Zaak C‑473/07
Association nationale pour la protection des eaux et rivières-TOS
en
Association OABA
tegen
Ministère de l’Ecologie, du Développement et de l’Aménagement durables
[verzoek van de Conseil d’État (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Verontreiniging en hinder – Richtlijn 96/61/EG – Bijlage I – Punt 6.6, sub a – Intensieve pluimveehouderij – Definitie – Begrip ‚pluimvee’ – Maximumaantal dieren per installatie”
Samenvatting van het arrest
1. Milieu – Geïntegreerde preventie en vermindering van verontreiniging – Richtlijn 96/61
(Richtlijn 96/61 van de Raad, bijlage I, punt 6.6, sub a)
2. Milieu – Geïntegreerde preventie en vermindering van verontreiniging – Richtlijn 96/61
(Richtlijn 96/61 van de Raad, bijlage I, punt 6.6, sub a)
1. Het begrip „pluimvee” in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op kwartels, patrijzen en duiven.
(cf. punt 34, dictum 1)
2. Aangezien richtlijn 96/61 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door bepaalde activiteiten, waaronder de intensieve pluimveehouderij, tot doel heeft, is het gebruik van een methode van dierequivalenten enkel toelaatbaar wanneer dit de inachtneming van dit doel volledig garandeert. Het gebruik van deze methode mag er daarentegen niet toe leiden dat installaties die vanwege hun totale aantal plaatsen onder bovengenoemde richtlijn vallen, aan het bij die richtlijn ingevoerde stelsel worden onttrokken.
Bijgevolg verzet punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 zich tegen een nationale regeling die ertoe leidt dat de drempels voor de vergunning voor installaties van intensieve pluimveehouderij worden berekend op basis van een systeem van „dierequivalenten”, dat berust op een weging van het aantal dieren per dierplaats naar soort, om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende vogelsoorten.
(cf. punten 40, 45, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
22 januari 2009 (*)
„Verontreiniging en hinder – Richtlijn 96/61/EG – Bijlage I – Punt 6.6, sub a – Intensieve pluimveehouderij – Definitie – Begrip ‚pluimvee’ – Maximumaantal dieren per installatie”
In zaak C‑473/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) bij beslissing van 7 mei 2007, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2007, in de procedure
Association nationale pour la protection des eaux et rivières-TOS,
Association OABA
tegen
Ministère de l’Écologie, du Développement et de l’Aménagement durables,
in tegenwoordigheid van:
Association France Nature Environnement,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, K. Schiemann, J. Makarczyk, P. Kūris (rapporteur) en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 september 2008,
gelet op de opmerkingen van:
– de Association nationale pour la protection des eaux en rivières-TOS, vertegenwoordigd door P. Jeanson, ondervoorzitter van deze vereniging,
– de vereniging France Nature Environnement, vertegenwoordigd door R. Léost, ondervoorzitter van deze vereniging,
– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A.‑L. During als gemachtigden,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos en S. Papaioannou als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Alcover San Pedro en J.‑B. Laignelot als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 november 2008,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 (PB L 284, blz. 1; hierna: „richtlijn 96/61”).
2 Dit verzoek is ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) in het kader van beroepen wegens bevoegdheidsoverschrijding die door de Association nationale pour la protection des eaux et rivières-TOS en door de vereniging OABA zijn ingesteld tot nietigverklaring van décret nº 2005-989 du 10 août 2005 modifiant la nomenclature des installations classées (Frans decreet nr. 2005-989 van 10 augustus 2005 tot wijziging van de nomenclatuur van meldings‑ en vergunningsplichtige installaties) (JORF van 13 augustus 2005, tekst 52; hierna: „decreet nr. 2005-989”).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Artikel 1 van richtlijn 96/61 bepaalt:
„Deze richtlijn heeft de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door de in bijlage I genoemde activiteiten ten doel. Zij bevat maatregelen ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies door de bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, onverminderd de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG [van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40)] en andere gemeenschapsvoorschriften.”
4 In artikel 2 van richtlijn 96/61 wordt bepaald:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[...]
3) ‚installatie’: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I vermelde activiteiten en processen [...] plaatsvinden [...]
4) ‚bestaande installaties’: een installatie die in bedrijf is of, in het kader van de voor de datum van toepassing van deze richtlijn bestaande wetgeving, een installatie waarvoor een vergunning is verleend of waarvoor naar het oordeel van de bevoegde autoriteit een volledige vergunningsaanvraag is ingediend, op voorwaarde dat die installatie uiterlijk een jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn in werking wordt gesteld;
[...]
9) ‚vergunning’: het gedeelte van (een) schriftelijk(e) besluit(en) of dat besluit (die besluiten) in zijn (hun) geheel waarbij machtiging wordt verleend om een installatie of een gedeelte daarvan te exploiteren onder bepaalde voorwaarden die moeten garanderen dat de installatie voldoet aan de eisen van deze richtlijn. [...]
[...]”
5 Artikel 4 van richtlijn 96/61 luidt:
„De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat geen nieuwe installatie wordt geëxploiteerd zonder een vergunning overeenkomstig deze richtlijn [...]”
6 Artikel 9 van richtlijn 96/61, met het opschrift „Vergunningsvoorwaarden”, bepaalt:
„1. De lidstaten controleren of de vergunning alle maatregelen omvat die ter vervulling van de vergunningsvoorwaarden van de artikelen 3 en 10 nodig zijn om de bescherming van lucht, water en bodem te waarborgen en aldus een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken.
2. In het geval van een nieuwe installatie of een belangrijke wijziging waarop artikel 4 van richtlijn 85/337/EEG van toepassing is, moeten voor de verlening van de vergunning alle ingevolge de toepassing van de artikelen 5, 6 en 7 van die richtlijn verkregen relevante gegevens en conclusies in aanmerking worden genomen.
3. De vergunning bevat emissiegrenswaarden voor de verontreinigende stoffen, met name die van bijlage III, die in significante hoeveelheden uit de betrokken installatie kunnen vrijkomen, gelet op hun aard en hun potentieel voor overdracht van verontreiniging tussen milieucompartimenten (water, lucht en bodem). De vergunning bevat, zo nodig, passende voorschriften ter bescherming van bodem en grondwater, en maatregelen voor het beheer van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen. De grenswaarden kunnen, zo nodig, worden aangevuld of vervangen door gelijkwaardige parameters of gelijkwaardige technische maatregelen.
Voor de installaties van rubriek 6.6 van bijlage I wordt bij de overeenkomstig dit lid vastgestelde emissiegrenswaarden rekening gehouden met de aan die categorieën installaties aangepaste praktische regelingen.
[...]
4. Onverminderd artikel 10 zijn de emissiegrenswaarden, de parameters en de gelijkwaardige technische maatregelen, bedoeld in lid 3, gebaseerd op de beste beschikbare technieken, zonder dat daarmee het gebruik van een bepaalde techniek of technologie wordt voorgeschreven, met inachtneming van de technische kenmerken en de geografische ligging van de betrokken installatie, alsmede de plaatselijke milieuomstandigheden. De vergunningsvoorwaarden bevatten in ieder geval bepalingen betreffende de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand of van de grensoverschrijdende verontreiniging en waarborgen een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
[...]”
7 In artikel 16, lid 2, van richtlijn 96/61 wordt bepaald:
„De Commissie organiseert de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de betrokken bedrijfstakken over de beste beschikbare technieken, de daarmee samenhangende controlevoorschriften en de ontwikkelingen op dat gebied. De Commissie maakt de resultaten van de informatie-uitwisseling om de drie jaar bekend.”
8 In bijlage I bij richtlijn 96/61 zijn de in artikel 1 van de richtlijn bedoelde categorieën van industriële activiteiten vastgesteld. Punt 2 van de aanhef van deze bijlage I bepaalt:
„De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. [...]”
9 Als in artikel 1 van richtlijn 96/61 bedoelde categorieën van industriële activiteiten worden in punt 6.6, sub a, van de bijlage tevens vermeld de „[i]nstallaties voor intensieve pluimvee[...]houderij met meer dan [...] 40 000 plaatsen voor pluimvee”.
10 In bijlage III bij richtlijn 96/61, met het opschrift „Indicatieve lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen die in aanmerking moeten worden genomen indien zij relevant zijn voor de vaststelling van de emissiegrenswaarden”, worden verschillende stoffen vermeld die de lucht en het water verontreinigen. Zo worden, wat de lucht betreft, met name genoemd stikstofoxiden en andere stikstofverbindingen, alsmede metalen en verbindingen daarvan. Wat het water betreft noemt de bijlage met name organische fosforverbindingen, metalen en verbindingen daarvan, alsmede stoffen die bijdragen tot eutrofiëring, met name nitraten en fosfaten.
Nationale regeling
11 Bijlage I bij decreet nr. 2005-989, bevat onder meer de volgende rubriek:
NUMMER
BENAMING VAN DE RUBRIEK
V.A.E.(1)
S (2)
[...]
2111
Pluimvee, vederwild (kwekerij, verkoop, enz. van), met uitzondering van bijzondere activiteiten bedoeld in andere rubrieken:
1. Meer dan 30 000 dierequivalenten .....................
Van 5 000 tot en met 30 000 dierequivalenten ................
Noot. – Pluimvee en vederwild worden geteld aan de hand van de volgende waarden die in dierequivalenten zijn uitgedrukt:
kwartel = 0,125;
duif, patrijs = 0,25;
jonge haan = 0,75;
licht hoen = 0,85;
hen, standaardhoen, labelhoen, biologisch hoen, jonge kip, leghen, fokkip, fazant, parelhoen, wilde eend = 1;
zwaar hoen = 1,15;
braadeend, eend klaar voor vetmesting, fokeend = 2;
lichte kalkoen = 2,20;
mediumkalkoen, fokkalkoen, gans = 3;
zware kalkoen = 3,50;
vette zwemvogel die wordt vetgemest = 7;
V
A
3
[...]
(1) V: vergunning, A: aanmelding, E: erfdienstbaarheid van openbaar belang
(2) Rayon van bekendmaking, in kilometers
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12 De Association nationale pour la protection des eaux et rivières-TOS en de Association OABA voeren tot staving van hun beroep voor de Conseil d’État tot volledige of gedeeltelijke nietigverklaring van decreet nr. 2005-989 aan, dat dit decreet punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 schendt. In deze bijlage wordt namelijk, in rubriek 2111 van de nomenclatuur van meldings‑ en vergunningsplichtige installaties, een drempel bepaald van 30 000 dierequivalenten, boven welk aantal geen pluimvee‑ en vederwildhouderijen mogen worden geëxploiteerd zonder dat hiervoor voorafgaand een vergunning is verkregen, waarbij met name een omzettingscoëfficiënt van 0,125 voor kwartels en van 0,25 voor patrijzen en duiven is vastgesteld. Door toepassing van deze coëfficiënten overschrijdt een kwekerij van meer dan 40 000 kwartels, patrijzen of duiven dus niet deze drempel van 30 000 dierequivalenten, en kan zij worden geëxploiteerd onder het aanmeldingsstelsel.
13 De Conseil d’État merkt in de motivering van zijn beslissing op dat, gelet op het bepaalde in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61:
– installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen moeten worden onderworpen aan een vergunning;
– deze richtlijn niet de soorten definieert die als „pluimvee” in de zin van deze bijlage moeten worden beschouwd, terwijl de krachtens andere wettelijke regelingen op pluimvee toepasselijke richtlijnen uitdrukkelijk bepalen welke soorten onder de werkingssfeer ervan vallen, ofwel door kwartels, patrijzen en duiven uit te sluiten, ofwel door ze op te nemen.
14 Derhalve heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 [...], dat betrekking heeft op installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen, aldus worden uitgelegd dat:
– kwartels, patrijzen en duiven binnen de werkingssfeer ervan vallen,
– bij een bevestigend antwoord, dit punt een regeling toestaat die ertoe leidt dat de vergunningsdrempels worden berekend op basis van een systeem van ‚dierequivalenten’, waarbij het aantal dieren per dierplaats naar soort wordt gewogen, om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende soorten?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
15 In de eerste plaats zij opgemerkt dat uit de bepalingen van richtlijn 96/61 en uit punt 6.6, sub a, van bijlage I daarbij, volgt dat voor installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 40 000 plaatsen een voorafgaande vergunning is vereist.
16 De werkingssfeer van dit voorschrift wordt bepaald door drie cumulatieve elementen: de kwekerij moet intensief zijn, het moet gaan om een pluimveehouderij en de bedoelde installaties moeten meer dan 40 000 plaatsen tellen.
17 Voorts staat vast dat richtlijn 96/61 noch het begrip „intensieve [...]houderij” noch de termen „pluimvee” en „plaats” definieert.
Eerste onderdeel van de vraag
18 Met het eerste onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het begrip „pluimvee” in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 ook betrekking heeft op kwartels, patrijzen en duiven.
19 Vooraf stelt de Franse regering met name dat kwartels, patrijzen en duiven niet intensief kunnen worden gehouden. Punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 zou derhalve niet toepasselijk zijn op dit pluimvee.
20 Een dergelijke redenering kan niet worden aanvaard.
21 De Franse regering heeft er namelijk geen enkel wetenschappelijk bewijs voor aangevoerd dat dit pluimvee niet intensief kan worden gehouden, en het enkele feit dat de Franse kwartel‑ en duivenhouderijen gemiddeld 3 000 dieren omvatten, toont niet aan dat er geen kwekerijen van meer dan 40 000 stuks pluimvee zouden kunnen bestaan.
22 Voorts dient te worden opgemerkt dat de Franse wettelijke regeling voorziet in het bestaan van intensieve kwekerijen van sommige van deze vogels, zoals met name blijkt uit ministerieel besluit van 18 september 1985 tot vaststelling van de gelijkwaardigheidscoëfficiënten voor niet-grondgebonden productie (JORF van 8 oktober 1985, blz. 11683), dat – voor een landbouwexploitant – de minimale oppervlakte voor installaties voor niet-grondgebonden kwekerijen vaststelt op 200 000 levend verkochte kwartels of 120 000 dood verkochte kwartels.
23 Het begrip „pluimvee”, dat in richtlijn 96/61 niet specifiek wordt gedefinieerd, doelt in zijn gebruikelijke betekenis op alle vogelsoorten die voor hun eieren of hun vlees worden gehouden. Kwartels, patrijzen en duiven, die vogelsoorten zijn, kunnen voor de consumptie van hun eieren of hun vlees worden gehouden.
24 Deze uitlegging kan ook worden gebaseerd op de algemene opzet en het doel van deze richtlijn (zie naar analogie arrest van 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a., C‑72/95, Jurispr. blz. I‑5403, punt 38).
25 Dienaangaande zij opgemerkt dat het voorwerp van richtlijn 96/61, zoals omschreven in artikel 1 ervan, bestaat in de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, door het in werking stellen van maatregelen ter voorkoming of beperking van emissies door de in bijlage I bedoelde activiteiten in lucht, water en bodem, om een hoog niveau van bescherming van het milieu te bereiken.
26 Zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie beklemtoont, wordt die geïntegreerde benadering verwezenlijkt door een doeltreffende coördinatie van de vergunningprocedure en ‑voorwaarden voor industriële installaties met een groot verontreinigingspotentieel, zodat het hoogste niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel kan worden bereikt, waarbij die voorwaarden in ieder geval bepalingen moeten bevatten betreffende de minimalisering van verontreiniging over lange afstand of van grensoverschrijdende verontreiniging en een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel moeten waarborgen.
27 Aangezien het doel van richtlijn 96/61 ruim is omschreven, kan punt 6.6, sub a, van bijlage I daarbij niet aldus worden uitgelegd dat dit geen kwartels, patrijzen en duiven omvat.
28 De door de Franse regering aangevoerde omstandigheid dat punt 17, sub a, van bijlage I bij richtlijn 85/337, in de versie die voortvloeit uit richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB L 73, blz. 5), verwijst naar installaties voor intensieve pluimveehouderij met meer dan 85 000 plaatsen voor mesthoenders of meer dan 60 000 plaatsen voor hennen, kan evenmin van invloed zijn op de uitlegging die moet worden gegeven van punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61. Laatstgenoemde richtlijn vormt een specifieke regeling, die, zoals blijkt uit haar formulering, doelt op pluimvee in ruime zin, en een andere drempel vastlegt dan die welke wordt bepaald in genoemd punt 17, sub a.
29 Voorts dient het argument van de Franse regering te worden afgewezen dat ertoe strekt de werkingssfeer van punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 af te bakenen tot enkel leghennen, mesthoenders, kalkoenen, eenden en parelhoenders, op grond dat een dergelijke afbakening is verricht in het document inzake de beste beschikbare technieken voor de intensieve pluimvee‑ en varkenshouderij, een document dat „BREF” wordt genoemd en dat in juli 2003 overeenkomstig artikel 16, lid 2, van richtlijn 96/61 door de Commissie is gepubliceerd (JO C 170, p. 3).
30 Opgemerkt zij namelijk, enerzijds, dat het document BREF zelf preciseert dat de uitlegging van de term „pluimvee” specifiek is voor dat document en, anderzijds, dat een dergelijk document, aangezien dit enkel een uiteenzetting geeft van de staat van de technische kennis op het gebied van de beste beschikbare kwekerijtechnieken, geen enkele dwingende waarde heeft, en evenmin is bedoeld ter uitlegging van richtlijn 96/61.
31 De omstandigheid dat het betrokken BREF-document kwartels, patrijzen en duiven niet behandelt, betekent geenszins dat deze drie vogelsoorten niet vallen onder het begrip „pluimvee”, zoals vermeld in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61.
32 Ten slotte dient de stelling van de Franse regering te worden afgewezen, dat het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), ingediend door de Commissie op 21 december 2007 [COM(2007) 844 def.], waarmee wordt beoogd diverse gemeenschapsinstrumenten, waaronder richtlijn 96/61, te herzien en in één enkel juridisch instrument samen te brengen, een argument vormt voor een strikte opvatting van het begrip „pluimvee” in de zin van deze laatste richtlijn.
33 De uitlegging van een geldende richtlijn kan namelijk niet worden gebaseerd op een voorstel voor een richtlijn, zelfs wanneer dit beperkt blijft tot een herschikking van teksten van onveranderd geldend recht.
34 Gelet op het voorgaande, dient op het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat het begrip „pluimvee” in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 aldus moet worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op kwartels, patrijzen en duiven.
Tweede onderdeel van de prejudiciële vraag
35 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter tevens te vernemen of punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 zich ertegen verzet dat een lidstaat een systeem invoert, het zogenoemde „systeem van ‚dierequivalenten’”, dat bestaat in het vaststellen van drempels voor de vooraf te verlenen vergunning voor installaties van intensieve pluimveehouderij, waarbij het aantal dieren per dierplaats naar soort wordt gewogen, om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende vogelsoorten.
36 De verzoekende verenigingen in het hoofdgeding betogen dat het gebruik van een methode van „dierequivalenten” niet verboden is, zolang de vergunningdrempel het aantal van 40 000 op enig moment fysiek in de installatie aanwezige vogels, niet overschrijdt.
37 De Franse regering betoogt dat de Franse regeling bepaalt dat een vergunning is vereist voor pluimvee‑ of vederwildhouderijen die meer dan 30 000 dierequivalenten omvatten, en een omzettingscoëfficiënt vaststelt van 0,125 voor kwartels en 0,25 voor patrijzen en duiven. Deze laatste coëfficiënten zijn zodanig berekend dat zij niet enkel de hoeveelheid werkelijke stikstofemissies van de verschillende soorten weergeven, op basis van gegevens gepubliceerd door het Comité d’orientation pour les pratiques agricoles respectueuses de l’environnement (Corpen) (stuurgroep goede milieupraktijken in de landbouw), een instantie die onder toezicht staat van het ministerie van Landbouw en het ministerie van Milieu, maar ook het geheel van andere invloeden op het milieu, zoals de jaarlijks geproduceerde hoeveelheid vloeibaar afval of de hinder tengevolge van lawaai en stank.
38 De Commissie zet uiteen dat hoewel de uitlegging door de Franse regering gerechtvaardigd kan lijken, zij, in de huidige staat van het gemeenschapsrecht, veel weg heeft van een uitlegging contra legem. De uitdrukking „meer dan 40 000 plaatsen voor pluimvee” in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 verwijst volgens haar namelijk naar een gelijktijdige productiecapaciteit van meer dan 40 000 stuks pluimvee en niet naar een vergunningdrempel die afhankelijk is van de door elke pluimveesoort veroorzaakte verontreiniging.
39 In dit verband moet, hoewel vaststaat dat het begrip „plaats” door richtlijn 96/61 niet wordt gedefinieerd, niettemin worden opgemerkt dat punt 2 van de aanhef van bijlage I bij deze richtlijn preciseert dat „[d]e hieronder genoemde drempelwaarden [...] in het algemeen betrekking [hebben] op de productiecapaciteit of op het vermogen”. Richtlijn 96/61 beoogt derhalve niet de vergunningdrempel volgens de methode van dierequivalenten te bepalen, doch sluit dit ook niet uit.
40 Aangezien richtlijn 96/61 de geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door bepaalde activiteiten, waaronder de intensieve pluimveehouderij, tot doel heeft, is het gebruik van een methode van dierequivalenten enkel toelaatbaar wanneer dit de inachtneming van dit doel volledig garandeert. Het gebruik van deze methode mag er daarentegen niet toe leiden dat de installaties die vanwege hun totale aantal plaatsen onder bovengenoemde richtlijn vallen, aan het bij die richtlijn ingevoerde stelsel worden onttrokken.
41 In casu is bovendien het verband dat zou bestaan tussen de inhoud van de Franse regeling en de inaanmerkingneming van de werkelijke stikstofemissies van dit pluimvee, door de Franse regering niet aangetoond.
42 Het volstaat immers vast te stellen dat de informatie in de bijlagen bij de circulaire van het Franse ministerie van Ecologie en Duurzame Ontwikkeling en Inrichting van 7 september 2007 inzake meldings‑ en vergunningsplichtige installaties (kwekerijen, pluimvee) – gebruik van nieuwe emissiereferenties (Bulletin officiel van 30 oktober 2007, MEDAD 2007/20, tekst 15, blz. 1), aantoont dat de verhouding tussen de stikstofemissies van een kwartel, patrijs of duif, en die van een standaardhoen niet overeenstemt met de weging waarin decreet nr. 2005-989 voorziet. Terwijl dit decreet bepaalt dat een standaardhoen gelijkstaat met acht kwartels, vier patrijzen of vier duiven, blijkt uit de bovengenoemde informatie dat het stikstofgehalte van de uitwerpselen van een kwartel of een patrijs de helft is van dat van de uitwerpselen van een standaardhoen, terwijl een duif vijf keer meer stikstof produceert. Volgens diezelfde informatie is het fosfor‑, koper‑ en zinkgehalte van de uitwerpselen van kwartels, patrijzen en duiven eveneens hoger dan dat van de uitwerpselen van standaardhoenderen.
43 Om deze onevenredigheid te rechtvaardigen, heeft de Franse regering ter terechtzitting uiteengezet dat met de andere invloeden op het milieu rekening was gehouden, zonder evenwel enig wetenschappelijk bewijs aan te voeren voor de aard en het aandeel van deze andere invloeden op het milieu.
44 In deze omstandigheden, en zoals de advocaat-generaal in punt 54 van zijn conclusie heeft aangevoerd, lijkt decreet nr. 2005-989 als gevolg te hebben dat geen voorafgaande vergunning als bedoeld in richtlijn 96/61 is vereist voor installaties voor intensieve kwekerij van 40 001 tot en met 240 000 kwartels of van 40 001 tot en met 120 000 patrijzen of duiven, hoewel het kan zijn dat deze installaties meer stikstof, fosfor, koper en zink produceren dan installaties voor intensieve kwekerij van 40 000 standaardhoenderen.
45 Gelet op het voorgaande dient op het tweede onderdeel van de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61 zich verzet tegen een nationale regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die ertoe leidt dat de drempels voor de vooraf te verlenen vergunning voor installaties van intensieve pluimveehouderij worden berekend op basis van een systeem van „dierequivalenten”, dat berust op een weging van het aantal dieren per dierplaats naar soort, om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende vogelsoorten.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Het begrip „pluimvee” in punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003, moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op kwartels, patrijzen en duiven.
2) Punt 6.6, sub a, van bijlage I bij richtlijn 96/61, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, verzet zich tegen een nationale regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die ertoe leidt dat de drempels voor de vergunning voor installaties van intensieve pluimveehouderij worden berekend op basis van een systeem van „dierequivalenten”, dat berust op een weging van het aantal dieren per dierplaats naar soort, om rekening te houden met de werkelijke stikstofemissies van de verschillende vogelsoorten.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy