Gevoegde zaken C‑55/07 en C‑56/07
Othmar Michaeler e.a.
tegen
Amt für sozialen Arbeitsschutz, voorheen Arbeitsinspektorat der Autonomen Provinz Bozen, en Autonome Provinz Bozen
[verzoeken van het Landesgericht Bozen (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 97/81/EG – Gelijke behandeling van deeltijdwerkers en voltijdwerkers – Discriminatie – Administratieve belemmering die mogelijkheid van deeltijdwerk beperkt”
Samenvatting van het arrest
Sociale politiek – Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Richtlijn 97/81 betreffende raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid
(Richtlijn 97/81 van de Raad, bijlage, clausule 5, lid 1, sub a)
Clausule 5, lid 1, sub a, van de raamovereenkomst betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81 betreffende die raamovereenkomst, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die eist dat binnen 30 dagen na de sluiting van een overeenkomst voor deeltijdarbeid een kopie daarvan aan de bevoegde autoriteit wordt gestuurd.
Het samenspel van deze administratieve formaliteit en een sanctieregeling volgens welke een geldboete wordt opgelegd voor elke arbeidsovereenkomst en voor elke dag vertraging waarmee deze wordt meegedeeld, zonder dat voor het totaalbedrag van de geldboete enig maximum is bepaald, draagt er namelijk toe bij de werkgevers af te schrikken om een beroep te doen op deeltijdarbeid.
Bovendien kan de verplichting om aan de overheid mededeling te doen van overeenkomsten voor deeltijdarbeid wegens de eraan verbonden kosten en sancties in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen raken. Aangezien deze niet beschikken over dezelfde middelen als grote ondernemingen, kunnen zij ertoe worden gebracht af te zien van de organisatie van de arbeid in deeltijd die richtlijn 97/81 juist wil bevorderen.
(cf. punten 27‑30 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
24 april 2008 (*)
„Richtlijn 97/81/EG – Gelijke behandeling van deeltijdwerkers en voltijdwerkers – Discriminatie – Administratieve belemmering die mogelijkheid van deeltijdwerk beperkt”
In de gevoegde zaken C‑55/07 en C‑56/07,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Landesgericht Bozen (Italië) bij beslissingen van 22 november 2006, ingekomen bij het Hof op 1 februari 2007, in de procedures
Othmar Michaeler (C‑55/07 en C‑56/07),
Subito GmbH (C‑55/07 en C‑56/07),
Ruth Volgger (C‑56/07)
tegen
Amt für sozialen Arbeitsschutz, voorheen Arbeitsinspektorat der Autonomen Provinz Bozen,
Autonome Provinz Bozen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues, A. Ó Caoimh, P. Lindh (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Fiengo, avvocato dello Stato,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek en I. Kaufmann-Bühler als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 januari 2008,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9) en het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
2 Die verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen Subito GmbH (hierna: „Subito”) en haar wettelijke vertegenwoordigers Michaeler en Volgger enerzijds, en het Amt für sozialen Arbeitsschutz, voorheen Arbeitsinspektorat der Autonomen Provinz Bozen, en de Autonome Provinz Bozen anderzijds, betreffende schending van de nationale regeling die bepaalt dat van overeenkomsten voor deeltijdarbeid mededeling moet worden gedaan.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Richtlijn 97/81 is gericht op de uitvoering van de op 6 juni 1997 door de algemene brancheoverkoepelende organisaties, namelijk de Unie van industrie‑ en werkgeversfederaties in Europa (Unice), het Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven (CEEP) en het Europees Verbond van vakverenigingen (EVV), gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn (hierna: „raamovereenkomst”).
4 De eerste en de tweede alinea van de preambule van de raamovereenkomst luiden:
„Deze kaderovereenkomst is een bijdrage aan het algemene Europese werkgelegenheidsbeleid. Deeltijdarbeid is in de afgelopen jaren van belangrijke betekenis geweest voor de werkgelegenheid. Daarom hebben de partijen bij deze overeenkomst hun aandacht vooral laten uitgaan naar deze vorm van arbeid. Het is hun bedoeling om ook de mogelijkheden na te gaan voor vergelijkbare overeenkomsten over andere vormen van flexibele arbeid.
Onder erkenning van de uiteenlopende situaties in de lidstaten en van het feit dat deeltijdwerk voor bepaalde sectoren en activiteiten kenmerkend is, verwoordt deze overeenkomst de algemene beginselen en de minimumvereisten betreffende deeltijdarbeid. De overeenkomst doet uitkomen dat de sociale partners een algemeen raamwerk wensen op te stellen om de discriminatie van deeltijdwerkers uit te bannen en om de ontwikkeling van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid te bevorderen op een manier die zowel voor werkgevers als voor werknemers aanvaardbaar is.”
5 Relevant voor deze zaken zijn de volgende bepalingen van de raamovereenkomst:
„Algemene overwegingen
[...]
5. Overwegende dat de partijen bij deze overeenkomst belang hechten aan maatregelen waardoor de toegang tot deeltijdarbeid voor mannen en vrouwen wordt vergemakkelijkt, teneinde hen in staat te stellen zich op het pensioen voor te bereiden, beroepsleven en gezinsleven te combineren en de mogelijkheden inzake onderwijs en opleiding te benutten, waardoor hun bekwaamheden en hun loopbaanontwikkeling worden verbeterd, zulks in het wederzijds belang van werkgevers en werknemers en op een manier waardoor de ontwikkeling van de ondernemingen wordt bevorderd;
[...]
Clausule 1: Doel
Het doel van deze raamovereenkomst is:
a) de opheffing van discriminatie van deeltijdwerkers te verzekeren en de kwaliteit van deeltijdarbeid te verbeteren;
b) de ontwikkeling van deeltijdarbeid op vrijwillige basis te vergemakkelijken en bij te dragen aan een flexibele organisatie van de arbeidstijd waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van werkgevers en werknemers.
[...]
Clausule 4: Het beginsel van gelijke behandeling
1. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdwerkers niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.
2. Wanneer zulks passend is, wordt het ‚pro rata temporis’-beginsel toegepast.
3. De wijze waarop deze clausule wordt toegepast, wordt door de lidstaten en/of de sociale partners bepaald met inachtneming van de Europese wetgeving en de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken.
4. Indien zulks om objectieve redenen gerechtvaardigd is, kunnen de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners eventueel de toegang tot bepaalde arbeidsvoorwaarden afhankelijk stellen van een bepaalde diensttijd, arbeidsduur of beloning. Drempelbepalingen voor deeltijdwerkers moeten op gezette tijden opnieuw worden bezien met inachtneming van het beginsel van non-discriminatie als bedoeld in clausule 4, punt 1.
Clausule 5: Mogelijkheden voor deeltijdwerk
1. In het kader van clausule 1 van deze overeenkomst en van het beginsel van non-discriminatie tussen deeltijd‑ en voltijdwerkers:
a) moeten de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving of gebruiken, de belemmeringen van juridische of administratieve aard waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, opsporen, onderzoeken en in voorkomend geval verwijderen;
b) moeten de sociale partners, handelend binnen hun bevoegdheden en volgens de procedures als neergelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten, de belemmeringen waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, opsporen, onderzoeken en in voorkomend geval verwijderen.
[...]”
Nationale regeling
6 Artikel 2 van wetsbesluit nr. 61 van 25 februari 2000 tot omzetting van richtlijn 97/81/EG betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (decreto legislativo n. 61, attuazione della direttiva 97/81/CE relativa all’accordo-quadro sul lavoro a tempo parziale concluso dall’UNICE, dal CEEP e dalla CES) (GURI nr. 66 van 20 maart 2000, blz. 4; hierna: „wetsbesluit nr. 61/2000”) legde de werkgevers de verplichting op om binnen 30 dagen na sluiting van een overeenkomst voor deeltijdarbeid een kopie daarvan aan de bevoegde provinciale directie van de arbeidsinspectie te sturen.
7 Krachtens artikel 8 van wetsbesluit nr. 61/2000 werd bij verzuim van deze verplichting een administratiefrechtelijke geldboete van 15 EUR per betrokken werknemer en per dag vertraging opgelegd.
8 De mededelingsplicht van artikel 2 van wetsbesluit nr. 61/2000 is afgeschaft bij wetsbesluit nr. 276 van 10 september 2003 (gewoon supplement bij GURI nr. 159 van 9 oktober 2003).
Hoofdgedingen en prejudiciële vraag
9 Bij besluiten van 25 maart en 29 april 2003 heeft het Amt für sozialen Arbeitsschutz, voorheen Arbeitsinspektorat der Autonomen Provinz Bozen, geldboeten van in totaal 233 550 EUR opgelegd aan Subito en haar wettelijke vertegenwoordigers Michaeler en Volgger, die in strijd met artikel 2 van wetsbesluit nr. 61/2000 hadden nagelaten verschillende overeenkomsten voor deeltijdarbeid mee te delen aan die dienst.
10 Tegen die besluiten hebben Subito en haar wettelijke vertegenwoordigers beroep ingesteld bij het Landesgericht Bozen.
11 In de verwijzingsbeslissingen betwijfelt deze rechter of de verplichting om overeenkomsten voor deeltijdarbeid mee te delen verenigbaar is met richtlijn 97/81. Terwijl deze richtlijn deeltijdarbeid wil bevorderen, gaan de nationale bepalingen in kwestie in tegengestelde richting, nu de verplichte mededeling van overeenkomsten voor deeltijdarbeid een bureaucratische belemmering van deze vorm van arbeidsorganisatie oplevert. Aangezien deze bepalingen deeltijdarbeid duurder maken, leiden zij ook tot ongelijke behandeling en tot mededingingsverstoring ten gunste van ondernemingen die voltijdwerkers aanstellen.
12 De verwijzende rechter meent verder dat de regeling die in de hoofdgedingen aan de orde is, indirect inbreuk maakt op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, aangezien deeltijdarbeid vaker door laatstgenoemden wordt verricht (arresten van 13 mei 1986, Bilka-Kaufhaus, 170/84, Jurispr. blz. 1607; 7 maart 1996, Freers en Speckmann, C‑278/93, Jurispr. blz. I‑1165; 17 juni 1998, Hill en Stapleton, C‑243/95, Jurispr. blz. I‑3739, en 15 september 1998, Ansaldo Energia e.a., C‑279/96–C‑281/96, Jurispr. blz. I‑5025).
13 Daarom heeft het Landesgericht Bozen de behandeling van de zaken geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Zijn nationale bepalingen (artikelen 2 en 8 van wetsbesluit nr. 61/2000) waarbij de werkgevers worden verplicht om binnen 30 dagen na het sluiten van overeenkomsten voor deeltijdarbeid een kopie daarvan naar de bevoegde provinciale directie van de arbeidsinspectie te sturen en waarbij, ingeval geen kopie wordt gestuurd, een geldboete van 15 EUR per betrokken werknemer en per dag vertraging wordt opgelegd, zonder dat voor de administratiefrechtelijke geldboete een bovengrens wordt vastgesteld, al dan niet verenigbaar met de bepalingen van gemeenschapsrecht en met richtlijn 97/81 [...]?”
14 Bij beschikking van de president van het Hof van 18 april 2007 zijn de zaken C‑55/07 en C‑56/07 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
15 De Italiaanse regering stelt dat wetsbesluit nr. 61/2000 dezelfde doelstelling nastreeft als richtlijn 97/81, die daarbij is omgezet in nationaal recht, namelijk de bescherming en aanmoediging van deeltijdarbeid. In dat verband is de mededelingsverplichting voor overeenkomsten voor deeltijdarbeid een instrument dat de coördinatie van alle in Italië met de arbeidsinspectie belaste diensten mogelijk maakt. Deze maatregel draagt bij tot de strijd tegen zwartwerk en stelt de verschillende arbeidsinspectiediensten in staat via een databank op de hoogte te blijven van de praktijken op de markt.
16 Deze maatregel is helemaal geen bureaucratische belemmering, maar integendeel een garantie voor doorzichtigheid voor de werkgevers en een middel in de strijd tegen illegale arbeid. Een dergelijke formaliteit levert verder geen enkele ongelijkheid op, noch enige verstoring van de mededinging tussen ondernemingen.
17 De Commissie van de Europese Gemeenschappen meent dat de met een geldboete verbonden verplichting om de betrokken overeenkomsten mee te delen aan de arbeidsinspectie indruist tegen het doel van richtlijn 97/81.
18 Deze richtlijn wil enerzijds de discriminatie van deeltijdwerkers opheffen en anderzijds de ontwikkeling van deeltijdarbeid vergemakkelijken, met name door het verwijderen van belemmeringen die de ondernemingen kunnen ontmoedigen om een beroep te doen op deze vorm van arbeid. Krachtens richtlijn 97/81 moet deeltijdarbeid net zo worden behandeld als voltijdarbeid, zowel wat de arbeidsvoorwaarden als wat de toegang tot het arbeidsproces betreft. Clausule 5 van de raamovereenkomst staat aldus in de weg aan het instellen van belemmeringen die niet om objectieve redenen gerechtvaardigd zijn. In de considerans van de richtlijn is sprake van de vaststelling van een algemeen raamwerk om de discriminatie van deeltijdwerkers uit te bannen, en van de bevordering van de ontwikkeling van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid. Volgens punt 5 van de algemene overwegingen van de raamovereenkomst moet de toegang tot deeltijdarbeid voor mannen en vrouwen worden vergemakkelijkt.
19 Hoewel het aan de nationale rechter staat om na te gaan of de betrokken maatregel om objectieve redenen gerechtvaardigd is, betwijfelt de Commissie of dat in casu het geval is. Onder verwijzing naar de arresten van 12 december 1989, Messner (C‑265/88, Jurispr. blz. 4209, punt 14), en 29 februari 1996, Skanavi en Chryssanthakopoulos (C‑193/94, Jurispr. blz. I‑929, punt 36), herinnert zij er in dat verband aan dat rekening moet worden gehouden met de sanctieregeling die met de betrokken nationale regeling verbonden is, en inzonderheid met de evenredigheid daarvan. In casu is die sanctieregeling zeer streng, aangezien voor de geldboeten geen maximum is bepaald.
20 Ten slotte meent de Commissie dat niet behoeft te worden onderzocht of de betrokken nationale maatregel discriminerend is voor vrouwen, aangezien deze vraag niet voldoende nauw verband houdt met de hoofdgedingen.
Antwoord van het Hof
21 Richtlijn 97/81 en de raamovereenkomst willen enerzijds deeltijdarbeid bevorderen en anderzijds de discriminatie tussen deeltijd‑ en voltijdwerkers uitbannen.
22 Dit tweeledige doel blijkt uit de bewoordingen van clausule 1 van de raamovereenkomst (zie punt 5 van dit arrest) en uit de considerans van richtlijn 97/81. Volgens de vijfde overweging van deze richtlijn is „er in de conclusies van de Europese Raad van Essen op [...] gewezen dat er maatregelen moeten worden genomen om de werkgelegenheid en de gelijkheid van kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen en het werkgelegenheidseffect van de groei te vergroten, met name door een flexibelere organisatie van het werk waarbij ingespeeld wordt op de wensen van de werknemers alsook op de eisen van de concurrentie”. Verder blijkt uit de elfde overweging van de richtlijn dat de ondertekenaars van de raamovereenkomst „hun wil te kennen hebben gegeven een algemeen kader vast te stellen om een einde te maken aan de discriminatie van deeltijdwerkers en bij te dragen tot de uitbreiding van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid op een zowel voor de werkgevers als voor de werknemers aanvaardbare basis”. Volgens de achttiende overweging van de richtlijn ten slotte heeft „de Commissie haar voorstel voor een richtlijn [...] opgesteld met inachtneming van artikel 2, lid 2, van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek [gesloten tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1992, C 191, blz. 91), die is gehecht aan het protocol (nr. 14) betreffende de sociale politiek dat is gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap], dat bepaalt dat in de wetgeving op sociaal gebied ‚wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd’”.
23 Overeenkomstig de doelstelling van bevordering van deeltijdarbeid bepaalt clausule 5, lid 1, sub a, van de raamovereenkomst dat de lidstaten „de belemmeringen van juridische of administratieve aard waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, [moeten] opsporen, onderzoeken en in voorkomend geval verwijderen”.
24 Artikel 2 van wetsbesluit nr. 61/2000, dat de ondernemingen verplicht de bevoegde autoriteiten een kopie te sturen van elke overeenkomst voor deeltijdarbeid, betekent een administratieve belemmering waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt in de zin van clausule 5, lid 1, sub a, van de raamovereenkomst.
25 Uit het door de verwijzende rechter aan het Hof overgelegde dossier blijkt niet dat dezelfde mededelingsplicht ook geldt bij de sluiting van overeenkomsten voor voltijdarbeid.
26 Het argument van de Italiaanse regering dat deze mededelingsplicht wordt gerechtvaardigd door de noodzaak zwartwerk te bestrijden en de administratie op de hoogte te brengen van de praktijken van de werkgevers, kan niet overtuigen. Opdat dergelijke overwegingen de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde maatregel kunnen rechtvaardigen, moet deze maatregel immers evenredig zijn aan het nagestreefde doel. Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 tot en met 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, bestaan er andere, minder belastende voorzieningen waarmee de Italiaanse regering het gestelde doel van fraude‑ en zwartwerkbestrijding kan bereiken, op welk gebied de nationale autoriteiten reeds over middelen van toezicht, inspectie en politie beschikken.
27 Naast de economische lasten die deze administratieve mededelingsformaliteit rechtstreeks op de ondernemingen legt, omvat artikel 2 van wetsbesluit nr. 61/2000 nog een sanctieregeling volgens welke een geldboete van 15 EUR wordt opgelegd voor elke arbeidsovereenkomst en voor elke dag vertraging waarmee deze wordt meegedeeld, zonder dat voor het totaalbedrag van de geldboete enig plafond is bepaald.
28 Het samenspel van deze administratieve formaliteit en deze sanctieregeling draagt ertoe bij de werkgevers af te schrikken om een beroep te doen op deeltijdarbeid.
29 Bovendien kan de verplichting om mededeling te doen van overeenkomsten voor deeltijdarbeid wegens de eraan verbonden kosten en sancties in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen raken. Aangezien deze niet beschikken over dezelfde middelen als grote ondernemingen, kunnen zij ertoe worden gebracht af te zien van de organisatie van de arbeid in deeltijd die richtlijn 97/81 juist wil bevorderen.
30 Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de uitlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, moet op de vraag van het Landesgericht Bozen dan ook worden geantwoord dat clausule 5, lid 1, sub a, van de raamovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als aan de orde is in de hoofdgedingen, die vereist dat binnen 30 dagen na de sluiting van een overeenkomst voor deeltijdarbeid een kopie daarvan aan de bevoegde autoriteit wordt gestuurd.
Kosten
31 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Clausule 5, lid 1, sub a, van de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling als aan de orde is in de hoofdgedingen, die vereist dat binnen 30 dagen na de sluiting van een overeenkomst voor deeltijdarbeid een kopie daarvan aan de bevoegde autoriteit wordt gestuurd.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy