Zaak C‑78/07
Ispettorato Provinciale dell’Agricoltura di Enna e.a.
tegen
Domenico Valvo
(verzoek van de Consiglio di Giustizia amministrativa per la Regione siciliana om een prejudiciële beslissing)
„Landbouw – Verordeningen (EEG) nr. 2328/91 en (EG) nr. 950/97 – Artikelen 17 en 18 – Compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen – Landbouwers die anciënniteitspensioen ontvangen – Recht op compenserende vergoeding – Grenzen”
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 13 maart 2008
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Structuurhervorming – Verbetering van doeltreffendheid van structuur
(Verordening nr. 950/97 van de Raad, art. 17 en 18)
De artikelen 17 en 18 van verordening nr. 950/97 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur bieden de lidstaten de mogelijkheid, een compenserende vergoeding te verlenen aan een bedrijfshoofd dat voldoet aan de in deze twee artikelen gestelde voorwaarden. Zij verzetten zich er evenwel niet tegen dat een lidstaat de betaling van een dergelijke vergoeding weigert indien dit bedrijfshoofd een pensioen, en met name een anciënniteitspensioen, ontvangt.
(cf. punt 23 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
13 maart 2008 (*)
„Landbouw – Verordeningen (EEG) nr. 2328/91 en (EG) nr. 950/97 – Artikelen 17 en 18 – Compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen – Landbouwers die anciënniteitspensioen ontvangen – Recht op compenserende vergoeding – Grenzen”
In zaak C‑78/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Consiglio di Giustizia amministrativa per la Regione siciliana (Italië) bij beslissing van 18 mei 2006, ingekomen bij het Hof op 13 februari 2007, in de procedure
Ispettorato Provinciale dell’Agricoltura di Enna,
Assessorato all’agricoltura e foreste della Regione Sicilia,
Regione Sicilia
tegen
Domenico Valvo,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: U. Lõhmus, kamerpresident, P. Lindh (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Cattabriga als gemachtigde,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 17 en 18 van verordening (EG) nr. 950/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB L 142, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in een geding tussen D. Valvo, enerzijds, en het Ispettorato Provinciale dell’Agricoltura di Enna (landbouwinspectiedienst van de provincie Enna), het Assessorato all’agricoltura e foreste della Regione Sicilia (regionaal ministerie van Land‑ en Bosbouw van de Regione Sicilia) en de Regione Sicilia, anderzijds, betreffende de afwijzing door bovengenoemde inspectiedienst van de verzoeken van eerstgenoemde tot toekenning van een compenserende vergoeding voor de jaren 1996 tot en met 1998.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 In de jaren 1996 tot en met 1998 werd de toekenning van een compenserende vergoeding in agrarische probleemgebieden in een eerste fase beheerst door verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PB L 218, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3669/93 van de Raad van 22 december 1993 (PB L 338, blz. 26; hierna: „verordening nr. 2328/91”), en vervolgens, in een tweede fase, door verordening nr. 950/97, die verordening nr. 2328/91 heeft ingetrokken en vervangen.
4 De artikelen 17 tot en met 19 van verordening nr. 950/97, die deel uitmaken van titel IX ervan, „Steun voor de agrarische probleemgebieden”, en van ondertitel I, „Compenserende vergoedingen”, en die de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 2328/91 grotendeels overnemen, luiden als volgt:
„Artikel 17
1. Teneinde de landbouw in stand te houden en aldus een bevolkingsminimum te behouden of tot de landschapsverzorging bij te dragen in sommige probleemgebieden, aan te wijzen volgens de procedure van artikel 21, kunnen de lidstaten een steunregeling instellen om de landbouw te bevorderen en het inkomen van de landbouwers in de betrokken gebieden te verhogen.
Bij toepassing van de in deze regeling omschreven maatregelen dient rekening te worden gehouden met de situatie en de ontwikkelingsdoelstellingen van elk gebied.
2. In de in lid 1 bedoelde gebieden kunnen de lidstaten voor de uitoefening van landbouwactiviteiten een jaarlijkse compenserende vergoeding toekennen naar verhouding van de omvang van de permanente natuurlijke belemmeringen.
Artikel 18
1. De lidstaten kunnen de compenserende vergoeding toekennen aan bedrijfshoofden die ten minste drie hectare nuttig landbouwareaal (NLA) exploiteren en de verbintenis aangaan om gedurende ten minste vijf jaar na de eerste betaling van een compenserende vergoeding een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen die beantwoordt aan de doelstellingen van artikel 17. Het bedrijfshoofd kan van deze verbintenis worden ontslagen, indien hij zijn landbouwactiviteit beëindigt en verdere exploitatie van de betrokken oppervlakten gewaarborgd is; hij wordt van deze verbintenis ontslagen in geval van overmacht en met name in geval van onteigening of aankoop ten algemenen nutte. Voorts wordt het bedrijfshoofd van deze verbintenis ontslagen wanneer hij een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt.
Voor de Italiaanse regio van de Mezzogiorno, met inbegrip van de eilanden, voor de gebieden in de Franse overzeese departementen en voor de Spaanse, Griekse en Portugese gebieden wordt de minimumoppervlakte NLA per bedrijf evenwel vastgesteld op twee hectare.
2. De lidstaten mogen voor de toekenning van de compenserende vergoeding aanvullende of beperkende voorwaarden vaststellen, zulks ook ten behoeve van de toepassing van methoden die met de vereisten inzake milieubescherming en instandhouding van het landschap verenigbaar zijn.
Artikel 19
[...]
3. De uitgaven voor de compenserende vergoeding komen evenwel niet in aanmerking voor medefinanciering door het [Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw] wanneer de betrokken landbouwer een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt.
Het is verboden een compenserende vergoeding voor permanente natuurlijke belemmeringen toe te kennen die van de in deze titel bedoelde grenzen of voorwaarden afwijkt.
[…]”
Nationale regeling
5 De communautaire bepalingen inzake compenserende vergoedingen zijn via het operationele meerfondsenprogramma (POP 2) (Gazzetta Ufficiale della Regione Siciliana van 13 januari 1996; hierna: „operationeel programma”) in het recht van de Regione Sicilia omgezet.
6 Deze vergoedingen worden volgens het operationele programma toegekend aan bedrijfshoofden die ten minste twee hectare nuttig landbouwareaal exploiteren en de verbintenis aangaan om gedurende ten minste vijf jaar na de indiening van de eerste aanvraag en na de uitkering van de steun een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen en die geen ouderdomspensioen of uitkering voor vervroegde uittreding ontvangen.
7 Volgens het operationele programma kunnen van deze in het vorige punt bedoelde verbintenis van vijf jaar worden ontslagen de bedrijfshoofden die:
– hun landbouwactiviteit beëindigen, mits verdere exploitatie van het bedrijf gewaarborgd is;
– hun landbouwactiviteit beëindigen wegens overmacht en met name in geval van onteigening of aankoop ten algemenen nutte;
– tijdens de duur van de verbintenis een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangen.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8 Valvo, een voormalig bankbediende, heeft op de leeftijd van 44 jaar ontslag genomen om zich aan zijn landbouwbedrijf te wijden. Sinds zijn ontslag ontvangt hij een sociale uitkering wegens anciënniteit, die wordt uitbetaald door het pensioenfonds van zijn ex-werkgever, dat wordt gefinancierd door de bijdragen van de werknemers.
9 Valvo heeft voor de jaren 1994 tot en met 1998 een compenserende vergoeding aangevraagd. Hij heeft deze gekregen voor de jaren 1994 en 1995, maar voor de drie daaropvolgende jaren is deze uitkering hem geweigerd. Bij besluit van 4 juni 1999 heeft het Ispettorato Provinciale dell’Agricoltura di Enna zijn verzoek tot toekenning van een compenserende vergoeding namelijk afgewezen voor de drie jaren 1996, 1997 en 1998, op grond dat Valvo een uitkering voor vervroegde uittreding ontving.
10 Valvo heeft beroep tot nietigverklaring van dit besluit ingesteld bij het Tribunale amministrativo regionale per la Sicilia, dat dit beroep heeft toegewezen. Het Tribunale was van oordeel dat het anciënniteitspensioen van Valvo niet kan worden gelijkgesteld met een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding en dat hij voldoet aan alle voorwaarden om een compenserende vergoeding te ontvangen. Het Ispettorato Provinciale dell’Agricoltura di Enna, het Assessorato all’agricoltura e foreste della Regione Sicilia en de Regione Sicilia hebben bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tegen dit in eerste aanleg gewezen vonnis.
11 Aangezien de Consiglio di Giustizia Amministrativa per la Regione siciliana twijfels heeft over de uitlegging van de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 950/97, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Kan de compenserende vergoeding worden geweigerd aan een bedrijfshoofd wanneer hij tevens een pensioen ontvangt, en met name een anciënniteitspensioen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Voorafgaande opmerking
12 De feiten van het hoofdgeding worden voor een deel van de betrokken periode beheerst door verordening nr. 950/97 en voor een ander deel door verordening nr. 2328/91. Aangezien de relevante bepalingen van deze twee verordeningen evenwel grotendeels overeenstemmen en de verwijzende rechter, de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen slechts verwijzen naar verordening nr. 950/97, hoeft bij de beantwoording van de gestelde vraag slechts te worden uitgegaan van de bepalingen van deze verordening.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
13 De Italiaanse regering en de Commissie zijn beide van mening dat verordening nr. 950/97 de lidstaten de mogelijkheid biedt, een compenserende vergoeding te betalen aan een landbouwer die daarnaast nog een ouderdomspensioen of een andere sociale uitkering ontvangt.
14 De Italiaanse regering stelt evenwel dat, indien de betrokken lidstaat ervoor heeft geopteerd om geen compenserende vergoeding te verlenen wanneer het bedrijfshoofd een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt, de betaling van deze vergoeding is uitgesloten wanneer het bedrijfshoofd een pensioen, en met name een anciënniteitspensioen, ontvangt. Volgens de Commissie verzet bovengenoemde verordening zich er niet tegen dat een lidstaat een compenserende vergoeding toekent aan een bedrijfshoofd dat zijn activiteit voortzet en tegelijkertijd een pensioen ontvangt, ook indien het gaat om een anciënniteitspensioen.
Antwoord van het Hof
15 Volgens artikel 17 van verordening nr. 950/97 kunnen de lidstaten een steunregeling in de vorm van compenserende vergoedingen instellen om de landbouw te bevorderen en het inkomen van de landbouwers in bepaalde probleemgebieden te verhogen.
16 Artikel 18, lid 1, van de verordening bepaalt dat de lidstaten deze compenserende vergoeding aan bedrijfshoofden kunnen toekennen, voor zover zij aan twee voorwaarden voldoen: zij moeten een bepaalde minimumoppervlakte nuttig landbouwareaal exploiteren, namelijk twee hectare in de Italiaanse regio van de Mezzogiorno, met inbegrip van de eilanden, en zij moeten de verbintenis aangaan om gedurende ten minste vijf jaar een landbouwactiviteit te blijven uitoefenen die beantwoordt aan de doelstellingen van artikel 17 van de verordening.
17 Uit de formulering zelf van de artikelen 17 en 18, met name uit het herhaalde gebruik van het werkwoord „kunnen”, blijkt dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om een compenserende vergoeding te verlenen aan bedrijfshoofden die voldoen aan de in deze artikelen gestelde voorwaarden. Verder bepaalt artikel 18, lid 2, van verordening nr. 950/97 uitdrukkelijk dat de lidstaten voor de toekenning van deze vergoeding aanvullende of beperkende voorwaarden mogen vaststellen. De gemeenschapswetgever heeft de lidstaten dus op dit gebied een zekere beoordelingsvrijheid verleend (zie arrest van 22 oktober 1998, Jokela en Pitkäranta, C‑9/97 en C‑118/97, Jurispr. blz. I‑6267, punten 36 en 37).
18 Bovendien bevatten de artikelen 18, lid 1, eerste alinea, en 19, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 950/97 specifieke bepalingen betreffende de ontvangst door een bedrijfshoofd van een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding. Wanneer het bedrijfshoofd een dergelijk pensioen of een dergelijke vergoeding ontvangt, is hij vrijgesteld van zijn verbintenis om gedurende vijf jaar zijn activiteit te blijven uitoefenen. Verder is in dat geval medefinanciering van de compenserende vergoeding door de Gemeenschap uitgesloten.
19 Bovengenoemde bepalingen betreffen niet de mogelijkheid voor de lidstaten om een compenserende vergoeding te verlenen wanneer het bedrijfshoofd een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt, maar enkel de gevolgen hiervan voor zowel het bedrijfshoofd als de Europese Gemeenschap.
20 Hieruit volgt dat de lidstaten de mogelijkheid hebben om al dan niet een compenserende vergoeding te verlenen wanneer het bedrijfshoofd een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt. Dit geldt ook wanneer de betrokkene andere sociale uitkeringen, zoals een anciënniteitspensioen, ontvangt, die niet onder een van de specifieke regelingen van verordening nr. 950/97 vallen en dus onderworpen zijn aan de regeling van de artikelen 17 en 18 van deze verordening. Indien het bedrijfshoofd een ander soort uitkering, zoals een anciënniteitspensioen, ontvangt, behouden de lidstaten dus de mogelijkheid om hem al dan niet een compenserende vergoeding te verlenen.
21 Blijkens de aan het Hof voorgelegde nationale regeling wordt de compenserende vergoeding niet verleend wanneer het bedrijfshoofd een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt. Deze uitsluiting lijkt zich daarentegen niet uit te strekken tot het geval waarin het bedrijfshoofd een anciënniteitspensioen ontvangt, zoals in het hoofdgeding aan de orde is.
22 Het staat evenwel niet aan het Hof om zich uit te spreken over de draagwijdte van nationale bepalingen. Dat is de taak van de nationale rechter, die dus zal moeten nagaan of de nationale wetgever, die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een compenserende vergoeding te verlenen aan bedrijfshoofden die voldoen aan de in punt 16 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden, alsook van de mogelijkheid om aan de betaling van deze vergoeding aanvullende voorwaarden te verbinden, de verlening ervan niet alleen heeft uitgesloten voor het geval dat de betrokkene een ouderdomspensioen of een uitkering voor vervroegde uittreding ontvangt, maar ook voor het geval dat hij een anciënniteitspensioen ontvangt.
23 Gelet op een en ander dient op de vraag te worden geantwoord dat de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 950/97 de lidstaten de mogelijkheid bieden, een compenserende vergoeding te verlenen aan een bedrijfshoofd dat voldoet aan de in deze twee artikelen gestelde voorwaarden. Zij verzetten zich er evenwel niet tegen dat een lidstaat de betaling van een dergelijke vergoeding weigert indien dit bedrijfshoofd een pensioen, en met name een anciënniteitspensioen, ontvangt.
Kosten
24 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Zevende kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 17 en 18 van verordening (EG) nr. 950/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur, bieden de lidstaten de mogelijkheid, een compenserende vergoeding te verlenen aan een bedrijfshoofd dat voldoet aan de in deze twee artikelen gestelde voorwaarden. Zij verzetten zich er evenwel niet tegen dat een lidstaat de betaling van een dergelijke vergoeding weigert indien dit bedrijfshoofd een pensioen, en met name een anciënniteitspensioen, ontvangt.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy