Zaak C‑504/07
Associação Nacional de Transportadores Rodoviários de Pesados de Passageiros (Antrop) e.a.
tegen
Conselho de Ministros e.a.
(verzoek van het Supremo Tribunal Administrativo om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EEG) nr. 1191/69 – Openbaredienstverplichtingen – Verlening van compensaties – Sector stedelijk passagiersvervoer”
Samenvatting van het arrest
1. Vervoer – Optreden van lidstaten ten aanzien van openbaredienstverplichtingen – Verordening nr. 1191/69 – Compensatie voor aan deze verplichtingen verbonden lasten – Verlening aan openbare onderneming die openbaar passagiersvervoer in gemeente verzorgt
(Verordening nr. 1191/69 van de Raad, art. 1, leden 3 en 5, 2 en 6, lid 2)
2. Vervoer – Optreden van lidstaten ten aanzien van openbaredienstverplichtingen – Verordening nr. 1191/69 – Compensatie voor aan deze verplichtingen verbonden lasten – Voorwaarden
(Verordening nr. 1191/69 van de Raad, art. 6, lid 2, en 10)
3. Vervoer – Optreden van lidstaten ten aanzien van openbaredienstverplichtingen – Verordening nr. 1191/69 – Steunmaatregelen die onder deze verordening vallen – Beoordeling van verenigbaarheid met gemeenschapsrecht ten aanzien van bepalingen van deze verordening
(Art. 73 EG en 87, lid 1 EG; verordening nr. 1191/69 van de Raad)
1. Verordening nr. 1191/69 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1893/91, moet aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten de ruimte laat, openbaredienstverplichtingen op te leggen aan een openbare onderneming die met het openbare passagiersvervoer in een gemeente belast is, en voor de aan deze verplichtingen verbonden lasten voorziet in de verlening van een compensatie, die wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
Aangezien de compensatieverplichting volgens verordening nr. 1191/69 noodzakelijkerwijs verbonden is aan de nakoming van openbaredienstverplichtingen, kan een onderneming die wordt geacht een openbare passagiersvervoerdienst in een gemeente aan te bieden zonder dat haar enige openbaredienstverplichting is opgelegd, niet een dergelijke compensatie genieten.
(cf. punten 20‑21, dictum 1)
2. Verordening nr. 1191/69 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1893/91, verzet zich tegen de verlening van compensaties, wanneer het onmogelijk is het bedrag te bepalen van de kosten die zijn toe te schrijven aan de activiteit die de betrokken ondernemingen verrichten in het kader van de nakoming van hun openbaredienstverplichtingen.
Dit is het geval wanneer een vervoersonderneming die beschikt over een concessie voor het verrichten van een openbare dienst, wegens de op haar rustende openbaredienstverplichtingen binnen bepaalde stadszones een exclusief recht heeft, maar een ander deel van haar activiteit, waarvoor zij niet aan deze verplichtingen is onderworpen, in concurrentie met particuliere ondernemingen en buiten deze zones uitoefent, en het onmogelijk is op basis van betrouwbare boekhoudkundige gegevens van deze onderneming het verschil te bepalen tussen de kosten die zijn toe te schrijven aan dat deel van haar activiteit dat wordt verricht binnen het gebied waarvoor haar een concessie is verleend, en de overeenkomstige inkomsten, en dus ook om de extra kosten te berekenen die voortvloeien uit de nakoming van de openbaredienstverplichtingen door deze onderneming.
(cf. punten 26, 29, dictum 2)
3. Wanneer de steunmaatregelen vallen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1191/69 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1893/91, moet de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht worden beoordeeld op basis van de bepalingen van deze verordening en niet op basis van de verdragsbepalingen inzake staatssteun.
Wanneer een nationale rechterlijke instantie vaststelt dat bepaalde steunmaatregelen onverenigbaar zijn met deze verordening, dient zij, gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van deze verordening, daaraan overeenkomstig het nationale recht alle nodige gevolgen te verbinden met betrekking tot de geldigheid van de handelingen tot uitvoering van deze maatregelen.
(cf. punten 32‑34, dictum 3)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
7 mei 2009 (*)
„Verordening (EEG) nr. 1191/69 – Openbaredienstverplichtingen – Verlening van compensaties – Sector stedelijk passagiersvervoer”
In zaak C‑504/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) bij beslissing van 23 oktober 2007, ingekomen bij het Hof op 19 november 2007, in de procedure
Associação Nacional de Transportadores Rodoviários de Pesados de Passageiros (Antrop) e.a.
tegen
Conselho de Ministros,
Companhia Carris de Ferro de Lisboa SA (Carris),
Sociedade de Transportes Colectivos do Porto SA (STCP),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, K. Schiemann (rapporteur), P. Kūris, L. Bay Larsen en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 december 2008,
gelet op de opmerkingen van:
– Associação Nacional de Transportadores Rodoviários de Pesados de Passageiros (Antrop) e.a., vertegenwoordigd door J. Mota de Campos, advogado,
– de Conselho de Ministros, vertegenwoordigd door A. Duarte de Almeida, advogado,
– Sociedade de Transportes Colectivos do Porto SA (STCP), vertegenwoordigd door C. Pinto Correia, advogado,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Righini en G. Braga da Cruz als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 73 EG en 87 EG en van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 156, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1893/91 van de Raad van 20 juni 1991 (PB L 169, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1191/69”).
2 Dit verzoek is ingediend in een geding tussen de Associação Nacional de Transportadores Rodoviários de Pesados de Passageiros (Antrop) en verschillende andere ondernemingen (hierna: „Antrop e.a.”), enerzijds, en de Conselho de Ministros (ministerraad), Companhia de Carris de Ferro de Lisboa SA (hierna: „Carris”) en Sociedade de Transportes Colectivos do Porto SA (hierna: „STCP”), anderzijds, betreffende de compensaties ten bedrage van respectievelijk 40 916 478 EUR en 12 376 201 EUR die bij besluit nr. 52/2003 van de ministerraad van 27 maart 2003 voor het jaar 2003 aan laatstgenoemde ondernemingen zijn toegekend.
Toepasselijke bepalingen
3 De eerste en de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1191/69 luiden als volgt:
„Overwegende dat de opheffing van de dispariteiten die erin bestaan dat de lidstaten aan de vervoerondernemingen met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen opleggen en die de mededingingsvoorwaarden wezenlijk kunnen vervalsen, een der doeleinden van het gemeenschappelijk vervoerbeleid vormt;
Overwegende dat de in deze verordening omschreven openbaredienstverplichtingen derhalve moeten worden opgeheven; dat de handhaving van deze verplichtingen evenwel in bepaalde gevallen noodzakelijk is om een toereikende vervoervoorziening te waarborgen; dat deze vervoervoorziening wordt beoordeeld op grond van de bestaande situatie inzake vraag en aanbod van vervoer en van de behoeften van de Gemeenschap.”
4 Artikel 1, leden 1 tot en met 5, van verordening nr. 1191/69 bepaalt:
„1. Deze verordening is van toepassing op vervoersondernemingen die diensten exploiteren op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.
De lidstaten kunnen ondernemingen waarvan de activiteiten uitsluitend bestaan uit de exploitatie van stads‑, voorstads‑ en streekvervoerdiensten van de werkingssfeer van deze verordening uitsluiten.
2. In deze verordening wordt verstaan onder:
– ‚stads‑ en voorstadsvervoerdiensten’: vervoerdiensten die voorzien in de behoeften van een stedelijk centrum of een agglomeratie, alsook in de behoeften aan vervoer tussen dat centrum of die agglomeratie en de omliggende gebieden;
– ‚regionale vervoerdiensten’: vervoerdiensten die gericht zijn op de vervoerbehoeften van een regio.
3. De bevoegde instanties van de lidstaten heffen de met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren die in deze verordening zijn omschreven, op.
4. Om toereikende vervoerdiensten te waarborgen, met name rekening houdend met sociale, milieu‑ en ruimtelijkeordeningsfactoren, of om bepaalde tariefvoorwaarden te bieden aan bepaalde categorieën reizigers kunnen de bevoegde instanties van de lidstaten evenwel openbaredienstcontracten afsluiten met een vervoersonderneming. De voorwaarden en regels voor deze contracten zijn in afdeling V vermeld.
5. De bevoegde instanties van de lidstaten kunnen evenwel de in artikel 2 bedoelde openbaredienstverplichtingen handhaven of voorschrijven voor stads‑, voorstads‑ en streekdiensten voor personenvervoer. De voorwaarden en regels, waaronder de compensatiemethoden, zijn vermeld in de afdelingen II, III en IV.
Indien een vervoersonderneming zowel aan openbaredienstverplichtingen gebonden diensten als andere activiteiten verricht, moeten de genoemde openbare diensten ondergebracht zijn in afzonderlijke afdelingen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) van alle bedrijfsactiviteiten wordt een afzonderlijke boekhouding gevoerd en de middelen van de onderscheiden activiteiten worden geboekt volgens de vigerende boekhoudingsregels;
b) de uitgaven worden gecompenseerd door de bedrijfsinkomsten en de betalingen van de overheid, met uitsluiting van de mogelijkheid dat middelen van of naar een andere activiteitensector van de onderneming worden overgeheveld.”
5 Artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 1191/69 bepaalt:
„1. Onder openbaredienstverplichtingen moet worden verstaan de verplichtingen die de vervoersonderneming, indien zij haar eigen commercieel belang in aanmerking zou nemen, niet of niet in dezelfde mate, noch onder dezelfde voorwaarden op zich zou nemen.
2. De openbaredienstverplichtingen in de zin van lid 1 omvatten de exploitatieplicht, de vervoerplicht en de tariefplicht.”
6 Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1191/69 bepaalt:
„De besluiten om een openbaredienstverplichting geheel of gedeeltelijk te handhaven of na verloop van tijd op te heffen, voorzien in het toekennen van een compensatie voor de eruit voortvloeiende lasten; deze compensatie wordt bepaald overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 13 voorgeschreven gemeenschappelijke methoden.”
7 Artikel 10 van verordening nr. 1191/61 luidt als volgt:
„1. Het bedrag van de in artikel 6 bedoelde compensatie is, wanneer het een exploitatieplicht of een vervoerplicht betreft, gelijk aan het verschil tussen de vermindering van de lasten en de vermindering van de ontvangsten der onderneming, welke tijdens de in aanmerking genomen periode uit de volledige of gedeeltelijke opheffing van de betrokken verplichting kunnen voortvloeien.
Indien de berekening van de economische nadelen evenwel is geschied door de totale door de onderneming uit hoofde van haar vervoersactiviteit gedragen kosten te verdelen over de verschillende onderdelen van deze vervoersactiviteit, is het bedrag van de compensatie gelijk aan het verschil tussen de kosten die verband houden met dat deel van de activiteit der onderneming, waarop de openbaredienstverplichting betrekking heeft, en de overeenkomstige ontvangsten.”
8 Artikel 17, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1191/61 bepaalt:
„De compensaties die voortvloeien uit de toepassing van deze verordening, zijn niet onderworpen aan de procedure van voorafgaande kennisgeving, bedoeld in artikel [88], lid 3, [EG].”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 Carris is een openbare onderneming waaraan bij administratieve overeenkomst een concessie is verleend voor het openbaar vervoer van reizigers met autobussen, elektrische voertuigen en mechanische liften binnen de bestuurlijke grenzen van de stad Lissabon. Krachtens haar openbaredienstverplichtingen is Carris met name gehouden de regelmatige en ononderbroken werking van de betrokken dienst te verzekeren onder de door de concessieverlener gestelde tariefvoorwaarden.
10 STCP is een openbare onderneming waaraan een concessie is verleend voor het openbaar vervoer van reizigers binnen de bestuurlijke grenzen van de stad Porto, dit krachtens een wet waarbij een gemeentedienst is omgevormd in een naamloze vennootschap.
11 In ruil voor het verrichten van de stedelijke passagiersvervoerdiensten ontvangen Carris en STCP sinds vele jaren een aantal voordelen van de staat. Het gaat met name om compensaties, kapitaaldotaties en kredietgaranties van de staat.
12 Buiten de geografische grenzen van de zones waarvoor hun een concessie is verleend, exploiteren Carris en STCP, zonder dat daarvoor een openbaredienstverplichting op hen rust, ook buslijnen waarop andere ondernemingen, met name Antrop e.a., actief zijn. De door deze laatste ondernemingen verrichten vervoerdiensten zijn onderworpen aan de voorschriften inzake de uitbesteding van openbare diensten. Zij moeten zich houden aan regels inzake routes, dienstregelingen en tarieven. Antrop e.a. hebben aangevoerd dat de mededinging wordt vervalst en besluit nr. 52/2003 aangevochten op grond van het feit dat Carris en STCP op dezelfde lijnen actief zijn.
13 Antrop e.a. stellen dat zij geen andere middelen hebben dan de bedrijfsinkomsten die zij op basis van de geldende tarieven behalen, zodat de uit hun activiteit voortvloeiende exploitatieverliezen uitsluitend worden gedekt door hun eigen kapitaal, terwijl de eventuele verliezen, de investeringsuitgaven en het kapitaal van Carris en STCP worden gedekt door overheidssteun. De verlening van deze steun vormt dus een mededingingsverstorende factor. Verzoeksters in het hoofdgeding hebben derhalve betoogd dat het bestreden onderdeel van besluit nr. 52/2003 in strijd is met de nationale mededingingsregels en met de gemeenschapsrechtelijke bepalingen inzake staatssteun, met name de artikelen 86 EG, 87, lid 1, EG, 88 EG en 89 EG, verordening nr. 1191/69 en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad van 4 juni 1970 betreffende de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 130, blz. 1).
14 In deze omstandigheden is voor de nationale rechter de vraag gerezen of een prejudicieel verzoek bij het Hof diende te worden ingediend.
15 Na partijen te hebben gehoord, heeft het Supremo Tribunal Administrativo een dergelijke verwijzing noodzakelijk geacht en bijgevolg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Kunnen de nationale autoriteiten in het licht van de artikelen 73 [EG], 87 [EG] en 88 [EG] en verordening nr. 1191/69 openbaredienstverplichtingen opleggen aan een openbare onderneming die met het openbare passagiersvervoer in een gemeente belast is?
2) Zo ja, dienen de nationale autoriteiten hiervoor een compensatie te betalen?
3) Dient de compensatieplicht van de nationale autoriteiten in het geval dat zij niet verplicht zijn een aanbesteding uit te schrijven voor de verlening van een concessie voor het exploiteren van een vervoersnet, te worden uitgebreid tot alle ondernemingen die naar nationaal recht worden geacht in hetzelfde gebied openbaar passagiersvervoer te verzorgen?
4) Zo ja, op basis van welk criterium dient deze compensatie te worden bepaald?
5) Wanneer de staat busvervoersondernemingen die op grond van een openbare concessie hun activiteit uitoefenen binnen bepaalde stadszones waarvoor zij een exclusief recht hebben, maar die deze activiteit buiten de stadszones waarvoor deze exclusiviteitsregeling geldt, ook uitoefenen in concurrentie met particuliere ondernemingen, jaar na jaar steun verleent ter dekking van de constante exploitatieverliezen van deze ondernemingen, vormt deze steun dan verboden staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG:
a) indien niet op basis van betrouwbare boekhoudkundige gegevens het verschil kan worden bepaald tussen de kosten die zijn toe te schrijven aan dat deel van de activiteit van deze ondernemingen dat wordt verricht binnen de zone waarvoor de concessie is verleend, en de overeenkomstige inkomsten, en het bijgevolg onmogelijk is om de extra kosten te berekenen die voortvloeien uit de nakoming van de openbaredienstverplichtingen waarvoor volgens de concessieovereenkomst staatssteun kan worden verleend?
b) indien deze ondernemingen hierdoor hun aanbod van vervoerdiensten kunnen handhaven of uitbreiden, waardoor de kans voor andere in deze of een andere lidstaat gevestigde ondernemingen om vervoerdiensten te verrichten kleiner wordt?
c) en dit ongeacht het bepaalde in artikel 73 [EG]?
6) Wat is – gelet op de voorwaarden die volgens het Hof van Justitie, in het bijzonder volgens het arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans [en Regierungspräsidium Magdeburg] (C‑280/00, Jurispr. blz. I‑7747), moeten zijn vervuld om te kunnen spreken van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG [...] (‚In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen en in de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen’) – de betekenis en de draagwijdte van de uitdrukkingen (i) verlening van een voordeel dat (ii) de mededinging vervalst, in een situatie waarin de begunstigden het exclusieve recht hebben om het openbare passagiersvervoer in de steden Lissabon en Porto te verzorgen, maar ook verbindingen met deze steden verzorgen in gebieden waarin ook andere ondernemingen actief zijn? Met andere woorden, op basis van welke criteria dient te worden vastgesteld of de verlening van een voordeel de mededinging vervalst? Is het in dit verband relevant welk percentage van de kosten van de ondernemingen betrekking heeft op de lijnen die buiten het exclusiviteitsgebied liggen? Kortom, is het nodig dat de steun in concreto een aanzienlijke weerslag heeft op de activiteiten buiten het exclusiviteitsgebied (Lissabon en Porto)?
7) Zijn de handelingen die de Commissie [van de Europese Gemeenschappen] krachtens de artikelen 76 [EG] en 88 [EG] kan verrichten, de enige juridische weg om de regels van het [EG‑]Verdrag inzake staatssteun te doen naleven of is voor de doeltreffende werking van het gemeenschapsrecht meer vereist, meer bepaald dat de nationale rechterlijke instanties deze bepalingen rechtstreeks kunnen toepassen op verzoek van particulieren die zich benadeeld achten door een subsidie of steun die in strijd met de mededingingsregels is verleend?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met vierde vraag
16 De eerste vier vragen dienen samen te worden behandeld, aangezien zij in wezen betrekking hebben op de bevoegdheid van de lidstaten om openbaredienstverplichtingen aan vervoersondernemingen op te leggen en op de compensatieplicht die eventueel dientengevolge op hen komt te rusten.
17 Vooraf dient te worden opgemerkt dat uit de aan het Hof overgelegde stukken niet blijkt dat de Portugese Republiek gebruik heeft gemaakt van de door artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1191/69 geboden mogelijkheid, ondernemingen waarvan de activiteiten uitsluitend bestaan uit de exploitatie van stads‑, voorstads‑ en streekvervoerdiensten, van de werkingssfeer van deze verordening uit te sluiten. De bepalingen van deze verordening zijn dus ten volle van toepassing op het hoofdgeding, zodat de prejudiciële vragen in het licht van deze bepalingen dienen te worden onderzocht.
18 Verordening nr. 1191/69 heeft blijkens de eerste en de tweede overweging van de considerans en artikel 1, lid 3, ervan de opheffing van de met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen tot doel. Artikel 1, lid 5, van deze verordening bepaalt evenwel dat de bevoegde instanties van de lidstaten de in artikel 2 bedoelde openbaredienstverplichtingen kunnen handhaven of voorschrijven voor stads‑, voorstads‑ en streekdiensten voor personenvervoer. De voorwaarden en regels, waaronder de compensatiemethoden, zijn vermeld in de afdelingen II, III en IV van de verordening.
19 Volgens artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1191/69 moeten de besluiten om een openbaredienstverplichting geheel of gedeeltelijk te handhaven of na verloop van tijd op te heffen, voorzien in het toekennen van een compensatie voor de eruit voortvloeiende lasten; deze compensatie moet worden bepaald overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 13 van de verordening voorgeschreven gemeenschappelijke methoden.
20 Aangezien de compensatieverplichting volgens verordening nr. 1191/69 noodzakelijkerwijs verbonden is aan de nakoming van openbaredienstverplichtingen, kunnen ondernemingen die – zoals in het door de verwijzende rechter in de derde vraag bedoelde geval – worden geacht een openbare passagiersvervoerdienst in een gemeente aan te bieden zonder dat hun enige openbaredienstverplichting is opgelegd, niet een dergelijke compensatie genieten.
21 Bijgevolg dient op de eerste vier vragen te worden geantwoord dat verordening nr. 1191/69 aldus dient te worden uitgelegd dat zij de lidstaten de ruimte laat, openbaredienstverplichtingen op te leggen aan een openbare onderneming die met het openbare passagiersvervoer in een gemeente belast is, en voorziet in de verlening van een compensatie voor de aan deze verplichtingen verbonden lasten, die wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
Vijfde vraag
22 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de compensaties die – zoals in het hoofdgeding – door een lidstaat worden verleend aan vervoersondernemingen die beschikken over een concessie voor het verrichten van een openbare dienst en binnen bepaalde stadszones een exclusief recht hebben, dit wegens de op hen rustende openbaredienstverplichtingen, verboden staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG vormt wanneer deze ondernemingen hun activiteit buiten deze zones ook uitoefenen in concurrentie met particuliere ondernemingen en het onmogelijk is om de extra kosten te berekenen die voortvloeien uit de nakoming van de openbaredienstverplichtingen.
23 Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat artikel 87 EG deel uitmaakt van de algemene verdragsbepalingen betreffende staatsteun, terwijl artikel 73 EG op het gebied van het vervoer een afwijking invoert van de algemene regels die van toepassing zijn op staatssteun. Het bepaalt namelijk dat de steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen, met het Verdrag verenigbaar zijn. Verordening nr. 1191/69 bevat een regeling waaraan de lidstaten zich moeten houden wanneer zij openbaredienstverplichtingen willen opleggen aan ondernemingen die landvervoerdiensten verrichten (zie arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, reeds aangehaald, punt 53).
24 Volgens artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1191/69 moeten de besluiten om een openbaredienstverplichting geheel of gedeeltelijk te handhaven of na verloop van tijd op te heffen, voorzien in het toekennen van een compensatie voor de eruit voortvloeiende lasten; deze compensatie moet worden bepaald overeenkomstig de in de artikelen 10 tot en met 13 van deze verordening voorgeschreven gemeenschappelijke methoden.
25 Artikel 10 van verordening nr. 1191/69 bepaalt met name dat het bedrag van de compensatie, wanneer het een exploitatieplicht of een vervoerplicht betreft, gelijk moet zijn aan het verschil tussen de vermindering van de lasten en de vermindering van de ontvangsten van de onderneming die tijdens de in aanmerking genomen periode uit de volledige of gedeeltelijke opheffing van de betrokken verplichting kunnen voortvloeien. Indien de berekening van de economische nadelen evenwel is geschied door de totale door de onderneming uit hoofde van haar vervoersactiviteit gedragen kosten te verdelen over de verschillende onderdelen van deze vervoersactiviteit, moet het bedrag van de compensatie gelijk zijn aan het verschil tussen de kosten die verband houden met dat deel van de activiteit van de onderneming waarop de openbaredienstverplichting betrekking heeft, en de overeenkomstige ontvangsten.
26 Zoals blijkt uit de vaststellingen van de verwijzende rechter, die worden weerspiegeld in de formulering van de vijfde vraag, zijn Carris en STPC buiten hun respectieve exclusiviteitsgebied niet aan een openbaredienstverplichting onderworpen, zodat het onmogelijk is op basis van betrouwbare boekhoudkundige gegevens van deze twee ondernemingen het verschil te bepalen tussen de kosten die zijn toe te schrijven aan dat deel van hun activiteit dat wordt verricht binnen het gebied waarvoor hun een concessie is verleend, en de overeenkomstige inkomsten, en dus ook om de extra kosten te berekenen die voortvloeien uit de nakoming van de openbaredienstverplichtingen door deze ondernemingen.
27 In deze omstandigheden is niet voldaan aan het vereiste van artikel 10 van verordening nr. 1191/69, aangezien de kosten die zijn toe te schrijven aan het deel van de activiteit van Carris en STCP dat wordt verricht binnen het aan elk van hen toegewezen exclusiviteitsgebied, niet met zekerheid kunnen worden bepaald.
28 Aangezien de compensaties die deze ondernemingen hebben ontvangen, in deze omstandigheden niet in overeenstemming met verordening nr. 1191/69 zijn verleend, zijn zij niet verenigbaar met het gemeenschapsrecht en hoeven zij dus niet te worden getoetst aan de verdragsbepalingen inzake staatssteun, met name aan artikel 87, lid 1, EG (zie in die zin arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, reeds aangehaald, punt 65).
29 Gelet op het bovenstaande dient op de vijfde vraag te worden geantwoord dat verordening nr. 1191/69 zich verzet tegen de verlening van compensaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, wanneer het onmogelijk is het bedrag te bepalen van de kosten die zijn toe te schrijven aan de activiteit die de betrokken ondernemingen in het kader van de nakoming van hun openbaredienstverplichtingen verrichten.
Zesde vraag
30 Gelet op het antwoord op de vijfde vraag hoeft de zesde vraag niet te worden beantwoord.
Zevende vraag
31 Met deze vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen welke rol de nationale rechterlijke instanties dienen te spelen wanneer zij vaststellen dat in strijd met de bepalingen van het gemeenschapsrecht staatssteun is verleend.
32 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde compensaties binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1191/69 vallen, moet de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht, zoals in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, worden beoordeeld op basis van de bepalingen van deze verordening en niet op basis van de verdragsbepalingen inzake staatssteun.
33 Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat deze compensaties niet in overeenstemming met verordening nr. 1191/69 zijn verleend, dient hij, gelet op de rechtstreekse toepasselijkheid van deze verordening, daaraan overeenkomstig het nationale recht alle nodige gevolgen te verbinden met betrekking tot de geldigheid van de handelingen tot uitvoering van deze compensatiemaatregelen.
34 Gelet op het bovenstaande dient op de zevende vraag te worden geantwoord dat wanneer een nationale rechterlijke instantie vaststelt dat bepaalde steunmaatregelen onverenigbaar zijn met verordening nr. 1191/69, zij daaraan overeenkomstig het nationale recht alle nodige gevolgen dient te verbinden met betrekking tot de geldigheid van de handelingen tot uitvoering van deze maatregelen.
Kosten
35 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1893/91 van de Raad van 20 juni 1991, moet aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten de ruimte laat, openbaredienstverplichtingen op te leggen aan een openbare onderneming die met het openbare passagiersvervoer in een gemeente belast is, en voorziet in de verlening van een compensatie voor de aan deze verplichtingen verbonden lasten, die wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
2) Verordening nr. 1191/69, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1893/91, verzet zich tegen de verlening van compensaties als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, wanneer het onmogelijk is het bedrag te bepalen van de kosten die zijn toe te schrijven aan de activiteit die de betrokken ondernemingen verrichten in het kader van de nakoming van hun openbaredienstverplichtingen.
3) Wanneer een nationale rechterlijke instantie vaststelt dat bepaalde steunmaatregelen onverenigbaar zijn met verordening nr. 1191/69, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1893/91, dient zij daaraan overeenkomstig het nationale recht alle nodige gevolgen te verbinden met betrekking tot de geldigheid van de handelingen tot uitvoering van deze maatregelen.
ondertekeningen
* Procestaal: Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy