Zaak C‑270/07
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
„Niet-nakoming – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Retributies voor veterinaire keuringen en controles – Richtlijn 85/73/EEG – Verordening (EG) nr. 882/2004”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Harmonisatie van wetgevingen op gebied van sanitair toezicht – Financiering van keuringen en sanitaire controles van vers vlees – Richtlijn 85/73 – Specifieke retributie die werkelijk gemaakte kosten dekt
(Richtlijn 85/73 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/79, bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Voorwerp van geschil – Vaststelling tijdens precontentieuze procedure – Aanpassing wegens wijziging in gemeenschapsrecht – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Art. 226 EG)
1. De retributie waarin bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, bij richtlijn 85/73 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles als bedoeld in de richtlijnen 89/662, 90/425, 90/675 en 91/496, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/79 voorziet, mag niet meer bedragen dan de voor de keuringen en controles daadwerkelijk gemaakte kosten en moet daarnaast rekening houden met alle kosten, zonder dat sommige daarvan buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Bijgevolg kan deze niet de vorm van een „forfaitaire” retributie aannemen, aangezien het wezenlijke kenmerk van een forfaitair vastgestelde retributie is dat deze in sommige gevallen de daadwerkelijke kosten van de maatregelen die zij beoogt te financieren, overschrijdt en die in andere gevallen onderschrijdt.
Daarentegen leidt de omstandigheid dat de op grond van die bepaling geïnde retributie uit verschillende kostenelementen bestaat, op zich niet tot onverenigbaarheid van deze retributie met die bepaling.
De doelstelling van transparantie verzet zich niet tegen de inning van een dergelijke retributie, op voorwaarde dat die bedoelde retributie duidelijk en gedetailleerd de verschillende elementen waaruit zij is samengesteld, tot uiting brengt, zodat de schuldenaar de precieze samenstelling van de totale retributie kan kennen.
Voor zover bovendien een dergelijke retributie geen andere kostenelementen dekt dan die waarin de gemeenschapsregel voorziet, of het bedrag van de daadwerkelijk gemaakte kosten niet overschrijdt, wordt geen afbreuk gedaan aan de door richtlijn 85/73 nagestreefde doelstelling van bestrijding van concurrentievervalsingen.
(cf. punten 32, 37, 41, 43)
2. Ofschoon in het kader van een niet-nakomingsprocedure het petitum van het inleidend verzoekschrift in beginsel niet meer mag omvatten dan de in het dispositief van het met redenen omkleed advies en in de aanmaningsbrief gestelde niet-nakomingen, kan de Commissie verzoeken om de niet-nakoming vast te stellen van verplichtingen die voortvloeien uit de oorspronkelijke versie van een naderhand gewijzigde of afgeschafte gemeenschapshandeling, die in nieuwe bepalingen zijn gehandhaafd. Daarentegen mag het voorwerp van het geschil niet worden uitgebreid tot verplichtingen die voortvloeien uit nieuwe bepalingen en die niet hun tegenhanger vinden in de oorspronkelijke versie van de betrokken handeling, daar dit een schending zou opleveren van de wezenlijke vormvoorschriften waaraan de niet-nakomingsprocedure dient te voldoen.
(cf. punt 50)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
19 maart 2009 (*)
„Niet-nakoming – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Retributies voor veterinaire keuringen en controles – Richtlijn 85/73/EEG – Verordening (EG) nr. 882/2004”
In zaak C‑270/07,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 6 juni 2007,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en A. Szmytkowska als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Lumma en C. Schulze-Bahr als gemachtigden, bijgestaan door U. Karpenstein, Rechtsanwalt,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Ilešič, A. Borg Barthet, E. Levits en J.‑J. Kasel (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 september 2008,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door § 4 van de uitvoeringswet sanitaire keuring vlees en pluimveevlees voor het Land Schleswig-Holstein (Ausführungsgesetz zum Fleischhygienerecht und zum Geflügelfleischrecht für das Land Schleswig-Holstein) van 12 januari 1998 (GVOBl. Schl.-H. 1998, blz. 2; hierna: „uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein”), niet aan te passen aan het gemeenschapsrecht, de verplichtingen niet is nagekomen of niet nakomt die op haar rusten krachtens de artikelen 1 en 5, leden 3 en 4, van richtlijn 85/73/EEG van de Raad van 29 januari 1985 inzake de financiering van de keuringen en sanitaire controles als bedoeld in de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG (PB L 32, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/79/EG van de Raad van 18 december 1997 (PB L 24, blz. 31; hierna: „richtlijn 85/73”) en, sinds 1 januari 2007, krachtens artikel 27, leden 2, 4 en 10, van verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165, blz. 1, en – rectificatie – PB L 191, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 776/2006 van de Commissie van 23 mei 2006 (PB L 136, blz. 3; hierna: „verordening nr. 882/2004”).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Blijkens artikel 3, lid 1, A, sub d, junctis artikel 5, lid 1, sub a‑ii, en bijlage I, hoofdstuk VIII, punt 40, sub e, van richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees (PB 1964, 121, blz. 2012), zoals gewijzigd en gecodificeerd bij richtlijn 91/497/EEG van de Raad van 29 juli 1991 (PB L 268, blz. 69; hierna: „richtlijn 64/433”), omvatten keuringen na het slachten van vers vlees indien nodig laboratoriumonderzoek, dat in voorkomend geval bacteriologisch onderzoek en een onderzoek op residuen van stoffen met farmacologische werking omvatten.
3 Richtlijn 64/433 is per 1 januari 2006 ingetrokken bij richtlijn 2004/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 houdende intrekking van bepaalde richtlijnen inzake levensmiddelenhygiëne en tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, en tot wijziging van de richtlijnen 89/662/EEG en 92/118/EEG van de Raad en van beschikking 95/408/EG van de Raad (PB L 157, blz. 33).
4 Krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/41 gelden verwijzingen naar onder meer richtlijn 64/433 als verwijzingen, naargelang van de context, naar verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PB L 139, blz. 55), en naar verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 139, blz. 206, en – rectificatie – PB L 226, blz. 83).
5 Blijkens artikel 5, lid 1, sub d en f, van verordening nr. 854/2004 juncto bijlage I, hoofdstuk II, D en F, daarbij, moeten keuringen na het slachten van vers vlees, indien dit nodig wordt geacht, laboratoriumonderzoeken omvatten teneinde een definitieve diagnose te stellen of de aanwezigheid vast te stellen van dierziekten of andere factoren die ertoe kunnen nopen dat het vlees ongeschikt voor menselijke consumptie wordt verklaard of dat het gebruik ervan wordt beperkt. De officiële dierenarts moet erop toezien dat alle overige laboratoriumonderzoeken worden verricht.
6 Aangaande de financiering van de betreffende keuringen en controles bepaalt artikel 1 van richtlijn 85/73 dat de lidstaten zorg dragen voor de heffing van een communautaire retributie ter dekking van de kosten die aan de keuringen en controles zijn verbonden.
7 Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van richtlijn 85/73 wordt de communautaire retributie zodanig vastgesteld dat deze de kosten dekt die de bevoegde autoriteit moet maken in verband met de loonkosten en sociale premies voor de keuringsdienst en de administratiekosten in het kader van de uitvoering van de controles en de keuringen, eventueel met inbegrip van de kosten voor de na‑ en bijscholing van de inspecteurs. Het is de lidstaten krachtens lid 3 van dat artikel bovendien toegestaan een bedrag te heffen dat hoger is dan het niveau van de communautaire retributies, onder het voorbehoud dat de geheven totale retributie per lidstaat niet meer bedraagt dan de daadwerkelijk gemaakte keuringskosten. Lid 4 van datzelfde artikel 5 bepaalt dat deze retributies in de plaats komen van alle andere sanitaire belastingen of bijdragen die de nationale, regionale of plaatselijke overheden van de lidstaten heffen voor de in de artikel 1 van de richtlijn bedoelde keuringen en controles.
8 Bijlage A, hoofdstuk I, punt 1, van richtlijn 85/73 stelt de forfaitaire bedragen van de met slachtwerkzaamheden verbonden keuringskosten vast. De modaliteiten voor de financiering van de met uitsnijden verbonden controles en keuringen zijn voorzien in punt 2 van datzelfde hoofdstuk. Hoofdstuk I, punt 4, sub a en b, luidt als volgt:
„4. De lidstaten kunnen ter dekking van hogere kosten:
a) voor een bepaalde inrichting de in de punten 1 en 2, sub a, genoemde forfaitaire bedragen verhogen.
[...]
b) dan wel een retributie heffen die de werkelijk gemaakte kosten dekt.
9 Artikel 27 van verordening nr. 882/2004 voorziet:
„1. De lidstaten kunnen vergoedingen of heffingen innen ter dekking van de kosten van officiële controles.
2. Waar het evenwel gaat om activiteiten als bedoeld in bijlage IV, afdeling A, en bijlage V, afdeling A, verzekeren de lidstaten dat een vergoeding wordt geïnd.
[...]
4. Vergoedingen die overeenkomstig lid 1 of lid 2 ten behoeve van officiële controles worden geïnd:
a) mogen niet hoger zijn dan de door de verantwoordelijke bevoegde autoriteiten gedragen kosten in verband met de in bijlage VI vermelde zaken en
b) kunnen op vaste bedragen worden vastgesteld op basis van de door de bevoegde autoriteiten gedurende een bepaalde periode gedragen kosten of, indien van toepassing, de bedragen die zijn vastgesteld in bijlage IV, afdeling B, of in bijlage V, afdeling B.
[...]
10. Afgezien van de kosten die voortvloeien uit de in artikel 28 genoemde uitgaven, mogen de lidstaten in het kader van de uitvoering van de onderhavige verordening geen andere vergoedingen innen dan die bedoeld in onderhavig artikel.
[...]”
Nationale regeling
10 § 4 van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein is als volgt verwoord:
„(1) De retributietarieven voor de keuring voor en na het slachten, daaronder begrepen de residu‑ en trichine-onderzoeken en de sanitaire controles, worden per dier vastgesteld aan de hand van de diersoort; in uitsnijdinrichtingen, waar het vlees wordt uitgesneden of uitgebeend, wordt zij per ton vlees met botten vastgesteld.
(2) Bij de berekening van de retributietarieven worden meegerekend:
1. de loonkosten en sociale premies van de keuringsdiensten,
2. de administratiekosten in het kader van de uitvoering van de controles en de keuringen, eventueel met inbegrip van de kosten voor na‑ en bijscholing van de inspecteurs.
(3) De retributies voor administratiekosten worden verhoogd met een percentage
1. tot 100 % wanneer de ambtsverrichting op verzoek tussen 18.00 uur en 7.00 uur, in grote inrichtingen tussen 18.00 uur en 6.00 uur, op zaterdag na 15.00 uur en op zon‑ en wettelijke feestdagen wordt verricht,
2. tot 50 % wanneer de ambtsverrichting op verzoek buiten de vastgestelde keuringsuren of slachtdagen om wordt verricht.
(4) [...]
Naast de retributies worden [...] de volgende kosten in rekening gebracht:
[...]
2. [de] kosten van vervoer voor bacteriologische onderzoeken (bacteriologische stalen, BSE-stalen en andere verdachte stalen, met uitzondering van stalen voor residuenonderzoek [...]) en
3. [de] onderzoekskosten voor de in lid 2 genoemde stalen [...]”
Precontentieuze procedure
11 Volgend op een klacht heeft de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland op 21 maart 2005 een aanmaningsbrief gezonden waarin zij deze lidstaat ervan in kennis stelde dat zij van oordeel was dat § 4, lid 4, van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein niet in overeenstemming was met de relevante bepalingen van richtlijn 85/73, zoals door het Hof uitgelegd in zijn arrest van 30 mei 2002, Stratmann en Fleischversorgung Neuss (C‑284/00 en C‑288/00, Jurispr. blz. I‑4611).
12 De Duitse autoriteiten hebben op 20 mei 2005 op deze aanmaningsbrief geantwoord dat de twijfel van de Commissie aan de juiste uitvoering van richtlijn 85/73 in nationaal recht ongegrond was en dat het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, voor de onderhavige zaak irrelevant was.
13 Daar zij met dit antwoord geen genoegen kon nemen, heeft de Commissie deze lidstaat op 4 juli 2006 een met redenen omkleed advies gezonden waarin de in de aanmaningsbrief geformuleerde grieven werden herhaald, met het verzoek aan de Bondsrepubliek Duitsland binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van dit advies de nodige maatregelen te nemen om daaraan te voldoen.
14 Omdat deze lidstaat niet op het met redenen omkleed advies heeft geantwoord, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
15 De Commissie betoogt dat de bevoegde autoriteiten van het Land Schleswig-Holstein onder toepassing van § 4, lid 4, van de uitvoeringswet van dit Land, bovenop het forfaitaire bedrag van de communautaire retributie de bedragen kunnen innen die overeenkomen met de kosten voor het uitvoeren van bacteriologische onderzoeken op vers vlees. Het Hof heeft echter in zijn arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, voor recht verklaard dat uit de bewoordingen en het doel van de richtlijnen 64/433 en 85/73 voortvloeit, dat de door de lidstaten krachtens deze richtlijn geheven communautaire retributie de kosten van bacteriologische onderzoeken dekt.
16 De inwerkingtreding van de nieuwe communautaire regelgeving, te weten de verordeningen nrs. 853/2004 en 854/2004, per 1 januari 2006, en verordening nr. 882/2004, per 1 januari 2007, heeft in deze situatie geen verandering gebracht. Uit de bewoordingen van de relevante bepalingen van deze verordeningen volgt immers dat de bacteriologische onderzoeken onderdeel vormen van de verplichte keuringen en sanitaire controles waarvan de kosten door de communautaire retributie worden gedekt. Deze onderzoeken kunnen dus geen aanleiding geven tot de toepassing van een andere heffing dan die retributie. Voorts is § 4, lid 4, van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein in strijd met de doelstelling van de relevante communautaire bepalingen die, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld in het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, dat naar analogie transponeerbaar is naar de nieuwe communautaire regelgeving, beogen om concurrentievervalsingen ten gevolge van verschillen op het gebied van de financiering van de keuringen en de controles weg te nemen. Het risico bestaat echter dat deze doelstelling niet wordt bereikt indien een aantal bij richtlijn 64/433 voorgeschreven keuringen en sanitaire controles zouden kunnen ontsnappen aan het aldus geharmoniseerde communautaire financieringsstelsel en hiervoor bijzondere nationale retributies kunnen worden geheven.
17 Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland betoogt, kan voor een bepaling als § 4, lid 4, van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein geen steun worden gevonden in bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, van richtlijn 85/73. Het Hof heeft immers in zijn arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, uitdrukkelijk de mogelijkheid uitgesloten om punt 4, sub b, in te roepen om de met de bacteriologische onderzoeken samenhangende kosten bovenop de vaste bedragen van de retributie in rekening te brengen. Het Hof heeft in dit arrest bovendien geoordeeld dat een krachtens deze bepaling geheven retributie de vorm zou moeten aannemen van een forfaitair bedrag. In de onderhavige zaak betreft het echter geen algemene verhoging van het vaste bedrag van de communautaire retributie die alle gemaakte kosten dekt. § 4, lid 4, van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein is dus in strijd met artikel 5, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 85/73.
18 De Commissie betoogt voorts nog dat het arrest van 9 september 1999, Feyrer (C‑374/97, Jurispr. blz. I‑5153), dat door de Bondsrepubliek Duitsland wordt ingeroepen om haar standpunt kracht bij te zetten, voor de onderhavige zaak irrelevant is. Het Hof heeft in die zaak immers andere vragen behandeld dan die welke in het onderhavige geschil rijzen.
19 De Bondsrepubliek Duitsland stelt zich op het standpunt dat de uitvoeringswet door het Land Schleswig-Holstein is vastgesteld op de voet van artikel 1 van richtlijn 85/73 juncto bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, daarvan, krachtens welke de lidstaten een retributie mogen heffen ter dekking van de voor de keuringen en de sanitaire controles van geslacht vlees daadwerkelijk gemaakte kosten.
20 Deze lidstaat merkt allereerst op dat de bij de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein voorziene retributie voor de slachtdier‑ en vleeskeuring niet de kosten voor het vervoer en de keuring van met het oog op de verrichting van bacteriologisch onderzoek genomen stalen dekt. Dit is overigens in overeenstemming met het nationale recht, op grond waarvan een retributie in geen geval dergelijke kosten kan dekken. Het is dus gerechtvaardigd om de bedragen ter dekking van dergelijke kosten afzonderlijk in rekening te brengen.
21 De Bondsrepubliek Duitsland betoogt vervolgens dat het Land Schleswig-Holstein bij wijze van retributies voor de keuringen en controles van vers vlees, noch de bij bijlage A, hoofdstuk I, punten 2 en 3, van richtlijn 85/73 voorziene vaste bedragen, noch retributies ter verhoging van de vaste bedragen uit hoofde van punt 4, sub a, van datzelfde hoofdstuk, int. Bijgevolg kan niet staande worden gehouden, zoals de Commissie doet, dat deze bedragen „bovenop” de forfaitaire communautaire retributie worden geïnd. In dat opzicht is er een pertinent verschil tussen de regelgeving van het Land Schleswig-Holstein en die welke in geding was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald. Bovendien mogen overeenkomstig punt 32 van het arrest Feyrer, reeds aangehaald, de lidstaten zonder enige andere voorafgaande voorwaarde van de hun bij bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73 toegekende mogelijkheid gebruikmaken, op voorwaarde dat de specifieke retributie de daadwerkelijk gemaakte kosten niet overschrijdt. Wanneer dus aan die voorwaarde is voldaan, mogen specifieke retributies ter zake van verschillende verrichtingen worden geïnd. Daarbij mag echter, zoals in de onderhavige zaak, geen sprake zijn van dubbele financiering.
22 Ten slotte betoogt de Bondsrepubliek Duitsland dat § 4, lid 4, van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein noch met de bewoordingen, noch met de doelstelling van bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73 in strijd is. Uit een gecombineerde lezing van verschillende taalversies van deze bepaling volgt immers dat deze niet in de weg staat aan de inning van meerdere partiële retributies of de inning van retributies en toeslagen die een „totale retributie” vormen. Voorts zou de door deze richtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de harmonisatie van de berekeningsgrondslagen voor de retributies, niet moeten leiden tot een harmonisatie van de toepasselijke tarieven, aangezien de richtlijn zelf ook voorziet in afwijkingen opdat de lidstaten met afwijkende kostenstructuren rekening kunnen houden.
23 Deze lidstaat voegt toe dat het onvermijdelijk is dat het bedrag van de betreffende retributie van geval tot geval verschilt, aangezien de kosten waarmee rekening wordt gehouden verschillen naargelang de omstandigheden in de slachtinrichtingen en de verschillende soorten keuringen die verricht moeten worden. Een retributie ter dekking van de daadwerkelijk gemaakte kosten onderscheidt zich juist van een forfaitaire retributie door het feit dat in het eerste geval de kosten afhangen van de betrokken slachtinrichting, terwijl in het tweede geval die kosten worden toegerekend aan het geheel van de slachtinrichtingen. Een bepaling als § 4, lid 4, van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein staat in geen geval op gespannen voet met het in artikel 5, lid 3, van richtlijn 85/73 opgenomen verbod, de daadwerkelijke keuringskosten te overschrijden.
24 De verordeningen nrs. 853/2004 en 854/2004 en verordening nr. 882/2004, die respectievelijk per 1 januari 2006 en 1 januari 2007 van toepassing zijn, brengen in die situatie geen wijziging, nu de door de Bondsrepubliek Duitsland in de punten 19 tot en met 23 van het onderhavige arrest ingeroepen argumenten naar analogie kunnen worden getransponeerd naar de nieuwe verordeningen.
Beoordeling door het Hof
25 Vooraf moet worden opgemerkt dat de Commissie ter ondersteuning van haar beroep twee grieven inroept, namelijk schending van de verplichtingen die op de Bondsrepubliek Duitsland rusten uit hoofde van de artikelen 1 en 5, leden 3 en 4, van richtlijn 85/73 in de eerste plaats en van verordening nr. 882/2004 in de tweede plaats.
De eerste grief
26 Om over de gegrondheid van de eerste grief een oordeel te kunnen vellen, moet eerst worden bepaald of het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, dat door de Commissie wordt ingeroepen, relevant is voor de onderhavige zaak, en moet de vraag worden beantwoord of bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73 moet worden uitgelegd in de door deze instelling voorgestane betekenis, namelijk in die zin dat een krachtens die bepaling geheven retributie de vorm van een forfaitair bedrag moet aannemen.
27 Aangaande in de eerste plaats de analoge toepassing van het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, op de in casu in geding zijnde situatie rechtens, moet worden opgemerkt dat zoals de Bondsrepubliek Duitsland heeft betoogd zonder op dit punt door de Commissie te zijn tegengesproken, het Land Schleswig-Holstein bij wijze van retributies voor de keuringen en controles van vers vlees, noch de in bijlage A, hoofdstuk I, punten 2 en 3, van richtlijn 85/73 voorziene vaste bedragen, noch de retributies ter verhoging van de forfaitaire bedragen uit hoofde van datzelfde hoofdstuk I, punt 4, sub a, int.
28 Nu vaststaat dat de bevoegde nationale autoriteiten in casu enkel een specifieke retributie innen, zelfs als deze uit verschillende bedragen is opgebouwd, moet worden geconcludeerd dat de regeling van het Land Schleswig-Holstein zich op een wezenlijk punt onderscheidt van die welke in geding was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald.
29 Hieruit volgt dat de door het Hof in zijn arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, gekozen oplossing niet naar analogie kan worden getransponeerd op een situatie als die in de onderhavige zaak.
30 Aangaande in de tweede plaats de uitlegging van bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73, moet allereerst worden vastgesteld dat, anders dan de Commissie betoogt, het Hof in punt 56 van zijn arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, niet heeft geoordeeld dat de in die bepaling voorziene retributie de vorm van een forfaitair bedrag moet aannemen.
31 De door het Hof in bedoeld punt 56 beoogde verhogingen zijn die welke zijn voorzien in bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub a, van richtlijn 85/73, welke bepaling als enige de begrippen „verhogen” en „forfaitaire bedragen” hanteert. Het tweede deel van dit punt 56, dat betrekking heeft op de mogelijkheid van de lidstaten om een specifieke retributie te heffen die hoger is dan het niveau van de communautaire retributies, verwijst geenszins naar een forfaitair bedrag, maar beperkt zich ertoe het gebruik van die mogelijkheid te onderwerpen aan de enkele voorwaarde dat die retributie alle daadwerkelijk gemaakte kosten dekt.
32 Hieruit volgt dat deze retributie niet meer mag bedragen dan de daadwerkelijk gemaakte kosten en daarnaast rekening moet houden met alle kosten, zonder dat sommige daarvan terzijde kunnen worden geschoven. Bijgevolg kan deze niet de vorm van een „forfaitaire” retributie aannemen in de zin waarin de Commissie dat begrip opvat, aangezien, zoals het Hof in punt 52 van zijn arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, heeft vastgesteld, het wezenlijke kenmerk van een forfaitair vastgestelde retributie is dat zij in sommige gevallen de daadwerkelijke kosten van de maatregelen die zij beoogt te financieren overschrijdt en die in andere gevallen onderschrijdt.
33 Hieraan moet worden toegevoegd dat deze lezing van punt 56 van het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, geheel in overeenstemming met de opzet daarvan is, aangezien dit punt onderdeel is van een ruimere redenering ter beantwoording van de vraag of de kosten voor bacteriologische onderzoeken en voor de opsporing van trichinen die overeenkomstig afgeleid gemeenschapsrecht worden gemaakt, gedekt zijn door de communautaire retributie die de lidstaten heffen voor de keuringen en de sanitaire controles van vers vlees onder toepassing van datzelfde gemeenschapsrecht, of dat dit de lidstaten toestaat een specifieke retributie te innen die ter dekking van die kosten bij de communautaire retributie wordt opgeteld.
34 Daar het Hof in het kader van de behandeling van het verzoek om een prejudiciële beslissing in de zaak waarin het arrest Stratmann en Fleischversorgung Neuss, reeds aangehaald, is gewezen, niet heeft hoeven te antwoorden op de vraag of een krachtens bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73 geheven retributie de vorm van een forfaitair bedrag moet aannemen, kan uit dit arrest geen enkele conclusie worden getrokken ten aanzien van het antwoord dat op die vraag moet worden gegeven.
35 Vervolgens moet worden opgemerkt dat een uitlegging van bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73 volgens welke een krachtens die bepaling geïnde retributie niet uit meerdere elementen kan zijn opgebouwd, door het arrest Feyrer, reeds aangehaald, wordt ontkracht.
36 In punt 26 van bedoeld arrest Feyrer, waarin naar bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73 wordt verwezen, heeft het Hof er immers aan herinnerd dat onder toepassing van artikel 2, lid 3, van deze richtlijn, thans artikel 5, lid 3, daarvan, het „totaal van de geïnde retributie” waarnaar in die bepaling wordt verwezen, niet meer mag bedragen dan de daadwerkelijk gemaakte keuringskosten. Een „totale” retributie is noodzakelijkerwijs de optelsom van meerdere bestanddelen.
37 De omstandigheid dat de in casu in geding zijnde retributie uit verschillende kostenelementen is opgebouwd, leidt op zich dus niet tot onverenigbaarheid van deze retributie met bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73.
38 In dit verband moet nog worden opgemerkt dat in casu niet wordt betwist dat de betrokken retributie de daadwerkelijk gemaakte kosten niet overschrijdt. Hieruit volgt dat de retributie op dit punt evenmin in strijd is met bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73 (zie in die zin arrest Feyrer, reeds aangehaald, punten 27 en 29).
39 Om diezelfde reden is de betreffende retributie ook niet in strijd met de artikelen 1 en 5, lid 4, van richtlijn 85/73.
40 Ten slotte moet worden vastgesteld dat, anders dan de Commissie betoogt, de doelstellingen van transparantie en bestrijding van concurrentievervalsingen zich niet verzetten tegen de inning van een retributie zoals die waarop de eerste grief van de Commissie doelt.
41 Aangaande in de eerste plaats de doelstelling van transparantie moet worden opgemerkt dat, nu bedoelde retributie duidelijk en gedetailleerd de verschillende elementen waaruit zij is samengesteld tot uiting brengt, de schuldenaar de precieze samenstelling van de totale retributie kan kennen en hij aldus in staat wordt gesteld om de organisatie van zijn activiteit aan te passen om zo het functioneren daarvan te optimaliseren, met name door op sommige kosten te besparen, en voorts om in voorkomend geval zijn kosten te vergelijken met die van andere marktdeelnemers.
42 Aangaande in de tweede plaats de doelstelling van bestrijding van concurrentievervalsingen, moet eraan worden herinnerd dat deze plaatsvindt door de invoering van een retributie die in de gehele Europese Gemeenschap even hoog is, maar door de vaststelling van geharmoniseerde regels op het gebied van de financiering van de keuringen en de sanitaire controles van vers vlees (zie in die zin arrest Feyrer, reeds aangehaald, punt 40). Zo zijn geharmoniseerd de keurings‑ en controlemaatregelen alsook, zoals volgt uit artikel 5, lid 1, van richtlijn 85/73 en uit bijlage A, hoofdstuk I, punten 4 en 5, hierbij, de verschillende kostenelementen waarmee rekening mag worden gehouden bij de vaststelling van de communautaire retributie.
43 Nu niet vaststaat en zelfs niet wordt beweerd dat de in § 4 van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein voorziene retributie andere kostenelementen dekt dan die welke in de gemeenschapsregelgeving zijn voorzien of het bedrag van de daadwerkelijk gemaakte kosten overschrijdt, wordt geen afbreuk gedaan aan de door richtlijn 85/73 nagestreefde doelstelling van bestrijding van concurrentievervalsingen.
44 Gelet op een en ander moet werden vastgesteld dat het door de Commissie ter ondersteuning van haar eerste middel ingeroepen betoog niet slaagt.
45 Bijgevolg moet de eerste door de Commissie opgeworpen grief worden afgewezen.
De tweede grief
46 Met haar tweede grief verwijt de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland dat zij sinds 1 januari 2007 de krachtens artikel 27, leden 2, 4 en 10, van verordening nr. 882/2004 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door § 4 van de uitvoeringswet van het Land Schleswig-Holstein niet daaraan aan te passen.
47 Wat deze grief aangaat, moet meteen worden opgemerkt dat het dispositief van het met redenen omkleed advies van 6 juli 2006 geen gewag maakt van een vermeende niet-nakoming door de Bondsrepubliek Duitsland van artikel 27 van verordening nr. 882/2004, dat overigens op een later tijdstip van toepassing is geworden dan dat waarop dit advies aan deze lidstaat is betekend.
48 In die omstandigheden moet worden onderzocht of de tweede door de Commissie ter ondersteuning van haar beroep ingeroepen grief ontvankelijk is.
49 Volgens de rechtspraak van het Hof moet in het kader van een beroep krachtens artikel 226 EG het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld tegen de achtergrond van de gemeenschapsregeling die van kracht was aan het einde van de termijn die de Commissie de betrokken lidstaat had gesteld om aan het met redenen omkleed advies te voldoen (zie onder meer arresten van 9 november 1999, Commissie/Italië, C‑365/97, Jurispr. blz. I‑7773, punt 32, en 5 oktober 2006, Commissie/België, C‑275/04, Jurispr. blz. I‑9883, punt 34).
50 Ofschoon het petitum van het verzoekschrift in beginsel niet meer mag omvatten dan de in het dispositief van het met redenen omkleed advies en in de aanmaningsbrief gestelde niet-nakomingen, kan de Commissie verzoeken om de niet-nakoming vast te stellen van verplichtingen die voortvloeien uit de oorspronkelijke versie van een naderhand gewijzigde of afgeschafte gemeenschapshandeling, die in nieuwe bepalingen zijn gehandhaafd. Daarentegen mag het voorwerp van het geding niet worden uitgebreid tot verplichtingen die voortvloeien uit nieuwe bepalingen en die niet hun tegenhanger vinden in de oorspronkelijke versie van de betrokken handeling, daar dit een schending zou opleveren van de wezenlijke vormvoorschriften waaraan de niet-nakomingsprocedure dient te voldoen (zie in die zin arrest van 12 juni 2003, Commissie/Italië, C‑363/00, Jurispr. blz. I‑5767, punt 22, en arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 35).
51 In de onderhavige zaak staat vast dat de retributies of heffingen als bedoeld in artikel 27, leden 2, 4 en 10, van verordening nr. 882/2004, zoals meer bepaald uit het bepaalde sub b van de tweede van die bepalingen volgt, op forfaitaire bedragen kunnen worden vastgesteld.
52 In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat die retributies en heffingen zich fundamenteel onderscheiden van de retributies die de lidstaten mogen innen onder toepassing van bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, sub b, van richtlijn 85/73, die, zoals volgt uit punt 32 van het onderhavige arrest, niet de vorm van een forfaitaire retributie konden aannemen, maar moesten overeenstemmen met de daadwerkelijk gemaakte kosten.
53 Hieruit volgt dat de Commissie met haar tweede grief het voorwerp van het geding zoals dit volgt uit het met redenen omkleed advies heeft uitgebreid tot een uit verordening nr. 882/2004 voortvloeiende verplichting die geen tegenhanger heeft in richtlijn 85/73, en dat deze instelling derhalve wezenlijke vormvoorschriften waaraan de niet-nakomingsprocedure dient te voldoen heeft geschonden.
54 Bijgevolg moet de tweede grief van de Commissie niet-ontvankelijk worden verkaard.
55 Gelet op het voorgaande, moet het beroep van de Commissie in zijn geheel worden verworpen.
Kosten
56 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Bondsrepubliek Duitsland worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy