CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 12 februari 2009 (1)
Zaak C‑505/07
Compañía Española de Comercialización de Aceite SA
[verzoek van het Tribunal Supremo (Spanje) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten – Olijfolie – Artikel 12 bis van verordening nr. 136/66/EEG – Particuliere opslag – Erkende organismen – Erkende producentengroeperingen en unies daarvan – Gemeenschappelijke onderneming met als doel handhaving van een bepaald minimum prijsniveau – Toepasselijkheid van mededingingsregels op de landbouw – Artikel 2 van verordening (EEG) nr. 26”
I – Inleiding
1. Hoe ver reiken de bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten op het gebied van de landbouw? Deze vraag staat in de onderhavige zaak in het middelpunt en zal het Hof in staat stellen zijn rechtspraak in het arrest Milk Marque(2) te verduidelijken.
2. De gemeenschappelijke onderneming Compañía Española de Comercialización de Aceite SA (Cecasa), die een groot deel van de olijfolieproductie in Spanje vertegenwoordigt, is door de Spaanse mededingingsautoriteit verboden om door middel van steunaankopen en ‑verkopen gericht in de markt in te grijpen om de marktprijs van olijfolie te beïnvloeden. Dit verbod stoelt op de algemene regels van het Spaanse mededingingsrecht. In dit verband rijst echter de vraag of de toepassing van deze mededingingsregels niet wordt uitgesloten of althans beperkt door bepaalde bijzondere regels voor de landbouw.
3. Het Spaanse Tribunal Supremo, waar het geding aanhangig is, heeft in totaal vijf prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd om duidelijkheid te krijgen of het landbouwrecht in een geval als het onderhavige tot gevolg heeft dat algemene mededingingsrechtelijke beginselen buiten toepassing moeten blijven.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
4. Het gemeenschapsrechtelijke kader van deze zaak wordt gevormd door enerzijds de bepalingen inzake de toepasselijkheid van de mededingingsregels in de landbouw en anderzijds een aantal bepalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die voor de sector olijfolie relevant zijn.
1. Toepasselijkheid van de mededingingsregels op het gebied van de landbouw
5. Voor de verhouding tussen de mededingingsregels van het EG-Verdrag en het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn de artikelen 32, lid 2, EG-Verdrag en 36, lid 1, EG-Verdrag (voorheen artikelen 38, lid 2, EEG-Verdrag en 42 EEG-Verdrag) van fundamenteel belang. Artikel 32, lid 2, EG-Verdrag bepaalt:
„Voor zover in de artikelen 33 tot en met 38 niet anders is bepaald, zijn de regels voor de instelling van de gemeenschappelijke markt van toepassing op de landbouwproducten.”
6. Artikel 36, lid 1, EG-Verdrag bepaalt bovendien:
„De bepalingen van het hoofdstuk over regels betreffende de mededinging zijn op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten slechts in zoverre van toepassing, als door de Raad met inachtneming van de in artikel 33 vermelde doeleinden zal worden bepaald binnen het raam van de bepalingen en overeenkomstig de procedure van artikel 37, leden 2 en 3.”
7. Op basis van laatstgenoemde bepaling stelde de Raad verordening nr. 26(3) vast, waarvan de eerste overweging van de considerans de volgende fundamentele vaststelling bevat:
„Overwegende dat uit artikel [36] van het Verdrag voortvloeit, dat de toepassing van de bij het Verdrag voorgeschreven regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten een der bestanddelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vormt [...]”.
8. Artikel 1 van verordening nr. 26 bepaalt het volgende:
„Met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening gelden de artikelen [81] tot en met [86] van het Verdrag, evenals de voor hun toepassing uitgevaardigde bepalingen, voor alle in artikel [81], lid 1, en in artikel [82] van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die betrekking hebben op de voortbrenging van of de handel in de in bijlage [I] van het Verdrag vermelde producten, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 2.”
Tot de in bijlage I van het EG-Verdrag (vroeger bijlage II van het EEG-Verdrag) vermelde landbouwproducten behoort ook olijfolie.(4)
9. Artikel 2 van verordening nr. 26 vult het eerste artikel als volgt aan:
„(1) Artikel [81], lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op de in het voorgaande artikel bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel [33] van het Verdrag omschreven doelstellingen. Het is in het bijzonder niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen binnen één lidstaat, voor zover deze, zonder de verplichting in te houden een bepaalde prijs toe te passen, betrekking hebben op de voortbrenging of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de Commissie vaststelt dat de mededinging zodoende wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar worden gebracht.
(2) Onder voorbehoud van het toezicht van het Hof van Justitie is uitsluitend de Commissie bevoegd om, na de lidstaten te hebben geraadpleegd en de belanghebbende ondernemingen of ondernemersverenigingen, alsmede elke andere natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij het noodzakelijk acht de mening in te winnen, te hebben gehoord, in een te publiceren beschikking vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldoen.
(3) De Commissie gaat over tot deze vaststelling, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat of van een belanghebbende onderneming of ondernemersvereniging.
[...]”
10. Verordening nr. 26 is per 24 augustus 2006 ingetrokken en in eerste instantie vervangen door de inhoudelijk identieke verordening nr. 1184/2006.(5) Per 1 juli 2008 werd onder meer olijfolie uitgesloten van het materiële toepassingsgebied van verordening nr. 1184/2006. Voor dit product geldt thans de regeling van de artikelen 175 en 176 juncto artikel 1, lid 1, sub g, van verordening nr. 1234/2007(6), die inhoudelijk wederom overeenstemt met de hieraan voorafgaande regelingen. Aangezien de in het hoofdgeding litigieuze handeling van de Spaanse autoriteiten echter is vastgesteld vóór al deze wijzigingen, is verordening nr. 26 in casu relevant.
2. Landbouwbepalingen voor de sector olijfolie
a) De gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten
11. In verordening nr. 136/66 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten(7) werd per 1 november 1998(8) het volgende artikel 12 bis opgenomen:
„Bij ernstige verstoring van de markt in bepaalde regio’s van de Gemeenschap kan, om de markt te regulariseren [...] worden besloten organismen die voldoende garanties bieden, en door de lidstaten erkend worden, te machtigen opslagcontracten te sluiten voor de olijfolie die zij in de handel brengen. Bij de aanwijzing van deze organismen wordt voorrang gegeven aan erkende producentengroeperingen of unies van producentengroeperingen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 952/97 [...].
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen, onder andere, worden getroffen wanneer de gedurende een representatieve periode op de markt geconstateerde gemiddelde prijs lager ligt dan 95 % van de in het verkoopseizoen 1997/1998 toepasselijke interventieprijs.
Het bedrag van de voor de verwezenlijking van de contracten toegekende steun, alsmede de toepassingsbepalingen van het onderhavige artikel, met name de hoeveelheden, de kwaliteit en de opslagduur van de betrokken oliën worden, volgens de procedure van artikel 38, zodanig vastgesteld dat het effect op de markt significant is. De steun kan via aanbesteding worden toegekend.”
12. Deze bepaling wordt in de twaalfde overweging van de considerans van verordening nr. 1638/98 toegelicht:
„Overwegende dat er, om de beoogde regulering van het aanbod aan olijfolie in geval van ernstige verstoring van de markt te bereiken, een regeling van steun voor contracten voor particuliere opslag nodig is en dat met betrekking tot die contracten prioriteit moet worden gegeven aan de producentengroeperingen of unies van producentengroeperingen in de zin van verordening (EG) nr. 952/97 [...];”
13. Relevant is in dit opzicht ook de elfde overweging van de considerans van verordening nr. 1638/98:
„Overwegende dat de regeling inzake de interventieaankopen een aansporing tot produceren vormt die de markt dreigt te destabiliseren; dat de interventieaankopen derhalve moeten worden afgeschaft en de verwijzingen naar de interventieprijs moeten worden geschrapt of vervangen.”
14. Verordening nr. 136/66 is inmiddels ingetrokken. In eerste instantie werd zij vanaf het verkoopseizoen 2005/2006 vervangen door verordening nr. 865/2004(9) houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor olijfolie en tafelolijven, en vervolgens per 1 juli 2008 door verordening nr. 1234/2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten.(10) De artikelen 31 en 33 van laatstgenoemde verordening bevatten eveneens een regeling inzake de facultatieve steun voor de particuliere opslag van olijfolie. Aangezien de in het hoofdgeding litigieuze handeling van de Spaanse autoriteiten echter vóór deze wijzigingen is vastgesteld, dient in casu te worden uitgegaan van verordening nr. 136/66.
b) De bepalingen inzake producentengroeperingen
15. Verordening (EG) nr. 952/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen(11), die per 3 juli 1999 werd ingetrokken zonder te worden vervangen(12), strekte overeenkomstig artikel 1 ervan tot aanmoediging van de oprichting van producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen in bepaalde regio’s van de Gemeenschap, waartoe volgens artikel 2 van die verordening ook Spanje behoorde.
16. Artikel 5 van verordening nr. 952/97 bevat de volgende definities:
„1. Producentengroeperingen:
a) worden opgericht met het doel de productie en het aanbod van de producenten die lid van deze groeperingen zijn, gemeenschappelijk aan de eisen van de markt aan te passen;
b) zijn samengesteld uit:
– afzonderlijke producenten, dan wel
– afzonderlijke producenten en organisaties voor de productie of valorisatie van landbouwproducten waartoe uitsluitend landbouwproducenten behoren.
Als ‚producent’ worden aangemerkt, alle personen die een op het grondgebied van de Gemeenschap gelegen landbouwbedrijf exploiteren en:
– die producten van bodem en veeteelt als bedoeld in artikel 3 voortbrengen; of
– die, als producent van basisproducten, verwerkte producten als bedoeld in artikel 3 vervaardigen.
2. De lidstaten kunnen, wanneer hun nationale voorschriften hierin voorzien, producentengroeperingen erkennen waarvan ook andere dan de in lid 1 bedoelde personen deel uitmaken. In dat geval moeten de statuten van deze groeperingen waarborgen dat de in lid 1 bedoelde leden de controle behouden over de groeperingen en over de besluiten ervan.
3. De unies zijn samengesteld uit erkende producentengroeperingen en streven op grotere schaal dezelfde doeleinden na als deze groeperingen.”
17. Artikel 6 van verordening nr. 952/97 stelt algemene voorwaarden vast waaraan de producentenorganisatie of unie moeten voldoen. Zo bepaalt lid 1, sub b, van die bepaling in het bijzonder het volgende:
„b) ten aanzien van de in artikel 5, lid 1, bedoelde personen moet [elke producentengroepering of unie] vaststellen en toepassen:
– gemeenschappelijke regels voor de productie, met name op het stuk van de kwaliteit van de producten of de toepassing van biologische productiemethoden,
– gemeenschappelijke regels voor de afzet op de markt,
– regels voor de mededeling van gegevens over de productie, met name inzake de geoogste en de beschikbare hoeveelheden.”
18. Artikel 7 van die verordening bepaalt dat de lidstaten uiterlijk drie maanden na indiening van de aanvraag een besluit nemen over het verlenen van de erkenning en de Commissie binnen een termijn van twee maanden van dit besluit in kennis dienen te stellen.
19. Volledigheidshalve wijs ik in deze context tevens op verordening (EG) nr. 2768/98 van de Commissie van 21 december 1998 inzake de steunregeling voor de particuliere opslag van olijfolie(13), waarvan artikel 1, lid 1, bepaalt:
„De bevoegde instanties van de producerende lidstaten sluiten contracten voor de particuliere opslag van onverpakte olijfolie verkregen bij de eerste persing op de bij deze verordening vastgestelde voorwaarden.”
20. Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2768/98 kan de Commissie inschrijvingen van beperkte duur en deelinschrijvingen openen om de steunbedragen te bepalen die voor de uitvoering van contracten voor particuliere opslag worden toegekend. Te dien aanzien bepaalt artikel 3, lid 1, van die verordening het volgende:
„1. De marktdeelnemers die daartoe door de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat zijn erkend, kunnen voor de deelinschrijvingen offertes indienen. Deze erkende marktdeelnemers kunnen zijn:
a) een erkende producentengroepering of unie van producentengroeperingen in de zin van verordening (EG) nr. 952/97, of
b) een erkende producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties in de zin van artikel 20 quater van verordening nr. 136/66/EEG, of
c) een oliefabriek die sinds meer dan twee verkoopseizoenen is erkend [...], of
d) een verpakkingsbedrijf [...].”
B – Spaans recht
21. Voor het Spaanse recht is Ley n° 16/1989 de Defensa de la Competencia (wet ter bescherming van de mededinging; hierna: „wet nr. 16/1989”)(14) van 17 juli 1989 relevant. Artikel 1, lid 1, van deze wet sluit met zijn definitie van „verboden gedragingen” nauw aan bij artikel 81, lid 1, EG(15) en luidt als volgt:
„1. Verboden zijn alle overeenkomsten, besluiten, collectieve aanbevelingen en onderling afgestemde of opzettelijk gecoördineerde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken, ten gevolge hebben of kunnen hebben dat de mededinging op de gehele of een deel van de nationale markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, met name die welke bestaan in:
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen of van andere commerciële voorwaarden of voorwaarden voor het verrichten van diensten;
b) het beperken of controleren van de productie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;
c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.
[...]”
22. Artikel 3 van wet nr. 16/1989, „Machtigingsvoorwaarden”(16), bepaalt voorts:
„1. De in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten, aanbevelingen en gedragingen of categorieën hiervan die bijdragen tot verbetering van de productie of van de verdeling van goederen en diensten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, kunnen worden toegestaan mits:
a) een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de consumenten of de gebruikers ten goede komt;
b) zij de betrokken ondernemingen geen beperkingen opleggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, of/en;
c) zij de betrokken ondernemingen niet de mogelijkheid geven voor een wezenlijk deel van de betrokken goederen en diensten de mededinging uit te schakelen.
2. Voorts kunnen, voor zover dit door de algemene economische situatie en het openbare belang gerechtvaardigd wordt, de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten, aanbevelingen en gedragingen of categorieën hiervan worden toegestaan, die:
a) tot doel hebben de uitvoer te beschermen of te bevorderen, mits zij geen afbreuk doen aan de mededinging binnen de nationale markt en verenigbaar zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit de door Spanje geratificeerde internationale verdragen, of
b) in voldoende mate bijdragen tot de verhoging van het sociale en economische niveau van minder ontwikkelde regio’s en sectoren, of
c) vanuit een oogpunt van mededinging van duidelijk ondergeschikte betekenis zijn.”
III – Feiten en hoofdgeding
23. Cecasa is een naamloze vennootschap naar Spaans recht, waarvan de aandeelhouders voor 68 % bestaan uit olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties van olijventelers en voor 32 % kredietinstellingen en andere entiteiten. De in de vennootschap deelnemende olijfolieproducenten vertegenwoordigen tussen de 50 en 60 % van de nationale olijfolieproductie. Het vennootschappelijke doel van Cecasa bestaat in de afzet van olijfolie, en de onderneming wil volgens de verwijzingsbeschikking haar activiteiten zowel op de Spaanse als op de communautaire en de wereldmarkt voor olijfolie uitoefenen
24. Om „ernstige verstoringen van de markt”, in het bijzonder sterke prijsdalingen voor olijfolie, te voorkomen, is Cecasa voornemens olijfolie aan te kopen en op te slaan zodra de prijs onder een bepaald niveau – ongeveer 95 % van de vroeger geldende communautaire interventieprijs – zakt. Bij een stijging van de prijzen zou de olijfolie dan weer op de markt worden gebracht.
25. Teneinde dit voornemen te kunnen verwezenlijken, diende Cecasa op 5 april 2001 een aanvraag in voor een individuele machtiging in de zin van artikel 3 van wet nr. 16/1989.(17) Deze aanvraag werd door het Tribunal de Defensa de la Competencia(18) bij besluit van 5 maart 2002 afgewezen. Volgens de mededingingsautoriteit was het voornemen van Cecasa in strijd met de mededinging, want neerkomend op een overeenkomst tussen concurrenten die – net als een kartel – tot doel heeft de marktprijzen te beïnvloeden en prijsdalingen bij productieoverschotten te voorkomen. Er was niet voldaan aan de voorwaarden voor een vrijstelling in de zin van artikel 3 van wet nr. 16/1989; in het bijzonder de gestelde voordelen voor de consument waren niet aangetoond.
26. Tegen dit besluit van het Tribunal de Defensa de la Competencia heeft Cecasa een bestuursrechtelijk beroep ingesteld bij de Audiencia Nacional (afdeling bestuursrechtelijke geschillen)(19), dat bij vonnis van 22 juli 2006 is afgewezen. De Audiencia Nacional verduidelijkte evenwel dat de afwijzing van de aanvraag van de individuele machtiging geen verbod van de in beroep gekomen vennootschap als zodanig inhield, voor zover zij zich aan andere activiteiten wijdde dan die waarvoor zij de machtiging had aangevraagd en die activiteiten rechtmatig waren.
27. Naar aanleiding van het door Cecasa ingestelde beroep in cassatie is de zaak thans aanhangig bij de hoogste rechterlijke instantie van Spanje, het Tribunal Supremo (afdeling bestuursrechtelijke geschillen).
IV – Prejudiciële verwijzing en procedure voor het Hof
28. Bij beslissing van 22 oktober 2007, ingeschreven ter griffie van het Hof op 19 november 2007, heeft het Tribunal Supremo (hierna ook: „verwijzende rechter”) de procedure geschorst en de volgende prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof:
„1) Kan ingevolge artikel 12 bis van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98, een naamloze vennootschap die hoofdzakelijk bestaat uit producenten, oliefabrieken en coöperaties van olijventelers, alsmede uit financiële instellingen, gerekend worden tot de ‚organismen’ die contracten mogen sluiten voor de opslag van olijfolie? Is een vennootschap met deze kenmerken gelijk te stellen aan de erkende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen in de zin van verordening (EG) nr. 952/97?
2) Ingeval de vennootschap gerangschikt kan worden onder de ‚organismen’ die opslagactiviteiten kunnen ontplooien, kan de in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 voorgeschreven ‚erkenning door de staat’ van deze organismen dan worden verleend in het kader van een individuele ontheffing (‚machtiging’) aangevraagd bij de nationale mededingingsautoriteiten?
3) Schrijft artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 dwingend voor dat de Commissie in elk individueel geval machtiging moet verlenen voor de particuliere opslag van olijfolie of is met dit artikel verenigbaar een door producenten onderling overeengekomen systeem van aankoop en opslag van olijfolie, dat particulier gefinancierd wordt, uitsluitend in werking treedt onder de voorwaarden waaronder ook de met financiële steun van de Gemeenschap gefinancierde particuliere opslag plaatsvindt, en tot doel heeft de met gemeenschapssteun gefinancierde opslag aan te vullen en te stroomlijnen zonder de daarvoor geldende grenzen te overschrijden?
4) Kan de in het arrest van 9 september 2003 (zaak C‑137/00, Milk Marque) door het Hof van Justitie gevestigde rechtspraak betreffende de toepassing van de nationale mededingingsregels door de mededingingsautoriteiten van de lidstaten op overeenkomsten tussen producenten die in beginsel onder artikel 2 van verordening nr. 26 van de Raad inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten kunnen vallen, eveneens worden toegepast op overeenkomsten die, gezien hun kenmerken en de kenmerken van de betrokken sector, de gemeenschappelijke olijfoliemarkt in haar geheel kunnen beïnvloeden?
5) Indien de nationale mededingingsautoriteiten bevoegd zijn de nationale regels toe te passen op de bedoelde overeenkomsten die de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten kunnen beïnvloeden, kunnen die autoriteiten een vennootschap als de onderhavige dan volkomen verbieden om gebruik te maken van mechanismen voor de opslag van olijfolie, zelfs in gevallen van ‚ernstige verstoring van de markt’ als bedoeld in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66?”
29. Tijdens de procedure voor het Hof hebben Cecasa, de Asociación española de la industria y comercio exportador de aceite de oliva (Asoliva), de Asociación nacional de industriales envasadores y refinadores de aceites comestibles (Anierac) en de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend. Aan de terechtzitting op 17 december 2008 is uitsluitend deelgenomen door Cecasa en de Commissie.
V – Beoordeling
A – Ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing
1. Het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag
30. In het tweede deel van de eerste vraag verwijst het Tribunal Supremo naar verordening nr. 952/97, die niet meer van kracht was op het tijdstip waarop het in het hoofdgeding litigieuze besluit werd vastgesteld. Om precies te zijn was deze verordening reeds ingetrokken toen de feiten van het hoofdgeding zich voordeden. Dit doet de vraag rijzen of het tweede deel van de eerste vraag in casu relevant kan zijn.
31. In dit verband zij eraan herinnerd dat het uitsluitend aan de nationale rechter staat de noodzaak van de door hem gestelde prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke of juridische gegevens die het nodig heeft om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen(20). Dit is in casu niet het geval.
32. Verordening nr. 952/97 is na de intrekking ervan niet vervangen. De communautaire wetgever was van mening dat specifieke steunverlening aan producentengroeperingen in het kader van de plattelandsontwikkeling niet langer nodig was en besloot derhalve uitdrukkelijk de steunregeling van verordening nr. 952/97 niet te handhaven.(21)
33. Desondanks heeft verordening nr. 952/97 niet iedere praktische relevantie verloren. Zo wordt in een aantal latere handelingen van de communautaire instellingen expliciet naar deze verordening verwezen.(22) Bovendien worden de begrippen „erkende producentengroeperingen” en „unies van producentengroeperingen” nog steeds gebruikt, zij het zonder uitdrukkelijke verwijzing naar verordening nr. 952/97.(23) Dit betekent dat niet bij voorbaat en louter op grond van het feit dat de verordening niet meer van kracht is, kan worden gesteld dat de uitlegging ervan niet relevant is.
34. In casu komt hier nog bij dat erkende producentengroeperingen en de unies ervan in het kader van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 een rol spelen. De uitlegging van deze bepaling, die wel naar tijd van toepassing is op het hoofdgeding, vormt de kern van de onderhavige prejudiciële verwijzing.(24) Bij de vaststelling ervan heeft de communautaire wetgever uitdrukkelijk naar verordening nr. 952/97 verwezen.(25)
35. Tegen deze achtergrond lijkt het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag, waarmee om uitlegging van verordening nr. 952/97 wordt verzocht, althans niet kennelijk irrelevant voor het wijzen van het vonnis in het hoofdgeding. In een dergelijk geval is het Hof gehouden, de hem gestelde vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht te beantwoorden.
2. De prejudiciële vragen over artikel 12 bis van verordening nr. 136/66
36. Voor het Hof is bovendien de relevantie van de vragen van het Tribunal Supremo betwijfeld voor zover zij betrekking hebben op artikel 12 bis van verordening nr. 136/66. Aangezien Cecasa nooit van de in die bepaling vastgelegde steunregeling gebruik heeft gemaakt en de Commissie ook geen machtiging voor particuliere opslag in de zin van die bepaling heeft afgegeven, zouden de desbetreffende vragen geen gevolgen hebben voor de beslechting van het hoofdgeding.
37. Dit is mijns inziens niet juist. Alhoewel er in casu inderdaad geen plaats is voor toepassing van het systeem van de door de Gemeenschap gesubsidieerde particuliere opslag van olijfolie, kan de uitlegging en het begrip van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 voor de mededingingsrechtelijke beoordeling van deze zaak van groot belang zijn. Uit deze bepaling, met inbegrip van haar strekking en context, zouden namelijk beginselen kunnen worden afgeleid die voor de uitlegging en de toepassing van de mededingingsregels in het concrete geval relevant zijn.
38. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is derhalve ook op dit punt ontvankelijk.
B – Inhoudelijke beoordeling van de prejudiciële vragen
39. Met de onderhavige prejudiciële verwijzing wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke speelruimte de nationale autoriteiten hebben om op het gebied van de landbouw hun nationale mededingingsrecht toe te passen. Uit de voorrang van het gemeenschapsrecht volgt dat deze speelruimte niet verder kan gaan dan het landbouwrecht van de Gemeenschap toelaat.
40. Mocht dus blijken dat de door Cecasa geplande steunaankopen en ‑verkopen van olijfolie uit hoofde van het landbouwrecht gerechtvaardigd zijn, dan moet met dit feit bij de toepassing van de mededingingsregels rekening worden gehouden. Tegen deze achtergrond stelt het Tribunal Supremo het Hof vragen over enerzijds de uitlegging van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 en de hiermee verband houdende bepalingen, en anderzijds de uitlegging van artikel 2 van verordening nr. 26.
1. De eerste prejudiciële vraag
41. De eerste vraag heeft betrekking op het personele toepassingsgebied van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66. Met deze vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of deze bepaling op een particuliere naamloze vennootschap als Cecasa kan worden toegepast.
a) Het eerste deel van de eerste prejudiciële vraag
42. Met het eerste deel van zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een particuliere naamloze vennootschap als Cecasa tot de „organismen” kan worden gerekend die opslagcontracten voor olijfolie mogen sluiten.
43. Het begrip organisme wordt noch in artikel 12 bis, noch elders in verordening nr. 136/66 gedefinieerd. In casu rijst enerzijds de vraag of een particuliere onderneming als organisme in de zin van deze bepaling kan worden gekwalificeerd. Anderzijds moet worden onderzocht of het feit dat in de betrokken onderneming naast olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties ook financiële beleggers deelnemen, zich tegen de kwalificatie als organisme verzet.
– Geen beperking tot openbare of overheidsinstanties
44. Cecasa stelt terecht dat het begrip organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 niet zo mag opgevat dat uitsluitend openbare respectievelijk overheidsinstanties(26) binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen.
45. In sommige taalversies wordt in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 voor „organisme” dezelfde uitdrukking gebruikt als elders – in het bijzonder in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2768/98 – speciaal ter aanduiding van overheidsinstanties.(27) Hieruit volgt echter niet automatisch dat ook in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 met „organisme” alleen openbare of overheidsinstanties worden bedoeld. In een aantal andere taalversies wordt namelijk wel verschil gemaakt tussen „organismen” in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 en „instanties van de lidstaten” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2768/98.(28) In het licht van deze verschillen tussen de verschillende taalversies van het toepasselijke landbouwrecht dient de betrokken bepaling te worden uitgelegd uitgaande van de algemene systematiek en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. (29)
46. Uit het doel van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, invoering van een steunregeling met contracten voor particuliere opslag(30), volgt dat de werkingssfeer van de bepaling zich niet tot openbare instanties kan beperken. Integendeel: het gaat bij de hierin genoemde organismen over het algemeen om particuliere ondernemingen.
47. Uit de context van de regeling valt op te maken dat zeker ook particuliere ondernemingen als organismen in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 kunnen worden gekwalificeerd. Deze organismen dienen namelijk te worden gemachtigd om opslagcontracten te sluiten voor „de olijfolie die zij in de handel brengen”. Het in de handel brengen is echter een activiteit die geenszins is voorbehouden aan openbare instanties, maar ook door particulieren kan worden uitgeoefend. In een open markteconomie(31) is dit zelfs de regel. Daarnaast heeft ook het vereiste van „voldoende garanties” in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 eerder betrekking op de activiteiten van particulieren dan op die van openbare instanties.
48. Dit betekent dat particuliere ondernemingen organismen in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 kunnen zijn.
– Deelneming van financiële beleggers
49. Bovendien moet worden onderzocht of het feit dat in de betrokken onderneming naast olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties ook financiële beleggers deelnemen, in de weg staat aan de kwalificatie als organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66.
50. De tekst van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 biedt ten aanzien van dit aspect geen uitsluitsel. Bij de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling moet echter niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar eveneens met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(32)
51. De doelstelling van verordening nr. 136/66 en van wijzigingsverordening nr. 1638/98 sluit gemengde ondernemingen waarin naast olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties ook financiële beleggers deelnemen, niet uit. Er zijn geen aanwijzingen dat de deelneming van financiële beleggers afbreuk zou kunnen doen aan het doel om bij ernstige verstoring van de markt het aanbod aan olijfolie door een systeem van particuliere opslag te reguleren.(33) In het bijzonder kan niet bij voorbaat worden aangenomen dat de deelneming van financiële beleggers gepaard zou gaan met lagere kwaliteitsnormen of minder knowhow voor de opslag van de olijfolie. Een dergelijke conclusie kan al helemaal niet worden getrokken wanneer de financiële beleggers – zoals in het geval van Cecasa – slechts een minderheidsbelang in de betrokken onderneming hebben. Een dergelijke deelneming is integendeel juist geschikt de financiële draagkracht van de betrokken onderneming te versterken en aldus ertoe bij te dragen dat zij de volgens artikel 12 bis vereiste „voldoende garanties” kan bieden.
52. Wat ten slotte de context van de regeling betreft, worden gemengde ondernemingen met deelneming van financiële beleggers in artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 2768/98 van de Commissie weliswaar niet uitdrukkelijk genoemd. Louter op grond van dit feit kan echter niet worden aangenomen dat gemengde ondernemingen automatisch buiten de werkingssfeer van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 vallen. De Commissie erkent namelijk zelf dat de lijst van de in artikel 3, lid 1, van haar uitvoeringsverordening nr. 2768/98 vermelde organismen niet uitputtend is.
53. Bovendien is verordening nr. 2768/98 niet meer dan een uitvoeringsverordening van de Commissie bij een door de Raad ingestelde gemeenschappelijke marktordening, namelijk bij artikel 12 bis van verordening nr. 136/66. Als basisverordening heeft de verordening van de Raad een hogere rang dan de uitvoeringsverordening, en haar werkingssfeer kan door de Commissie niet zonder uitdrukkelijke bevoegdheidsgrondslag worden ingeperkt. Ook artikel 12 bis, derde alinea, van verordening nr. 136/66 kan niet als zodanig worden beschouwd. De Commissie wordt hierin alleen maar toegestaan de hoogte van de steun voor particuliere opslag te bepalen, technische details, zoals hoeveelheden, kwaliteit en opslagduur van de betrokken olijfolie te regelen en procedures voor de toekenning van de steun uit te werken. De verlening van de bevoegdheid uitvoeringsbepalingen vast te stellen dekt daarentegen noch inhoudelijk, noch qua doel een eventuele inperking van de personele werkingssfeer van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66.
54. Dit betekent dat een particuliere onderneming waarin naast olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties ook financiële beleggers deelnemen, als organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 in aanmerking kan komen.
55. Vanzelfsprekend is de feitelijke toepassing van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 op een dergelijke onderneming afhankelijk van de vraag of deze aan de overige in die bepaling genoemde voorwaarden voldoet. Dit houdt in dat de betrokken onderneming „voldoende garanties” moet bieden en in de betrokken lidstaat moet zijn erkend.(34) Tevens moet er sprake zijn van een ernstige verstoring van de markt en dient de Commissie in een comitologieprocedure overeenkomstig artikel 38 van verordening nr. 136/66 de machtiging tot particuliere opslag van olijfolie te verlenen. Gebeurt dit niet, kan de particuliere opslag van olijfolie niet onder verwijzing naar artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 worden gerechtvaardigd.
b) Het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag
56. Met het tweede deel van zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een particuliere naamloze vennootschap zoals Cecasa kan worden gelijkgesteld met erkende producentengroeperingen en de unies daarvan in de zin van verordening nr. 952/97.
– Producentengroeperingen
57. Om als producentengroepering in de zin van verordening nr. 952/97 te worden aangemerkt, dient het betrokken organisme aan een aantal voorwaarden te voldoen, die in de artikelen 5 en 6 van die verordening zijn vermeld.
58. Van fundamenteel belang zijn in dit verband de eisen omtrent het oprichtingsdoel van de producentengroepering: overeenkomstig artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 952/97 moet zij zijn opgericht met het tweeledige doel productie en aanbod van de deelnemende producenten gemeenschappelijk aan de eisen van de markt aan te passen. Een onderneming als Cecasa houdt zich weliswaar met de afzet van olijfolie bezig en beoogt met name het aanbod van de door haar vennoten geproduceerde olijfolie door steunaankopen en ‑verkopen te reguleren. Maar zij voldoet – althans voor zover ik op grond van de voorliggende informatie kan beoordelen – niet aan de tweede noodzakelijke voorwaarde, die erin bestaat de productie van olijfolie aan de eisen van de markt aan te passen. Dit betekent dat het oprichtingsdoel van een vennootschap als Cecasa niet voldoet aan de twee cumulatieve eisen van artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 952/97.
59. Gezien dit feit behoeft niet meer te worden onderzocht of een vennootschap als Cecasa aan de overige voorwaarden van de voornoemde verordening kan voldoen. Reeds wanneer niet aan de eerste voorwaarde – die van artikel 5, lid 1, sub a – is voldaan, kan een vennootschap als Cecasa niet als producentengroepering in de zin van verordening nr. 952/97 worden beschouwd.
– Unies van producentengroeperingen
60. Volgens de definitie van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 952/97 zijn unies van producentengroeperingen samengesteld uit erkende producentengroeperingen en streven zij op grotere schaal dezelfde doeleinden na als deze groeperingen.
61. Een unie van producentengroeperingen moet dus net als de bij haar aangesloten producentengroeperingen als doel hebben de productie en het aanbod gemeenschappelijk aan de eisen van de markt aan te passen (artikel 5, lid 1, sub a, van verordening nr. 952/97). Dat een dergelijke unie haar activiteiten niet tot het aanbod en de hiermee verband houdende afzet mag beperken, blijkt niet in het minst uit het eerste gedachtestreepje van artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 952/97. Hierin is namelijk bepaald dat producentengroeperingen en de unies ervan ook voor de productie van olijfolie gemeenschappelijke regels moeten vaststellen en toepassen.
62. Heeft een vennootschap, zoals in het onderhavige geval Cecasa, een dergelijk doel niet of zijn haar activiteiten niet gericht op de olijfolieproductie van de bij haar aangesloten producenten en coöperaties(35), kan zij niet als unie van producentengroeperingen worden beschouwd.
63. In omstandigheden zoals die van het hoofdgeding kan een vennootschap als Cecasa derhalve noch als producentengroepering, noch als unie van producentengroeperingen in de zin van verordening nr. 952/97 worden aangemerkt. Dit betekent echter alleen maar dat zij bij het sluiten van contracten voor particuliere opslag geen prioriteit geniet (artikel 12 bis, eerste alinea, tweede zin, van verordening nr. 136/66). Los daarvan kan zij echter de bevoegde nationale instantie verzoeken om erkenning als (ander) organisme in de zin van artikel 12 bis, eerste alinea, eerste zin, van verordening nr. 136/66.
c) Tussenresultaat
64. Een particuliere naamloze vennootschap met als vennootschapsdoel de afzet van olijfolie, die zich tot taak heeft gesteld door gerichte aan‑ en verkoop van olijfolie het aanbod op de markt te beïnvloeden, kan worden aangemerkt als organisme in de zin van artikel 12 bis, eerste alinea, van verordening nr. 136/66 zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98. Het feit dat in de betrokken vennootschap naast olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties ook wordt deelgenomen door financiële beleggers, doet hieraan niet af. Een dergelijke vennootschap kan echter in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet als producentengroepering of als unie van producentengroeperingen in de zin van verordening nr. 952/97 worden beschouwd.
2. De tweede prejudiciële vraag
65. Volgens het door mij bepleite antwoord op de eerste prejudiciële vraag kan een vennootschap als Cecasa worden aangemerkt als organisme dat binnen de werkingssfeer van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 valt. Dit betekent dat ook de tweede prejudiciële vraag moet worden beantwoord, te weten of de erkenning van een organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 in het kader van een mededingingsrechtelijke procedure door de nationale mededingingsautoriteiten kan worden verleend.
66. Noch verordening nr. 136/66, noch de verordeningen nr. 952/97 en nr. 2768/98 bepalen welke instantie binnen een lidstaat bevoegd is de organismen te erkennen die gemachtigd kunnen worden contracten voor de particuliere opslag van olijfolie te sluiten.
67. Het uitgangspunt bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag is dus de procedurele autonomie van de lidstaten. Deze houdt in dat het de zaak van de lidstaten is de nationale instanties aan te wijzen die bevoegd zijn het gemeenschapsrecht om te zetten en de toepasselijke procedures uit te werken, waarbij zij het effectiviteits‑ en het gelijkwaardigheidsbeginsel moeten naleven.(36)
68. Het gemeenschapsrecht sluit dus niet uit dat een lidstaat zijn mededingingsautoriteiten opdraagt om in het kader van kartelrechtelijke procedures ook landbouwbepalingen toe te passen en daarbij vergunningen uit hoofde van het landbouwrecht af te geven. Het kan in bepaalde situaties bijvoorbeeld zinvol zijn om voor bepaalde vergunningen te voorzien in één enkel loket en de betrokkenen zodoende een hoop administratieve rompslomp bij verschillende instanties te besparen.(37)
69. Indien het nationale recht voorziet in de mogelijkheid dat een organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 door de nationale mededingingsautoriteit wordt erkend, dan moet in het licht van het effectiviteitsbeginsel echter ook gewaarborgd zijn dat die instantie de relevante landbouwrechtelijke bepalingen op effectieve wijze toepast. In casu betekent dit in het bijzonder dat de mededingingsautoriteit in het kader van de door haar gevoerde procedure alle nodige stappen onderneemt om na te gaan of het te erkennen organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 „voldoende garanties” biedt.
70. Tussenresultaat:
Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen nationale regelingen volgens welke de erkenning van organismen in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 kan worden afgegeven door de nationale mededingingsautoriteiten in het kader van een mededingingsrechtelijke procedure, voor zover gewaarborgd is dat in die procedure de relevante landbouwrechtelijke bepalingen op effectieve wijze worden toegepast en alle noodzakelijke controles worden uitgevoerd.
3. De derde prejudiciële vraag
71. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 in de weg staat aan een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie, dat zonder machtiging van de Commissie wordt geëxploiteerd.
72. In dit verband wijs ik erop dat door artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 alleen maar een steunregeling van de Gemeenschap voor de particuliere opslag van olijfolie wordt ingevoerd.(38) Het is niet zo dat het vraagstuk van de rechtmatigheid van de particuliere opslag van olijfolie door deze bepaling uitputtend wordt geregeld in die zin dat iedere vorm van particuliere opslag die niet onder artikel 12 bis valt, verboden zou zijn. Noch uit de tekst, noch uit de strekking en de context van de bepaling valt op te maken dat de communautaire wetgever het vrije ondernemerschap op dergelijke wijze wilde beperken.
73. Ook vanuit het oogpunt van het subsidiariteitsbeginsel (artikel 5, lid 2, EG) moet ervan worden uitgegaan dat de communautaire wetgever decentrale initiatieven op het vlak van particuliere opslag niet volledig wilde uitsluiten. Zoals ter terechtzitting is aangevoerd, kunnen dergelijke initiatieven wellicht sneller en soepeler op de marktontwikkelingen in afzonderlijke lidstaten en regio’s inspelen dan met het op gemeenschapsniveau geschapen mechanisme van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, met zijn procedurele en budgettaire restricties, mogelijk is. Beide stelsels kunnen elkaar in bepaalde omstandigheden zinvol aanvullen.
74. Particuliere organismen hebben dus principieel de mogelijkheid om buiten de werkingssfeer van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 particuliere opslagmaatregelen voor olijfolie te nemen. Dit is nu wat Cecasa van plan is, die haar systeem particulier financiert en volgens alle betrokken partijen geen beroep wil doen op communautaire steun.
75. Indien, zoals in casu, voor de particuliere opslag geen beroep wordt gedaan op de steunregeling van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, dan is vanzelfsprekend noch de hierin voorziene vaststelling van een ernstige verstoring van de markt, noch een machtiging van de Commissie in de zin van die bepaling vereist. Maar anderzijds kan het betrokken organisme ook geen beroep doen op artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 om haar particuliere opslagproject te rechtvaardigen en zich te onttrekken aan de toepassing van de op de markt voor olijfolie geldende algemene regelingen. De particuliere opslag dient veeleer plaats te vinden met inachtneming van het algemene gemeenschapsrecht en de met het gemeenschapsrecht verenigbare bepalingen van nationaal recht, en in het bijzonder met de respectieve mededingingsrechtelijke spelregels, aangezien de landbouw niet een mededingingsvrij gebied is.(39)
76. Tussenresultaat:
Artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 staat niet in de weg aan een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie. Een dergelijk systeem moet evenwel worden geëxploiteerd met inachtneming van de voor de markt voor olijfolie geldende algemene regelingen en in het bijzonder met het mededingingsrecht.
4. De vierde prejudiciële vraag
77. Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de nationale mededingingsautoriteiten hun nationale mededingingsrecht ook mogen toepassen op een overeenkomst tussen producenten in de zin van artikel 2 van verordening nr. 26 indien deze overeenkomst de markt voor olijfolie niet alleen op nationaal niveau, maar in de gehele Gemeenschap kan beïnvloeden.
a) Opmerking vooraf over de twee premissen van de verwijzende rechter
78. In zijn vraag gaat de verwijzende rechter uit van twee fundamentele premissen: enerzijds dat het door Cecasa geplande systeem van steunaankopen en ‑verkopen een „communautaire dimensie” zou kunnen hebben en de olijfoliemarkt in de gehele Gemeenschap kunnen beïnvloeden (eerste premisse), anderzijds dat dit voornemen binnen de werkingssfeer van artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 zou kunnen vallen (tweede premisse).
79. Een „communautaire dimensie” (eerste premisse) zou het door Cecasa geplande systeem hebben indien het de handel tussen de lidstaten ongunstig zou kunnen beïnvloeden („beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten”, artikel 81, lid 1, EG). Uit de door het Tribunal Supremo vastgestelde feiten volgt in dit opzicht dat de olieproducerende vennoten van Cecasa tussen de 50 en 60 % van de Spaanse olijfolieproductie vertegenwoordigen. Dit betekent dat Cecasa met haar voornemen eventueel meer dan de helft van de Spaanse olijfoliemarkt rechtstreeks zou kunnen beïnvloeden. Asoliva wijst bovendien erop dat de Spaanse markt ongeveer 45 %, dus bijna de helft, van de communautaire markt uitmaakt. Gezien dit feit moet inderdaad worden aangenomen dat de door Cecasa geplande steunaankopen en ‑verkopen niet alleen aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de Spaanse markt voor olijfolie, maar ook voor de gehele communautaire markt voor dit product en dus uiteindelijk voor de handel tussen de lidstaten.
80. Om daarnaast ook nog binnen de werkingssfeer van artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 te vallen (tweede premisse), zou het voornemen van Cecasa een overeenkomst, besluit of gedraging van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen moeten zijn.
81. Weliswaar kan Cecasa, zoals ik reeds heb uiteengezet(40), niet zonder meer worden gelijkgesteld met een producentengroepering of unie van producentengroeperingen, althans niet wanneer deze begrippen overeenkomstig de definities van artikel 5 van verordening nr. 952/97 worden uitgelegd. Aan de andere kant zijn de aandelen in Cecasa voor 68 % in handen van olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties, zodat het voornemen van deze onderneming eventueel als overeenkomst of besluit van landbouwondernemers in de zin van artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 zou kunnen worden beschouwd.
82. Voor de beantwoording van de prejudiciële vraag is echter per saldo de juistheid van de twee premissen van de verwijzende rechter niet doorslaggevend. Zoals ik thans zal uiteenzetten, kan het nationale mededingingsrecht namelijk nog steeds worden toegepast wanneer het voornemen van Cecasa binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG en artikel 2, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 26 zou vallen.
b) Beoordeling van de prejudiciële vraag
83. Bij de beantwoording van de vierde prejudiciële vraag moet mijns inziens als uitgangspunt gelden, dat de gemeenschappelijke marktordeningen voor landbouwproducten geen mededingingsvrij gebied zijn. De handhaving van een echte mededinging op de markten voor landbouwproducten is integendeel een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.(41)
84. Volgens vaste rechtspraak zijn het communautaire en het nationale mededingingsrecht naast elkaartoepasselijk, aangezien zij restrictieve gedragingen vanuit verschillende gezichtshoeken beschouwen. Terwijl in de artikelen 81 EG en 82 EG de belemmeringen voor de handel tussen lidstaten vooropstaan, worden de restrictieve gedragingen in de nationale wettelijke regelingen, die berusten op afwegingen die voor hen specifiek zijn, uitsluitend binnen dat kader bezien. (42) In het arrest Milk Marque heeft het Hof uitdrukkelijk bevestigd dat dit beginsel ook voor het landbouwrecht met inbegrip van de gemeenschappelijke marktordeningen geldt.(43)
85. Het feit dat het in casu gaat om een geval met grensoverschrijdende implicaties of een „communautaire dimensie”, staat de toepassing van het nationale mededingingsrecht niet in de weg.(44) Indien overeenkomsten, besluiten of gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, dan heeft dit geenszins tot gevolg dat uitsluitend het gemeenschappelijke mededingingsrecht toepasselijk is en het nationale mededingingsrecht is „geblokkeerd”, maar integendeel, zoals reeds toegelicht, dat beide stelsels naast elkaar toepasselijk zijn.
86. De toepassing van het nationale mededingingsrecht wordt evenmin uitgesloten doordat de feiten eventueel onder artikel 2 van verordening nr. 26 vallen. Deze bepaling bevat alleen een aantal bijzondere regelingen voor de toepassing van het mededingingsrecht van de Gemeenschap op landbouwgebied: artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26 sluit bepaalde overeenkomsten, besluiten en gedragingen in materieelrechtelijk opzicht uit van het verbod van artikel 81, lid 1, EG. Procedureel verleent artikel 2, lid 2 juncto lid 3, van verordening nr. 26 onder meer de Commissie de uitsluitende bevoegdheid om op aanvraag vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen aan de uitzondering van lid 1 voldoen.(45)
87. Artikel 2 van verordening nr. 26 regelt daarentegen niet de verhouding tussen communautair en nationaal mededingingsrecht. Met name lid 2 van deze bepaling mag niet als een dergelijke regeling worden opgevat. De hierin vastgelegde uitsluitende bevoegdheid van de Commissie heeft geen „blokkering” van het nationale mededingingsrecht tot gevolg, maar wijst enkel de autoriteit aan die bevoegd is het mededingingsrecht van de Gemeenschap toe te passen. In wezen lijkt artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26 wat de hierin verankerde exclusiviteit betreft op de algemene bevoegdheidsregeling van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 17(46) in de tot en met 30 april 2004 vigerende versie.(47)
88. Een uitsluitende bevoegdheid van de Commissie voor de toepassing van bepalingen van het mededingingsrecht van de Gemeenschap sluit niet uit dat op hetzelfde geval tegelijkertijd ook nationaal mededingingsrecht wordt toegepast door een nationale instantie. Indien, zoals in casu, geen procedure voor de Commissie in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, van verordening nr. 26 op gang wordt gebracht, is het nationale mededingingsrecht zelfs alleen toepasselijk.
89. Volledigheidshalve wijs ik er nog op dat het nationale mededingingsrecht in het onderhavige geval niet kan worden toegepast indien bij Cecasa sprake is van een concentratie van communautaire dimensie (artikel 1, lid 1, juncto artikel 21, lid 2, en artikel 22, lid 1, van de concentratieverordening(48)). Dan zou de oprichting van Cecasa als gemeenschappelijke onderneming echter moeten voldoen aan het concentratiebegrip van artikel 3 van de concentratieverordening en zouden de omzetdrempels van artikel 1, lid 2 of lid 3, van die verordening bereikt moeten zijn. Deze vraag dient in het hoofdgeding door de verwijzende rechter te worden beoordeeld.
c) De gemeenschapsrechtelijke vereisten voor de toepassing van nationaal recht
90. Alhoewel de nationale mededingingsautoriteiten op een geval als het onderhavige dus hun nationale mededingingsrecht mogen toepassen, zijn zij materieelrechtelijk niet geheel vrij, maar dienen zij volgens vaste rechtspraak rekening te houden met bepaalde gemeenschapsrechtelijke vereisten die uit de voorrang van het gemeenschapsrecht(49) voortvloeien.
91. In een geval dat onder zowel artikel 81, lid 1, EG als het nationale mededingingsrecht valt, mogen de nationale autoriteiten geen beslissingen nemen die in tegenspraak zijn met een beschikking van de Commissie of die een dergelijke tegenspraak tot gevolg hebben.(50) Sinds 1 mei 2004 zijn zij bovendien verplicht artikel 81, lid 1, EG naast hun nationale mededingingsrecht toe te passen, waarbij het nationale mededingingsrecht niet tot een verbod van volgens het gemeenschapsrecht toegestane overeenkomsten, besluiten of gedragingen mag leiden (artikel 3, leden 1 en 2, juncto artikel 45, lid 2, van verordening nr. 1/2003).
92. Wanneer het gaat om landbouwproducten, dienen de nationale mededingingsautoriteiten zich bovendien te onthouden van iedere maatregel die van een gemeenschappelijke marktordening afwijkt, hiertegen indruist of aan de werking ervan afbreuk doet. Meer in het algemeen mogen zij bovendien de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet belemmeren. (51)
93. Tussenresultaat:
De nationale mededingingsautoriteiten mogen nationaal mededingingsrecht ook toepassen op een overeenkomst tussen producenten in de zin van artikel 2 van verordening nr. 26, ook indien deze overeenkomst de markt voor olijfolie niet alleen op nationaal niveau, maar in de gehele Gemeenschap kan beïnvloeden. Daarbij dienen de nationale mededingingsautoriteiten zich echter te onthouden van iedere maatregel die in tegenspraak zou kunnen zijn met het mededingingsrecht en het landbouwrecht van de Gemeenschap.
5. De vijfde prejudiciële vraag
94. Mocht de vierde vraag op de door mij bepleite wijze worden beantwoord, moet ook de vijfde vraag worden besproken. Hiermee wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de nationale mededingingsautoriteiten op basis van het nationale mededingingsrecht een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie mogen verbieden, ook indien dit systeem in navolging van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 is bedoeld voor gevallen van „ernstige verstoring van de markt”.
95. Het Tribunal Supremo vraagt met andere woorden of een systeem als het door Cecasa geplande ondanks eventuele mededingingsrechtelijke bezwaren niettemin moet worden toegestaan voor zover het ertoe dient ernstige verstoringen van de markt te voorkomen.
96. Het is een feit dat de nationale mededingingsautoriteiten bij de toepassing van mededingingsrechtelijke regels de beginselen en bepalingen van het landbouwrecht van de Gemeenschap moeten eerbiedigen. Bij toepassing van het mededingingsrecht van de Gemeenschap (artikel 81 EG en artikel 82 EG) resulteert de voorrang van het landbouwbeleid boven de mededingingsregels van het EG-Verdrag uit artikel 32, lid 2, EG juncto artikel 36, lid 1, EG.(52) Is daarentegen nationaal mededingingsrecht van toepassing, leidt reeds het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht(53) ertoe dat de beginselen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid prevaleren.
97. Dit betekent dat wanneer uit het landbouwrecht van de Gemeenschap volgt dat particuliere opslag, in elke geval ter voorkoming van ernstige verstoringen van de markt, altijd en zonder voorbehoud rechtmatig is, hiermee ook in het kader van de toepassing van de mededingingsregels door de mededingingsautoriteiten rekening moet worden gehouden.
98. Een dergelijke regel bevat het gemeenschappelijke landbouwrecht zoals dat op de feiten van het hoofdgeding van toepassing is, echter juist niet. Uit artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 volgt uitsluitend dat de Commissie onder bepaalde, daarin nader omschreven voorwaarden een door de Gemeenschap gesubsidieerd systeem van particuliere opslag in werking kan stellen. Uit de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten valt daarentegen geen algemene privilegiëring van de particuliere opslag van olijfolie af te leiden, ook niet in het geval van ernstige verstoring van de markt.
99. Zoals ik reeds heb opgemerkt(54), sluit dit niet uit dat los van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 een particulier, niet gesubsidieerd opslagsysteem bestaat. De oprichting en exploitatie van een dergelijk systeem moet dan echter voldoen aan de mededingingsregels. Het blijft met name onderworpen aan de in voorkomend geval toepasselijke kartelrechtelijke verboden.
100. Indien een nationale mededingingsautoriteit de relevante regelingen van het mededingingsrecht niet of slechts in afgezwakte vorm op een particulier opgezet en gefinancierd systeem voor de opslag van olijfolie zou willen toepassen, dan bestaat het risico dat afbreuk wordt gedaan aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Overeenkomstig verordening nr. 26 vormt de toepassing van de mededingingsregels op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten namelijk een wezenlijk bestanddeel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.(55) Hierin komt zeker ook het doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot uitdrukking, redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren (artikel 33, lid 1, sub e, EG).
101. Nu is het in het kader van de concrete toepassing van de betrokken mededingingsregels weliswaar mogelijk mededingingsbeperkende praktijken van ondernemingen bij uitzondering te accepteren. Zo bepaalt op communautair niveau artikel 81, lid 3, EG dat onder bepaalde, aldaar nader omschreven voorwaarden het verbod van artikel 81, lid 1, EG buiten toepassing kan worden verklaard. Het Spaanse recht voorziet in artikel 3 van wet nr. 16/1989 op soortgelijke wijze in bepaalde „machtigingsvoorwaarden”.
102. De concrete uitlegging en toepassing van dergelijke afwijkingen of „machtigingsvoorwaarden” bij de relevante mededingingsrechtelijke verboden mag anderzijds niet tot een resultaat leiden dat indruist tegen de beginselen van het landbouwrecht van de Gemeenschap.(56)
103. In dit verband herinner ik eraan dat de tot dan toe bestaande interventieregeling in de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten door verordening nr. 1638/98 is opgeheven, omdat zij in de ogen van de communautaire wetgever een aansporing tot produceren vormde die de markt dreigde te destabiliseren.(57)
104. Daarmee is de communautaire wetgever wat de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft tot de afweging gekomen dat voor de sector oliën en vetten in het bijzonder de stabilisering van de markten (artikel 33, lid 1, sub c, EG) en het verzekeren van redelijke prijzen bij de levering aan de verbruikers (artikel 33, lid 1, sub e, EG) – althans in de huidige situatie – beter zonder een interventieregeling kunnen worden bereikt.
105. Indien nu particulieren wordt toegestaan, op eigen initiatief te beslissen dat er sprake is van een ernstige verstoring van de markt(58), en op basis hiervan de ontwikkeling op de markt – in casu het aanbod en de prijs van olijfolie – wezenlijk te beïnvloeden, dan zou dit uiteindelijk kunnen neerkomen op een sluipende herinvoering van een interventieregeling – zij het met particuliere middelen – waardoor de afschaffing van die regeling door de communautaire wetgever wordt omzeild.
106. Dit mag door de nationale autoriteiten en rechters niet worden toegestaan. Volgens vaste rechtspraak dienen de lidstaten zich te onthouden van elke maatregel die van een gemeenschappelijke marktordening afwijkt of er inbreuk op maakt.(59) Zelfs wanneer de desbetreffende materie door de gemeenschappelijke marktordening niet uitputtend wordt geregeld, mogen geen maatregelen worden genomen die een goede werking daarvan in de weg staan.(60)
107. Tussenresultaat
De nationale mededingingsautoriteiten mogen op basis van het nationale mededingingsrecht een particulier opgezet en gefinancierd systeem voor de aankoop en opslag van olijfolie verbieden, ook indien dit systeem in navolging van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 is bedoeld voor het geval van een „ernstige verstoring” van de markt.
VI – Conclusie
108. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van het Tribunal Supremo te beantwoorden als volgt:
„1) Een particuliere naamloze vennootschap met als vennootschapsdoel de afzet van olijfolie, die zich tot taak heeft gesteld door gerichte aan‑ en verkoop van olijfolie het aanbod op de markt te beïnvloeden, kan worden aangemerkt als organisme in de zin van artikel 12 bis, eerste alinea, van verordening nr. 136/66/EEG zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1638/98. Het feit dat in de betrokken vennootschap naast olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties ook wordt deelgenomen door financiële beleggers, doet hieraan niet af. Een dergelijke vennootschap kan echter in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet als producentengroepering of als unie van producentengroeperingen in de zin van verordening (EG) nr. 952/97 worden beschouwd.
2) Het gemeenschapsrecht verzet zich niet tegen nationale regelingen volgens welke de erkenning van organismen in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 kan worden afgegeven door de nationale mededingingsautoriteiten in het kader van een mededingingsrechtelijke procedure, voor zover gewaarborgd is dat in die procedure de relevante landbouwrechtelijke bepalingen op effectieve wijze worden toegepast en alle noodzakelijke controles worden uitgevoerd.
3) Artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 staat niet in de weg aan een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie. Een dergelijk systeem moet evenwel worden geëxploiteerd met inachtneming van de voor de markt voor olijfolie geldende algemene regelingen en in het bijzonder met het mededingingsrecht.
4) De nationale mededingingsautoriteiten mogen nationaal mededingingsrecht ook toepassen op een overeenkomst tussen producenten in de zin van artikel 2 van verordening nr. 26, ook indien deze overeenkomst de markt voor olijfolie niet alleen op nationaal niveau, maar in de gehele Gemeenschap kan beïnvloeden. Daarbij dienen de nationale mededingingsautoriteiten zich echter te onthouden van iedere maatregel die in tegenspraak zou kunnen zijn met het mededingingsrecht en het landbouwrecht van de Gemeenschap.
5) De nationale mededingingsautoriteiten mogen op basis van het nationale mededingingsrecht een particulier opgezet en gefinancierd systeem voor de aankoop en opslag van olijfolie verbieden, ook indien dit systeem in navolging van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 is bedoeld voor het geval van een ‚ernstige verstoring’ van de markt.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Arrest van 9 september 2003, Milk Marque en National Farmers’ Union (C‑137/00, Jurispr. blz. I‑7975).
3 – Verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (PB 1962, 30, blz. 993), zoals gewijzigd bij verordening nr. 49 van de Raad van 1 juli 1962 (PB 1962, 53, blz. 1571).
4 – Zie het in die bijlage vermelde punt nr. 15.07 van de Naamlijst van Brussel, dat betrekking heeft op plantaardige oliën.
5 – Verordening (EG) nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (PB L 214, blz. 7).
6 – Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (PB L 299, blz. 1); de toepassing in de tijd van deze verordening op olijfolie volgt uit artikel 200 juncto artikel 204, lid 2, sub a, ervan.
7 – Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, 172, blz. 3025).
8 – Relevant is de versie van de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten zoals die is vastgelegd in artikel 1, lid 8, van verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB L 210, blz. 32).
9 – Verordening (EG) nr. 865/2004 van de Raad van 29 april 2004 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor olijfolie en tafelolijven en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 827/68 (PB L 161, blz. 97).
10 – Zie artikel 201, lid 1, sub c, juncto artikel 204, lid 2, sub a, van verordening nr. 1234/2007.
11 – PB L 142, blz. 30.
12 – Zie artikel 55, lid 1, tweede gedachtestreepje, juncto artikel 56, lid 1, van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PB L 160, blz. 80).
13 – PB L 346, blz. 14.
14 – BOE nr. 170 van 18 juli 1989, blz. 22747. Wet nr. 16/1989 is inmiddels ingetrokken en vervangen door de nieuwe wet nr. 15/2007 van 3 juli 2007 ter bescherming van de mededinging (Ley de Defensa de la Competencia) (BOE nr. 159 van 4 juli 2007, blz. 28848). Volgens de verwijzende rechter is echter wet nr. 16/1989 relevant met betrekking tot de feiten van het hoofdgeding.
15 – Arrest van 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio (C‑217/05, Jurispr. blz. I‑11987, punt 7).
16 – Supuestos de autorización.
17 – Zoals uit de processtukken blijkt, had een dienst van de Spaanse mededingingsautoriteiten, de Subdirección General sobre Conductas Restrictivas de la Competencia, reeds op 16 juni 2000 een onderzoek in deze zaak ingesteld.
18 – Het Tribunal de Defensa de la Competencia oefende destijds bepaalde bevoegdheden van een mededingingsautoriteit uit.
19 – Sala de lo Contencioso-Administrativo.
20 – Vaste rechtspraak; zie bijvoorbeeld arresten van 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C‑344/04, Jurispr. blz. I‑403, punt 14); 11 september 2008, Eckelkamp e.a. (C‑11/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 27 en 28), en 16 december 2008, Michaniki (C‑213/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 32‑34).
21 – Vierenveertigste overweging van de considerans van verordening nr. 1257/1999.
22 – Zie bijvoorbeeld de zevende overweging van de considerans en artikel 3 van verordening (EG) nr. 327/2001 van de Commissie van 16 februari 2001 houdende machtiging tot het sluiten van contracten voor particuliere opslag van olijfolie en houdende opening van een inschrijving van beperkte duur voor de desbetreffende steun (PB L 48, blz. 9).
23 – Zie bijvoorbeeld de mededeling van de Commissie „Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector” (PB 2000, C 28, blz. 2), in het bijzonder hoofdstuk 10; zie tevens artikel 3 van verordening (EG) nr. 2153/2005 van de Commissie van 23 december 2005 inzake de steunregeling voor de particuliere opslag van olijfolie (PB L 342, blz. 39).
24 – Zie punt 14 van deze conclusie.
25 – Zie de tekst van artikel 12 bis, eerste alinea, van verordening nr. 136/66 en de toelichting daarop in de twaalfde overweging van de considerans van wijzigingsverordening nr. 1638/98.
26 – Dat wil zeggen overheids- of publiekrechtelijke instanties, of in elke geval instellingen die hiermee door de overheid of publiekrechtelijke instanties specifiek zijn belast.
27 – Dit is met name het geval in de Spaanse („organismos”), de Estse („asutused”), de Griekse („οργανισμοί”), de Engelse („bodies”), de Franse („organismes”), de Italiaanse („organismi”), de Maltese („korpi”), de Portugese („organismos”), de Slowaakse („orgány”), de Finse („elimet” resp. „elinten”) en de Zweedse („organ” resp. „organen”) taalversie.
28 – Dit betreft naast de Duitse taalversie met name de Tsjechische („hospodářské subjekty” resp. „orgány”), de Deense („organisationer” resp. „organer”), de Letse („organizācijas” resp. „iestādes”), de Litouwse („istaigos” resp. „institucijos”), de Hongaarse („szervezetek[et]” resp. „szerve[k]”), de Nederlandse („organismen” resp. „instanties”), de Poolse („instytucje” resp. „organy”) en de Sloweense („teles[a]” resp. „organi”) taalversie.
29 – Vaste rechtspraak, bijvoorbeeld arresten van 27 maart 1990, Cricket St. Thomas (C‑372/88, Jurispr. blz. I‑1345, punt 19); 1 april 2004, Borgmann (C‑1/02, Jurispr. blz. I‑3219, punt 25), en 11 september 2008, CEPSA (C‑279/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 50).
30 – Zie de twaalfde overweging van de considerans van wijzigingsverordening nr. 1638/1998, waarmee artikel 12 bis in verordening nr. 136/66 is ingevoegd.
31 – Het economisch beleid van de lidstaten en de Gemeenschap dient zich overeenkomstig artikel 4, lid 1, EG en artikel 98 EG te oriënteren aan het beginsel van de open markteconomie; zie ook arrest van 9 september 2003, CIF (C‑198/01, Jurispr. blz. I‑8055, punt 47).
32 – Vaste rechtspraak; zie bijvoorbeeld arresten van 7 juni 2005, VEMW e.a. (C‑17/03, Jurispr. blz. I‑4983, punt 41), en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie (C‑76/06 P, Jurispr. blz. I‑4405, punt 21).
33 – Over dit doel, zie wederom de twaalfde overweging van de considerans van wijzigingsverordening nr. 1638/1998, waarbij artikel 12 bis in verordening nr. 136/66 is ingelast.
34 – Zie in dit verband mijn opmerkingen betreffende de tweede prejudiciële vraag (punten 65‑70 van deze conclusie).
35 – Dat de gemeenschappelijke regels voor de productie alleen voor de bij de betrokken unie aangesloten producenten respectievelijk producentengroeperingen kunnen worden vastgesteld en toegepast, volgt reeds uit de aard van de zaak. Dit wordt nog eens verduidelijkt door de inleidende woorden van artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 952/97: „déterminer et appliquer, pour les personnes visées à l’article 5 paragraphe 1” (Franse taalversie) resp. „decide on and apply, in respect of persons covered by Article 5(1)” (Engelse taalversie) resp. „determinar y aplicar, para las personas mencionadas en el apartado 1 del artículo 5” (Spaanse taalversie). De Duitse taalversie is daarentegen voor meerderlei uitleg vatbaar en derhalve onduidelijk: „soweit es sich um unter Artikel 5 Absatz 1 fallende Personen handelt”.
36 – Vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld arresten van 19 december 1968, Salgoil (13/68, Jurispr. blz. 632, 706); 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz (33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5), en 15 april 2008, Impact (C‑268/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 46‑48).
37 – Op communautair niveau is het beginsel van het eenloketssysteem bijvoorbeeld ingevoerd voor de controle op concentraties, alhoewel dit zich daar tot de controle van puur mededingingsrechtelijke vraagstukken beperkt; zie artikel 21 en punt 8 van de considerans van verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24, blz. 1).
38 – Twaalfde overweging van de considerans van wijzigingsverordening nr. 1638/1998, waarbij artikel 12 bis in verordening nr. 136/66 is ingelast.
39 – Arrest Milk Marque (aangehaald in voetnoot 2, punt 61).
40 – Punten 57‑63 van deze conclusie.
41 – Arrest Milk Marque (aangehaald in voetnoot 2, punten 57 en 61).
42 – Arresten van 13 februari 1969, Walt Wilhelm e.a. (14/68, Jurispr. blz. 1, punten 3 en 4); 10 juli 1980, Giry en Guerlain e.a. (253/78 en 1/79–3/79, Jurispr. blz. 2327, punt 15), en 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, Jurispr. blz. I‑6619, punt 38).
43 – Arrest Milk Marque (aangehaald in voetnoot 2, punten 62‑67), voor het voorbeeld van de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten.
44 – Ook de zaak Milk Marque, waarin het Hof de toepassing van het nationale mededingingsrecht aanvaardde, had grensoverschrijdende implicaties; zie arrest Milk Marque (aangehaald in voetnoot 2, punten 110‑120).
45 – Onverminderd de uitsluitende bevoegdheid van de Commissie voor de vaststellingen in de zin van artikel 2 van verordening nr. 26, kunnen ook nationale rechters die bepaling toepassen; zie arrest van 12 december 1995, Dijkstra e.a. (C‑319/93, C‑40/94 en C‑224/94, Jurispr. blz. I‑4471, punten 25‑36).
46 – Verordening (EEG) nr. 17 van de Raad: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, nr. 13, blz. 204).
47 – Artikel 43, lid 1, juncto artikel 45, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).
48 – Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1; na rectificatie opnieuw gepubliceerd in PB 1990, L 257, blz. 13), gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997 (PB L 180, blz. 1, met rectificaties in PB 1998, L 3, blz. 16, en PB 1998, L 40, blz. 17). De nieuwe EG-concentratieverordening (verordening nr. 139/2004) is op het onderhavige geval niet van toepassing gelet op artikel 26, lid 2, ervan.
49 – Arrest van 15 juli 1964, Costa/ENEL (6/64, Jurispr. blz. 1203, 1219), arrest CIF (aangehaald in voetnoot 31, punt 48), en arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, Jurispr. blz. I‑6619, punt 39).
50 – Arrest Walt Wilhelm (aangehaald in voetnoot 42, punten 4‑8); zie ook arrest Giry en Guerlain (aangehaald in voetnoot 42, punt 16) en arrest van 14 december 2000, Masterfoods en HB (C‑344/98, Jurispr. blz. I‑11369, punten 51‑52).
51 – Zie nader arrest van 19 maart 1998, Compassion in World Farming (C‑1/96, Jurispr. blz. I‑1251, punt 41), arrest Milk Marque (aangehaald in voetnoot 2, punten 63, 80 en 94) en arrest van 26 mei 2005, Kuipers (C‑283/03, Jurispr. blz. I‑4255, punt 37); zie ook mijn opmerkingen over de vijfde prejudiciële vraag (punten 94‑107 van deze conclusie).
52 – Arresten van 29 oktober 1980, Maizena/Raad (139/79, Jurispr. blz. 3393, punt 23); 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C‑280/93, Jurispr. blz. I‑4973, punt 61), en arrest Milk Marque (aangehaald in voetnoot 2, punt 81); zie tevens arrest Kuipers (aangehaald in voetnoot 51, punten 32 en 34).
53 – Aangaande de voorrang van het gemeenschapsrecht, zie de in voetnoot 49 genoemde rechtspraak.
54 – Zie mijn opmerkingen over de derde prejudiciële vraag (punten 71‑76 van deze conclusie).
55 – Eerste overweging van de considerans van verordening nr. 26.
56 – Zie nogmaals punt 96 van deze conclusie.
57 – Elfde overweging van de considerans van verordening nr. 1638/98.
58 – Ter terechtzitting heeft Cecasa bevestigd zelf te willen beoordelen of er sprake is van een „ernstige verstoring van de markt”, om vervolgens het door haar geplande systeem van particuliere opslag te activeren en de in deze context voorziene steunaankopen en ‑verkopen uit te voeren.
59 – Arresten Compassion in World Farming (aangehaald in voetnoot 51, punt 41), Milk Marque (aangehaald in voetnoot 2, punten 63 en 80) en Kuipers (aangehaald in voetnoot 51, punt 37).
60 – Arresten Compassion in World Farming (aangehaald in voetnoot 51, punt 41) en Kuipers (aangehaald in voetnoot 51, punt 37).
Full & Egal Universal Law Academy