Zaak C‑317/07
Procedure ingeleid door
Lahti Energia Oy
(verzoek van de Korkein hallinto-oikeus om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 2000/76/EG – Verbranding van afval – Zuivering en verbranding – Ruw gas geproduceerd uit afval – Begrip afval – Verbrandingsinstallatie – Meeverbrandingsinstallatie”
Samenvatting van het arrest
1. Milieu – Afvalstoffen – Verbranding – Richtlijn 2000/76
(Richtlijn 2000/76 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, punt 1)
2. Milieu – Afvalstoffen – Verbranding – Richtlijn 2000/76
(Richtlijn 2000/76 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, punt 4)
3. Milieu – Afvalstoffen – Verbranding – Richtlijn 2000/76
(Richtlijn 2000/76 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, punten 4 en 5)
1. Het begrip „afval” in artikel 3, punt 1, van richtlijn 2000/76 betreffende de verbranding van afval heeft geen betrekking op gasvormige stoffen.
(cf. punt 17, dictum 1)
2. Het begrip „verbrandingsinstallatie” in artikel 3, punt 4, van richtlijn 2000/76 betreffende de verbranding van afval heeft betrekking op een technische eenheid of inrichting waarin afval thermisch wordt behandeld, mits de met de thermische behandeling gewonnen stoffen vervolgens worden verbrand. De aanwezigheid van een verbrandingsstraat is geen noodzakelijk criterium voor deze kwalificatie.
(cf. punt 22, dictum 2)
3. In het geval van een complex voor de opwekking van energie, waarin een naast een krachtcentrale gelegen vergassingsinstallatie, eerstgenoemde bevoorraadt met gereinigd gas dat uit de vergassing van afval wordt gewonnen en in deze krachtcentrale naast andere fossiele brandstoffen als brandstof wordt gebruikt, dienen de vergassingsinstallatie en de krachtcentrale voor de toepassing van richtlijn 2000/76 betreffende de verbranding van afval in beginsel afzonderlijk te worden onderzocht.
Terwijl een vergassingsinstallatie waarmee gasvormige producten, in casu gereinigd gas, worden geproduceerd door thermische behandeling van afval, als „meeverbrandingsinstallatie” in de zin van artikel 3, punt 5, van deze richtlijn moet worden gekwalificeerd, valt een krachtcentrale die als aanvullende brandstof in plaats van de fossiele brandstoffen die zij overwegend voor haar productie gebruikt, gereinigd gas gebruikt dat door meeverbranding van afval in een vergassingsinstallatie wordt verkregen, niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. Voor de kwalificatie van een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie speelt geen rol met welke kwalificatie het voor het milieu gunstigste emissieniveau kon worden bereikt.
(cf. punten 25, 41-43, dictum 3)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
4 december 2008 (*)
„Richtlijn 2000/76/EG – Verbranding van afval – Reiniging en verbranding – Ruw gas geproduceerd op basis van afval – Begrip afval – Verbrandingsinstallatie – Meeverbrandingsinstallatie”
In zaak C‑317/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (Finland) bij beslissing van 6 juli 2007, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2007, in de procedure ingeleid door
Lahti Energia Oy,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, K. Schiemann, J. Makarczyk, L. Bay Larsen en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 juli 2008,
gelet op de opmerkingen van:
– Lahti Energia Oy, vertegenwoordigd door T. Rinne, asianajaja, en door M. Kivelä, directeur, en H. Takala, ingenieur,
– de Hämeen ympäristökeskus, vertegenwoordigd door P. Mäkinen en E. Mecklin als gemachtigden,
– de Salpausselän luonnonystävät ry, vertegenwoordigd door M. Vikberg en S. Niemelä, asianajaja,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door J. Heliskoski als gemachtigde,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door G. Fiengo, avvocato dello Stato,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en M. de Grave als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Koskinen en J.‑B. Laignelot als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 september 2008,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PB L 332, blz. 91).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Lahti Energia Oy (hierna: „Lahti Energia”), een onderneming die eigendom is van de stad Lahti, en de Itä-Suomen ympäristölupavirasto (milieudienst van Oost-Finland; hierna: „ympäristölupavirasto”) over de toepassing van de vereisten van richtlijn 2000/76 op een uit een vergassingsinstallatie en een krachtcentrale bestaand complex.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2000/76
3 De punten 5 en 27 van de considerans van richtlijn 2000/76 luiden:
„(5) Overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel is het dienstig dat maatregelen door de Gemeenschap worden genomen; het voorzorgsbeginsel vormt de grondslag voor verdergaande maatregelen; de onderhavige richtlijn blijft beperkt tot minimumeisen voor verbrandings‑ en meeverbrandingsinstallaties.
[...]
(27) Bij meeverbranding van afvalstoffen in niet specifiek voor de verbranding van afval bestemde installaties mogen in het deel van het rookgasvolume dat door deze meeverbranding vrijkomt, geen hogere emissies van verontreinigende stoffen voorkomen dan de toegestane emissies voor specifieke afvalverbrandingsinstallaties en daarvoor dienen dus passende beperkingen te gelden.”
4 Artikel 3 van deze richtlijn luidt:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1) ‚afval’: vast of vloeibaar afval als omschreven in artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG [van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39)];
[...]
4) ‚verbrandingsinstallatie’: een vaste of mobiele technische eenheid en inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte. Een en ander omvat de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand.
Deze definitie omvat het terrein en de gehele verbrandingsinstallatie met inbegrip van alle verbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en bewaking van de verbrandingsomstandigheden;
5) ‚meeverbrandingsinstallatie’: een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten
– waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of
– waarin afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering.
Indien meeverbranding zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten maar wel voor thermische behandeling van afval bestemd is, wordt de installatie beschouwd als een verbrandingsinstallatie in de zin van punt 4.
Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met inbegrip van alle meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsmede de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en behandeling van de verbrandingsomstandigheden;
[...]
12) ‚vergunning’: een door de bevoegde autoriteit afgegeven schriftelijk besluit, of verscheidene besluiten van dien aard, waarbij toestemming wordt verleend om een installatie onder bepaalde voorwaarden te exploiteren, welke voorwaarden moeten garanderen dat de installatie voldoet aan de eisen van deze richtlijn. Een vergunning kan betrekking hebben op een of meer installaties of delen van installaties die zich op dezelfde locatie bevinden en die door dezelfde exploitant worden geëxploiteerd;
13) ‚residu’: een vloeibaar of vast materiaal (met inbegrip van bodemas, slakken, vliegas en ketelas, vaste reactieproducten die ontstaan bij de gasreiniging, zuiveringsslib van de zuivering van afvalwater, afgewerkte katalysatoren en afgewerkte actieve kool) dat valt onder de omschrijving van afvalstoffen in artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG, en dat wordt geproduceerd bij het verbrandings‑ of meeverbrandingsproces, de zuivering van rookgassen of afvalwater of andere processen in de verbrandings‑ of meeverbrandingsinstallatie.”
5 Artikel 7 van richtlijn 2000/76, met het opschrift „Grenswaarden voor emissies in de lucht”, bepaalt:
„1. Verbrandingsinstallaties worden op zodanige wijze ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de in bijlage V genoemde emissiegrenswaarden in het rookgas niet worden overschreden.
2. Meeverbrandingsinstallaties worden op zodanige wijze ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat de emissiegrenswaarden, vastgesteld in of volgens bijlage II, in het rookgas niet worden overschreden.
[...]”
Richtlijn 2006/12/EG
6 Artikel 1 van richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PB L 114, blz. 9), die omwille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst overgaat tot codificatie van richtlijn 75/442, verstaat onder „afvalstof” „elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
7 Lahti Energie heeft de ympäristölupavirasto verzocht om een milieuvergunning voor de activiteiten van haar vergassingsinstallatie en haar krachtcentrale. Deze vergunning heeft betrekking op één complex met twee op hetzelfde terrein gelegen onderdelen: een vergassingsinstallatie op basis van afval en een krachtcentrale waarvan de stoomketel het gereinigde gas verbrandt dat in de vergassingsinstallatie wordt gewonnen.
8 De ympäristölupavirasto heeft Lahti Energia een voorlopige milieuvergunning verleend en de vergunningsvoorwaarden vastgesteld. Volgens deze dienst vormen de vergassingsinstallatie, die gas produceert, en de krachtcentrale, die dit gas verbrandt, samen een meeverbrandingsinstallatie in de zin van richtlijn 2000/76.
9 Tegen dit besluit heeft Lahti Energia beroep ingesteld bij de Vaasan hallinto-oikeus (rechtbank in bestuurszaken van Vaasa); zij verzoekt te verklaren dat de verbranding in een hoofdketel van het in een afzonderlijke vergassingsinstallatie gereinigde en geraffineerde gas niet wordt beschouwd als meeverbranding van afval in de zin van richtlijn 2000/76.
10 De Vaasan hallinto-oikeus heeft het beroep verworpen. Haars inziens kon een zo enge uitlegging van de werkingssfeer van richtlijn 2000/76 waardoor de vereisten ervan niet van toepassing zijn op de verbranding van voorbehandeld afval, met name ingaan tegen de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn. Volgens deze rechtbank kon de vergassingsinstallatie als afzonderlijke functionele installatie evenwel niet als een verbrandingsinstallatie in de zin van richtlijn 2000/76 worden beschouwd, daar vergassing een thermische behandeling is en een installatie voor kwalificatie als verbrandingsinstallatie over een verbrandingsstraat moet beschikken.
11 Volgens de Vaasan hallinto-oikeus vormen de vergassingsinstallatie en de krachtcentrale evenwel samen een meeverbrandingsinstallatie in de zin van richtlijn 2000/76.
12 Daarop heeft Lahti Energia beroep ingesteld bij de Korkein hallinto-oikeus, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen heeft gesteld:
„1) Moet artikel 3, [punt] 1, van richtlijn 2000/76/EG aldus worden uitgelegd dat de richtlijn niet van toepassing is op de verbranding van gasvormig afval?
2) Is een vergassingsinstallatie waar met behulp van pyrolyse gas wordt gewonnen uit afval, te beschouwen als een verbrandingsinstallatie als omschreven in artikel 3, [punt] 4, van richtlijn 2000/76/EG, ook wanneer in die installatie een verbrandingsstraat ontbreekt?
3) Is de verbranding van het in de vergassingsinstallatie ontstane en daarna gereinigde productgas in de ketel van de krachtcentrale te beschouwen als een activiteit als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 2000/76/EG? Is het in dit kader van belang dat het gebruik van fossiele brandstoffen door gereinigd productgas wordt vervangen en dat de emissies van de krachtcentrale per energie-eenheid bij het gebruik van gereinigd productgas uit afval lager zijn dan bij andere brandstoffen? Is het voor de uitlegging van het toepassingsgebied van de richtlijn van belang of, gelet op de productietechnische aspecten en de onderlinge afstand, de vergassingsinstallatie en de krachtcentrale één installatie vormen, en of het in de vergassingsinstallatie ontstane gereinigde productgas verplaatsbaar is en elders bijvoorbeeld kan worden gebruikt voor het opwekken van energie, als brandstof of voor andere doeleinden?
4) Onder welke voorwaarden kan het in de vergassingsinstallatie ontstane gereinigde productgas als een product worden beschouwd, zodat de bepalingen betreffende afval niet langer daarop van toepassing zijn?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
13 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip „afval” in artikel 3, punt 1, van richtlijn 2000/76 ook gasvormige stoffen omvat.
14 In de context van het hoofdgeding moet deze vraag aldus worden opgevat dat zij ertoe strekt te vernemen of gas dat door pyrolyse in een vergassingsinstallatie uit verschillende soorten vaste afvalstoffen wordt gewonnen, kan worden beschouwd als „afval” in de zin van richtlijn 2000/76 zodat deze gasvormige stof die vervolgens als brandstof naast andere brandstoffen in een krachtcentrale wordt gebruikt, zou kunnen worden beschouwd als een stof die „vervolgens [wordt] verbrand” in de zin van artikel 3, punt 4, eerste alinea, in fine, van deze richtlijn, namelijk afval dat als „aanvullende brandstof wordt gebruikt” of „thermisch wordt behandeld voor verwijdering” in de zin van artikel 3, punt 5, eerste alinea, van deze richtlijn.
15 Dienaangaande definieert artikel 3, punt 1, van richtlijn 2000/76, zoals Lahti Energia, de Finse en de Italiaanse regering alsook de Commissie van de Europese Gemeenschappen hebben opgemerkt, in duidelijke bewoordingen het begrip „afval” in de context van deze richtlijn als „vast” of „vloeibaar” afval als omschreven in artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442.
16 Alleen al volgens de bewoordingen van deze bepaling ziet richtlijn 2000/76 alleen op afval in vaste of vloeibare vorm zodat niet nader hoeft te worden nagegaan of het begrip „afval” in de context van richtlijn 75/442 betrekking heeft op gasvormige afvalstoffen.
17 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat het begrip „afval” in artikel 3, punt 1, van richtlijn 2000/76 geen betrekking heeft op gasvormige stoffen.
De tweede vraag
18 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de aanwezigheid van een verbrandingsstraat een noodzakelijke voorwaarde is voor de kwalificatie van een installatie zoals een installatie die gas uit afval produceert, als „verbrandingsinstallatie” in de zin van artikel 3, punt 4, van richtlijn 2000/76.
19 Overeenkomstig artikel 3, punt 4, eerste alinea, van richtlijn 2000/76 ziet het begrip verbrandingsinstallatie op een technische eenheid en inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, met inbegrip van de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse en vergassing.
20 Dienaangaande volgt duidelijk uit een vergelijking van de verschillende taalversies van artikel 3, punt 4, van richtlijn 2000/76, zoals Lahti Energia, de Hämeen ympäristökeskus, de Finse regering en de Commissie hebben opgemerkt, dat een installatie waarin afval thermisch wordt behandeld, slechts als „verbrandingsinstallatie” zal worden gekwalificeerd indien de stoffen die met dit thermisch proces worden gewonnen, vervolgens worden verbrand.
21 Zoals de Nederlandse regering terecht heeft opgemerkt, kan de lijst van de technische elementen in artikel 3, punt 4, tweede alinea, van richtlijn 2000/76 niet worden beschouwd als een uitputtende opsomming van de technische kenmerken die een verbrandingsinstallatie kunnen vormen of als een opsomming van de kenmerken waaruit een dergelijke installatie noodzakelijkerwijs moet bestaan. De aanwezigheid van een verbrandingsstraat is dus geen noodzakelijk criterium voor de kwalificatie van een installatie als „verbrandingsinstallatie”.
22 In deze omstandigheden dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat het begrip „verbrandingsinstallatie” in artikel 3, punt 4, van richtlijn 2000/76 betrekking heeft op een technische eenheid of inrichting waarin afval thermisch wordt behandeld, mits de met de thermische behandeling gewonnen stoffen vervolgens worden verbrand, en dienaangaande is de aanwezigheid van een verbrandingsstraat geen criterium dat noodzakelijk is voor deze kwalificatie.
De derde vraag
23 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe in het kader van artikel 3 van richtlijn 2000/76 een complex voor de opwekking van energie is te beschouwen, waarin een vergassingsinstallatie, gelegen naast een krachtcentrale, deze laatste bevoorraadt met gereinigd gas dat uit de vergassing van afval wordt gewonnen en in deze krachtcentrale naast andere fossiele brandstoffen als brandstof wordt gebruikt. Deze rechter vraagt zich met name af of het voor de kwalificatie van dit complex van belang is enerzijds dat bij het gebruik van dit gereinigd gas door de krachtcentrale minder emissies ontstaan dan bij gebruik van fossiele brandstoffen en anderzijds of er tussen de twee installaties die dit complex vormen, een zekere functionele verbondenheid is in die zin dat de vergassingsinstallatie bestemd is om de brandstofbehoeften van de krachtcentrale gedeeltelijk te dekken, waarbij het in deze installatie geproduceerde gas tegelijk zou kunnen worden bestemd voor verkoop buiten de betrokken locatie.
24 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat, voor de toepassing van richtlijn 2000/76, bij een warmtekrachtcentrale die uit verscheidene ketels bestaat, elke ketel, met de daarbij horende voorzieningen, als een afzonderlijke installatie moet worden beschouwd (arrest van 11 september 2008, Gävle Kraftvärme, C‑251/07, Jurispr. blz. I‑0000, punt 33).
25 Zo ook bij twee installaties als die in het hoofdgeding dienen de vergassingsinstallatie en de krachtcentrale voor de toepassing van richtlijn 2000/76 in beginsel afzonderlijk te worden onderzocht.
26 Overeenkomstig artikel 3, punt 5, eerste alinea, van richtlijn 2000/76 wordt een installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten en waarin ofwel afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, ofwel afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering, als meeverbrandingsinstallatie beschouwd (zie arrest Gävle Kraftvärme, reeds aangehaald, punt 35).
27 Artikel 3, punt 5, tweede alinea, verduidelijkt dat een installatie als „verbrandingsinstallatie” in de zin van artikel 3, punt 4, wordt beschouwd, wanneer meeverbranding zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten maar wel voor thermische behandeling van afval bestemd is (arrest Gävle Kraftvärme, reeds aangehaald, punt 36).
28 Uit de bewoordingen van die bepalingen blijkt duidelijk dat een meeverbrandingsinstallatie een bijzondere vorm van verbrandingsinstallatie is, en dat naar het hoofddoel van een installatie moet worden beoordeeld of deze installatie een verbrandingsinstallatie of een meeverbrandingsinstallatie is (arrest Gävle Kraftvärme, reeds aangehaald, punt 37).
De kwalificatie van de vergassingsinstallatie
29 In het hoofdgeding en onder voorbehoud van de feitelijke bevindingen waarvoor alleen de verwijzende rechter bevoegd is, blijkt afval in de vergassingsinstallatie thermisch te worden behandeld, maar worden de daaruit voortvloeiende stoffen niet in dezelfde installatie verbrand. De uit deze thermische behandeling voortvloeiende stoffen, in casu ruw gas, worden namelijk gefilterd met behulp van een reinigingsinrichting waarmee gereinigd gas zonder ongewenste vaste stofdeeltjes kan worden verkregen zodat het als brandstof kan worden gebruikt.
30 Aangezien de bij de thermische behandeling van afval ontstane stoffen niet in de vergassingsinstallatie worden verbrand, kan zij als zodanig op basis van haar werking en kenmerken niet als een „verbrandingsinstallatie” in de zin van artikel 3, punt 4, van richtlijn 2000/76 worden gekwalificeerd.
31 De vergassingsinstallatie lijkt evenwel in hoofdzaak bestemd te zijn voor de productie van een brandstof, in casu gereinigd gas, en de afvalstoffen lijken ter plaatse thermisch te worden behandeld voor verwijdering.
32 Dienaangaande is een meeverbrandingsinstallatie, zoals in herinnering gebracht in punt 28 van het onderhavige arrest, weliswaar een bijzondere vorm van verbrandingsinstallatie, maar voor deze twee soorten installaties gelden eigen definities. Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan in de twee gevallen weliswaar worden vereist dat afval thermisch wordt behandeld, maar artikel 3, punt 5, van richtlijn 2000/76 vereist voor de kwalificatie als meeverbrandingsinstallatie daarentegen niet dat de daaruit voortvloeiende stoffen vervolgens worden verbrand.
33 Zoals uiteengezet in punt 26 van het onderhavige arrest voldoet een verbrandingsinstallatie als die in het hoofdgeding dus aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor kwalificatie als meeverbrandingsinstallatie in de zin van artikel 3, punt 5, van richtlijn 2000/76.
34 Wat het gereinigd gas uit de thermische behandeling van afval betreft, wijst de Oostenrijkse regering erop dat het aldus in de vergassingsinstallatie geproduceerde gereinigd gas zou kunnen worden geacht overeen te komen met een bij de thermische behandeling van afval in deze installatie ontstane stof en dat, voor zover dit gas vervolgens in de krachtcentrale wordt verbrand, de vergassingsinstallatie dan als een verbrandingsinstallatie in de zin van artikel 3, punt 4, van richtlijn 2000/76 zou kunnen worden beschouwd.
35 Dienaangaande heeft het betrokken gas blijkens de inlichtingen van de verwijzende rechter met name wegens de filtering ervan in de reinigingsinrichting enerzijds soortgelijke eigenschappen als een fossiele brandstof, zodat het zowel in de krachtcentrale waarvoor de productie van de vergassingsinstallatie bestemd is, als in andere krachtcentrales als brandstof voor de opwekking van energie kan worden gebruikt.
36 In deze omstandigheden kan geen sprake zijn van een stof die voortvloeit uit de thermische behandeling van afval in de vergassingsinstallatie en die in de krachtcentrale zou worden verbrand ter voleindiging van een gewoon proces van afvalverwijdering. Zoals de Finse en de Italiaanse regering hebben gesteld, wordt wanneer het proces tot het eind ervan binnen de vergassingsinstallatie plaatsvindt, namelijk een product met de kenmerken van een brandstof voortgebracht uit afval.
37 Wanneer afval in een installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de fabricage van materiële producten, in casu gasvormige producten, thermisch wordt behandeld voor verwijdering, moet een dergelijke installatie worden gekwalificeerd als meeverbrandingsinstallatie overeenkomstig de systematiek van artikel 3, punten 4 en 5, van richtlijn 2000/76, die de kwalificatie van de installatie als verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie afhankelijk stelt van het hoofddoel ervan (zie in die zin arrest Gävle Kraftvärme, reeds aangehaald, punt 40).
De kwalificatie van de krachtcentrale
38 De betrokken krachtcentrale blijkt, wat haar activiteiten betreft, bestemd te zijn voor de opwekking van energie door verbranding van grondstoffen als steenkool en gedeeltelijk van door de vergassingsinstallatie geproduceerd gereinigd gas. Een dergelijke centrale is dus niet in hoofdzaak bestemd voor de verbranding van stoffen die voortkomen uit de thermische behandeling van afval in de vergassingsinstallatie.
39 Voorts kan niet worden gesteld dat de verbranding van dit gereinigd gas in de krachtcentrale naast fossiele brandstoffen een thermische behandeling van „afval” in de zin van richtlijn 2000/76 vormt, op basis waarvan deze centrale als verbrandingsinstallatie zou kunnen worden gekwalificeerd.
40 Zoals vastgesteld in punt 17 van het onderhavige arrest doelt deze richtlijn met het begrip „afval” namelijk geenszins op gasvormige stoffen. De verbranding in de krachtcentrale van het door de verbrandingsinstallatie geproduceerd gereinigd gas kan dus niet als een thermische behandeling van afval worden beschouwd.
41 In omstandigheden als die in het hoofdgeding, waarin de vergassingsinstallatie bestemd is voor de fabricage van gasvormige producten door thermische behandeling van afval, hetgeen afdoende is voor kwalificatie ervan als meeverbrandingsinstallatie in de zin van artikel 3, punt 5, van richtlijn 2000/76, valt de krachtcentrale die het door de meeverbranding van afval in deze vergassingsinstallatie verkregen gereinigd gas gebruikt in plaats van fossiele brandstoffen, die zij bij haar energieproductie overwegend gebruikt, dus niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.
42 Dienaangaande speelt voor de kwalificatie van een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie geen rol welke kwalificatie het milieugunstigste emissieniveau mogelijk maakt. Voor deze problematiek is namelijk de gemeenschapswetgever bevoegd; hij bepaalt de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de juridische kwalificatie van installaties, en de zowel voor de verbrandingsinstallaties en meeverbrandingsinstallaties als de grote stookinstallaties toegestane emissieniveaus. Bijgevolg zijn alleen de vereisten van artikel 3, punten 4 en 5, van richtlijn 2000/76 relevant voor de nationale rechter die een dergelijke vraag moet oplossen.
43 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding:
– een vergassingsinstallatie die bestemd is voor de productie van gasvormige producten, in casu gereinigd gas, door thermische behandeling van afval, als „meeverbrandingsinstallatie” in de zin van artikel 3, punt 5, van richtlijn 2000/76 moet worden gekwalificeerd;
– een krachtcentrale die als aanvullende brandstof in plaats van fossiele brandstoffen die zij overwegend voor haar productie gebruikt, gereinigd gas gebruikt dat door meeverbranding van afval in een vergassingsinstallatie wordt verkregen, niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.
De vierde vraag
44 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen vanaf welke chemische staat afvalstoffen als „producten” kunnen worden beschouwd.
45 Bij de formulering van deze vraag gaat deze rechter ervan uit dat de gasvormige stoffen die worden verkregen na thermische behandeling van afval in een vergassingsinstallatie als die in het hoofdgeding, naar hun aard „afval” in de zin van artikel 3, punt 1, van richtlijn 2000/76 zijn.
46 Dienaangaande is in antwoord op de eerste vraag vastgesteld dat het begrip „afval” in deze bepaling geen gasvormige stoffen dekt.
47 In deze omstandigheden dient deze vierde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Het begrip „afval” in artikel 3, punt 1, van richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval, heeft geen betrekking op gasvormige stoffen.
2) Het begrip „verbrandingsinstallatie” in artikel 3, punt 4, van richtlijn 2000/76 heeft betrekking op een technische eenheid of inrichting waarin afval thermisch wordt behandeld, mits de met de thermische behandeling gewonnen stoffen vervolgens worden verbrand, en dienaangaande is de aanwezigheid van een verbrandingsstraat geen criterium dat noodzakelijk is voor deze kwalificatie.
3) In omstandigheden als die in het hoofdgeding:
– moet een vergassingsinstallatie die bestemd is voor de productie van gasvormige producten, in casu gereinigd gas, door thermische behandeling van afval, als „meeverbrandingsinstallatie” in de zin van artikel 3, punt 5, van richtlijn 2000/76 worden gekwalificeerd;
– valt een krachtcentrale die als aanvullende brandstof in plaats van fossiele brandstoffen die zij overwegend voor haar productie gebruikt, gereinigd gas gebruikt dat door meeverbranding van afval in een vergassingsinstallatie wordt verkregen, niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.
ondertekeningen
* Procestaal: Fins.
Full & Egal Universal Law Academy