ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
17 juli 2008 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 2002/73/EG – Gelijke behandeling van mannen en vrouwen – Toegang tot arbeidsproces – Beroepsopleiding en promotiekansen – Arbeidsvoorwaarden – Niet-uitvoering binnen gestelde termijn”
In zaak C‑543/07,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 3 december 2007,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. van Beek als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door D. Haven als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: G. Arestis, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur) en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 269, blz. 15), of althans door deze niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Volgens artikel 2, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2002/73 is de termijn voor de uitvoering van deze richtlijn op 5 oktober 2005 verstreken.
Precontentieuze procedure
3 Omdat de Commissie niet binnen de gestelde termijn in kennis was gesteld van de bepalingen die door het Koninkrijk België waren vastgesteld voor de volledige omzetting van richtlijn 2002/73 in zijn nationale rechtsorde, heeft zij de niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG ingeleid.
4 Nadat zij het Koninkrijk België had aangemaand om zijn opmerkingen te maken, heeft de Commissie op 12 oktober 2006 een met redenen omkleed advies uitgebracht waarin zij deze lidstaat verzocht, de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om binnen een termijn van twee maanden na betekening van dit advies hieraan te voldoen.
5 Het Koninkrijk België heeft op 11 oktober 2007, dus na het verstrijken van de termijn die de Commissie in genoemd met redenen omkleed advies had gesteld, op dit advies geantwoord. Het wees de Commissie slechts op het bestaan van een ontwerpdecreet van het Waalse Gewest ter uitvoering van richtlijn 2002/73 en verzocht haar, een bijeenkomst met de Belgische vertegenwoordigers te organiseren.
6 Aangezien zij geen andere informatie ontving over de maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van genoemde richtlijn, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
7 In haar beroep stelt de Commissie vast dat op het tijdstip van de instelling ervan het Koninkrijk België nog niet de maatregelen had getroffen die noodzakelijk zijn voor de omzetting van richtlijn 2002/73 in zijn nationale rechtsorde, of, althans, haar daarvan niet op de hoogte had gebracht.
8 In zijn verweerschrift erkent het Koninkrijk België dat richtlijn 2002/73 niet volledig is uitgevoerd binnen de gestelde termijn. Het betoogt dat uitvoeringsmaatregelen zijn getroffen door de federale overheid, het Vlaamse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap. Wat de Franse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, alsook de Franse en de Vlaamse Gemeenschap betreft, worden maatregelen ter uitvoering van deze richtlijn voorbereid.
9 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, en kan het Hof geen rekening houden met sindsdien opgetreden wijzigingen (zie, met name, arresten van 7 juni 2007, Commissie/België, C‑254/05, Jurispr. blz. I‑4269, punt 39, en 8 mei 2008, Commissie/Portugal, C‑233/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31).
10 In casu staat echter vast dat bij het verstrijken van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn het Koninkrijk België niet de maatregelen had getroffen die noodzakelijk waren voor de volledige omzetting van richtlijn 2002/73 in zijn nationale rechtsorde.
11 Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat een lidstaat zich niet ten exceptieve op nationale bepalingen, praktijken of situaties, met inbegrip van zijn federale structuur, kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van door een richtlijn voorgeschreven verplichtingen of termijnen (zie, met name, arresten van 16 december 2004, Commissie/Oostenrijk, C‑358/03, Jurispr. blz. I‑12055, punt 13, en 13 december 2007, Commissie/België, C‑528/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 8).
12 In deze omstandigheden dient het door de Commissie ingestelde beroep als gegrond te worden beschouwd.
13 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/73, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
14 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Achtste kamer) verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy