en zink, welke stof en metalen ook zijn opgenomen in de door Corpen opgestelde tabellen die bij voormelde ministeriële circulaire zijn gevoegd. Volgens de gegevens in die tabellen is het fosfor‑, koper‑ en zinkgehalte van de uitwerpselen van 240 000 kwartels, 120 000 patrijzen of 120 000 duiven hoger, en soms zelfs aanzienlijk hoger, dan dat van de uitwerpselen van 40 000 standaardkuikens.
Full & Egal Universal Law Academy