Zaak C‑505/07
Compañía Española de Comercialización de Aceite SA
(verzoek van het Tribunal Supremo om een prejudiciële beslissing)
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijke ordening van markten in sector oliën en vetten – Verordening nr. 136/66/EEG – Artikel 12 bis – Opslag van olijfolie zonder communautaire financiering – Bevoegdheden van nationale mededingingsautoriteiten”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Oliën en vetten – Olijfolie
(Verordening nr. 136/66 van de Raad, art. 12 bis)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Oliën en vetten – Olijfolie
(Verordening nr. 136/66 van de Raad, art. 12 bis)
3. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Oliën en vetten – Olijfolie
(Verordening nr. 136/66 van de Raad, art. 12 bis)
4. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Oliën en vetten – Olijfolie
(Verordeningen van de Raad nr. 26, art. 2, lid 1, en nr. 136/66, art. 12 bis)
1. Een naamloze vennootschap waarin producenten van olijfolie, olijfoliefabrieken en coöperaties van olijventelers een meerderheidsbelang hebben en waarvan de rest van het kapitaal in handen is van financiële instellingen, valt onder het begrip organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98, dat kan worden gemachtigd om een contract voor de particuliere opslag van olijfolie te sluiten in de zin van dat artikel, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van die bepaling.
(cf. punt 35, dictum 1)
2. De „erkenning door de lidstaat” waarover de organismen in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98, dienen te beschikken, kan worden verkregen in het kader van een bij de nationale mededingingsautoriteiten aangevraagde individuele ontheffing („machtiging”), op voorwaarde dat die autoriteiten beschikken over doeltreffende middelen om na te gaan of het organisme dat de aanvraag heeft ingediend, in staat is om olijfolie in overeenstemming met de wettelijke vereisten particulier op te slaan. Teneinde de nuttige werking van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 te verzekeren, moet de nationale autoriteit die gemachtigd is om aan een organisme een erkenning voor het sluiten van contracten uit hoofde van dat artikel te verlenen, immers duidelijk kunnen worden geïdentificeerd. Die nationale autoriteit moet bij machte zijn om alle nodige controles te verrichten teneinde zich ervan te vergewissen dat het organisme dat een erkenningsaanvraag heeft ingediend, in staat is om olie in overeenstemming met de landbouwvoorschriften particulier op te slaan en dienaangaande voldoende garanties biedt.
(cf. punten 39‑41, dictum 2)
3. Artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98, staat niet in de weg aan een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie dat niet werd onderworpen aan de machtigingsprocedure waarnaar die bepaling verwijst. De invoering van een dergelijk stelsel waaraan geen communautaire steun wordt verleend, kan evenwel niet tot gevolg hebben dat de opslag van olijfolie wordt onttrokken aan de toepassing van het gemeenschapsrecht en het nationale recht inzake de olijfoliemarkt, en van de mededingingsregels.
(cf. punten 47‑48, dictum 3)
4. Voor zover de nationale mededingingsautoriteiten zich enerzijds onthouden van elke maatregel die van de gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie afwijkt of daarop inbreuk maakt, en anderzijds geen beslissing nemen die in tegenspraak is met een beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of die een dergelijke tegenspraak tot gevolg kan hebben, mogen zij het nationale mededingingsrecht toepassen op een overeenkomst die de markt voor olijfolie op communautair niveau kan beïnvloeden. De nationale mededingingsautoriteiten zijn derhalve bevoegd om toezicht te houden op en dus ook om een verbod in te stellen op een systeem van aankoop en opslag van olijfolie dat buiten de werkingssfeer van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98, is opgezet en gefinancierd, en de gemeenschappelijke markt ongunstig kan beïnvloeden.
(cf. punten 57‑58, dictum 4)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
1 oktober 2009 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten – Verordening nr. 136/66/EEG – Artikel 12 bis – Opslag van olijfolie zonder communautaire financiering – Bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten”
In zaak C‑505/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunal Supremo (Spanje) bij beslissing van 22 oktober 2007, ingekomen bij het Hof op 19 november 2007, in de procedure ingeleid door
Compañía Española de Comercialización de Aceite SA,
in tegenwoordigheid van:
Asociación Española de la Industria y Comercio Exportador de Aceite de Oliva (Asoliva),
Asociación Nacional de Industriales Envasadores y Refinadores de Aceites Comestibles (Anierac),
Administración del Estado,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.‑C. Bonichot, K. Schiemann, J. Makarczyk (rapporteur) en C. Toader, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: K. Sztranc-Sławiczek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 december 2008,
gelet op de opmerkingen van:
– Compañía Española de Comercialización de Aceite SA, vertegenwoordigd door R. Illescas Ortiz, abogado,
– Asociación Española de la Industria y Comercio Exportador de Aceite de Oliva (Asoliva), vertegenwoordigd door M. Albarracín Pascual, procuradora, en M. C. Ortega Martínez, abogada,
– Asociación Nacional de Industriales Envasadores y Refinadores de Aceites Comestibles (Anierac), vertegenwoordigd door F. Bermúdez de Castro Rosillo, procurador, en A. Ruiz-Giménez Aguilar, abogado,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Jimeno Fernández en F. Castillo de la Torre als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 februari 2009,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB L 172, blz. 3025), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad van 20 juli 1998 (PB L 210, blz. 32; hierna: „verordening nr. 136/66”) en van artikel 2 van verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (PB 30, blz. 993).
2 Dit verzoek in ingediend in het kader van een beroep dat door Compañía Española de Comercialización de Aceite SA (hierna: „Cecasa”) is ingesteld tegen het besluit van het Tribunal de Defensa de la Competencia (mededingingstribunaal) van 5 maart 2002, waarbij haar aanvraag voor een individuele machtiging tot oprichting van een gemeenschappelijke onderneming voor het in de handel brengen van olijfolie is afgewezen.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
Regeling betreffende de toepasselijkheid van de mededingingsregels op de landbouwsector
3 De eerste overweging van de considerans van verordening nr. 26 luidt:
„[...] uit artikel [36] van het Verdrag [vloeit voort], dat de toepassing van de bij het Verdrag voorgeschreven regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten een der bestanddelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vormt [...]”.
4 Artikel 1 van verordening nr. 26 luidt:
„Met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening gelden de artikelen [81] tot en met [86] van het Verdrag, evenals de voor hun toepassing uitgevaardigde bepalingen, voor alle in artikel [81], lid 1, en in artikel [82] van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die betrekking hebben op de voortbrenging van of de handel in de in bijlage [I] van het Verdrag vermelde producten, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 2.”
5 Tot de in bijlage I bij het EG-Verdrag vermelde landbouwproducten behoort ook olijfolie.
6 Artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 26 luidt:
„Artikel [81], lid 1, van het Verdrag is niet van toepassing op de in het voorgaande artikel bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel [33] van het Verdrag omschreven doelstellingen. Het is in het bijzonder niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen binnen één lidstaat, voor zover deze, zonder de verplichting in te houden een bepaalde prijs toe te passen, betrekking hebben op de voortbrenging of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de Commissie vaststelt dat de mededinging zodoende wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel [33] van het Verdrag in gevaar worden gebracht.
2. Onder voorbehoud van het toezicht van het Hof van Justitie is uitsluitend de Commissie bevoegd om, na de lidstaten te hebben geraadpleegd en de belanghebbende ondernemingen of ondernemersverenigingen, alsmede elke andere natuurlijke of rechtspersoon waarvan zij het noodzakelijk acht de mening in te winnen, te hebben gehoord, in een te publiceren beschikking vast te stellen welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden voldoen.”
Regeling voor de sector oliën en vetten
7 Artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 bepaalt:
„Bij ernstige verstoring van de markt in bepaalde regio’s van de Gemeenschap kan, om de markt te regulariseren, volgens de procedure van artikel 38 worden besloten organismen die voldoende garanties bieden, en door de lidstaten erkend worden, te machtigen opslagcontracten te sluiten voor de olijfolie die zij in de handel brengen. Bij de aanwijzing van deze organismen wordt voorrang gegeven aan erkende producentengroeperingen of unies van producentengroeperingen, als bedoeld in verordening [(EG) nr. 952/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen (PB L 142, blz. 30)].
De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen, onder andere, worden getroffen wanneer de gedurende een representatieve periode op de markt geconstateerde gemiddelde prijs lager ligt dan 95 % van de in het verkoopseizoen 1997/1998 toepasselijke interventieprijs.
Het bedrag van de voor de verwezenlijking van de contracten toegekende steun, alsmede de toepassingsbepalingen van het onderhavige artikel, met name de hoeveelheden, de kwaliteit en de opslagduur van de betrokken oliën worden, volgens de procedure van artikel 38, zodanig vastgesteld dat het effect op de markt significant is. De steun kan via aanbesteding worden toegekend.”
8 Artikel 38, lid 1, van verordening nr. 136/66 verwijst naar een comitologieprocedure.
9 Blijkens artikel 1 van verordening nr. 952/97 is bij deze verordening voor bepaalde gebieden een regeling ingesteld ter aanmoediging van de oprichting van producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen.
10 Artikel 1 van verordening nr. 952/97 luidt als volgt:
„Teneinde de momenteel in bepaalde gebieden geconstateerde structurele onvolkomenheden ten aanzien van het aanbod en de afzet van landbouwproducten – onvolkomenheden die worden gekenmerkt door de onvoldoende mate van organisatie van de producenten – te verhelpen wordt bij deze verordening voor deze gebieden een regeling ingesteld ter aanmoediging van de oprichting van producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen.”
11 Verordening nr. 952/97 is per 3 juli 1999 ingetrokken zonder te worden vervangen bij verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160, blz. 80).
12 In punt 44 van de considerans van verordening nr. 1257/1999 heet het dat, aangezien er in het kader van verscheidene gemeenschappelijke marktordeningen steunregelingen voor producentengroeperingen en unies daarvan bestaan, specifieke steunverlening aan producentengroeperingen in het kader van de plattelandsontwikkeling niet langer nodig is.
13 Punt 11 van de considerans van verordening nr. 1638/98 luidt als volgt:
„Overwegende dat de regeling inzake de interventieaankopen een aansporing tot produceren vormt die de markt dreigt te destabiliseren; dat de interventieaankopen derhalve moeten worden afgeschaft en de verwijzingen naar de interventieprijs moeten worden geschrapt of vervangen”.
14 In punt 12 van de considerans van die verordening heet het:
„[...] om de beoogde regulering van het aanbod aan olijfolie in geval van ernstige verstoring van de markt te bereiken, [is er] een regeling van steun voor contracten voor particuliere opslag nodig en [...] met betrekking tot die contracten [moet] prioriteit worden gegeven aan de producentengroeperingen of unies van producentengroeperingen in de zin van verordening [...] nr. 952/97 [...]”.
15 Artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 2768/98 van de Commissie van 21 december 1998 inzake de steunregeling voor de particuliere opslag van olijfolie (PB L 346, blz. 14) bepaalt:
„De bevoegde instanties van de producerende lidstaten sluiten contracten voor de particuliere opslag van onverpakte olijfolie verkregen bij de eerste persing op de bij deze verordening vastgestelde voorwaarden.”
16 Krachtens artikel 1, lid 2, van die verordening kan de Commissie inschrijvingen van beperkte duur openen om de steunbedragen te bepalen die moeten worden toegekend voor de uitvoering van contracten voor de particuliere opslag van olijfolie.
Nationale regeling
17 Artikel 1 van de Ley 16/1989 de Defensa de la Competencia (Spaanse wet ter bescherming van de mededinging) van 17 juli 1989 (BOE nr. 170 van 18 juli 1989, blz. 22747; hierna: „LDC”) bepaalt:
„1. Verboden zijn alle overeenkomsten, besluiten, collectieve aanbevelingen en onderling afgestemde of opzettelijk gecoördineerde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken, ten gevolge hebben of kunnen hebben dat de mededinging op de gehele of een deel van de nationale markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, met name die welke bestaan in:
a) het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de prijzen of van andere commerciële voorwaarden of voorwaarden voor het verrichten van diensten;
b) het beperken of controleren van de productie, de distributie, de technische ontwikkeling of de investeringen;
c) het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.
[...]
2. De krachtens lid 1 verboden overeenkomsten, besluiten en aanbevelingen, waarop de in deze wet voorziene ontheffingen niet van toepassing zijn, zijn van rechtswege nietig.
[...]”
18 Artikel 3 LDC, met als opschrift „Machtigingsvoorwaarden”, luidt als volgt:
„1. De in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten, aanbevelingen en gedragingen of categorieën hiervan die bijdragen tot verbetering van de productie of van de afzet van goederen en diensten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, kunnen worden toegestaan mits:
a) een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de consumenten of de gebruikers ten goede komt;
b) zij de betrokken ondernemingen geen beperkingen opleggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn, en;
c) zij de betrokken ondernemingen niet de mogelijkheid geven voor een wezenlijk deel van de betrokken goederen of diensten de mededinging uit te schakelen.
2. Voorts kunnen, voor zover dit door de algemene economische situatie en het openbare belang wordt gerechtvaardigd, de in artikel 1 bedoelde overeenkomsten, besluiten, aanbevelingen en gedragingen of categorieën hiervan worden toegestaan, die:
a) tot doel hebben de uitvoer te beschermen of te bevorderen, mits zij geen afbreuk doen aan de mededinging binnen de nationale markt en verenigbaar zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit de door Spanje geratificeerde internationale verdragen, of
b) het sociale en economische niveau van minder ontwikkelde regio’s en sectoren in voldoende mate verhogen, of
c) gelet op het geringe belang ervan, de mededinging niet op significante wijze kunnen verstoren.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19 Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat Cecasa een naamloze vennootschap naar Spaans recht is, waarvan de aandeelhouders voor 68 % bestaan uit olieproducenten, oliefabrieken en coöperaties van olijventelers en voor 32 % uit kredietinstellingen en andere entiteiten. De met deze onderneming verbonden olijfolieproducenten vertegenwoordigen 50 % à 60 % van de Spaanse olijfolieproductie.
20 Op 5 april 2001 heeft Cecasa bij de nationale mededingingsautoriteiten een aanvraag ingediend voor een individuele machtiging in de zin van artikel 3 LDC met het oog op de oprichting van een onderneming voor het in de handel brengen van olijfolie. Het hoofddoel van die onderneming bestond daarbij in het voorkomen dat de prijzen voor olie beneden een bepaald niveau (circa 95 % van de oude interventieprijs) zouden dalen, door olie in te kopen wanneer dit prijspeil wordt bereikt en deze opnieuw op de markt te brengen wanneer de prijs weer aantrekt.
21 Van oordeel dat de door Cecasa ingediende aanvraag voor een individuele machtiging tot doel had een overeenkomst tussen concurrenten tot stand te brengen met het oogmerk om de olijfolieprijs te ondersteunen in verkoopseizoenen met productieoverschotten, heeft het Tribunal de Defensa de la Competencia de aanvraag bij besluit van 5 maart 2002 afgewezen.
22 Dat besluit werd in wezen bevestigd bij vonnis van 22 juli 2005 van de afdeling bestuursrechtelijke geschillen van de Audiencia Nacional, waartegen Cecasa bij de verwijzende rechter beroep in cassatie heeft ingesteld.
23 In die omstandigheden heeft het Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Kan ingevolge artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 [...] een naamloze vennootschap die hoofdzakelijk bestaat uit producenten, oliefabrieken en coöperaties van olijventelers, alsmede uit financiële instellingen, gerekend worden tot de ‚organismen’ die contracten mogen sluiten voor de opslag van olijfolie? Is een vennootschap met deze kenmerken gelijk te stellen aan de erkende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen in de zin van verordening [...] nr. 952/97?
2) Ingeval de vennootschap gerangschikt kan worden onder de ‚organismen’ die opslagactiviteiten kunnen ontplooien, kan de in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 voorgeschreven ‚erkenning door de staat’ van deze organismen dan worden verleend in het kader van een individuele ontheffing (‚machtiging’) aangevraagd bij de nationale mededingingsautoriteiten?
3) Schrijft artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 dwingend voor dat de Commissie in elk individueel geval machtiging moet verlenen voor de particuliere opslag van olijfolie of is met dit artikel verenigbaar een door producenten onderling overeengekomen systeem van aankoop en opslag van olijfolie, dat particulier gefinancierd wordt, uitsluitend in werking treedt onder de voorwaarden waaronder ook de met financiële steun van de Gemeenschap gefinancierde particuliere opslag plaatsvindt, en tot doel heeft de met gemeenschapssteun gefinancierde opslag aan te vullen en te stroomlijnen zonder de daarvoor geldende grenzen te overschrijden?
4) Kan de in het arrest van 9 september 2003 [Milk Marque en National Farmers’ Union, C‑137/00, Jurispr. blz. I‑7975] door het Hof van Justitie gevestigde rechtspraak betreffende de toepassing van de nationale mededingingsregels door de mededingingsautoriteiten van de lidstaten op overeenkomsten tussen producenten die in beginsel onder artikel 2 van verordening nr. 26 [...] kunnen vallen, eveneens worden toegepast op overeenkomsten die, gezien hun kenmerken en de kenmerken van de betrokken sector, de gemeenschappelijke olijfoliemarkt in haar geheel kunnen beïnvloeden?
5) Indien de nationale mededingingsautoriteiten bevoegd zijn de nationale regels toe te passen op de bedoelde overeenkomsten die de gemeenschappelijke marktordening voor oliën en vetten kunnen beïnvloeden, kunnen die autoriteiten een vennootschap als de onderhavige dan volkomen verbieden om gebruik te maken van mechanismen voor de opslag van olijfolie, zelfs in gevallen van ‚ernstige verstoring van de markt’ als bedoeld in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
24 In het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag verwijst de verwijzende rechter naar verordening nr. 952/97, die niet meer van kracht was op het tijdstip waarop het in het hoofdgeding litigieuze besluit werd vastgesteld.
25 Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak dat wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, het Hof in beginsel verplicht is daarop te antwoorden (zie arrest van 16 december 2008, Michaniki, C‑213/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie arrest Michaniki, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van haar conclusie heeft opgemerkt, volgt uit de intrekking van verordening nr. 952/97 evenwel niet dat zij irrelevant is geworden.
28 In casu worden producentengroeperingen en de unies ervan uitdrukkelijk vermeld in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, zodat zij in het kader van die bepaling een specifieke rol spelen. De gemeenschapswetgever heeft aan die groeperingen en aan de unies ervan immers voorrang gegeven om contracten te sluiten voor de opslag van olijfolie.
29 Derhalve moet het tweede onderdeel van de eerste prejudiciële vraag ontvankelijk worden geacht.
Eerste vraag
30 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een naamloze vennootschap waarin producenten van olijfolie, olijfoliefabrieken en coöperaties van olijventelers een meerderheidsbelang hebben en waarvan de rest van het kapitaal in handen is van financiële instellingen, valt onder het begrip ‚organisme” dat kan worden gemachtigd om opslagcontracten te sluiten in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66.
31 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 11 van de considerans van verordening nr. 1638/98, in het licht van de dreigende destabilisering van de markt door de regeling inzake de interventieaankopen, de Raad van de Europese Unie in het kader van de hervorming van de olijfoliemarkt heeft besloten om, naar aanleiding van de vaststelling van die verordening, de regeling inzake de interventieaankopen af te schaffen.
32 Uit punt 12 van de considerans van verordening nr. 1638/98 volgt dat er, teneinde de beoogde regulering van het aanbod aan olijfolie in geval van ernstige verstoring van de markt te bereiken, een regeling van steun voor contracten voor particuliere opslag is ingevoerd. De kenmerken van die regeling zijn vermeld in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66.
33 Uit voormeld artikel 12 bis, gelezen in samenhang met punt 12 van de considerans van verordening nr. 1638/98, blijkt dat organismen die voldoende garanties bieden en door de lidstaten worden erkend, kunnen worden gemachtigd om particuliere opslagcontracten te sluiten. Tot die organismen behoren de producentengroeperingen en unies ervan in de zin van verordening nr. 952/97, waaraan voorrang wordt verleend.
34 Vastgesteld moet worden dat, mits aan de voorwaarden van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 wordt voldaan, zowel particuliere ondernemingen als overheidsondernemingen, ongeacht hun structuur of de wijze waarop zij worden gefinancierd, uit hoofde van dit artikel kunnen worden gemachtigd tot het sluiten van overeenkomsten.
35 Bijgevolg moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een naamloze vennootschap waarin producenten van olijfolie, olijfoliefabrieken en coöperaties van olijventelers een meerderheidsbelang hebben en waarvan de rest van het kapitaal in handen is van financiële instellingen, valt onder het begrip organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, dat kan worden gemachtigd om een contract voor de particuliere opslag van olijfolie te sluiten in de zin van dat artikel, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van die bepaling.
Tweede vraag
36 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen onder welke voorwaarden een lidstaat de erkenning als bedoeld in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 verleent.
37 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat voornoemd artikel geen nadere informatie bevat betreffende de aard van de nationale procedure voor de verlening van een erkenning aan een organisme dat olijfolie particulier wenst op te slaan. Evenmin wordt daarin de hoedanigheid gepreciseerd van de nationale overheidsinstantie die bevoegd is tot verlening van een dergelijke erkenning.
38 De lidstaten beschikken ter zake dus weliswaar over een manoeuvreerruimte bij de organisatie van de erkenningsprocedure voor de particuliere opslag van olijfolie, als bedoeld in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, maar zij beschikken daarover evenwel slechts voor zover zij de bij deze verordening vastgestelde doelstellingen en verplichtingen volledig in acht nemen.
39 Bijgevolg moet de autoriteit die door de wetgeving van de lidstaat is belast met het verlenen van erkenningen, bij machte zijn om alle nodige controles te verrichten om zich ervan te vergewissen dat het organisme dat een erkenningsaanvraag heeft ingediend in staat is om olie in overeenstemming met de landbouwvoorschriften particulier op te slaan en dienaangaande voldoende garanties biedt.
40 Teneinde de nuttige werking van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 te verzekeren, moet de autoriteit die gemachtigd is om aan een organisme een erkenning voor het sluiten van contracten uit hoofde van dat artikel te verlenen, bovendien duidelijk kunnen worden geïdentificeerd.
41 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de „erkenning door de lidstaten” waarover de organismen in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 dienen te beschikken, kan worden verkregen in het kader van een bij de nationale mededingingsautoriteiten aangevraagde individuele ontheffing („machtiging”), op voorwaarde dat die autoriteiten beschikken over doeltreffende middelen om na te gaan of het organisme dat de aanvraag heeft ingediend, in staat is om olijfolie in overeenstemming met de wettelijke vereisten particulier op te slaan.
Derde vraag
42 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 in de weg staat aan een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie dat niet werd onderworpen aan de machtigingsprocedure waarnaar die bepaling verwijst.
43 Zoals in de punten 31 en 32 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, is in het kader van de hervorming van de olijfoliemarkt, naar aanleiding van de vaststelling van verordening nr. 1638/98, in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 een communautaire steunregeling voor het sluiten van contracten voor de particuliere opslag van olijfolie ingevoerd.
44 Gelet op de bewoordingen van die bepaling, moet worden opgemerkt dat het in artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 vastgestelde mechanisme slechts van toepassing is bij particuliere opslag waaraan communautaire financiering wordt verleend.
45 Wanneer daarentegen de marktdeelnemers geen beroep wensen te doen op communautaire steun, valt de particuliere opslag van olijfolie buiten de werkingssfeer van verordening nr. 136/66.
46 Bijgevolg kan artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 niet in de weg staan aan de invoering van een particulier gefinancierd systeem van particuliere opslag.
47 De invoering van een dergelijke regeling waaraan geen communautaire steun wordt verleend, kan evenwel niet tot gevolg hebben dat de opslag van olijfolie wordt onttrokken aan de toepassing van het gemeenschapsrecht en het nationale recht inzake de olijfoliemarkt, en van de mededingingsregels.
48 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 niet in de weg staat aan een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie dat niet werd onderworpen aan de machtigingsprocedure waarnaar die bepaling verwijst.
Vierde en vijfde vraag
49 Met zijn vierde en vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de draagwijdte is van de bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten in het geval dat een overeenkomst tussen ondernemingen die op de nationale olijfoliemarkt optreden, gevolgen zou hebben op gemeenschapsniveau.
50 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het communautaire en het nationale mededingingsrecht naast elkaar van toepassing zijn, aangezien zij de restrictieve gedragingen vanuit verschillende gezichtshoeken beschouwen. Terwijl de artikelen 81 EG en 82 EG het oog hebben op de belemmeringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de handel tussen lidstaten, worden de restrictieve gedragingen in de nationale wettelijke regelingen, die zijn ontstaan uit overwegingen die aan elk van deze regelingen eigen zijn, uitsluitend binnen dat kader bezien (zie arrest Milk Marque en National Farmers’ Union, reeds aangehaald, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Gelet op die parallelle toepassing van de nationale en de gemeenschapsrechtelijke mededingingsvoorschriften, kan het feit dat een overeenkomst tussen ondernemingen die optreden op het door de gemeenschappelijke marktordening beheerste gebied, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, er niet toe leiden dat uitsluitend het gemeenschapsrecht toepassing vindt.
52 Zoals het Hof namelijk reeds heeft geoordeeld, heeft het enkele feit dat de gemeenschapswetgever met artikel 36 EG en verordening nr. 26 de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het communautaire mededingingsbeleid met elkaar heeft verzoend, niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat iedere toepassing van het nationale mededingingsrecht in conflict komt met artikel 36 EG en verordening nr. 26, aangezien de werkingssfeer van de communautaire mededingingsregels niet volledig overeenkomt met die van de nationale mededingingsregels (arrest Milk Marque en National Farmers’ Union, punt 66).
53 Wat in het bijzonder de uitlegging van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26 betreft, heeft, zoals de advocaat-generaal in punt 87 van haar conclusie heeft opgemerkt, de exclusiviteit van de bevoegdheid van de Commissie om vast te stellen op welke overeenkomsten, besluiten en gedragingen de uitzondering waarin is voorzien bij artikel 2, lid 1, van die verordening van toepassing is, evenmin tot gevolg dat het nationale mededingingsrecht geen toepassing kan vinden.
54 Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 26 beoogt immers slechts de autoriteit aan te wijzen die bevoegd is voor de toepassing van het communautaire mededingingsrecht.
55 Evenwel moet eraan worden herinnerd dat wanneer de nationale mededingingsautoriteit optreedt op het door de gemeenschappelijke marktordening voor de betrokken sector beheerste gebied, zij zich moet onthouden van elke maatregel die van deze gemeenschappelijke ordening afwijkt of daarop inbreuk maakt (arrest Milk Marque en National Farmers’ Union, punt 94).
56 Bovendien mogen de nationale autoriteiten in gevallen die onder zowel artikel 81, lid 1, EG als het nationale mededingingsrecht vallen, geen beslissingen nemen die in tegenspraak zijn met een beschikking van de Commissie of die een dergelijke tegenspraak tot gevolg kunnen hebben (zie in die zin arrest van 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, Jurispr. blz. I‑11369, punten 51 en 52).
57 Derhalve moet worden vastgesteld dat, mits wordt voldaan aan de in de punten 55 en 56 van het onderhavige arrest bedoelde vereisten, de nationale mededingingsautoriteiten bevoegd zijn om toezicht te houden op en dus ook om een verbod in te stellen op een buiten de werkingssfeer van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66 opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie dat de gemeenschappelijke markt ongunstig kan beïnvloeden.
58 Gelet op een en ander moet op de vierde en de vijfde vraag worden geantwoord dat voor zover de nationale mededingingsautoriteiten zich enerzijds onthouden van elke maatregel die van de gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie afwijkt of daarop inbreuk maakt, en anderzijds geen beslissing nemen die in tegenspraak is met een beschikking van de Commissie of die een dergelijke tegenspraak tot gevolg kan hebben, zij het nationale mededingingsrecht mogen toepassen op een overeenkomst die de markt voor olijfolie op communautair niveau kan beïnvloeden.
Kosten
59 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:
1) Een naamloze vennootschap waarin producenten van olijfolie, olijfoliefabrieken en coöperaties van olijventelers een meerderheidsbelang hebben en waarvan de rest van het kapitaal in handen is van financiële instellingen, valt onder het begrip organisme in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1638/98 van de Raad van 20 juli 1998, dat kan worden gemachtigd om een contract voor de particuliere opslag van olijfolie te sluiten in de zin van dat artikel, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van die bepaling.
2) De „erkenning door de lidstaat” waarover de organismen in de zin van artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98, dienen te beschikken, kan worden verkregen in het kader van een bij de nationale mededingingsautoriteiten aangevraagde individuele ontheffing („machtiging”), op voorwaarde dat die autoriteiten beschikken over doeltreffende middelen om na te gaan of het organisme dat de aanvraag heeft ingediend, in staat is om olijfolie in overeenstemming met de wettelijke vereisten particulier op te slaan.
3) Artikel 12 bis van verordening nr. 136/66, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1638/98, staat niet in de weg aan een particulier opgezet en gefinancierd systeem van aankoop en opslag van olijfolie dat niet werd onderworpen aan de machtigingsprocedure waarnaar die bepaling verwijst.
4) Voor zover de nationale mededingingsautoriteiten zich enerzijds onthouden van elke maatregel die van de gemeenschappelijke marktordening voor olijfolie afwijkt of daarop inbreuk maakt, en anderzijds geen beslissing nemen die in tegenspraak is met een beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of die een dergelijke tegenspraak tot gevolg kan hebben, mogen zij het nationale mededingingsrecht toepassen op een overeenkomst die de markt voor olijfolie op communautair niveau kan beïnvloeden.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy