Zaak C‑221/07
Krystyna Zablocka-Weyhermüller
tegen
Land Baden-Württemberg
(verzoek van het Sozialgericht Stuttgart om een prejudiciële beslissing)
„Uitkeringen aan nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers – Voorwaarde van verblijf op nationaal grondgebied – Artikel 18, lid 1, EG”
Samenvatting van het arrest
1. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Bevoegdheid van nationale rechter – Vaststelling en beoordeling van feiten van geding – Noodzaak van prejudiciële vraag en relevantie van gestelde vragen – Beoordeling door nationale rechter
(Art. 234 EG)
2. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Kennelijk irrelevante vragen en hypothetische vragen gesteld in context waarin nuttig antwoord is uitgesloten – Vragen zonder verband met voorwerp van hoofdgeding
(Art. 234 EG)
3. Burgerschap van Europese Unie – Recht om vrij op grondgebied van lidstaten te reizen en te verblijven – Sociale voordelen
(Art. 18 EG)
1. In het kader van de procedure van artikel 234 EG is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.
(cf. punt 20)
2. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter in het kader van de procedure van artikel 234 EG slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het onderwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.
(cf. punt 20)
3. Artikel 18, lid 1, EG moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan de lidstaat betaling van bepaalde aan de nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers toegekende uitkeringen weigert op de enkele grond dat zij wonen op het grondgebied van bepaalde, met name genoemde lidstaten.
Inderdaad zijn de wens om een passende uitkering te bieden aan buiten de betrokken lidstaat wonende gerechtigden, rekening houdend met de bestaande verschillen tussen de kosten van levensonderhoud, het inkomen en de gemiddelde hoogte van de bijstandsuitkeringen in die lidstaat en die in de staat waar de rechthebbende woont, alsmede de noodzaak, voldoende controle mogelijk te maken op de situatie van de rechthebbenden wat werk en sociale omstandigheden betreft, met name op hun inkomen, objectieve overwegingen van algemeen belang die rechtvaardigen dat de voorwaarden of betalingsvorm van die uitkeringen van nadelige invloed kunnen zijn op de vrijheid van verkeer.
Een dergelijke woonplaatsvoorwaarde kan echter niet als evenredig aan de beoogde doelstellingen worden beschouwd voor zover zij de opschorting van die uitkeringen uitdrukkelijk beperkt tot rechthebbenden die wonen of verblijven op het grondgebied van bepaalde lidstaten, zonder er rekening mee te houden dat er staten zijn die niet in de nationale regeling worden genoemd en waar de kosten van levensonderhoud lager liggen dan in sommige van de in de regeling bedoelde lidstaten. Ook zou de noodzaak om voldoende controle mogelijk te maken op de situatie van de rechthebbenden wat werk en sociale omstandigheden betreft, op gelijke wijze moeten gelden in alle lidstaten, of zij nu wel of niet in de nationale regeling worden genoemd.
Voor zover een dergelijke regeling de betaling van de in die regeling voorziene uitkeringen slechts opschort, kan voorts niet met recht worden volgehouden dat zij geschikt is om die uitkeringen aan de huidige verschillen tussen de betrokken lidstaat en de staat waar de rechthebbende woont, aan te passen wat kosten van levensonderhoud, inkomen en gemiddelde hoogte van de bijstandsuitkeringen betreft.
Ten slotte kan in geval van naar rato van het inkomen verleende uitkeringen weliswaar een controle op de situatie van de rechthebbenden wat werk en sociale omstandigheden betreft, noodzakelijk blijken te zijn, maar dit neemt niet weg dat de opschorting van deze uitkeringen een maatregel is die verder gaat dan voor het verrichten van een dergelijke controle noodzakelijk is.
(cf. punten 38‑39, 41-44, 46-48 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
4 december 2008 (*)
„Uitkeringen aan nabestaanden van oorlogsslachtoffers – Voorwaarde van verblijf op nationaal grondgebied – Artikel 18, lid 1, EG”
In zaak C‑221/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Sozialgericht Stuttgart (Duitsland) bij beslissing van 26 april 2007, ingekomen bij het Hof op 2 mei 2007, in de procedure
Krystyna Zablocka-Weyhermüller
tegen
Land Baden-Württemberg,
in tegenwoordigheid van:
Bundesrepublik Deutschland,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, T. von Danwitz, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), E. Juhász en J. Malenovský, rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– het Land Baden-Württemberg, vertegenwoordigd door H. Sprau als gemachtigde,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en M. Lumma als gemachtigden,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door T. Nowakowski als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz als gemachtigde,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 18, lid 1, EG.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen K. Zablocka-Weyhermüller en het Land Baden-Württemberg over de weigering van deze deelstaat om haar bepaalde uitkeringen te betalen waarop zij aanspraak maakt als nabestaande echtgenote van een oorlogsslachtoffer.
Nationale wettelijke regeling
3 De nationale wettelijke regeling is de federale wet inzake bijstand aan oorlogsslachtoffers (Bundesversorgungsgesetz) van 20 december 1950, in de versie van 22 januari 1982 (BGBl. 1982 I, blz. 21), zoals laatstelijk gewijzigd bij wet van 19 juni 2006 (BGBl. 2006 I, blz. 1305) (hierna: „BVG”), en het besluit inzake bijstand in het buitenland (Auslandsversorgungsverordnung) van 30 juni 1990 (BGBl. 1990 I, blz. 1321) (hierna: „AuslVersV”), dat dient ter uitvoering van deze wet.
4 Krachtens § 9, punt 5, BVG hebben nabestaanden van oorlogsslachtoffers in principe de in de §§ 38 tot en met 52 van deze wet neergelegde rechten op nabestaandenpensioen. Naast het basispensioen, dat overigens niet wordt geïndexeerd, bestaat onder bepaalde bijkomende voorwaarden recht op compensatie in geval van door invaliditeit veroorzaakt inkomensverlies van het oorlogsslachtoffer, berekend aan de hand van het theoretisch inkomen dat zonder de invaliditeit zou zijn verdiend (§ 40a BVG), alsook in voorkomend geval recht op vergoeding van zorgkosten (§ 40b BVG) en/of recht op compensatiepensioen (§ 41 BVG). Indien de nabestaande echtgenoot 45 jaar of ouder is, komt hij voorts op grond van § 41, leden 1, sub b, en 2, BVG in aanmerking voor een volledig compensatiepensioen, onder aftrek van eventuele eigen inkomsten.
5 Naast deze uitkeringen bestaat er in beginsel overeenkomstig § 9, punt 1, en § 10, lid 4, aanhef en sub c, BVG recht op medische zorg, alsmede de rechten van § 9, punt 2, en de §§ 25 tot en met 27j BVG in het kader van sociale hulp aan oorlogsslachtoffers. Deze uitkeringen worden echter toegekend naargelang van de behoefte.
6 Voor aanvragers die buiten Duitsland wonen of hun gewone verblijfplaats hebben, geldt de uitzonderingsregeling van § 64a tot en met f BVG.
7 § 64e BVG bepaalt:
„(1) Oorlogsslachtoffers die wonen of hun gewone verblijfplaats hebben in een bij besluit volgens lid 5 aangewezen staat, ontvangen deelbijstand overeenkomstig de leden 2 tot en met 4. Voor het overige wordt het recht op bijstand opgeschort.
(2) De deelbijstand omvat basispensioen, met inbegrip van de uitkering van § 44, lid 1, toelage voor ernstig invaliden, thuiszorgtoelage, ouderpensioen en begrafenisvergoeding ter hoogte van een derde van de bedragen voortvloeiend uit de §§ 31, 35, 36, 40, 46, 51 en 53, alsook overlijdensvergoeding volgens § 37. Het basispensioen wordt voor invaliden verhoogd met een derde van het bedrag dat in § 31, lid 1, eerste zin, is vastgesteld als basispensioen voor een invalide met een verminderde verdiencapaciteit van 40 %. Bij pensioenuitkeringen wordt met buitenlandse inkomsten alleen rekening gehouden in de gevallen van § 48. Bij de steun aan weduwen en wezen wordt in alle gevallen uitgegaan van het volledige bedrag van het hun toekomende weduwe‑ en wezenpensioen, uitgaande van een derde van het in § 33, lid 1, sub a, genoemde referentiebedrag. Bij de berekening van de begrafenisvergoeding wordt in alle gevallen uitgegaan van het in § 36, lid 1, tweede zin, en § 53, tweede zin, genoemde hogere bedrag.
(3) De deelbijstand omvat ook fysiotherapie volgens § 64a, lid 1. Toelagen volgens § 11, lid 3, worden niet betaald; het Bondsministerie voor Arbeid en Sociale Zaken kan uitzonderingen toestaan. Gedurende een tijdelijk verblijf buiten de bij besluit volgens lid 5 aangewezen staten kunnen verstrekkingen van fysiotherapie en medische zorg volgens § 64a, lid 2, worden verricht voor zover naar medisch oordeel onmiddellijke behandeling noodzakelijk is. Aanspraken ingevolge de leden 1 tot en met 3 zijn uitgesloten indien jegens organen van verplichte of vrijwillige verzekering of vergelijkbare instanties aanspraak kan worden gemaakt op overeenkomstige verstrekkingen.
(4) De in § 64b, lid 1, genoemde verstrekkingen van sociale hulp aan oorlogsslachtoffers kunnen worden verricht met toestemming van het Bondsministerie voor Arbeid en Sociale Zaken. § 27b, lid 3, eerste zin, wordt niet toegepast.
(5) De regering van de Bondsrepubliek wordt gemachtigd om bij besluit, met toestemming van de Bundesrat, de staten te aan te wijzen waarin om bijzondere redenen, met name de in vergelijking met de Bondsrepubliek Duitsland lagere gemiddelde hoogte van overeenkomstige sociale uitkeringen alsook de situatie en ontwikkeling na de Tweede Wereldoorlog, deelbijstand ingevolge lid 1 wordt betaald. In dit besluit
a) kan het in lid 2, eerste zin, genoemde referentiepercentage van een derde voor individuele uitkeringen anders worden vastgesteld, alsook kan de berekeningswijze nader worden geregeld;
b) kunnen in geval van een belangrijke wijziging in de voor de deelbijstand bepalende verhoudingen (eerste zin), de referentiepercentages van lid 2, eerste en tweede zin, dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(6) In bijzondere gevallen kan de deelbijstand volgens lid 2, eerste en tweede zin, alsmede lid 5, tweede zin, met toestemming van het Bondsministerie voor Arbeid en Sociale Zaken worden verruimd.
(7) Voor de duur van een tijdelijk verblijf van ten minste een week buiten de bij besluit volgens lid 5 aangewezen staten kunnen met toestemming van het Bondsministerie voor Arbeid en Sociale Zaken de in lid 2, eerste zin, genoemde pensioenuitkeringen, voor zover zij hoger zijn dan de bedragen volgens lid 2, eerste en tweede zin, worden betaald, en een derde van het compensatiepensioen; lid 2, derde zin, wordt toegepast. Perioden van klinische behandeling in de zin van deze wet of van revalidatie [Erholungsmaßnahme] ingevolge § 27b worden slechts voor een derde in aanmerking genomen.”
8 In § l AuslVersV, dat uitvoering geeft aan § 64e BVG, is onder het kopje „Toepassingsgebied” het volgende bepaald:
„Deelbijstand volgens § 64e [BVG] wordt uitgekeerd aan Duitsers en tot het Duitse volk behorende personen, met woonplaats of gewone verblijfplaats in Albanië, Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Rusland, Slowakije, Slovenië, de Tsjechische Republiek, Hongarije, en in de overige staten op het gebied van voormalig Joegoslavië en de voormalige Sovjetunie.”
9 § 2 AuslVersV, „Afwijkend referentiebedrag”, luidt:
„(1) Het referentiebedrag van § 64e, lid 2, eerste zin, [BVG] bedraagt 60 %. Het referentiebedrag voor de begrafenisvergoeding bedraagt 45 %.
(2) Het referentiebedrag van de toeslag volgens § 64e, lid 2, tweede zin, [BVG] bedraagt 40 % van het bedrag van het per geval toepasselijke basispensioen ingevolge § 31, lid 1, eerste zin, [BVG].
(3) Volle wezen ontvangen in afwijking van § 64e, lid 2, eerste zin, [BVG] drie vierde van het basispensioen.
(4) Invaliden ontvangen basispensioen ter hoogte van het tot dusver betaalde bedrag, voor zover dit hoger is.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10 Zablocka-Weyhermüller, die de Poolse nationaliteit bezit, is geboren in 1952. Zij is met Weyhermüller gehuwd op 7 september 2002. Deze laatste, die al jaren als erkend ernstig oorlogsinvalide recht had op een invaliditeitspensioen, overleed op 12 januari 2004. Tot die datum woonde hij in het bevoegdheidsgebied van het Versorgungsamt Münster (uitkeringsinstantie voor bijstand aan oudstrijders en oorlogsslachtoffers te Münster), in Duitsland, en ontving hij zijn pensioen met enkele verhogingen alsmede verschillende vergoedingen. Het laatstbetaalde pensioenbedrag was 1 419 EUR per maand.
11 Op 20 april 2004 vroeg Zablocka-Weyhermüller bij het Versorgungsamt Münster een volledig pensioen als oorlogsweduwe aan op grond van het BVG. In het verzoek maakte zij melding van het feit dat zij de Poolse nationaliteit bezat en dat zij voornemens was zich in de nabije toekomst in Polen te vestigen.
12 Bij beschikking van 27 mei 2004 wees het voor de betaling van uitkeringen in het buitenland bevoegde orgaan de aanvraag van Zablocka-Weyhermüller toe, waarbij het vaststelde dat het overlijden van haar echtgenoot het gevolg was van een oorlogsverwonding. Het weduwepensioen werd met ingang van 1 februari 2004 bepaald op 224 EUR per maand uit hoofde van deelbijstand zoals voortvloeiend uit de §§ 40 en 64e BVG.
13 Zablocka-Weyhermüller verzocht om verhoging van de haar toegekende uitkering op grond dat de voorheen door haar echtgenoot ontvangen uitkering aanmerkelijk hoger was geweest. Dit verzoek werd afgewezen bij beschikking van het bevoegd orgaan van 19 januari 2005. Het beroep bij de verwijzende rechter is gericht tegen deze beschikking. Het door verzoekster in het hoofdgeding ingestelde administratief beroep, dat met name berust op het feit dat de voormalige gemeenschappelijke woonplaats van het echtpaar in Duitsland gelegen was en dat de Republiek Polen thans deel uitmaakt van de Europese Unie, werd eveneens verworpen.
14 In de loop van het hoofdgeding besloot het Land Baden-Württemberg op 20 maart 2007 Zablocka-Weyhermüller met terugwerkende kracht tot de datum van ingang van belanghebbendes pensioenrecht, verhoogde deelbijstand ter hoogte van het geldend basispensioen toe te kennen overeenkomstig § 64e, lid 6, BVG. Het daaruit resulterende pensioen bedroeg 372 EUR per maand.
15 Daarop heeft het Sozialgericht Stuttgart de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„[...] Zijn de in het Duitse socialeverzekeringsrecht gestelde uitkeringsbeperkingen volgens § 64e [BVG] voor bijstandsgerechtigden met woonplaats of gewone verblijfplaats in Polen als nieuwe lidstaat van de EU, in overeenstemming met hogere regels van gemeenschapsrecht, in het bijzonder gelet op het vrij verkeer van personen[?]”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
16 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 18, lid 1, EG in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan de lidstaat betaling weigert van bepaalde aan de nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers toegekende uitkeringen, enkel op grond dat zij wonen op het grondgebied van bepaalde, met name genoemde lidstaten.
Ontvankelijkheid
17 Zowel het Land Baden-Württemberg als de Duitse regering zijn van mening dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is.
18 Wat het basispensioen voor weduwen betreft, dat op grond van § 64e, lid 1, eerste zin, BVG gedeeltelijk was verlaagd, merken zij op dat in het hoofdgeding, nu dit pensioen met terugwerkende kracht is verhoogd tot 100 % van de uitkering, de gestelde vraag niet langer relevant is voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geschil. Bovendien staat er volgens de Duitse regering een wetswijziging op stapel om per 1 januari 2008 het geldende deelbijstandsbedrag te verhogen van 60 % naar 100 %.
19 Met betrekking tot de overige uitkeringen, die worden toegekend naargelang van het inkomen en waarvan de uitbetaling overeenkomstig § 64e, lid 1, tweede zin, BVG is opgeschort, stelt de Duitse regering eveneens dat de relevantie van de prejudiciële vraag voor de beslechting van het geschil niet is aangetoond. Verzoekster in het hoofdgeding heeft tijdens de behandeling van het beroep door de verwijzende rechter een aanvullende vordering met betrekking tot die uitkeringen ingediend, die wijziging bracht in de oorspronkelijke vordering, maar die zij niet met argumenten heeft onderbouwd.
20 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het in het kader van de procedure van artikel 234 EG uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie met name arresten van 18 juli 2007, Lucchini, C‑119/05, Jurispr. blz. I‑6199, punt 43, en 15 november 2007, International Mail Spain, C‑162/06, Jurispr. blz. I‑9911, punt 23). Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het onderwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, Jurispr. blz. I‑2099, punt 39; 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, Jurispr. blz. I‑11421, punt 25; 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., C‑222/05–C‑225/05, Jurispr. blz. I‑4233, punt 22, en 8 november 2007, Amurta, C‑379/05, Jurispr. blz. I‑9569, punt 64).
21 In casu moet worden vastgesteld dat blijkens de verwijzingsbeschikking de nationale rechter het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding alsook de redenen waarom hij van oordeel is dat een antwoord op de gestelde vraag noodzakelijk is voor zijn uitspraak, in bijzonderheden aan het Hof heeft uiteengezet.
22 Voorts heeft de verwijzende rechter in zijn antwoord op het verzoek om toelichting van het Hof verklaard dat afgezien van de in punt 14 van dit arrest genoemde verhoogde deeluitkering, die het basispensioen voor weduwen betreft, het eventuele recht op de uitkeringen van de §§ 40a, 40b en 41 BVG nog tussen partijen in het hoofdgeding in geschil is.
23 Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet dus ontvankelijk worden verklaard.
Toepasselijkheid van artikel 18, lid 1, EG
24 Om te beginnen moet worden vastgesteld of een situatie als die van het hoofdgeding binnen de werkingssfeer valt van het gemeenschapsrecht, met name van artikel 18, lid 1, EG.
25 Wat de personele werkingssfeer van deze bepaling betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat volgens artikel 17, lid 1, EG eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, burger van de Unie is. Bovendien verbindt artikel 17, lid 2, aan deze status de rechten en plichten die bij het EG-Verdrag zijn vastgesteld, waaronder die genoemd in artikel 18, lid 1, EG (arresten van 26 oktober 2006, Tas-Hagen en Tas, C‑192/05, Jurispr. blz. I‑10451, punt 18, en 22 mei 2008, Nerkowska, C‑499/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 21).
26 Als Pools staatsburger heeft Zablocka-Weyhermüller de bij artikel 17, lid 1, EG ingevoerde status van burger van de Unie en kan zij zich dus eventueel beroepen op de bij deze status horende rechten, met name op het recht van vrij verkeer en verblijf, zoals toegekend door artikel 18, lid 1, EG (arrest Nerkowska, punt 22).
27 Wat de materiële werkingssfeer van artikel 18, lid 1, EG betreft, dient te worden opgemerkt dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht een uitkering als aan de orde in het hoofdgeding, die tot doel heeft nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers vergoeding van hun schade te bieden, tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort (zie in die zin arresten Tas-Hagen en Tas, punt 21, en Nerkowska, punt 23).
28 De lidstaten moeten bij de uitoefening van deze bevoegdheid evenwel het gemeenschapsrecht eerbiedigen, met name de verdragsbepalingen betreffende het aan elke burger van de Unie toegekende recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (arresten Tas-Hagen en Tas, punt 22, en Nerkowska, punt 24).
29 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat tot de situaties die binnen de materiële werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, met name die behoren die betrekking hebben op de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden en van de in artikel 18 EG neergelegde vrijheid om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (arresten van 15 maart 2005, Bidar, C‑209/03, Jurispr. blz. I‑2119, punt 33, en 12 juli 2005, Schempp, C‑403/03, Jurispr. blz. I‑6421, punten 17 en 18, en arrest Nerkowska, punt 26).
30 In casu moet worden vastgesteld dat een situatie als die van Zablocka-Weyhermüller wordt beheerst door het recht van de burgers van de Unie om vrij in de lidstaten te reizen en te verblijven. Door zich in Polen te vestigen, heeft verzoekster in het hoofdgeding immers gebruikgemaakt van het in artikel 18, lid 1, EG aan elke burger van de Unie toegekende recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten.
31 Voorts blijkt duidelijk uit de door de verwijzende rechter aan het Hof overgelegde stukken dat de opschorting, overeenkomstig § 64e, lid 1, tweede zin, en lid 5, BVG, alsook artikel 1 AuslVersV, van de aan Zablocka-Weyhermüller verstrekte uitkeringen uitsluitend het gevolg is van het feit dat zij zich in Polen heeft gevestigd.
32 Uit het voorgaande volgt dat een situatie waarin de uitoefening door Zablocka-Weyhermüller van een door de communautaire rechtsorde erkende vrijheid gevolgen heeft voor haar recht op uitkeringen volgens de nationale wettelijke regeling van een lidstaat, binnen de werkingssfeer valt van het gemeenschapsrecht, met name van artikel 18, lid 1, EG.
33 Derhalve dient te worden onderzocht of artikel 18, lid 1, EG aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die voor de betaling van bepaalde uitkeringen aan nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers, als voorwaarde stelt dat de rechthebbende hetzij woont in de lidstaat die de uitkering toekent, hetzij in een andere lidstaat, die niet voorkomt op een per regeringsbesluit van de eerste lidstaat opgestelde lijst.
De woonplaatsvoorwaarde
34 Aangaande de draagwijdte van artikel 18, lid 1, EG heeft het Hof reeds geoordeeld dat de door het Verdrag toegekende faciliteiten op het gebied van vrij verkeer geen volledig effect kunnen sorteren, indien een burger van een lidstaat er wellicht van wordt weerhouden daarvan gebruik te maken doordat belemmeringen voor zijn verblijf in de gastlidstaat worden veroorzaakt door een regeling van een andere lidstaat, die het feit dat hij van deze rechten gebruik heeft gemaakt in zijn nadeel laat werken (zie in die zin arrest van 29 april 2004, Pusa, C‑224/02, Jurispr. blz. I‑5763, punt 19; arresten Tas-Hagen en Tas, punt 30, en Nerkowska, punt 31).
35 Een nationale wettelijke regeling die bepaalde gemeenschapsburgers benadeelt, alleen omdat zij gebruik hebben gemaakt van hun recht om vrij in een andere lidstaat te reizen en te verblijven, vormt een beperking van de vrijheden die elke burger van de Unie door artikel 18, lid 1, EG zijn toegekend (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, De Cuyper, C‑406/04, Jurispr. blz. I‑6947, punt 39; arresten Tas-Hagen en Tas, punt 31, en Nerkowska, punt 32).
36 Het BVG en het AuslVersV vormen een dergelijke beperking. Door voor de betaling van bepaalde uitkeringen ten behoeve van nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers, als voorwaarde te stellen dat de rechthebbenden wonen op het nationale grondgebied of op dat van een andere lidstaat, die niet voorkomt op een lijst van lidstaten die is opgesteld bij regeringsbesluit van de lidstaat die de uitkeringen toekent, kan deze wettelijke regeling gemeenschapsburgers in een situatie als die van verzoekster in het hoofdgeding ervan weerhouden om gebruik te maken van hun recht om vrij te reizen en te verblijven in een lidstaat die op deze lijst voorkomt.
37 Een nationale wettelijke regeling die aan de uitoefening van de vrijheden door de gemeenschapsburgers een dergelijke beperking stelt, kan uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht slechts gerechtvaardigd zijn, indien zij is gebaseerd op objectieve overwegingen van algemeen belang die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel (zie in die zin arresten De Cuyper, punt 40; Tas-Hagen en Tas, punt 33, en Nerkowska, punt 34).
38 Blijkens de bij het Hof ingediende opmerkingen van zowel het Land Baden-Württemberg als de Duitse regering heeft de in het BVG gestelde beperking tot doel, een passende uitkering te bieden aan buiten Duitsland wonende gerechtigden, rekening houdend met de bestaande verschillen tussen de kosten van levensonderhoud, inkomen en gemiddelde hoogte van de bijstandsuitkeringen in die lidstaat, en die in de staat waar de rechthebbende woont. Voorts wordt volgens deze opmerkingen de beperking gerechtvaardigd door de noodzaak, voldoende controle mogelijk te maken op de situatie van de rechthebbenden wat werk en sociale omstandigheden betreft, met name hun inkomen.
39 Inderdaad zijn zowel de wens om een uitkering te bieden waarbij rekening wordt gehouden met deze verschillen tussen de twee betrokken lidstaten, als de noodzaak voldoende controle mogelijk te maken op de situatie van de rechthebbenden wat werk en sociale omstandigheden betreft, objectieve overwegingen van algemeen belang die rechtvaardigen dat de voorwaarden of betalingsvorm van uitkeringen als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, van nadelige invloed kunnen zijn op de vrijheid van verkeer.
40 Zo de in punt 36 van dit arrest geconstateerde beperking kan worden gerechtvaardigd door objectieve overwegingen van algemeen belang zoals in het vorige punt genoemd, moet nog blijken dat zij niet onevenredig is aan het nagestreefde doel. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat een maatregel evenredig is, wanneer deze geschikt is voor de verwezenlijking van het beoogde doel maar niet verder gaat dan voor die verwezenlijking noodzakelijk is (arresten De Cuyper, punt 42, en Tas-Hagen en Tas, punt 35).
41 Een woonplaatsvoorwaarde als de in geding zijnde kan echter niet worden beschouwd als evenredig aan de beoogde doelstellingen.
42 In § 1 AuslVersV wordt de toepassing van § 64e BVG namelijk uitdrukkelijk beperkt tot rechthebbenden die wonen of verblijven op het grondgebied van hetzij een van de tien in die bepaling vermelde lidstaten, dan wel in Albanië, in voormalig Joegoslavië of in de voormalige Sovjetunie.
43 Er zijn echter staten die in § 1 AuslVersV niet worden genoemd en waar de kosten van levensonderhoud lager liggen dan in sommige van de in de bepaling bedoelde lidstaten. Voorts zijn de verschillen tussen de in de bepaling genoemde staten aanzienlijk.
44 Ook zou de noodzaak om voldoende controle mogelijk te maken op de situatie van de rechthebbenden wat werk en sociale omstandigheden betreft, op gelijke wijze moeten gelden in alle lidstaten, of zij nu wel of niet in § 1 AuslVersV worden genoemd.
45 Bijgevolg beantwoordt een regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, niet aan de doelstellingen die zowel door het Land Baden-Württemberg als de Duitse regering zijn genoemd en die zijn weergegeven in punt 38 van dit arrest.
46 Voor zover een dergelijke regeling de betaling van de in die regeling voorziene uitkeringen slechts opschort, kan voorts niet met recht worden volgehouden dat zij geschikt is om die uitkeringen aan de huidige verschillen tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de staat waar de rechthebbende woont, aan te passen wat betreft kosten van levensonderhoud, inkomen en gemiddelde hoogte van de bijstandsuitkeringen.
47 Ten slotte kan in geval van naar rato van het inkomen verleende uitkeringen weliswaar een controle op de situatie van de rechthebbenden wat werk en sociale omstandigheden betreft, noodzakelijk blijken te zijn, maar dit neemt niet weg dat de opschorting van deze uitkeringen een maatregel is die verder gaat dan voor het verrichten van een dergelijke controle noodzakelijk is.
48 Gelet op het bovenstaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 18, lid 1, EG aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan deze de betaling weigert van bepaalde aan nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers toegekende uitkeringen, uitsluitend op grond dat zij wonen op het grondgebied van bepaalde, met name genoemde lidstaten.
Kosten
49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 18, lid 1, EG moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan deze de betaling weigert van bepaalde aan nabestaande echtgenoten van oorlogsslachtoffers toegekende uitkeringen, uitsluitend op grond dat zij wonen op het grondgebied van bepaalde, met name genoemde lidstaten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy