Zaak C‑248/07
Trespa International BV
tegen
Nova Haven‑ en Vervoerbedrijf NV
(verzoek van het Hof van beroep te Antwerpen om een prejudiciële beslissing)
„Verordening ter uitvoering van communautair douanewetboek – Artikelen 291 en 297 – Gunstige tariefbehandeling – Bijzondere bestemming – Begrip ‚degene die de goederen voor het vrije verkeer invoert of doet invoeren’ – Begrip ‚overdracht van goederen binnen de Gemeenschap’ – Begrip ‚cessionaris’”
Samenvatting van het arrest
1. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Kennelijk irrelevante vragen en hypothetische vragen gesteld in context waarin nuttig antwoord is uitgesloten – Vragen zonder verband met voorwerp van hoofdgeding
(Art. 234 EG)
2. Gemeenschappelijk douanetarief – Toepassing van gunstige tariefregeling wegens bijzondere bestemming van goederen – Persoon die goederen voor vrij verkeer invoert of doet invoeren in zin van artikel 291, lid 1, van verordening nr. 2454/93 – Begrip
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 5, lid 4, tweede alinea; verordeningen van de Commissie nr. 2454/93, art. 291, leden 1 en 3, tweede alinea, en 293 en nr. 89/97)
3. Gemeenschappelijk douanetarief – Toepassing van gunstige tariefregeling wegens bijzondere bestemming van goederen – Overdracht van goederen binnen Gemeenschap – Begrip
(Verordeningen van de Commissie nr. 2454/93, art. 291, 297, lid 1, 298, leden 4 en 5, en 300, tweede alinea, en nr. 89/97)
4. Gemeenschappelijk douanetarief – Toepassing van gunstige tariefregeling wegens bijzondere bestemming van goederen – Overdracht van goederen binnen Gemeenschap – Cessionaris in zin van artikel 297 van verordening nr. 2454/93 – Begrip
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 5; verordeningen van de Commissie nr. 2454/93, art. 291 en 297, lid 1, en nr. 89/97)
1. In het kader van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties waarin artikel 234 EG voorziet, is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter die kennis neemt van het geding en de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het aan hem voorgelegde geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Hieruit volgt dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, waarvan het Hof de juistheid niet mag onderzoeken. Dit vermoeden van relevantie kan slechts in uitzonderingsgevallen worden opgeheven, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van louter hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet over de nodige feitelijke of juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de hem gestelde vragen te kunnen geven.
(cf. punten 32‑33)
2. Artikel 291, lid 1, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 89/97, dient aldus te worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „degene die de goederen [...] invoert of doet invoeren” doelt op degene voor wie de goederen zijn bestemd, en die voornemens is deze de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen, ongeacht of hij de douaneaangifte zelf doet dan wel zich hiervoor laat vertegenwoordigen in de zin van artikel 5 van verordening nr. 2913/92. Dat begrip doelt niet op de vertegenwoordiger van deze persoon bij de douaneautoriteiten, behalve in de gevallen waarin deze persoon wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen krachtens artikel 5, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, en hij derhalve als invoerder dient te worden beschouwd.
Ofschoon hoofdstuk 2 van titel I van deel II van de uitvoeringsverordening, dat de toepassing van een gunstige tariefregeling voor bepaalde goederen wegens de bijzondere bestemming ervan regelt, geen definitie bevat van het begrip „degene die de goederen [...] invoert of doet invoeren”, neemt dit niet weg dat genoemde regeling de houder van die vergunning een aantal verplichtingen oplegt, aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt wie de in artikel 291, lid 1, van deze verordening bedoelde persoon is. Zowel de in artikel 291, lid 3, tweede alinea, van genoemde verordening opgenomen verplichting dat de belanghebbende de douaneautoriteiten in de gelegenheid dient te stellen om, ten genoegen van deze autoriteiten, de goederen tijdens het technische verwerkingsproces, in de vestiging of vestigingen van het bedrijf te volgen, als de in artikel 293 van deze verordening opgenomen verplichtingen, zoals de verplichting om de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen, en die om een administratie te voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de noodzakelijk geachte controles kunnen verrichten, alsmede de verplichting om deze administratie te bewaren, wijzen erop dat degene die de goederen invoert of doet invoeren, dat wil zeggen degene die in het bezit moet zijn van de in artikel 291 van de uitvoeringsverordening bedoelde vergunning, degene is voor wie de goederen bestemd zijn en die voornemens is deze de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen. Alleen deze persoon kan de in de artikelen 291 en 293 van deze verordening vermelde verplichtingen nakomen.
Het feit dat artikel 291, lid 1, van de uitvoeringsverordening alternatief spreekt van „degene die de goederen invoert” en van „degene die de goederen doet invoeren”, wijst erop dat het is toegestaan om zich bij de invoer van goederen met een bijzondere bestemming bij de douaneautoriteiten te laten vertegenwoordigen overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 2913/92. Hieruit vloeit voort dat de vertegenwoordiger die de douaneaangiften voor rekening van een derde doet, niet de persoon is die wordt bedoeld in artikel 291, lid 1, van de uitvoeringsverordening, en derhalve niet in het bezit van een vergunning in de zin van dit artikel moet zijn. Alleen wanneer de douaneagent niet verklaart, in naam en voor rekening van een andere persoon te handelen, of verklaart, in naam en voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt deze douaneagent geacht zelf de invoerder te zijn, en dient hij derhalve een schriftelijke vergunning te bezitten om gebruik te kunnen maken van een gunstige tariefregeling voor de ingevoerde goederen.
(cf. punten 46‑51, 54, dictum 1)
3. Artikel 297, lid 1, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 89/97, dient aldus te worden uitgelegd dat er geen sprake is van overdracht van goederen binnen de Europese Gemeenschap wanneer goederen in een lidstaat worden ingevoerd en nadien naar een andere lidstaat worden vervoerd, indien de vergunninghouder optreedt voor rekening van de uiteindelijke invoerder, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan. Het feit alleen dat de goederen zijn ingevoerd en ingeklaard in een lidstaat en vervolgens naar een andere lidstaat zijn vervoerd, speelt geen rol voor de beoordeling of er al dan niet een overdracht in de zin van deze bepaling heeft plaatsgehad. In geval van overdracht dient de cessionaris in het bezit te zijn van een overeenkomstig artikel 291 van die verordening afgegeven vergunning.
Om uit te maken of er sprake is van een overdracht binnen de Gemeenschap in de zin van artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening, is het blijkens het doel van deze verordening van belang dat de verplichtingen betreffende de goederen die het voorwerp van deze overdracht vormen, aan de cessionaris worden overgedragen. Hiertoe dient de cessionaris in het bezit te zijn van een overeenkomstig artikel 291 van genoemde verordening afgegeven vergunning. Aldus bepalen de artikelen 298, leden 4 en 5, en 300, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening dat, met ingang van de datum van overdracht van de goederen, de verplichtingen die uit de artikelen 291 tot en met 304 van de uitvoeringsverordening voortvloeien, overgaan van de overdrager op de cessionaris, en dat laatstgenoemde verplicht is de overgedragen goederen in zijn administratie op te nemen. Hieruit volgt dat een overdracht van goederen in de zin van artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening alleen kan plaatsvinden tussen personen die houder zijn van een vergunning bijzondere bestemming, met name personen die voornemens zijn of waren de goederen die het voorwerp van de overdracht vormen, de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen.
(cf. punten 65‑69, dictum 2)
4. Artikel 297, lid 1, van verordening nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening nr. 89/97, dient aldus te worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „cessionaris” niet doelt op een douaneagent die de douaneformaliteiten vervult voor rekening van de invoerder.
De cessionaris is immers degene die van de overdrager het overgedragen recht of goed verwerft. Het begrip „cessionaris” in de zin van artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening doelt op degene die van de overdrager goederen verwerft waarop bij het in het vrije verkeer brengen een gunstige tariefregeling is toegepast wegens de bijzondere bestemming ervan, maar die op het tijdstip van de overdracht deze bijzondere bestemming nog niet hebben gekregen. Een douaneagent die niet-communautaire goederen inklaart voor rekening van de invoerder, is echter de vertegenwoordiger van laatstgenoemde bij de douaneautoriteiten in de zin van artikel 5 van verordening nr. 2913/92, terwijl de invoerder degene is die de goederen doet invoeren om ze in het vrije verkeer te brengen in de zin van artikel 291 van de uitvoeringsverordening.
(cf. punten 72‑74, dictum 3)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
6 november 2008 (*)
„Verordening ter uitvoering van communautair douanewetboek – Artikelen 291 en 297 – Gunstige tariefbehandeling – Bijzondere bestemming – Begrip ‚degene die de goederen voor het vrije verkeer invoert of doet invoeren’ – Begrip ‚overdracht van goederen binnen de Gemeenschap’ – Begrip ‚cessionaris’”
In zaak C‑248/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Hof van Beroep te Antwerpen (België) bij beslissing van 8 mei 2007, ingekomen bij het Hof op 23 mei 2007, in de procedure
Trespa International BV
tegen
Nova Haven‑ en Vervoerbedrijf NV,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Ó Caoimh, J. N. Cunha Rodrigues, U. Lõhmus (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 mei 2008,
gelet op de opmerkingen van:
– Trespa International BV, vertegenwoordigd door S. D’Hoine, A. Jansen en K. Van den Bosch, advocaten,
– Nova Haven‑ en Vervoerbedrijf NV, vertegenwoordigd door J. Stevens en B. Delbaere, advocaten,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck en C. Pochet als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Schønberg en H. van Vliet als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1 bis, 291 en 297 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 89/97 van de Commissie van 20 januari 1997 (PB L 17, blz. 28; hierna: „uitvoeringsverordening”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Trespa International BV (hierna: „Trespa”) en Nova Haven‑ en Vervoerbedrijf NV (hierna: „Nova”) betreffende een door Trespa ingediende vordering tot schadevergoeding en tot vergoeding van de administratiekosten die zijn veroorzaakt door de fouten die Nova zou hebben gemaakt.
Toepasselijke bepalingen
Communautair douanewetboek
3 Artikel 5 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) bepaalt:
„1. Onder de in artikel 64, lid 2, gestelde voorwaarden en onder voorbehoud van de in het kader van artikel 243, lid 2, punt b, geldende bepalingen kan iedere persoon zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten doen vertegenwoordigen.
2. De vertegenwoordiging kan:
– direct zijn wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt,
dan wel
– indirect zijn, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam, doch voor rekening van een andere persoon handelt.
De lidstaten kunnen het recht om op hun grondgebied douaneaangiften te doen
– volgens de methode van de directe vertegenwoordiging, of
– volgens de methode van de indirecte vertegenwoordiging,
zodanig voorbehouden dat de vertegenwoordiger een douanecommissionair moet zijn die daar zijn beroep uitoefent.
[...]
4. De vertegenwoordiger dient te verklaren voor de vertegenwoordigde persoon te handelen; voorts dient hij aan te geven of het een directe dan wel een indirecte vertegenwoordiging betreft en moet hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten.
De persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.
5. De douaneautoriteiten kunnen van elke persoon die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, het bewijs eisen dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit.”
4 Artikel 21, lid 1, van het douanewetboek luidt als volgt:
„De gunstige tariefbehandeling waarvoor bepaalde goederen uit hoofde van hun aard of bijzondere bestemming in aanmerking kunnen komen, is onderworpen aan voorwaarden die volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld. Indien een vergunning is vereist, zijn de artikelen 86 en 87 van toepassing.”
5 Artikel 29, lid 1, van dit wetboek bepaalt:
„1. De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33, mits:
[...]
c) geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht, onderscheidenlijk van elk later gebruik van de goederen door de koper, direct of indirect de verkoper ten goede zal komen, tenzij krachtens artikel 32 een geëigende aanpassing kan worden uitgevoerd.
[...]”
6 Artikel 86 van het douanewetboek luidt als volgt:
„Onverminderd de in het kader van de betrokken regeling vastgestelde bijzondere voorwaarden, worden de in artikel 85 en in artikel 100, lid 1, bedoelde vergunningen slechts afgegeven:
– aan personen die alle noodzakelijke waarborgen bieden voor het goede verloop van de handelingen;
– indien de douaneautoriteiten het toezicht en de controle op de regeling kunnen uitoefenen zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften.”
Uitvoeringsverordening
7 Artikel 1 bis van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„Voor de toepassing van de artikelen 16 tot en met 34 en 291 tot en met 308 worden de landen van de Benelux Economische Unie als één enkele lidstaat aangemerkt.”
8 De voor het hoofdgeding relevante bepalingen van de uitvoeringsverordening, namelijk de artikelen 291 tot en met 304, bevinden zich in deel II, met als opschrift „De douanebestemmingen”, titel I, „In het vrije verkeer brengen”, hoofdstuk 2, „Toepassing ten aanzien van bepaalde goederen van een gunstige tariefregeling uit hoofde van hun bijzondere bestemming”, afdeling 1, „Andere goederen dan slachtpaarden”, van deze verordening.
9 Artikel 291 van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„1. Het in het vrije verkeer brengen van goederen met toepassing van een schriftelijke gunstige tariefregeling uit hoofde van hun bijzondere bestemming is afhankelijk van de verlening van een schriftelijke vergunning aan degene die de goederen voor het vrije verkeer invoert of doet invoeren.
2. Deze vergunning wordt op schriftelijk verzoek van de belanghebbende verleend door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven.
3. [...]
De belanghebbende dient de douaneautoriteiten in de gelegenheid te stellen om, ten genoegen van deze autoriteiten, de goederen tijdens het technische verwerkingsproces, in de vestiging of vestigingen van het bedrijf, te volgen.”
10 Artikel 293 van deze verordening luidt als volgt:
„De vergunninghouder is verplicht:
a) de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen;
b) een administratie te voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de noodzakelijk geachte controles over het daadwerkelijke gebruik van de betrokken goederen voor de voorgeschreven bijzondere bestemming kunnen verrichten, alsmede deze administratie te bewaren.”
11 Artikel 295, lid 1, van genoemde verordening bepaalt:
„De goederen worden geacht de bijzondere bestemming in kwestie te hebben gevolgd:
[...]
2) wanneer het gaat om goederen geschikt voor herhaald gebruik: twee jaar na de datum waarop aan deze goederen voor het eerst de voorgeschreven bestemming is gegeven; deze datum dient in de in artikel 293, sub b, bedoelde administratie te worden vermeld, echter:
[...]
c) wanneer het gaat om in bijlage 40, deel I, bedoelde goederen bestemd voor de bouw, het onderhoud, de verbouwing of de uitrusting van bepaalde categorieën luchtvaartuigen: op het ogenblik van overdracht van het luchtvaartuig aan een ander dan de vergunninghouder of op het ogenblik dat het ter beschikking van de eigenaar wordt gesteld, in het bijzonder na onderhoud, reparatie of verbouwing;
d) wanneer het gaat om in bijlage 40, deel II, bedoelde goederen, onderscheidenlijk bestemd voor de bouw, de herstelling, het onderhoud, de verbouwing en de uitrusting, van bepaalde categorieën schepen of boor‑ en werkeilanden: op het ogenblik van overdracht van het desbetreffende schip of boor‑ of werkeiland op het moment van de ter beschikkingstelling van het schip of boor‑ of werkeiland aan de belanghebbende, in het bijzonder na onderhoud, reparatie of verbouwing;
[...]”
12 Artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening bepaalt:
„In geval van overdracht van de goederen binnen de Gemeenschap dient de cessionaris in het bezit te zijn van een overeenkomstig artikel 291 afgegeven vergunning.”
13 Artikel 298, leden 4 en 5, van deze verordening bepaalt:
„4. Zodra de cessionaris/geadresseerde de goederen ontvangt, neemt hij deze in de in artikel 293, sub b, bedoelde administratie op. Hij voegt daarbij het origineel en zendt de vierde kopie onverwijld aan het bevoegde douanekantoor van de lidstaat van bestemming, op de door dit kantoor bepaalde wijze en onder vermelding van de datum van aankomst. In geval van meerbevindingen, minderbevindingen, verwisselingen of andere onregelmatigheden, stelt hij dit kantoor hiervan onmiddellijk in kennis. Voorts zendt hij de vijfde kopie naar de overdrager/afzender.
5. Met ingang van de in lid 4 bedoelde datum gaan de verplichtingen die uit deze afdeling voortvloeien over van de overdrager/afzender op de cessionaris/geadresseerde. Tot op dat ogenblik berusten deze verplichtingen bij de overdrager/afzender.”
14 Artikel 300 van genoemde verordening luidt als volgt:
„Van iedere overdracht binnen eenzelfde lidstaat dient aan de douaneautoriteiten kennis te worden gegeven. De bepalingen betreffende deze kennisgeving, waaronder de vorm en de termijn waarbinnen deze moet worden gedaan, worden door de douaneautoriteiten vastgesteld. In de kennisgeving dient de datum van overdracht van de goederen duidelijk te worden vermeld.
Met ingang van deze datum rusten de verplichtingen die voor de overgedragen goederen uit deze afdeling voortvloeien, op de cessionaris.”
15 Artikel 302 van deze verordening bepaalt:
„1. Het gebruik van de goederen voor een andere bestemming dan die voorgeschreven bij de in artikel 291 bedoelde gunstige tariefregeling wordt door de douaneautoriteiten slechts toegestaan indien de vergunninghouder, ten genoegen van deze autoriteiten, aantoont dat de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming niet hebben kunnen volgen door omstandigheden die hetzij met de vergunninghouder hetzij met de goederen zelf verband houden.
[...]
3. Het verlenen van de in de leden 1 en 2 bedoelde toestemming is afhankelijk van het voldoen door de vergunninghouder van het overeenkomstig artikel 208 van het [douanewetboek] vastgestelde bedrag van de rechten bij invoer.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Trespa voert sinds 1 januari 1995 kraftpapier dat wordt gebruikt bij de vervaardiging van bouwmaterialen, vanuit de Verenigde Staten in Nederland in. Trespa koopt deze goederen van de Amerikaanse vennootschap Westvaco volgens de zogenoemde verkoopsvoorwaarden „delivered duty unpaid” („franco exclusief rechten”). Overeenkomstig deze voorwaarden staat de verkoper in voor de opslagkosten en kan Trespa het papier afroepen naar behoefte.
17 Tot mei 1997 werd het kraftpapier geleverd aan de vennootschap Moerdijk Marine Services te Moerdijk (Nederland), waar het vervolgens werd opgeslagen. De Europese tak van de vennootschap Westvaco, Westvaco Europe NV, deelde Trespa in mei 1997 mee dat hij voornemens was zijn voorraad van Moerdijk naar Antwerpen (België) over te brengen, en stelde voor, Nova in te schakelen voor inklaring, opslag en uitslag.
18 Gelijktijdig met de verlegging van het entrepot van Westvaco Europe NV naar Antwerpen verzocht Trespa de Commissie van de Europese Gemeenschappen het kraftpapier onder de schorsingsregeling te laten vallen, zodat er geen invoerrechten zouden moeten worden betaald. Dit verzoek was gebaseerd op de omstandigheid dat er in de Europese Unie onvoldoende kraftpapier werd geproduceerd om te voorzien in de behoeften van Trespa.
19 Op 27 juni 1997 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 1291/97 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2505/96 betreffende de opening en wijze van beheer van autonome communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouw‑ en industrieproducten en tot wijziging van verordening (EG) nr. 3059/95 betreffende de opening en de wijze van beheer van autonome communautaire tariefcontingenten voor een aantal landbouw‑ en industrieproducten (eerste serie 1996) (PB L 176, blz. 17) vastgesteld, waarin is bepaald dat het toepasselijke douanerecht 0 % is voor een contingent van 8 000 ton kraftpapier van GN-code 4804 4191 10 en voor een contingent van 7 000 ton kraftpapier van GN-code 4804 5190 10.
20 Volgens verordening nr. 1291/97 was het invoeren van kraftpapier met gebruikmaking van deze twee tariefcontingenten slechts mogelijk voor zover de goederen onder de regeling bijzondere bestemmingen werden geplaatst, en met name werden gebruikt voor het vervaardigen van bepaalde producten.
21 Nova heeft tussen juli 1997 en januari 1998 goederen van Trespa vrij van invoerrechten ingeklaard zonder dat er opmerkingen volgden van de Antwerpse douaneautoriteiten. In januari 1998 hebben genoemde autoriteiten een externe boekhoudcontrole van de inklaringsdocumenten verricht en Nova meegedeeld dat genoemde tariefcontingenten niet onvoorwaardelijk waren, maar waren onderworpen aan de voorwaarde dat de ingevoerde goederen de bijzondere bestemming zouden volgen waarvoor een vergunning was vereist.
22 Nadat zij deze informatie van Nova had ontvangen, diende Trespa op 26 januari 1998 bij de Nederlandse douaneautoriteiten een aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning bijzondere bestemmingen in, teneinde kraftpapier uit de Verenigde Staten vrij van invoerrechten te kunnen invoeren voor de vervaardiging van haar Trespaplaten. Zij verkreeg die vergunning van de Nederlandse douaneautoriteiten op 17 juni 1998, met als datum van inwerkingtreding 1 januari 1998.
23 Nova heeft bij de Belgische douaneautoriteiten een vergelijkbare vergunning aangevraagd, en heeft deze vergunning bijzondere bestemmingen op 17 februari 1998 ontvangen voor goederen van GN-code 4804 4199 10. Op een aanvullend verzoek van Nova is deze vergunning met ingang van 11 juni 1998 uitgebreid tot de GN-codes 4804 4191 10 en 4804 5190 10.
24 Op 2 december 1999 zonden de Belgische douaneautoriteiten Nova een navordering van douanerechten en belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) voor de goederen die zij voor rekening van Trespa had ingevoerd. Nadat zij Trespa op de hoogte had gebracht van dit document en haar had verzocht om vergoeding van de bedragen die zij diende te betalen, heeft Nova zelf ongeveer 508 400 EUR aan douanerechten en btw betaald.
25 Bovendien heeft Trespa de Nederlandse douaneautoriteiten verzocht een administratieve controle uit te voeren teneinde aan te tonen dat de ingevoerde goederen vanaf 1 januari 1998 de in de goederenomschrijving van de respectieve GN-codes voorgeschreven bestemming hadden gekregen.
26 Behalve voor een klein deel van de ingevoerde goederen kon Trespa de bijzondere bestemming van de goederen aantonen, waarop de Belgische douaneautoriteiten tussen 30 november 2000 en 15 december 2003 Nova vrijwel het volledige bedrag van de door haar betaalde rechten hebben terugbetaald, te weten ongeveer 507 200 EUR.
27 Nova had evenwel reeds op 18 januari 2000 een factuur op naam van Trespa opgesteld voor een bedrag dat overeenkwam met de door haar betaalde douanerechten en btw. Op 7 november 2001 heeft Nova bij de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen een beroep ingesteld strekkende tot veroordeling van Trespa tot vergoeding van een bedrag van ongeveer 203 100 EUR, te vermeerderen met intresten en met een forfaitaire schadevergoeding voor administratiekosten ten belope van 10 % van het factuurbedrag. Naar aanleiding van de terugbetalingen die zij later van de Belgische douaneautoriteiten heeft ontvangen, heeft Nova deze vordering aangepast, maar niet volledig ingetrokken. Trespa heeft tegenvorderingen ingesteld strekkende tot vergoeding van de schade en van de administratiekosten die zij heeft opgelopen.
28 De Rechtbank van Koophandel te Antwerpen heeft op 26 november 2004 uitspraak gedaan. Zij heeft voor recht verklaard dat niet bewezen is dat Nova een fout heeft begaan die aanleiding heeft gegeven tot de navordering door de Belgische douaneautoriteiten, en dat evenmin is bewezen dat Nova zelf in het bezit van een vergunning bijzondere bestemmingen moest zijn. Trespa en Nova zijn ten slotte beide veroordeeld tot betaling van bepaalde bedragen aan elkaar. Trespa heeft op 1 februari 2005 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
29 Volgens Trespa kan de navordering van de douanerechten slechts het gevolg zijn van fouten begaan door Nova, die bij de aangifte van de goederen bij de Belgische administratie der douane en accijnzen in het bezit van een vergunning bijzondere bestemmingen had moeten zijn, maar hier niet over beschikte. Volgens Nova diende alleen haar lastgever, te weten Trespa, houder van een dergelijke vergunning te zijn.
30 Daarop heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Wie wordt in artikel 291 [van de uitvoeringsverordening] bedoeld onder ‚degene die de goederen [...] invoert of doet invoeren’: ook de douaneagent die de aangifte in eigen naam en voor eigen rekening doet dan wel enkel de invoerder voor wie de goederen zijn bestemd?
2) Is er sprake van overdracht van goederen binnen de Gemeenschap in de zin van artikel 297, respectievelijk 1 bis, [van de uitvoeringsverordening] wanneer goederen in de Europese Unie te Antwerpen worden ingevoerd en nadien naar Nederland worden vervoerd c.q. dient de in artikel 291 [van deze verordening] bedoelde persoon in dat geval in het bezit te zijn van de in dat artikel bedoelde vergunning?
3) Wordt in artikel 297 [van de uitvoeringsverordening] onder ‚cessionaris’ de douaneagent bedoeld die voor rekening van de uiteindelijke invoerder de goederen van buiten de Gemeenschap in een lidstaat van de Europese Unie inklaart?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
31 De Commissie plaatst vraagtekens bij de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Zij betoogt dat het hoofdgeding betrekking heeft op de privaatrechtelijke verhouding tussen de partijen in het hoofdgeding – die wordt geregeld door het Belgisch burgerlijk wetboek – en dat de relevantie van de vragen voor de beslechting van het geding niet duidelijk is. Ofschoon zij toegeeft dat deze vragen zeker van belang kunnen zijn in het kader van het hoofdgeding, is de Commissie er niet van overtuigd dat het antwoord op deze vragen zal volstaan om dit geding te beslechten.
32 Dienaangaande zij erop gewezen dat het, in het kader van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties waarin artikel 234 EG voorziet, uitsluitend een zaak is van de nationale rechter die kennisneemt van het geding en de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het aan hem voorgelegde geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie met name arresten van 22 november 2005, Mangold, C‑144/04, Jurispr. blz. I‑9981, punt 34; 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio, C‑217/05, Jurispr. blz. I‑11987, punt 16, en 18 juli 2007, Lucchini, C‑119/05, Jurispr. blz. I‑6199, punt 43).
33 Hieruit volgt dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het gemeenschapsrecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken (zie arresten van 15 mei 2003, Salzmann, C‑300/01, Jurispr. blz. I‑4899, punt 31, en 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, Jurispr. blz. I‑11421, punt 25). Dit vermoeden van relevantie kan slechts in uitzonderingsgevallen worden opgeheven, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van louter hypothetische aard is of wanneer het Hof niet over de nodige feitelijke of juridische gegevens beschikt om een nuttig antwoord op de hem gestelde vragen te kunnen geven (zie in die zin arresten van 16 juni 2005, Pupino, C‑105/03, Jurispr. blz. I‑5285, punt 30, en 28 juni 2007, Dell’Orto, C‑467/05, Jurispr. blz. I‑5557, punt 40).
34 In casu zal op basis van de uitlegging van de communautaire douaneregeling kunnen worden uitgemaakt of een douaneagent in de omstandigheden van het hoofdgeding een vergunning bijzondere bestemmingen moet bezitten. Uit het dossier blijkt dat deze informatie noodzakelijk is om uit te maken of Nova in het kader van haar handelsrelatie met Trespa een fout heeft begaan, en om te weten wie moet instaan voor de kosten die zijn veroorzaakt door de navordering van de betrokken douanerechten. Het betreft dus noch een hypothetisch probleem, noch een vraag die hoegenaamd geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
35 Toegegeven moet worden dat de verwijzingsbeslissing niet ondubbelzinnig aangeeft of de douaneagent, te weten Nova, de douaneaangiften voor eigen rekening of voor rekening van Trespa heeft verricht. De eerste en de derde prejudiciële vraag scheppen onzekerheid dienaangaande, waartoe nog wordt bijgedragen door de argumenten die de partijen in het hoofdgeding in hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen hebben aangevoerd.
36 Er zij aan herinnerd dat het Hof in het kader van de procedure van artikel 234 EG geen uitspraak kan doen over een feitelijk geschil. Een dergelijk geschil, zoals overigens elke beoordeling van de feiten van de zaak, behoort tot de bevoegdheid van de nationale rechter (zie arrest van 11 september 2008, CEPSA, C‑279/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30 en aangehaalde rechtspraak).
37 In casu beschikt het Hof evenwel over voldoende elementen om de betrokken gemeenschapsregels uit te leggen en om nuttige antwoorden te geven, waarbij in voorkomend geval aan de hand van verschillende hypothesen moet worden gewerkt.
38 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is derhalve ontvankelijk.
Ten gronde
Eerste prejudiciële vraag
39 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 291, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „degene die de goederen [...] invoert of doet invoeren” niet alleen doelt op de invoerder voor wie de goederen zijn bestemd, maar ook op de douaneagent die de douaneaangifte doet.
40 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat noch in het douanewetboek, noch in de uitvoeringsverordening een definitie is gegeven van het begrip „douaneagent”. Artikel 5 van het douanewetboek vermeldt de „douanecommissionair” als vertegenwoordiger bij de douaneautoriteiten.
41 Genoemd artikel 5 bepaalt bovendien dat iedere persoon zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten kan doen vertegenwoordigen. Deze vertegenwoordiging kan direct of indirect zijn, naargelang de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon, dan wel in eigen naam, doch voor rekening van een andere persoon handelt.
42 Zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is aangegeven, kan het Hof niet vaststellen in welke hoedanigheid Nova als douaneagent de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douaneaangiften heeft verricht. Het staat aan de verwijzende rechter om dit uit te zoeken.
43 In de veronderstelling dat Nova als vertegenwoordiger in de zin van artikel 5 van het douanewetboek is opgetreden, heeft zij genoemde aangiften wellicht voor rekening van Trespa gedaan op basis van indirecte vertegenwoordiging, aangezien de Belgische douaneregeling volgens de door Nova en de Belgische regering voor het Hof verstrekte informatie niet voorziet in directe vertegenwoordiging.
44 Het is evenwel evenmin uitgesloten dat Nova niet heeft verklaard dat zij voor rekening van Trespa handelde, of dat zij geen vertegenwoordigingsbevoegdheid bezat. Uit artikel 5, lid 4, tweede alinea, van het douanewetboek blijkt dat in een dergelijk geval de persoon die de douaneaangiften heeft gedaan, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Deze persoon zou derhalve als invoerder en niet als vertegenwoordiger moeten worden beschouwd.
45 Vervolgens moet worden uitgemaakt of, in beide hypothesen, een douaneagent zoals Nova in het bezit van een schriftelijke vergunning in de zin van artikel 291 van de uitvoeringsverordening moet zijn.
46 Ofschoon hoofdstuk 2 van titel I van deel II van de uitvoeringsverordening, dat de toepassing van een gunstige tariefregeling voor bepaalde goederen uit hoofde van hun bijzondere bestemming regelt, geen definitie bevat van het begrip „degene die de goederen [...] invoert of doet invoeren”, neemt dit niet weg dat genoemde regeling de houder van die vergunning een aantal verplichtingen oplegt, aan de hand waarvan kan worden uitgemaakt wie de in artikel 291, lid 1, van deze verordening bedoelde persoon is.
47 Zo preciseert artikel 291, lid 3, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening dat de belanghebbende de douaneautoriteiten in de gelegenheid dient te stellen om, ten genoegen van deze autoriteiten, de goederen tijdens het technische verwerkingsproces, in de vestiging of vestigingen van het bedrijf, te volgen. Uit artikel 293 van deze verordening volgt eveneens dat de vergunninghouder verplicht is om de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen, een administratie te voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten de noodzakelijk geachte controles kunnen verrichten, alsmede deze administratie te bewaren.
48 Deze verplichtingen wijzen erop, zoals de Commissie terecht aanvoert, dat degene die de goederen invoert of doet invoeren, dat wil zeggen degene die in het bezit moet zijn van de in artikel 291 van de uitvoeringsverordening bedoelde vergunning, degene is voor wie de goederen bestemd zijn, en die voornemens is deze de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen. Alleen deze persoon kan de in de artikelen 291 en 293 van deze verordening vermelde verplichtingen nakomen.
49 Het feit dat artikel 291, lid 1, van de uitvoeringsverordening alternatief spreekt van „degene die de goederen invoert” en van „degene die de goederen doet invoeren”, wijst erop dat het is toegestaan om zich bij de invoer van goederen met een bijzondere bestemming bij de douaneautoriteiten te laten vertegenwoordigen overeenkomstig artikel 5 van het douanewetboek.
50 Hieruit vloeit voort dat de vertegenwoordiger die de douaneaangiften voor rekening van een derde doet, niet de persoon is die wordt bedoeld in artikel 291, lid 1, van de uitvoeringsverordening, en derhalve niet in het bezit van een vergunning in de zin van dit artikel moet zijn.
51 Alleen in het in punt 44 van het onderhavige arrest vermelde geval, te weten wanneer de douaneagent niet verklaart in naam en voor rekening van een andere persoon te handelen, of verklaart in naam en voor rekening van een andere persoon te handelen zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt deze douaneagent geacht zelf de invoerder te zijn, en dient hij derhalve een schriftelijke vergunning te bezitten om gebruik te kunnen maken van een gunstige tariefregeling voor de ingevoerde goederen.
52 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat uit de artikelen 21 en 86 van het douanewetboek blijkt dat een vergunning alleen wordt afgegeven aan personen die alle noodzakelijke waarborgen bieden voor het goede verloop van de handelingen. Wanneer de vergunning wordt toegekend, maar de houder ervan later niet kan aantonen dat alle goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming hebben gevolgd, moet de houder volgens artikel 302 van de uitvoeringsverordening het overeenkomstig het douanewetboek vastgestelde bedrag van de rechten bij invoer voldoen.
53 Het argument van de Belgische regering dat de douaneagent, teneinde het douanetoezicht te waarborgen, ook in het bezit van een vergunning bijzondere bestemmingen moet zijn wanneer hij de goederen in zijn eigen opslagplaatsen opslaat voor rekening van zijn opdrachtgever, dient te worden afgewezen. Uit de artikelen 291 tot en met 304 van de uitvoeringsverordening blijkt immers niet dat goederen met een bijzondere bestemming onder onafgebroken douanetoezicht moeten staan. Daar tegenover staat dat deze goederen in het vrije verkeer worden gebracht, en dat de douaneautoriteiten controles moeten kunnen uitvoeren, hetzij in de vestiging van de invoerder tijdens het technische verwerkingsproces van genoemde goederen, hetzij op basis van de administratie van de invoerder om zo, a posteriori, na te gaan of de betrokken goederen wel degelijk voor de voorgeschreven bestemming zijn gebruikt.
54 Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 291, lid 1, van de uitvoeringsverordening, aldus dient te worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „degene die de goederen [...] invoert of doet invoeren” doelt op degene voor wie de goederen zijn bestemd, en die voornemens is deze de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen, ongeacht of hij de douaneaangifte zelf doet dan wel zich hiervoor laat vertegenwoordigen in de zin van artikel 5 van het douanewetboek. Dat begrip doelt niet op de vertegenwoordiger van deze persoon bij de douaneautoriteiten, behalve in de gevallen waarin deze vertegenwoordiger wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen krachtens artikel 5, lid 4, tweede alinea, van het douanewetboek, en hij derhalve als invoerder dient te worden beschouwd.
Tweede prejudiciële vraag
55 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening, gelezen in samenhang met artikel 1 bis van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat er sprake is van overdracht van goederen binnen de Gemeenschap wanneer goederen in België worden ingevoerd en nadien naar Nederland worden vervoerd. Bovendien wenst hij te vernemen of de in artikel 291 van de uitvoeringsverordening bedoelde persoon in dat geval in het bezit moet zijn van de in dat artikel bedoelde vergunning.
56 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de artikelen 291 en 297 van de uitvoeringsverordening verschillende handelingen betreffen. Het eerste regelt de invoer van goederen met toepassing van een gunstige tariefregeling uit hoofde van de bijzondere bestemming ervan, terwijl het tweede ziet op de overdracht van goederen binnen de Gemeenschap die plaatsvindt na de invoer van deze goederen, maar vóór het gebruik ervan voor de voorgeschreven bijzondere bestemming.
57 Hieruit vloeit voort dat het Hof niet noodzakelijkerwijs hoeft te antwoorden op het tweede onderdeel van de tweede vraag, aangezien – wanneer het om invoer gaat – het antwoord reeds blijkt uit punt 54 van het onderhavige arrest. Voor het geval dat het om een overdracht gaat, is de persoon die een vergunning moet bezitten, te weten de cessionaris, echter aangewezen in artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
58 Artikel 297 van de uitvoeringsverordening bepaalt dat, in geval van overdracht van de goederen binnen de Gemeenschap, de cessionaris in het bezit dient te zijn van een overeenkomstig artikel 291 van deze verordening afgegeven vergunning. Artikel 1 bis van deze verordening bepaalt dat voor de toepassing van, met name, de artikelen 291 tot en met 308 van deze verordening, de landen van de Benelux Economische Unie als één enkele lidstaat worden aangemerkt.
59 Trespa betoogt in haar bij het Hof ingediende opmerkingen dat er sprake is van overdracht in de zin van artikel 297 van de uitvoeringsverordening telkens wanneer de ingevoerde goederen worden getransfereerd.
60 Volgens de Commissie is er daarentegen pas sprake van een dergelijke overdracht indien de eigendom van de betrokken goederen wordt overgedragen.
61 Volgens Nova is er geen sprake van een overdracht van goederen binnen de Gemeenschap aangezien het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden als één enkele lidstaat worden aangemerkt in de zin van artikel 1 bis van de uitvoeringsverordening.
62 Dit laatste argument kan niet worden aanvaard. Uit de rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van een bepaling die voorafging aan artikel 297 van de uitvoeringsverordening, maar die in identieke bewoordingen was gesteld, blijkt immers dat er sprake is van overdracht van goederen binnen de Gemeenschap, ongeacht of de overdracht plaatsvindt van een lidstaat naar een andere dan wel binnen eenzelfde lidstaat (zie in die zin arrest van 13 juli 1989, Chimica del Friuli e.a., 248/88, 254/88-258/88, 309/88 en 316/88, Jurispr. blz. 2837, dictum). Derhalve is artikel 1 bis van de uitvoeringsverordening niet relevant voor de definitie van het begrip „overdracht”.
63 Het antwoord op de vraag of het in artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening gebruikte begrip „overdracht” betrekking heeft op de eigendom dan wel op het bezit van de goederen, blijkt niet duidelijk uit de tekst van genoemde verordening noch uit die van het douanewetboek. In artikel 29, lid 1, sub c, van het douanewetboek wordt dit begrip samen met de „wederverkoop” en het „gebruik” genoemd. In artikel 295, lid 1, punt 2, sub c en d, van de uitvoeringsverordening, wordt het als alternatief voor het „ter beschikking van de eigenaar [stellen]” vermeld.
64 Bovendien blijkt uit de vergelijking van de verschillende taalversies van de uitvoeringsverordening evenmin dat de wetgever duidelijk heeft willen aangegeven of het gaat om de overdracht van het bezit dan wel om de overdracht van de eigendom van de goederen. Het genoemde begrip wordt in de verschillende taalversies bijvoorbeeld uitgedrukt door „cesión” in het Spaans, „Übertragung” in het Duits, „transfer” in het Engels, „cessione” in het Italiaans en „overdracht” in het Nederlands.
65 De vraag of het gaat om een overdracht van de eigendom dan wel om een overdracht van het bezit, is hoe dan ook niet beslissend om uit te maken of er sprake is van overdracht binnen de Gemeenschap in de zin van artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening. Daarentegen blijkt uit het doel van deze verordening, dat het erom gaat dat de verplichtingen betreffende de goederen die het voorwerp van deze overdracht uitmaken, aan de cessionaris worden overgedragen. Hiertoe dient de cessionaris in het bezit te zijn van een overeenkomstig artikel 291 van de genoemde verordening afgegeven vergunning.
66 Aldus bepalen de artikelen 298, leden 4 en 5, en 300, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening dat, met ingang van de datum van overdracht van de goederen, de verplichtingen die uit de artikelen 291 tot en met 304 van de uitvoeringsverordening voortvloeien, overgaan van de overdrager op de cessionaris, en dat laatstgenoemde verplicht is de overgedragen goederen in zijn administratie op te nemen.
67 Hieruit volgt dat een overdracht van goederen in de zin van artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening alleen kan plaatshebben tussen personen die houder zijn van een vergunning bijzondere bestemmingen, met name personen die voornemens zijn of waren de goederen die het voorwerp van de overdracht vormen, de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen.
68 In een situatie als die in het hoofdgeding, te weten wanneer de douaneformaliteiten in België zijn vervuld en de goederen vervolgens naar Nederland zijn vervoerd, kan niet worden aangenomen dat er een overdracht van goederen binnen de Gemeenschap in de zin van artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening heeft plaatsgevonden, indien de vergunninghouder optreedt voor rekening van de uiteindelijke invoerder, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan. Het feit alleen dat de goederen zijn ingevoerd en ingeklaard in België en vervolgens naar Nederland zijn vervoerd, speelt geen rol voor de beoordeling of er al dan niet een overdracht in de zin van deze bepaling heeft plaatsgehad.
69 Uit het voorgaande volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat er geen sprake is van overdracht van goederen binnen de Gemeenschap wanneer goederen in België worden ingevoerd en nadien naar Nederland worden vervoerd, indien de vergunninghouder optreedt voor rekening van de uiteindelijke invoerder, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan. Het feit alleen dat de goederen zijn ingevoerd en ingeklaard in België en vervolgens naar Nederland zijn vervoerd, speelt geen rol voor de beoordeling of er al dan niet een overdracht in de zin van deze bepaling heeft plaatsgehad. In geval van overdracht dient de cessionaris in het bezit te zijn van een overeenkomstig artikel 291 van die verordening afgegeven vergunning.
Derde prejudiciële vraag
70 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus dient te worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „cessionaris” doelt op de douaneagent die de douaneformaliteiten vervult voor rekening van de invoerder.
71 Zoals de partijen in het hoofdgeding, de Belgische regering en de Commissie terecht aanvoeren, dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord.
72 De cessionaris is immers degene die van de overdrager het overgedragen recht of goed verwerft. Het begrip „cessionaris” in de zin van artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening doelt op degene die van de overdrager goederen verwerft waarop bij het in het vrije verkeer brengen een gunstige tariefregeling is toegepast uit hoofde van de bijzondere bestemming ervan, maar die op het tijdstip van de overdracht deze bijzondere bestemming nog niet hebben gevolgd.
73 Een douaneagent, zoals die in het hoofdgeding, die niet-communautaire goederen inklaart voor rekening van de invoerder, is echter de vertegenwoordiger van laatstgenoemde bij de douaneautoriteiten in de zin van artikel 5 van het douanewetboek, terwijl de invoerder degene is die de goederen doet invoeren om ze in het vrije verkeer te brengen in de zin van artikel 291 van de uitvoeringsverordening.
74 Uit het voorgaande volgt dat op de derde vraag dient te worden geantwoord dat artikel 297, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus dient te worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „cessionaris” niet doelt op een douaneagent die de douaneformaliteiten vervult voor rekening van de invoerder.
Kosten
75 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 291, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 89/97 van de Commissie van 20 januari 1997, dient aldus te worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „degene die de goederen [...] invoert of doet invoeren” doelt op degene voor wie de goederen zijn bestemd, en die voornemens is deze de voorgeschreven bijzondere bestemming te doen volgen, ongeacht of hij de douaneaangifte zelf doet dan wel zich hiervoor laat vertegenwoordigen in de zin van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek. Dat begrip doelt niet op de vertegenwoordiger van deze persoon bij de douaneautoriteiten, behalve in de gevallen waarin deze vertegenwoordiger wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen krachtens artikel 5, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, en hij derhalve als invoerder dient te worden beschouwd.
2) Artikel 297, lid 1, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 89/97, dient aldus te worden uitgelegd dat er geen sprake is van overdracht van goederen binnen de Gemeenschap wanneer goederen in België worden ingevoerd en nadien naar Nederland worden vervoerd, indien de vergunninghouder optreedt voor rekening van de uiteindelijke invoerder, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden nagegaan. Het feit alleen dat de goederen zijn ingevoerd en ingeklaard in België en vervolgens naar Nederland zijn vervoerd, speelt geen rol voor de beoordeling of er al dan niet een overdracht in de zin van deze bepaling heeft plaatsgehad. In geval van overdracht dient de cessionaris in het bezit te zijn van een overeenkomstig artikel 291 van die verordening afgegeven vergunning.
3) Artikel 297, lid 1, van verordening nr. 2454/93, zoals gewijzigd bij verordening nr. 89/97, dient aldus te worden uitgelegd dat het daarin gebruikte begrip „cessionaris” niet doelt op een douaneagent die de douaneformaliteiten vervult voor rekening van de invoerder.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy