Zaak C‑274/07
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Republiek Litouwen
„Niet-nakoming – Richtlijn 2002/22/EG – Universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten – Artikel 26, lid 3 – Uniform Europees alarmnummer – Terbeschikkingstelling van informatie over locatie van oproeper”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Telecommunicatiesector – Universele dienst en gebruikersrechten – Richtlijn 2002/22
(Richtlijn 2002/22 van het Europees Parlement en de Raad, art. 26, lid 3)
Volgens artikel 26, lid 3, van richtlijn 2002/22 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en ‑diensten moeten de lidstaten ervoor zorgen dat ondernemingen die openbare telefoonnetwerken exploiteren, voor zover dat technisch haalbaar is, voor alle oproepen naar het Europese alarmnummer „112” informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking stellen van de instanties die noodsituaties behandelen.
Deze bepaling beoogt het beschermingsniveau en de veiligheid van de gebruikers van „112”-diensten te verbeteren en het de noodhulpdiensten gemakkelijker te maken om hun taken te vervullen.
Uit de formulering en het doel van deze bepaling blijkt dat deze de lidstaten – voor zover een en ander technisch haalbaar is – een resultaatsverplichting oplegt, die niet beperkt is tot het opzetten van een passend regelgevend kader, maar inhoudt dat de informatie over de locatie van eenieder die het nummer „112” belt, daadwerkelijk naar de noodhulpdiensten wordt doorgezonden.
Het feit dat de noodzakelijke uitrusting niet is aangekocht of aangepast, betekent niet dat deze informatieverstrekking niet technisch haalbaar is in de zin van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn.
Artikel 26, lid 3, bevat geen aanwijzingen over de methode volgens welke de informatie over de locatie van de oproeper van het „112”-nummer dient te worden doorgezonden, en laat de lidstaten dus vrij kiezen op welke wijze zij deze informatieverstrekking concreet willen verzekeren.
(cf. punten 38‑40, 46-47)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
11 september 2008 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 2002/22/EG – Universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten – Artikel 26, lid 3 – Uniform Europees alarmnummer – Terbeschikkingstelling van informatie over locatie van oproeper”
In zaak C‑274/07,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 7 juni 2007,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Braun en A. Steiblytė als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Republiek Litouwen, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas als gemachtigde,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, L. Bay Larsen, K. Schiemann, P. Kūris en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Litouwen, door er in de praktijk niet voor te zorgen dat, voor zover dat technisch haalbaar is, voor alle via de openbare telefoonnetwerken verrichte oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer „112” informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking wordt gesteld van de instanties die noodsituaties behandelen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 26, lid 3, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51; hierna: „universeledienstrichtlijn”).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsrecht
2 Punt 36 van de considerans van de universeledienstrichtlijn luidt als volgt:
„Het is van belang dat de gebruikers in staat zijn het uniforme Europese alarmnummer ‚112’, en eventuele andere nationale alarmnummers, kosteloos vanaf ieder toestel, met inbegrip van openbare betaaltelefoons, te bereiken zonder het gebruik van enig betaalmiddel. [...] Informatie over de plaats waar de beller zich bevindt, die voor zover dit technisch haalbaar is voor de hulpdiensten beschikbaar zal moeten zijn, verbetert het beschermingsniveau en de veiligheid van de gebruikers van ‚112’-diensten en maakt het voor de hulpdiensten gemakkelijker om hun taken te vervullen, mits de doorschakeling van oproepen en bijbehorende gegevens naar de hulpdiensten is gewaarborgd. [...]”
3 Artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn bepaalt:
„De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die openbare telefoonnetwerken exploiteren, voor zover dat technisch haalbaar is voor alle oproepen van het Europese alarmnummer ‚112’ informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking stellen van de instanties die noodsituaties behandelen.”
4 Volgens artikel 38, lid 1, van de universeledienstrichtlijn dienen de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om uiterlijk 24 juli 2003 aan deze richtlijn te voldoen en de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen. Zij moeten deze bepalingen toepassen vanaf 25 juli 2003.
5 Volgens artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33; hierna: „toetredingsakte”), gelezen in combinatie met artikel 54 van deze akte, diende de Republiek Litouwen vanaf haar toetreding tot de Europese Unie, namelijk vanaf 1 mei 2004, uitvoering te geven aan de universeledienstrichtlijn.
6 Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33), bepaalt in artikel 19, lid 1:
„Wanneer de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 22, lid 2, aan de lidstaten aanbevelingen doet over de harmonisatie van de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn en de bijzondere richtlijnen bij het nastreven van de verwezenlijking van de in artikel 8 genoemde doelstellingen, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale regelgevende instanties bij de uitvoering van hun taken zo veel mogelijk rekening houden met die aanbevelingen. Wanneer een nationale regelgevende instantie besluit om een aanbeveling niet op te volgen, brengt zij de Commissie daarvan op de hoogte met vermelding van de motivering van haar standpunt.”
7 In de tiende overweging van de considerans van aanbeveling 2003/558/EG van de Commissie van 25 juli 2003 betreffende de verwerking van locatie-informatie over de oproeper in elektronische-communicatienetwerken met het oog op locatie-uitgebreide noodoproepdiensten (PB L 189, blz. 49), wordt het volgende verklaard:
„Voor een effectieve invoering van locatie-uitgebreide noodoproepdiensten moet de locatie van de oproeper, zoals die door de aanbieder van het openbare telefoonnetwerk of de openbare telefoondienst is bepaald, automatisch worden doorgezonden naar een geschikte alarmcentrale die de verstrekte locatiegegevens kan ontvangen en gebruiken.”
8 De punten 4 en 13 van de aanbeveling luiden als volgt:
„4. Bij elke noodoproep naar het uniforme Europese alarmnummer 112 dienen de exploitanten van openbare telefoonnetwerken, geïnitieerd door het netwerk, de beste beschikbare informatie over de locatie van de oproeper aan de alarmcentrales door te sturen, voor zover dit technisch haalbaar is. Gedurende de periode tot de afronding van de onder punt 13 bedoelde evaluatie is het aanvaardbaar dat de exploitanten locatie-informatie uitsluitend op verzoek beschikbaar stellen.
[...]
13. De lidstaten dienen hun nationale instanties ertoe te verplichten uiterlijk eind 2004 verslag uit te brengen bij de Commissie over de situatie bij de invoering van E112, zodat de Commissie een evaluatie kan uitvoeren waarbij rekening wordt gehouden met de nieuwe eisen die bij alarmcentrales en noodhulpdiensten naar voren komen en de ontwikkeling en beschikbaarheid van technologische mogelijkheden voor locatiebepaling.”
Nationaal recht
9 Artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn is in Litouws recht omgezet bij artikel 65, lid 4, van Elektroninių ryšių įstatymas nr. IX‑2135 (wet nr. IX-2135 inzake elektronische communicaties) van 15 april 2004 (Žin., 2004, nr. 69-2382; hierna: „wet inzake elektronische communicaties”), die op 1 mei 2004 in werking is getreden. Deze bepaling luidt als volgt:
„Leveranciers van openbare communicatienetwerken en voor het publiek toegankelijke elektronische-communicatiediensten verstrekken zonder de toestemming van de abonnee of de daadwerkelijke gebruiker van elektronische-communicatiediensten informatie over de locatie (inclusief verkeersgegevens) aan de instanties die noodoproepen behandelen, zoals de gerechtelijke autoriteiten, ambulance‑ en brandweerdiensten en andere noodhulpdiensten, teneinde hen in staat te stellen oproepen van abonnees of gebruikers van elektronische-telecommunicatiediensten te beantwoorden en op passende wijze te reageren. [...]”
10 Op 1 september 2007 is wet nr. X-1092 van 12 april 2007 houdende wijziging van artikel 65 van de wet inzake elektronische communicaties (Žin., 2007, nr. 46-1723) in werking getreden. Lid 4 van artikel 65, zoals gewijzigd, bepaalt dat de leveranciers van openbare communicatienetwerken en voor het publiek toegankelijke elektronische-communicatiediensten de informatie over de locatie van de oproeper gratis aan de gemeenschappelijke alarmcentrale moeten verstrekken en dat de kosten voor de aankoop, de installatie (aanpassing), vernieuwing en werking van de daarvoor noodzakelijke uitrusting uit de openbare middelen worden terugbetaald.
11 Naast de wet inzake elektronische communicaties heeft de Republiek Litouwen nog andere regelgeving vastgesteld ter uitvoering van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn, waaronder:
– wet nr. IX-2246 inzake de gemeenschappelijke alarmcentrale (Bendrojo pagalbos centro įstatymas nr. IX-2246) van 25 mei 2004 (Žin., 2004, nr. 90‑3306);
– resolutie nr. 1500 van de regering van de Republiek Litouwen van 25 september 2002 betreffende de oprichting van een gemeenschappelijke alarmcentrale en de strategie voor de invoering van het uniforme alarmnummer 112 en betreffende de goedkeuring van het plan ter uitvoering hiervan (Lietuvos Respublikos Vyriausybės nutarimas Nr. 1500 dėl Bendrojo pagalbos centro įsteigimo ir vieno skubaus iškvietimo telefono numerio 112 įvedimo strategijos, jos įgyvendinimo plano patvirtinimo) (Žin., 2002, nr. 95-4114), en
– besluit nr. 1V-389 van de directeur van de regelgevende instantie voor communicaties van 21 april 2005 tot goedkeuring van de procedure en de regels voor het doorzenden van oproepen van abonnees en/of gebruikers van communicatiediensten naar de nummers van de alarmcentrale en/of van de noodhulpdiensten [Ryšių reguliavimo tarnybos direktoriaus įsakymas Nr. 1V-389 dėl abonentų ir(ar) paslaugų gavėjų skambučių siuntimo į Bendrojo pagalbos centro ir(ar) pagalbos tarnybų numerius tvarkos ir sąlygų aprašo patvirtinimo] (Žin., 2005, nr. 55-1918).
Precontentieuze procedure
12 Bij aanmaningsbrief van 10 april 2006 heeft de Commissie de Republiek Litouwen meegedeeld dat zij zich zorgen maakte over de onjuiste toepassing van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn. Deze zorgen waren te wijten aan het feit dat, wanneer de noodoproepen naar het uniforme Europese alarmnummer „112” afkomstig waren van een mobiele telefoon, geen informatie over de locatie van de beller aan de noodhulpdiensten werd verstrekt.
13 In hun antwoord van 11 juli 2006 hebben de Litouwse autoriteiten dit feit bevestigd en uitgelegd dat de exploitanten van openbare communicatienetwerken en voor het publiek toegankelijke elektronische-telecommunicatiediensten niet over de daarvoor noodzakelijke technische uitrusting beschikten en dat de autoriteiten het niet eens waren geworden met deze exploitanten over de vraag wie de kosten van de lokalisering van de oproeper diende te dragen. Op 25 september 2006 heeft de Litouwse regering de Commissie recentere informatie verstrekt en aangegeven welke maatregelen zij voornemens was te nemen ter uitvoering van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn.
14 Op 18 oktober 2006 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij vaststelde dat de Republiek Litouwen niet in staat was om in de praktijk te garanderen dat informatie over de locatie van de beller ter beschikking werd gesteld wanneer de noodoproepen naar het nummer „112” afkomstig waren van een mobiele telefoon, en aldus niet voldeed aan de krachtens artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn op haar rustende verplichtingen. Tegelijkertijd heeft zij deze lidstaat verzocht de nodige maatregelen te treffen om binnen twee maanden na de betekening van dit advies hieraan te voldoen.
15 In haar antwoord van 12 januari 2007 heeft de Republiek Litouwen te kennen gegeven dat een wetsontwerp tot wijziging van artikel 65 van de wet inzake elektronische communicaties bij het Litouwse parlement was ingediend. Dit ontwerp bepaalde dat de door de leveranciers van openbare mobieletelefoniediensten gedragen kosten voor het doorzenden van de informatie over de locatie van de oproeper ten laste werd genomen door de nationale overheid. Bij deze brief was een overeenkomst betreffende de lokalisering van de oproeper gevoegd, die op 4 december 2006 tussen de gemeenschappelijke alarmcentrale en de mobieletelefonieoperatoren was gesloten.
16 Aangezien de Commissie de situatie nog steeds onbevredigend vond, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
17 De Republiek Litouwen stelt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de grieven in het met redenen omkleed advies inhoudelijk verschillen van die welke in het verzoekschrift zijn aangevoerd. In de motivering van het met redenen omkleed advies wordt immers de klemtoon gelegd op het feit dat de informatie over de locatie van de oproeper voor oproepen naar het „112”-nummer die afkomstig zijn van een mobiele telefoon, in Litouwen niet volgens de „pull”-methode wordt verstrekt, terwijl in het verzoekschrift wordt gesteld dat de „push”-methode moet worden toegepast.
18 De Commissie antwoordt hierop dat het met redenen omkleed advies en het verzoekschrift de twee in aanbeveling 2003/558 genoemde methodes – „push” en „pull” – vermelden en de Republiek Litouwen de keuze laten welke methode zij ter uitvoering van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn wenst toe te passen.
19 In dupliek stelt de Republiek Litouwen dat de Commissie pas in repliek haar nieuwe standpunt heeft uiteengezet dat de lidstaten niet alleen de mogelijkheid, maar zelfs de verplichting hebben om de meest eenvoudige technische maatregelen te nemen teneinde de lokalisering van de oproeper te verzekeren, dat wil zeggen dat zij de „pull”-methode moeten toepassen. Aangezien dus tot op dat ogenblik onduidelijk was welk standpunt de Commissie innam, voldoen de door haar geformuleerde grieven niet aan het vereiste dat het voorwerp van het niet-nakomingsberoep nauwkeurig moet worden geformuleerd.
Beoordeling door het Hof
20 Volgens vaste rechtspraak heeft de precontentieuze procedure tot doel de betrokken lidstaat in de gelegenheid te stellen de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen na te komen en verweer te voeren tegen de door de Commissie geformuleerde grieven (zie met name arrest van 7 september 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑484/04, Jurispr. blz. I‑7471, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 Het regelmatige verloop van deze procedure vormt een door het EG-Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, niet enkel ter bescherming van de rechten van de betrokken lidstaat, maar ook om te verzekeren dat in de eventuele procedure voor het Hof het voorwerp van het geschil duidelijk is omschreven (zie arrest van 15 februari 2007, Commissie/Nederland, C‑34/04, Jurispr. blz. I‑1387, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 Hieruit volgt in de eerste plaats dat het voorwerp van een beroep krachtens artikel 226 EG wordt afgebakend door de in deze bepaling bedoelde precontentieuze procedure. Derhalve dient het beroep op dezelfde overwegingen en middelen te berusten als het met redenen omkleed advies (zie arresten van 20 juni 2002, Commissie/Duitsland, C‑287/00, Jurispr. blz. I‑5811, punt 18, en 9 februari 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑305/03, Jurispr. blz. I‑1213, punt 22).
23 In de tweede plaats moet het met redenen omkleed advies een coherente en gedetailleerde uiteenzetting bevatten van de redenen die de Commissie tot de overtuiging hebben gebracht dat de betrokken lidstaat een van de krachtens het gemeenschapsrecht op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen (zie arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 19, en arrest van 7 september 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk, reeds aangehaald, punt 26).
24 In casu moet worden vastgesteld dat de tegen de Republiek Litouwen opgeworpen grief gedurende de gehele precontentieuze en contentieuze procedure ongewijzigd is gebleven. Zowel in het kader van de precontentieuze procedure als voor het Hof heeft de Commissie deze lidstaat immers verweten dat hij niet voldoet aan de krachtens artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn op hem rustende verplichtingen door in de praktijk niet te garanderen dat, voor zover dat technisch haalbaar is, voor alle oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer „112” informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking wordt gesteld van de instanties die noodsituaties behandelen.
25 Wat de concrete inhoud en de motivering van deze grief betreft, heeft de Commissie in de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies aangevoerd dat het voor de exploitanten van vaste‑ en mobieletelefonienetwerken in Litouwen technisch haalbaar is om deze informatie althans volgens de in aanbeveling 2003/558 bedoelde „pull”-methode te verstrekken. Daarmee heeft zij deze methode evenwel geenszins aan de Republiek Litouwen opgelegd, maar enkel uitdrukkelijk gesteld dat de in artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn genoemde verplichting volgens haar daadwerkelijk geldt in het onderhavige geval, aangezien is voldaan aan de voorwaarde van technische haalbaarheid waarvan deze verplichting volgens deze bepaling afhangt.
26 Anders dan de Republiek Litouwen stelt, heeft de Commissie tijdens de procedure voor het Hof evenmin verklaard dat de lidstaten verplicht zijn om een specifieke methode te hanteren om aan artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn te voldoen. In het verzoekschrift en de memorie van repliek wordt immers, zoals voordien in de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies, louter verwezen naar punt 4 van aanbeveling 2003/558, zonder dat wordt geëist dat deze of gene in dit punt genoemde methode wordt toegepast.
27 Zo heeft de Commissie met name in haar memorie van repliek niet gesteld dat de Republiek Litouwen de „pull”-methode moet gebruiken, maar wel dat deze lidstaat ten minste de meest eenvoudige technische maatregelen moet treffen om te verzekeren dat de informatie over de locatie van de oproeper vanaf de in de toetredingsakte vastgestelde datum daadwerkelijk wordt doorgezonden. Dit standpunt stemt perfect overeen met het standpunt dat de Commissie tijdens de precontentieuze procedure naar voren heeft gebracht.
28 Gelet op het voorgaande moet de door de Republiek Litouwen opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
Ten gronde
Argumenten van partijen
29 Volgens de Commissie is het voor de Litouwse exploitanten van openbare netwerken voor mobiele telefonie technisch haalbaar om de informatie over de locatie van de beller te verstrekken wanneer deze met een mobiele telefoon het nummer „112” vormt. Zo blijkt uit de door verweerster zelf verstrekte informatie dat de mobieletelefonienetwerken in Litouwen geen specifieke kenmerken vertonen die het technisch onmogelijk zouden maken om deze informatie door te zenden.
30 Zo wordt met name in de overeenkomst betreffende de lokalisering van de oproeper, die op 4 december 2006 tussen de gemeenschappelijke alarmcentrale en de exploitanten van openbare mobieletelefonienetwerken is gesloten, vermeld dat het technisch mogelijk is om dergelijke informatie door te zenden, maar dat hiervoor eventueel aanvullende investeringen nodig zijn. Het feit dat er geen investeringen zijn verricht en dat de daarvoor noodzakelijke uitrusting te laat is aangekocht, kan niet aldus worden opgevat dat de verstrekking van deze informatie niet technisch haalbaar is in de zin van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn.
31 In repliek zet de Commissie uiteen dat punt 4 van aanbeveling 2003/558, waarnaar zij in haar verzoekschrift heeft verwezen, gelet op het niet-bindende karakter van deze aanbeveling, de lidstaten niet kan verplichten om de „push”- in plaats van de „pull”-methode toe te passen om de informatie over de locatie van de oproeper door te zenden. De Republiek Litouwen kan dus vrij kiezen welke methode zij hanteert, maar zij is hoe dan ook krachtens artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn gehouden om ten minste de meest eenvoudige technische maatregelen te treffen om te verzekeren dat de exploitanten van openbare netwerken voor vaste en mobiele telefonie deze informatie verstrekken vanaf de in de toetredingsakte vastgestelde datum.
32 De Republiek Litouwen stelt dat de grief van de Commissie ongegrond is om de loutere reden dat hij niet op passende wijze is geformuleerd. Aangezien zij alle mogelijke juridische, technische en organisatorische maatregelen heeft genomen om te voldoen aan de in artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn vastgestelde verplichtingen, had deze grief aldus moeten worden geformuleerd dat zij ertoe strekte een niet-nakoming te doen vaststellen die erin bestond dat de Republiek Litouwen er niet voor heeft gezorgd dat de ondernemingen die openbare telefoonnetwerken exploiteren, informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking stellen van de instanties die noodsituaties behandelen.
33 Met betrekking tot de technische haalbaarheid betoogt de Republiek Litouwen dat de gemeenschappelijke alarmcentrale over de technische middelen beschikt om de informatie over de locatie van een persoon die naar het „112”-nummer belt, te ontvangen, maar dat de exploitanten van openbare netwerken voor mobiele telefonie in Litouwen nog steeds niet over de technische middelen beschikken om deze informatie te verstrekken.
34 De Republiek Litouwen preciseert dat het veel eenvoudiger zou zijn geweest om de „pull”-methode, die door bepaalde exploitanten voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, aan te passen dan om over te schakelen op een systeem op basis van de „push”-methode. De beslissing om deze laatste, modernere methode te gaan gebruiken, viel evenwel samen met de weigering om aanvullende investeringen te verrichten om de „pull”-methode aan te passen met het oog op de lokalisering van de oproepen naar het „112”-nummer.
35 In dit verband beklemtoont de Republiek Litouwen dat de technische middelen die nodig zijn om de betrokken informatie door te zenden grondig verschillen naargelang de „pull”- dan wel de „push”-methode wordt gebruikt, en dat beide systemen investeringen en enige voorbereidingstijd vereisen. Dit punt, dat verband houdt met de technische haalbaarheid, dient in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek van de redenen waarom de Litouwse mobieletelefonieoperatoren niet zo ver staan dat zij de informatie aan de nooddiensten kunnen doorzenden.
36 Bovendien dient rekening te worden gehouden met de onzekerheid die aanbeveling 2003/558 creëerde met betrekking tot de manier waarop en de termijn waarbinnen de uit artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn voortvloeiende verplichtingen dienen te worden nagekomen. Van een niet-nakoming zou namelijk slechts sprake kunnen zijn indien van meet af aan bekend was welke methode kan en moet worden toegepast en vanaf welke datum. Indien vanaf het begin duidelijk was vastgesteld dat het de lidstaten vrijstaat de – vanuit technisch oogpunt eenvoudigere – „pull”-methode te hanteren, dan had de Republiek Litouwen gebruik kunnen maken van deze mogelijkheid, waardoor zij aanzienlijke tijd had kunnen besparen.
37 Verder dienen de punten 4 en 13 van aanbeveling 2003/558 aldus te worden uitgelegd dat de doelstellingen van de universeledienstrichtlijn niet op doeltreffende wijze via de „pull”-methode worden bereikt en dat het dus nodig is om de „push”-methode zo ruim mogelijk ingang te doen vinden. Aangezien er extra tijd nodig is om deze methode in te voeren, heeft de Commissie in deze aanbeveling een aanvullende termijn vastgesteld.
Beoordeling door het Hof
38 Volgens artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat ondernemingen die openbare telefoonnetwerken exploiteren, voor zover dat technisch haalbaar is, voor alle oproepen naar het Europese alarmnummer „112” informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking stellen van de instanties die noodsituaties behandelen.
39 Zoals blijkt uit punt 36 van de considerans van de universeledienstrichtlijn, beoogt artikel 26, lid 3, het beschermingsniveau en de veiligheid van de gebruikers van „112”-diensten te verbeteren en het de hulpdiensten gemakkelijker te maken om hun taken te vervullen.
40 Uit de formulering en bovengenoemd doel van deze bepaling blijkt dat deze de lidstaten – voor zover een en ander technisch haalbaar is – een resultaatsverplichting oplegt, die niet beperkt is tot het opzetten van een passend regelgevend kader, maar inhoudt dat de informatie over de locatie van eenieder die het nummer „112” belt, daadwerkelijk naar de noodhulpdiensten wordt doorgezonden.
41 In casu betwist de Republiek Litouwen niet dat bij het verstrijken van de termijn die was verleend in het met redenen omkleed advies, deze informatie niet werd doorgezonden indien de oproep afkomstig was van een mobiele telefoon.
42 Deze lidstaat betoogt in de eerste plaats dat de grief van de Commissie niet op passende wijze is geformuleerd, aangezien de Republiek Litouwen alle juridische, technische en organisatorische maatregelen heeft genomen die nodig zijn voor de omzetting van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn. Dit argument kan niet worden aanvaard. Zowel uit de formulering als uit de motivering van deze grief blijkt immers duidelijk dat de Commissie de Republiek Litouwen niet verwijt dat zij deze bepaling onjuist of op ontoereikende wijze heeft omgezet, maar wel dat zij in de praktijk niet kan waarborgen dat de betrokken informatie daadwerkelijk ter beschikking wordt gesteld van de noodhulpdiensten.
43 Wat in de tweede plaats de voorwaarde van de technische haalbaarheid betreft waaraan de bij artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn aan de lidstaten opgelegde verplichting is gekoppeld, dient te worden vastgesteld dat volgens de door de Republiek Litouwen verschafte gegevens de niet-verstrekking van de informatie over de locatie van de oproepers die gebruikmaken van openbare netwerken voor mobiele telefonie te wijten is aan het feit dat de exploitanten van deze netwerken niet beschikken over de nodige technische uitrusting, die aanzienlijke investeringen vereist.
44 Zoals reeds uiteengezet, heeft de wetgever, na de initiële onenigheid tussen deze exploitanten en de Litouwse autoriteiten over de vraag wie de kosten van deze investeringen ten laste zou nemen, artikel 65, lid 4, van de wet inzake elektronische communicaties met ingang van 1 september 2007 gewijzigd. Volgens de huidige versie moeten de exploitanten de betrokken informatie gratis verstrekken aan de gemeenschappelijke alarmcentrale en worden de kosten voor de aankoop, de installatie of de aanpassing, de vernieuwing en de werking van de daarvoor noodzakelijke uitrusting uit de openbare middelen terugbetaald.
45 Zonder dat de overeenkomst betreffende de lokalisering van de oproeper hoeft te worden onderzocht die op 4 december 2006 tussen de gemeenschappelijke alarmcentrale en de exploitanten van openbare netwerken voor mobiele telefonie is gesloten en die door de partijen op uiteenlopende wijze wordt uitgelegd, dient te worden vastgesteld dat uit deze elementen blijkt dat de niet-verstrekking van de informatie over de locatie van oproepers die gebruikmaken van deze netwerken, niet het gevolg is van de technische kenmerken van deze netwerken, die het objectief gezien onmogelijk zouden maken om deze informatie door te zenden, maar wel van het achterwege blijven van de vereiste investeringen voor de aankoop of de aanpassing van de uitrusting die deze informatieverstrekking mogelijk moet maken.
46 Zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, kan het feit dat de noodzakelijke uitrusting niet is aangekocht of aangepast, niet aldus worden opgevat dat deze informatieverstrekking niet technisch haalbaar is in de zin van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn.
47 Wat ten slotte de argumenten van de Republiek Litouwen betreft inzake de methode op basis waarvan de informatie over de locatie van de oproeper van het „112”-nummer dient te worden doorgezonden, moet om te beginnen worden vastgesteld dat artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn geen aanwijzingen dienaangaande bevat en de lidstaten dus vrijlaat kiezen op welke wijze zij deze informatieverstrekking concreet willen verzekeren.
48 Aanbeveling 2003/558 verwijst in punt 4 ervan naar twee methodes. De eerste, die wordt aangeduid als de „push”-methode, houdt in dat deze informatie automatisch wordt doorgezonden door de exploitanten van de openbare telefoonnetwerken, terwijl volgens de tweede methode, de zogenaamde „pull”-methode, deze informatie slechts wordt verstrekt op verzoek van de alarmcentrales.
49 Uit de formulering van punt 4 en van de tiende overweging van de considerans van aanbeveling 2003/558 blijkt weliswaar dat de Commissie de toepassing van de eerste methode doeltreffender acht en de lidstaten aanbeveelt om deze methode, althans na een overgangsperiode, op te leggen aan de op hun grondgebied werkzame exploitanten van openbare telefoonnetwerken, maar het spreekt eveneens voor zich dat deze aanbeveling, gelet op het niet-bindende karakter ervan, de lidstaten niet zou kunnen verplichten om ter uitvoering van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn een specifieke methode toe te passen.
50 Dit niet-bindende karakter van aanbeveling 2003/558 volgt niet enkel uit artikel 249, vijfde alinea, EG, maar wordt ook uitdrukkelijk bevestigd door artikel 19 van de kaderrichtlijn, op grond waarvan deze aanbeveling is vastgesteld. Uit lid 1 van dit artikel 19 blijkt immers duidelijk dat een nationale regelgevende instantie ervoor kan opteren om een door de Commissie op grond van deze bepaling uitgebrachte aanbeveling niet op te volgen, met dien verstande dat zij de Commissie daarvan op de hoogte moet brengen met vermelding van de motivering van haar standpunt.
51 De lidstaten kunnen dus weliswaar vrij de methode kiezen die de exploitanten van openbare telefoonnetwerken moeten gebruiken om informatie over de locatie van de oproepers van het „112”-nummer te verstrekken, maar zij zijn niettemin gebonden door de in artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn genoemde duidelijke en precieze resultaatsverplichting om te verzekeren dat deze informatie daadwerkelijk ter beschikking wordt gesteld van de noodhulpdiensten.
52 Een lidstaat kan een eventuele vertraging in de nakoming van deze verplichting met name niet rechtvaardigen op grond van het feit dat hij heeft beslist om de „push”-methode toe te passen, die is gebaseerd op de automatische doorzending van de informatie over de locatie van de oproeper.
53 Anders dan de Republiek Litouwen stelt, verleent aanbeveling 2003/558 geen aanvullende termijn aan lidstaten die voor de „push”-methode hebben geopteerd. Niet alleen is de Commissie niet bevoegd om de aan de lidstaten verleende bindende termijn om aan artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn te voldoen, op geldige wijze te verlengen, maar bovendien blijkt uit de formulering van punt 4 van deze aanbeveling dat deze geenszins beoogt om een vrijstelling te verlenen van de verplichting om deze termijn na te leven. Dit punt 4 vermeldt immers weliswaar de mogelijkheid om pas na een overgangsperiode de toepassing van de „push”-methode voor te schrijven, maar het geeft tegelijkertijd aan dat de informatie over de locatie van de oproeper tijdens deze periode minstens op verzoek van de noodhulpdiensten, dat wil zeggen volgens de „pull”-methode, dient te worden verstrekt.
54 Wat ten slotte de vermeende onzekerheid betreft over de methode en de termijn om de in artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn genoemde verplichting na te komen, dient te worden vastgesteld dat noch deze bepaling noch aanbeveling 2003/558 dienaangaande enige twijfel doet rijzen. In deze omstandigheden en met name gelet op het feit dat de Republiek Litouwen zelf in haar verweerschrift heeft uiteengezet dat aanbeveling 2003/558 geen bindende kracht heeft voor de lidstaten, kan zij niet met succes stellen dat de vertraging in de daadwerkelijke uitvoering van artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn wordt gerechtvaardigd door het feit dat zij niet goed begreep wat van haar werd verlangd.
55 Gelet op een en ander dient te worden vastgesteld dat de Republiek Litouwen niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 26, lid 3, van de universeledienstrichtlijn, door er in de praktijk niet voor te zorgen dat, voor zover dat technisch haalbaar is, voor alle via de openbare telefoonnetwerken verrichte oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer „112” informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking wordt gesteld van de instanties die noodsituaties behandelen.
Kosten
56 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Republiek Litouwen in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door er in de praktijk niet voor te zorgen dat, voor zover dat technisch haalbaar is, voor alle via de openbare telefoonnetwerken verrichte oproepen naar het uniforme Europese alarmnummer „112” informatie over de locatie van de oproeper ter beschikking wordt gesteld van de instanties die noodsituaties behandelen, heeft de Republiek Litouwen niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 26, lid 3, van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en ‑diensten (universeledienstrichtlijn).
2) De Republiek Litouwen wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Litouws.
Full & Egal Universal Law Academy