Zaak C‑560/07
Balbiino AS
tegen
Põllumajandusminister
en
Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus
(verzoek van de Tallinna Halduskohus om een prejudiciële beslissing)
„Toetreding van Estland – Overgangsmaatregelen – Landbouwproducten – Suiker – Overtollige voorraden – Verordeningen (EG) nrs. 1972/2003, 60/2004 en 832/2005”
Samenvatting van het arrest
1. Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Estland – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Overgangsmaatregelen voor handel in landbouwproducten
(Verordeningen van de Commissie nr. 1972/2003, art. 4, leden 1 en 2, nr. 60/2004, art. 6, lid 3, en nr. 832/2005)
2. Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Estland – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Overgangsmaatregelen voor handel in landbouwproducten
(Verordening nr. 1972/2003 van de Commissie)
3. Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Estland – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Overgangsmaatregelen voor handel in landbouwproducten
(Verordeningen van de Commissie nr. 1972/2003, art. 4, en nr. 60/2004, art. 6)
4. Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Estland – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Overgangsmaatregelen voor handel in landbouwproducten
(Verordeningen van de Commissie nrs. 1972/2003 en 60/2004)
5. Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Estland – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Overgangsmaatregelen voor handel in landbouwproducten
(Verordening nr. 60/2004 van de Commissie, art. 6, lid 3)
6. Toetreding van nieuwe lidstaten tot Gemeenschappen – Estland – Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Overgangsmaatregelen voor handel in landbouwproducten
(Verordening nr. 1972/2003 van de Commissie, art. 10)
1. Artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1972/2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en verordening nr. 832/2005 betreffende de bepaling van de overtollige hoeveelheid suiker, isoglucose en fructose voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, verzetten zich niet tegen een nationale maatregel volgens welke de overtollige voorraad van een marktdeelnemer wordt bepaald door de overdrachthoeveelheid, namelijk de met de factor 1,2 – die overeenstemt met de groei van de landbouwproductie in de betrokken lidstaat tijdens de hieronder vermelde periode – vermenigvuldigde gemiddelde voorraad van de marktdeelnemer op 1 mei van de vier voorgaande jaren, af te trekken van de voorraad die op 1 mei 2004 daadwerkelijk aanwezig was.
Wanneer de nieuwe lidstaten de overtollige voorraden landbouwproducten bepalen volgens verordening nr. 1972/2003 en de suikervoorraden volgens de verordeningen nrs. 60/2004 en 832/2005, beschikken zij immers, bij ontbreken van precieze bepalingen, over een beoordelingsmarge voor het bepalen van de relevante periode, de wijze van berekening van het gemiddelde van de beschikbare voorraden en het systeem voor de identificatie van de overtollige hoeveelheden, met inachtneming van de doelstellingen van deze verordeningen en van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht.
(cf. punten 37‑38, 40, 51, dictum 1)
2. Verordening nr. 1972/2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, verzet zich er niet tegen dat de totale voorraad waarover een marktdeelnemer op 1 mei 2004 beschikte, als overtollig wordt aangemerkt indien uit onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat deze voorraad gelet op de activiteit van deze marktdeelnemer niet normaal is, maar om speculatieve redenen is gevormd teneinde voordeel te halen uit de gevolgen van de toetreding voor de landbouwprijzen.
(cf. punten 58‑59, dictum 2)
3. Artikel 4 van verordening nr. 1972/2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en artikel 6 van verordening nr. 60/2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, verzetten zich niet tegen een nationale maatregel op basis waarvan een marktdeelnemer die minder dan een jaar vóór 1 mei 2004 een activiteit is begonnen, moet bewijzen dat de omvang van de voorraad waarover hij op die datum beschikte, overeenkomt met de omvang van de voorraad die hij gewoonlijk kan produceren en verkopen of op andere wijze onder bezwarende titel of om niet kan overdragen of aanschaffen.
Er is geen enkel element waaruit kan worden afgeleid dat de algemene beginselen van gemeenschapsrecht of de doelstellingen van de aan de orde zijnde verordeningen worden geschonden door een dergelijke nationale maatregel wanneer de staat niet over relevante vergelijkingsgegevens beschikt omdat de aan de orde zijnde activiteit nieuw is.
(cf. punten 63‑64, dictum 3)
4. De verordeningen nr. 1972/2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en nr. 60/2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, verzetten zich niet tegen de heffing van een belasting op de overtollige voorraad van een marktdeelnemer, ook al zou deze kunnen bewijzen dat hij geen winst heeft gemaakt bij de verhandeling van deze voorraad na 1 mei 2004.
De verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 hebben immers niet tot doel, speculatieve gedragingen te bestraffen, maar beogen de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten te beschermen, in casu die voor suiker en verwerkte producten. De in dit verband door deze verordeningen ingevoerde instrumenten kunnen worden toegepast op alle overtollige voorraden in de zin van deze verordeningen, los van de vraag of de houders ervan daadwerkelijk winst hebben gemaakt bij de verhandeling ervan.
(cf. punten 70‑72, dictum 4)
5. Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, kan niet aldus worden uitgelegd dat een stijging van de opslagcapaciteit van een marktdeelnemer in het jaar vóór de toetreding rechtvaardigt dat de overtollige voorraad wordt verminderd, los van de latere ontwikkeling van de economische activiteit van de houder van deze voorraad, van de omvang van de verwerking en van de omvang van deze voorraad.
Deze bepaling vereist enkel dat de betrokken lidstaten de opslagcapaciteit van de marktdeelnemers in aanmerking nemen bij hun globale beoordeling van alle relevante factoren voor de identificatie van de overtollige voorraden. Deze lidstaten hoeven volgens deze bepaling echter niet stelselmatig de overtollige hoeveelheid te verminderen van de marktdeelnemers waarvan de opslagcapaciteit is gestegen. Slechts indien deze stijging van de opslagcapaciteit met een stijging van de omvang van de latere activiteit gepaard is gegaan, moet deze factor in aanmerking worden genomen om uit te maken of de voorraden die op 1 mei 2004 aanwezig waren, normaal of overtollig waren.
(cf. punten 77‑78, dictum 5)
6. Artikel 10 van verordening nr. 1972/2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, staat niet in de weg aan de geldigheid van een belastingaanslag die een aan de belasting op overtollige voorraad onderworpen marktdeelnemer na 30 april 2007 heeft ontvangen, wanneer vaststaat dat de nationale autoriteiten deze aanslag vóór of op deze datum hebben vastgesteld.
(cf. punten 84‑85, dictum 6)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
4 juni 2009 (*)
„Toetreding van Estland – Overgangsmaatregelen – Landbouwproducten – Suiker – Overtollige voorraden – Verordeningen (EG) nrs. 1972/2003, 60/2004 en 832/2005”
In zaak C‑560/07,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Tallinna Halduskohus (Estland) bij beslissing van 28 november 2007, ingekomen bij het Hof op 18 december 2007, in de procedure
Balbiino AS
tegen
Põllumajandusminister,
Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, A. Ó Caoimh, J. N. Cunha Rodrigues, U. Lõhmus en P. Lindh (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 december 2008,
gelet op de opmerkingen van:
– Balbiino AS, vertegenwoordigd door K. Lind, avocat,
– de Estse regering, vertegenwoordigd door L. Uibo als gemachtigde,
– de Cypriotische regering, vertegenwoordigd door A. Pantazi-Lamprou als gemachtigde,
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas en R. Mackevičienė als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Saaremäel-Stoilov en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 februari 2009,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1972/2003 van de Commissie van 10 november 2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 293, blz. 3), verordening (EG) nr. 60/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 9, blz. 8), en verordening (EG) nr. 832/2005 van de Commissie van 31 mei 2005 betreffende de bepaling van de overtollige hoeveelheid suiker, isoglucose en fructose voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PB L 138, blz. 3).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Balbiino AS (hierna: „Balbiino”) enerzijds en de Põllumajandusminister (Estse minister van Landbouw) en de Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus (Estse belasting‑ en douanedienst, belasting‑ en douanekantoor Noord) anderzijds, over de belasting op overtollige voorraad.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Op basis van artikel 41, eerste alinea, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33), kan de Commissie maatregelen vaststellen om de overgang van de nieuwe lidstaten naar de regeling van het gemeenschappelijke landbouwbeleid te vergemakkelijken. Deze overgangsmaatregelen „kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat drie jaar na de datum van toetreding verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak”. De Commissie heeft de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 met name op basis van deze bepaling vastgesteld.
Verordening nr. 1972/2003
4 Volgens punt 1 van de considerans ervan, beoogt verordening nr. 1972/2003 „te voorkomen dat de toetreding van tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie op 1 mei 2004 zou kunnen leiden tot verleggingen van het handelsverkeer die de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten nadelig beïnvloeden”. Gelet op dat risico benadrukt punt 3 van de considerans van deze verordening dat „dient te worden voorzien in de heffing van afschrikkende belastingen op overtollige voorraden in de nieuwe lidstaten”.
5 Daartoe vereist artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1972/2003 dat de nieuwe lidstaten belastingen opleggen aan de houders van op 1 mei 2004 aanwezige overtollige voorraden producten in het vrije verkeer.
6 Artikel 4, lid 2, van deze verordening luidt:
„Bij de bepaling van de overtollige voorraad van elke houder houden de nieuwe lidstaten in het bijzonder rekening met
a) de gemiddelde beschikbare voorraden in de jaren vóór de toetreding,
b) het handelspatroon in de jaren vóór de toetreding,
c) de omstandigheden waaronder de voorraden zijn gevormd.
Het begrip overtollige voorraden is van toepassing op producten die in de nieuwe lidstaten zijn ingevoerd of van oorsprong uit de nieuwe lidstaten zijn. Het begrip overtollige voorraden is eveneens van toepassing op voor de markt van de nieuwe lidstaten bestemde producten.
[...]”
7 Met het oog op een correcte toepassing van de belasting op de overtollige voorraden vereist artikel 4, lid 4, van deze verordening dat de nieuwe lidstaten onverwijld een inventaris opmaken van de op 1 mei 2004 beschikbare voorraden en de Commissie uiterlijk op 31 juli 2004 in kennis stellen van de in de overtollige voorraden aanwezige hoeveelheden producten.
8 Overeenkomstig artikel 10 ervan was verordening nr. 1972/2003 van toepassing van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2007.
Verordening nr. 60/2004
9 De kans op speculatie op de suikermarkt werd bijzonder hoog geacht. Daarom heeft de Commissie bij verordening nr. 60/2004 specifieke maatregelen vastgesteld. Artikel 6, lid 1, van deze verordening luidt:
„Uiterlijk op 31 oktober 2004 bepaalt de Commissie voor elke nieuwe lidstaat [...] de hoeveelheid suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose en fructose die de als de normale overdrachthoeveelheid op 1 mei 2004 beschouwde hoeveelheid overschrijdt en op kosten van de nieuwe lidstaten van de markt moet worden weggewerkt.
Voor de bepaling van deze overtollige hoeveelheid wordt met name rekening gehouden met de ontwikkeling in het jaar vóór de toetreding in vergelijking met de voorgaande jaren ten aanzien van:
a) de ingevoerde en uitgevoerde hoeveelheden suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose en fructose;
b) de productie en het verbruik van suiker en isoglucose en de voorraden van deze producten;
c) de omstandigheden waaronder de voorraden zijn gevormd.”
10 Artikel 6, lid 2, van deze verordening verplicht de nieuwe lidstaten om de hoeveelheden suiker of isoglucose die de Commissie voor elk van deze staten als overtollig heeft bepaald, uiterlijk op 30 april 2005 van de markt weg te werken.
11 Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 bepaalt:
„Voor de toepassing van lid 2 beschikken de bevoegde autoriteiten van de nieuwe lidstaten op 1 mei 2004 over een systeem voor de identificatie, op het niveau van de belangrijkste betrokken marktdeelnemers, van de verhandelde of geproduceerde overtollige hoeveelheden suiker als zodanig of in verwerkte producten, isoglucose of fructose. Dit systeem kan met name steunen op het volgen van de invoer, fiscale controle en onderzoek op basis van de boekhouding en de fysieke voorraden van de marktdeelnemers en kan maatregelen zoals risicogaranties omvatten. Het identificatiesysteem wordt gebaseerd op een risicobeoordeling waarbij met name de volgende criteria terdege in aanmerking worden genomen:
– type activiteit van de betrokken marktdeelnemers,
– capaciteit van de opslagvoorzieningen,
– omvang van de activiteiten.
De nieuwe lidstaat gebruikt dit systeem om de betrokken marktdeelnemers ertoe te dwingen een hoeveelheid suiker of isoglucose die overeenstemt met hun individuele overtollige hoeveelheid zoals deze is bepaald, op eigen kosten van de markt weg te werken. De betrokken marktdeelnemers bewijzen ten genoegen van de nieuwe lidstaat dat de nodige producten uiterlijk op 30 april 2005 van de markt zijn weggewerkt.
Indien dit bewijs niet wordt geleverd, heft de nieuwe lidstaat een bedrag dat gelijk is aan de betrokken hoeveelheid, vermenigvuldigd met de hoogste invoerbelastingen die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2005 voor het betrokken product hebben gegolden, verhoogd met 1,21 EUR/100 kg wittesuiker‑ of drogestofequivalent.
Het in de derde alinea bedoelde bedrag wordt toegewezen aan de nationale begroting van de nieuwe lidstaat.”
Verordening nr. 832/2005
12 Bij verordening nr. 832/2005 heeft de Commissie de weg te werken overtollige hoeveelheid suiker per nieuwe lidstaat bepaald. Punt 3 van de considerans van deze verordening luidt als volgt:
„In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de overtollige hoeveelheid suiker wordt verkregen door de ontwikkeling van de productie, vermeerderd met de import en verminderd met de export, tijdens de periode van 1 mei 2003 tot 30 april 2004, te vergelijken met het gemiddelde van dezelfde hoeveelheden voor dezelfde periode tijdens de drie voorgaande jaren. Op grond van artikel 6, lid 1, [sub] c, van verordening (EG) nr. 60/2004 wordt ook rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de voorraden tot stand zijn gekomen en met name met de daling van de voorraden in de betrokken periode.”
Nationale regeling
13 Op 7 april 2004 heeft de Riigikogu (Ests Parlement) de wet inzake de belasting op overtollige voorraad aangenomen (Üleliigse laovaru tasu seadus, RT I 2004, 30, 203).
14 In zijn arrest van 5 oktober 2006 heeft de Riigikohus (hooggerechtshof van Estland) § 6, lid 1, van deze wet buiten toepassing gelaten, op grond dat deze in strijd was met verordening nr. 1972/2003. Deze rechter was van oordeel dat de in deze bepaling neergelegde verplichting om bij de berekening van de overdrachthoeveelheid een factor 1,2 toe te passen, niet garandeerde dat elke ondernemer voldoende gedifferentieerd werd behandeld.
15 Om aan deze beslissing gevolg te geven, heeft de Riigikogu bedoelde wet op 25 januari 2007 op diverse punten gewijzigd. Deze is, in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (RT I 2007, 12, 65; hierna: „ÜLTS”), op 16 februari 2007 in werking getreden en is met terugwerkende kracht van toepassing op de situaties die vanaf 1 mei 2004 zijn ontstaan.
16 Volgens § 7 ÜLTS is de „overtollige voorraad” het verschil tussen de op 1 mei 2004 daadwerkelijk aanwezige voorraad en de overdrachthoeveelheid.
17 § 6 ÜLTS definieert de „overdrachthoeveelheid” als het jaarlijkse gemiddelde van de in de vier jaar vóór de toetreding van de Republiek Estland tot de Unie (2000-2003) aanwezige voorraad, vermenigvuldigd met de factor 1,2. Om deze regel te verzachten voor ondernemers die in deze vier referentiejaren geen relevante activiteit hebben uitgeoefend, bepaalt § 6 twee bijzondere regels voor de berekening van de overdrachthoeveelheid. In de eerste plaats moet een ondernemer waarvan de activiteit op de betrokken markt na 2003 is begonnen, aantonen dat zijn voorraad op 1 mei 2004 overeenkomt met de „hoeveelheid [...] die hij gewoonlijk kan produceren, verkopen of op andere wijze onder bezwarende titel of zonder tegenprestatie kan overdragen of aanschaffen”. In de tweede plaats is de overdrachthoeveelheid voor ondernemers die minstens één jaar actief zijn geweest, de „gemiddelde voorraad die op 1 mei aanwezig was tijdens de laatste jaren van de exploitatie” of de op 1 mei 2003 aanwezige voorraad, vermenigvuldigd met 1,2.
18 Volgens § 10 ÜLTS bepaalt de minister van Landbouw de overdrachthoeveelheid en de overtollige voorraad op basis van de verklaringen van de ondernemer. Op gemotiveerd verzoek van deze laatste kan de minister rekening houden met bepaalde factoren die een stijging van de voorraad kunnen verklaren, los van enige speculatie, zoals de toename van het productie‑, verwerkings‑ of verkoopvolume van de ondernemer in het voorgaande jaar, de tijd voor het rijpen van de landbouwproducten, de omstandigheid dat de voorraden vóór het derde kwartaal van 2003 zijn gevormd, de vermindering van het uitvoer‑ of verkoopvolume onder niet aan de ondernemer te wijten omstandigheden of andere, van de wil van de ondernemer onafhankelijke omstandigheden.
19 § 23 ÜLTS vult deze laatste bepalingen aan met enkele omstandigheden waaronder de overdrachthoeveelheid kan worden verhoogd wanneer deze toe te schrijven is aan de ontwikkeling van de activiteit van de marktdeelnemer in de periode 1 mei 2003-1 mei 2006.
20 Met betrekking tot suiker volgt uit § 14 ÜLTS dat het bedrag van de belasting op de overtollige voorraad dat van artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 is.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21 Balbiino is een Estse onderneming die zich bezighoudt met de verkoop van diepvrieslevensmiddelen en de productie van ijs. In de periode 2000-2003 heeft zij haar productie‑ en opslagvoorzieningen gemoderniseerd. Zo heeft zij een nieuwe opslagruimte in gebruik genomen. Op 1 mei 2004 beschikte zij over meer dan 100 ton suiker, dat wil zeggen ongeveer 9 keer de hoeveelheid die zij gewoonlijk in dezelfde periode in bezit had, zowel vóór de toetreding van de Republiek Estland tot de Unie (2000-2003) of na deze toetreding (2005 en 2006). Bovendien begon deze onderneming ook met een activiteit van groothandel in diepvrieslevensmiddelen.
22 Op 29 oktober 2004 heeft de Põllumajandusminister bepaald dat Balbiino ongeveer 400 ton overtollige voorraad had voor 13 soorten landbouwproducten (suiker, chocolade, boter, diepgevroren vlees, kaas).
23 Balbiino heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Tallinna Halduskohus.
24 Na verschillende incidenten heeft de Põllumajandusminister op 19 april 2007 de overtollige voorraad van Balbiino bepaald. Deze beslissing is gebaseerd op de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 en op de §§ 6, 7, leden 1 en 2, 10, lid 2, en 23 ÜLTS.
25 De belastingadministratie heeft de door Balbiino verschuldigde belasting op de overtollige voorraad op 30 april 2007 op 1 243 867 EEK (ongeveer 77 000 EUR) vastgesteld. Balbiino is tegen deze aanslag en tegen de beslissing van 19 april 2007 opgekomen bij de Tallinna Halduskohus. Deze rechter twijfelt aan de verenigbaarheid van de ÜLTS met het gemeenschapsrecht.
26 Daarop heeft de Tallinna Halduskohus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Staat het gemeenschaprecht, in het bijzonder artikel 6, lid 1, van verordening [...] nr. 60/2004 juncto punt 3 van de considerans van verordening [...] nr. 832/2005, alsmede artikel 4, leden 1 en 2, van verordening [...] nr. 1972/2003 [...], eraan in de weg dat de omvang van de overtollige voorraad van een marktdeelnemer aldus wordt bepaald, dat automatisch van de [overdrachthoeveelheid] de met de factor 1,2 vermenigvuldigde gemiddelde voorraad van de marktdeelnemer op 1 mei van de laatste – niet meer dan vier – bedrijfsjaren vóór 1 mei 2004 wordt afgetrokken?
Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, luidt het antwoord dan anders, wanneer bij de bepaling van de omvang van de overdrachthoeveelheid en van de overtollige voorraad ook rekening kan worden gehouden met een toename van het productie‑, verwerkings‑ of verkoopvolume van de marktdeelnemer, de tijd voor het rijpen van de betrokken landbouwproducten, de tijd voor de vorming van de voorraden alsmede andere, van de marktdeelnemer onafhankelijke omstandigheden?
2) Is het verenigbaar met het doel van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met dat van verordening [...] nr. 1972/2003 [...], de totale op 1 mei 2004 bij een marktdeelnemer aanwezige voorraad van een landbouwproduct als diens overtollige voorraad aan te merken?
3) Wanneer een marktdeelnemer zijn activiteiten met het betrokken landbouwproduct minder dan een jaar vóór 1 mei 2004 is begonnen, staat het gemeenschapsrecht, in het bijzonder artikel 4 van verordening [...] nr. 1972/2003 [...] alsmede artikel 6 van verordening [...] nr. 60/2004 [...], dan eraan in de weg dat deze marktdeelnemer zelf moet aantonen dat de omvang van de op 1 mei 2004 bij hem aanwezige voorraad van het landbouwproduct overeenkomt met de omvang van de voorraad van het landbouwproduct die hij gewoonlijk zou produceren en verkopen of op andere wijze onder bezwarende titel of om niet zou overdragen of aanschaffen?
Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, luidt het antwoord dan anders wanneer de overheidsinstantie, onafhankelijk van de bewijsplicht van de marktdeelnemer, gehouden is om, op de grondslag van de door hem verstrekte verklaring inzake het betrokken landbouwproduct, bij de bepaling van de overdrachthoeveelheid en de overtollige voorraad van de marktdeelnemer rekening te houden met een toename van zijn productie‑, verwerkings‑ of verkoopvolume alsmede van zijn voorraad na 1 mei 2004?
4) Is het verenigbaar met het doel van verordening [...] nr. 1972/2003 en van verordening [...] nr. 60/2004 om de belasting op overtollige voorraad ook dan te heffen, wanneer bij de marktdeelnemer op 1 mei 2004 een overtollige voorraad wordt geconstateerd, maar hij kan aantonen geen daadwerkelijk voordeel in de vorm van een prijsverschil te hebben behaald uit de verhandeling van de overtollige voorraad na 1 mei 2004?
5) Kan artikel 6, lid 3, van verordening [...] nr. 60/2004 [...], volgens hetwelk bij de bepaling van de overtollige hoeveelheden suiker, isoglucose en fructose onder andere de capaciteit van de opslagvoorzieningen in aanmerking wordt genomen, aldus worden uitgelegd dat wanneer de capaciteit van de opslagvoorzieningen van een marktdeelnemer in het jaar vóór de toetreding is uitgebreid, dit een grondslag biedt om de op 1 mei 2004 bij de marktdeelnemer aanwezige overtollige voorraad van het landbouwproduct lager vast te stellen, ongeacht de economische activiteiten van de marktdeelnemer, de omvang van de verwerking door hem van het landbouwproduct, en de omvang van de voorraad van dat product in de bedrijfsjaren vóór 1 mei 2004 en in de twee jaar na 1 mei 2004?
6) Staat artikel 10 van verordening [...] nr. 1972/2003 [...] eraan in de weg dat de belasting op overtollige voorraad bij aanslag wordt ingevorderd van de marktdeelnemer, wanneer de aanslag weliswaar tijdens de geldigheidsduur van [deze] verordening – op 30 april 2007 – is opgelegd, maar volgens nationaal recht pas na het einde van de geldigheidsduur van [die] verordening bindend is geworden voor de ondernemer en het nationale recht niet voorziet in een termijn voor de invordering van de voorraadbelasting?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Vraag vooraf
27 Balbiino betoogt dat de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 haar niet kunnen worden tegengeworpen, aangezien zij op de dag waarop de Republiek Estland tot de Unie is toegetreden, niet in het Ests waren gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij beroept zich op het arrest van 11 december 2007, Skoma-Lux (C‑161/06, Jurispr. blz. I‑10841), dat van na de verwijzingsbeslissing dateert.
28 Balbiino is van mening dat de omstandigheid dat deze verordeningen haar niet kunnen worden tegengeworpen, ook in de weg staat aan de toepassing van de ÜLTS. Deze wet, die in de oorspronkelijke versie ervan officieel is bekendgemaakt op 27 april 2004, bevat namelijk velerlei verwijzingen naar de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004. Balbiino benadrukt dat de te late publicatie van de ÜLTS ervoor heeft gezorgd dat de marktdeelnemers niet tijdig kennis hebben kunnen nemen van de vanaf 1 mei 2004 geldende belastingregeling voor overtollige voorraden.
29 Hoewel de verwijzingsbeslissing geen betrekking heeft op deze vraag, dient, teneinde de verwijzende rechter verduidelijking te verschaffen, in herinnering te worden gebracht dat een handeling van een gemeenschapsinstelling, zoals de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004, aan natuurlijke en rechtspersonen in een lidstaat niet kan worden tegengeworpen voordat deze ervan kennis hebben kunnen nemen door een regelmatige bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (arrest van 25 januari 1979, Racke, 98/78, Jurispr. blz. 69, punt 15, en arrest Skoma-Lux, reeds aangehaald, punt 37).
30 Zo heeft het Hof geoordeeld dat artikel 58 van de in punt 3 van het onderhavige arrest vermelde Toetredingsakte zich ertegen verzet dat verplichtingen die zijn opgenomen in een gemeenschapsregeling die in het Publicatieblad van de Europese Unie niet werd bekendgemaakt in de taal van een nieuwe lidstaat, kunnen worden opgelegd aan particulieren in deze staat, ook al hadden deze personen via andere wegen van deze regeling kennis kunnen nemen. De omstandigheid dat een gemeenschapsverordening niet aan particulieren kan worden tegengeworpen in een lidstaat in de taal waarvan zij niet werd bekendgemaakt, heeft echter geen enkele invloed op het feit dat deze verordening onderdeel is van het acquis communautaire, zodat de bepalingen ervan voor de betrokken lidstaat bij diens toetreding onmiddellijk verbindend zijn (arrest Skoma-Lux, reeds aangehaald, punten 51 en 59).
31 Met de vaststelling van de ÜLTS, in de oorspronkelijke versie ervan, op 7 april 2004, heeft de Republiek Estland uitvoering gegeven aan de verplichtingen van de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 door een belasting op de overtollige voorraad van landbouwproducten in te voeren en de wijze van berekening daarvan te bepalen. De ÜLTS roept aldus in Estland verplichtingen in het leven voor particulieren, ook al kunnen deze verordeningen hun niet worden tegengeworpen voordat zij daarvan kennis hebben kunnen nemen door een regelmatige bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie in de taal van deze lidstaat.
32 In die omstandigheden verzet de regel van voormeld arrest Skoma-Lux zich er niet tegen dat de bepalingen van de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 die in het kader van de ÜLTS zijn overgenomen, aan particulieren worden tegengeworpen. Deze regel zou echter nog wel van belang kunnen zijn in het geval dat sommige bepalingen van deze verordeningen waaraan de ÜLTS geen uitvoering heeft gegeven, vóór de officiële bekendmaking van deze verordeningen in de Estse taal door de Estse autoriteiten worden ingeroepen tegen particulieren. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft benadrukt, staat het in voorkomend geval aan de nationale rechter om de ÜLTS uit te leggen teneinde na te gaan of die omstandigheden aanwezig zijn.
Eerste vraag
33 Hoewel de bewoordingen van de eerste vraag uitdrukkelijk de uitlegging van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 60/2004 betreffen, dient deze vraag aldus te worden uitgelegd dat zij betrekking heeft op artikel 6, lid 3, van deze verordening, inzake de identificatie, door de lidstaten, van de overtollige hoeveelheden suiker en verwerkte producten die de marktdeelnemers individueel in bezit hebben.
34 De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1972/2003, artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 en verordening nr. 832/2005, met name punt 3 van de considerans ervan, zich verzetten tegen de in de ÜLTS neergelegde methode voor de berekening van de overtollige voorraad van een marktdeelnemer, die inhoudt dat de overdrachthoeveelheid, namelijk de met de factor 1,2 vermenigvuldigde gemiddelde voorraad op 1 mei van de vier voorgaande jaren, wordt afgetrokken van de op 1 mei 2004 daadwerkelijk aanwezige voorraad. Indien dit het geval is, wenst hij te vernemen of het antwoord hetzelfde zou zijn indien, behalve met die vermenigvuldigingsfactor, ook rekening kan worden gehouden met andere, van de ondernemer onafhankelijke omstandigheden, zoals een toename van het productie‑, verwerkings‑ of verkoopvolume, de verlenging van de tijd voor het rijpen van de landbouwproducten en bepaalde modaliteiten van de vorming van de voorraden.
35 Deze eerste vraag betreft twee elementen die relevant zijn voor de berekening van de overdrachthoeveelheden. Het gaat om het beroep op een vaste datum, in casu 1 mei, voor de bepaling van de gemiddelde voorraad in de vier jaren vóór 1 mei 2004 en om het gebruik van de vermenigvuldigingsfactor 1,2. Deze twee elementen moeten achtereenvolgens worden onderzocht.
36 Wat in de eerste plaats het beroep op de datum 1 mei betreft voor de bepaling van de gemiddelde voorraad in de periode 2000-2003, stelt Balbiino de willekeurigheid van deze keuze aan de orde, die in het bijzonder nadelig voor haar is wegens de cyclische en seizoensgebonden productie van ijs. De vraag naar deze producten bereikt zijn piek tussen mei en augustus, zodat de datum 1 mei overeenkomt met de periode waarin de voorraad het grootst is.
37 Om te beginnen bepaalt artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1972/2003 dat de nieuwe lidstaten bij de bepaling van de overtollige voorraad van elke houder in het bijzonder rekening houden met „de gemiddelde beschikbare voorraden in de jaren vóór de toetreding”. Bij ontbreken van preciezere bepalingen over de relevante periode of de methode voor de berekening van de gemiddelde beschikbare voorraad, verleent een dergelijke formulering de lidstaten een beoordelingsmarge bij de bepaling van de criteria op basis waarvan deze aanwijzingen worden uitgevoerd, met inachtneming van de doelstellingen van die verordening en van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht (zie in die zin arrest van 20 juni 2002, Mulligan e.a., C‑313/99, Jurispr. blz. I‑5719, punten 33‑36).
38 Hetzelfde geldt voor de voorraden suiker en verwerkte producten Idie worden beheerst door verordening nr. 60/2004. Artikel 6, lid 3, van deze verordening bepaalt immers enkel dat de bevoegde autoriteiten van de nieuwe lidstaten „op 1 mei 2004 over een systeem voor de identificatie [...] van de [...] overtollige hoeveelheden [beschikken]” op het niveau van de belangrijkste betrokken marktdeelnemers en dat dit systeem met name kan „steunen op het volgen van de invoer, fiscale controle en onderzoek op basis van de boekhouding en de fysieke voorraden van de marktdeelnemers” en het type en de omvang van de activiteit van de betrokken marktdeelnemers en de capaciteit van de opslagvoorzieningen in aanmerking moet nemen.
39 Bovendien is, voor suiker en de verwerkte producten die onder verordening nr. 60/2004 vallen, in artikel 6, lid 1, van deze verordening, met betrekking tot de vaststelling door de Commissie van de nationale overtollige hoeveelheden op 1 mei 2004, bepaald dat met name rekening wordt gehouden met de ontwikkeling in het jaar vóór de toetreding in vergelijking met de voorgaande jaren ten aanzien van de ingevoerde en uitgevoerde hoeveelheden, de productie, het verbruik en de voorraden, alsmede de omstandigheden waaronder deze voorraden zijn gevormd. Teneinde de uitvoering van deze bepaling te waarborgen, is in artikel 8 van deze verordening met name bepaald dat de nieuwe lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 juli 2004 de ingevoerde, uitgevoerde, geproduceerde en verbruikte hoeveelheden suiker voor de periode van 1 mei 2000 tot en met 30 april 2004 meedelen, alsmede de op 1 mei van elk jaar aanwezige voorraden voor de periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2004.
40 Overeenkomstig deze methode heeft de Commissie bij verordening nr. 832/2005 de weg te werken overtollige hoeveelheid suiker per nieuwe lidstaat bepaald. Punt 3 van de considerans van deze verordening preciseert dat „de overtollige hoeveelheid suiker wordt verkregen door de ontwikkeling van de productie, vermeerderd met de import en verminderd met de export, tijdens de periode van 1 mei 2003 tot 30 april 2004, te vergelijken met het gemiddelde van dezelfde hoeveelheden voor dezelfde periode tijdens de drie voorgaande jaren”.
41 Uit deze elementen volgt dat geen van de onderzochte bepalingen van de verordeningen nrs. 1972/2003, 60/2004 en 832/2005 zich verzet tegen een methode zoals die welke in de ÜLTS wordt gebruikt, die inhoudt dat de overdrachthoeveelheid wordt berekend op basis van de hoeveelheden waarover de marktdeelnemers daadwerkelijk beschikten op 1 mei van de jaren 2000 tot en met 2003.
42 Bijgevolg verzetten noch artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1972/2003, noch artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004, noch verordening nr. 832/2005 zich ertegen dat de ÜLTS de datum 1 mei als referentiebasis voor de bepaling van de overtollige hoeveelheid neemt.
43 De verwijzende rechter wenst in de tweede plaats te vernemen of het gebruik van een factor 1,2 voor de berekening van de overdrachthoeveelheid in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht. Hij benadrukt in dit verband dat de Riigikohus in zijn arrest van 5 oktober 2006 heeft geoordeeld dat het gebruik van deze factor in strijd was met artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1972/2003 omdat bij de bepaling van de overtollige voorraad geen rekening kan worden gehouden met alle omstandigheden die eigen zijn aan elke marktdeelnemer.
44 Balbiino betoogt in wezen dat de ÜLTS onevenredig en in strijd met het beginsel van gelijke behandeling is, aangezien zij uniform toepassing maakt van een vermenigvuldigingsfactor 1,2 zonder adequaat rekening te houden met de verschillen die tussen producten kunnen bestaan en met de omstandigheden waaronder de betrokken voorraden zijn gevormd. Volgens haar zou het passender zijn om, gelet op de ontwikkeling van de markten voor landbouwproducten in Estland in de periode 2000-2004, gebruik te maken van een vermenigvuldigingsfactor 1,33.
45 De Estse regering verdedigt de rechtmatigheid van de vermenigvuldigingsfactor 1,2, die zij in overeenstemming met het doel van de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 acht. Evenals de Litouwse regering stelt zij dat deze verordeningen het gebruik van die factor niet beperken of uitsluiten en de lidstaten vrij laten bij de keuze van de berekeningsmethode die de plaatselijke omstandigheden in acht neemt. Aan de hand van de vermenigvuldigingsfactor kan de overdrachthoeveelheid van alle ondernemers worden verhoogd teneinde rekening te houden met de economische groei in de jaren vóór de toetreding tot de Unie.
46 Na in haar schriftelijke stukken het standpunt van Balbiino te hebben ondersteund, heeft de Commissie zich ter terechtzitting aangesloten bij het standpunt van de Estse en de Litouwse regering, mits de uniforme toepassing van de vermenigvuldigingsfactor 1,2 niet belet dat alle bijzondere, van de marktdeelnemers onafhankelijke omstandigheden in aanmerking worden genomen.
47 De artikelen 4, lid 2, van verordening nr. 1972/2003 en 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 bevatten geen enkele bepaling die de lidstaten verplicht of verbiedt om voor de berekening van de overtollige voorraad op uniforme wijze een vermenigvuldigingsfactor toe te passen op de overdrachthoeveelheid van de marktdeelnemers. Deze artikelen sommen op niet-limitatieve wijze bepaalde criteria voor de berekening van de overtollige voorraad van de marktdeelnemers op, en laten de lidstaten de mogelijkheid om deze aan te vullen naargelang hetgeen zij geschikt achten. Zoals eerder in de punten 37 en 38 van het onderhavige arrest is vastgesteld, beschikken de lidstaten in dit verband over een beoordelingsmarge.
48 De toepassing van een factor 1,2 op de overdrachthoeveelheid is op het eerste gezicht gunstig voor de marktdeelnemers, aangezien zij ertoe strekt de overtallige voorraad te verminderen. Uit de verklaringen van de Estse regering blijkt dat deze factor is vastgesteld op basis van het groeipercentage van de Estse landbouwproductie in de periode 2000-2004. Aan de hand van deze factor kan dus de gemiddelde voorraad op 1 mei van de jaren 2000 tot en met 2003 worden bijgewerkt in het licht van dit percentage en kan een overdrachthoeveelheid – en, vervolgens, een overtollige voorraad – worden bepaald die de ontwikkeling van de groei in de gehele Estse landbouwsector tussen 1 mei 2000 en 1 mei 2004 op evenredige wijze weergeeft. Zo draagt hij bij tot de vaststelling van een objectieve basis voor de vergelijking van de voorraad op 1 mei 2004 en de gemiddelde voorraad op 1 mei van de vier voorgaande jaren.
49 Gelet op deze kenmerken doet de keuze voor een dergelijke factor geen afbreuk aan de doelstellingen van de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 en evenmin aan het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.
50 Bijgevolg verzetten noch artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1972/2003, noch artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 zich tegen de toepassing van een vermenigvuldigingsfactor zoals die in de ÜLTS wordt gebruikt voor de berekening van de overdrachthoeveelheid.
51 In die omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, leden 1 en 2, van verordening nr. 1972/2003, artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 en verordening nr. 832/2005 zich niet verzetten tegen een nationale maatregel, zoals de ÜLTS, volgens welke de overtollige voorraad van een marktdeelnemer wordt bepaald door de overdrachthoeveelheid, namelijk de met de factor 1,2 – die overeenstemt met de groei van de landbouwproductie in de betrokken lidstaat tijdens de hieronder vermelde periode – vermenigvuldigde gemiddelde voorraad van de marktdeelnemer op 1 mei van de vier voorgaande jaren, af te trekken van de voorraad die op 1 mei 2004 daadwerkelijk aanwezig was.
52 Gelet op dit antwoord hoeft het tweede onderdeel van de eerste vraag niet te worden onderzocht.
Tweede vraag
53 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de omstandigheid dat de totale voorraad waarover een marktdeelnemer op 1 mei 2004 beschikt, als overtollige voorraad wordt aangemerkt, in overeenstemming is met verordening nr. 1972/2003.
54 Balbiino merkt op dat het, voor zover verordening nr. 1972/2003 tot doel heeft, speculatie op landbouwproducten te voorkomen, noodzakelijk is te bepalen of de voorraad waarover een marktdeelnemer op 1 mei 2004 beschikte, verstoringen op de markt heeft teweeggebracht of tot speculatie aanleiding heeft gegeven. Er moet dus per geval worden onderzocht onder welke omstandigheden deze voorraden zijn gevormd en of de marktdeelnemer daaruit speculatieve inkomsten heeft gehaald of had kunnen halen.
55 Volgens de Estse regering is het duidelijk dat de totale voorraad waarover een marktdeelnemer op 1 mei 2004 beschikte, als overtollig kan worden aangemerkt wanneer vaststaat dat deze om speculatieve redenen is verkregen.
56 De Commissie herinnert eraan dat de lidstaten bij de toepassing van verordening nr. 1972/2003 het evenredigheidsbeginsel in acht moeten nemen. Zij moeten dus per geval, op basis van alle omstandigheden met betrekking tot de vorming van de voorraden van landbouwproducten vóór 1 mei 2004, onderzoeken of er minder dwingende middelen bestaan om de doelstellingen van deze verordening te bereiken.
57 Uit de punten 1 en 3 van de considerans ervan blijkt dat verordening nr. 1972/2003 tot doel heeft, de marktordeningen veilig te stellen door, aan de hand van een stelsel van afschrikkende belastingen op overtollige voorraden in de nieuwe lidstaten, te voorkomen dat bepaalde landbouwproducten met het oog op de uitbreiding kunstmatig worden verplaatst naar deze lidstaten. De bedoeling is dus, te voorkomen dat een abnormaal handelspatroon de gemeenschappelijke marktordeningen verstoort.
58 Verordening nr. 1972/2003 verplicht de lidstaten om belasting te heffen op de overtollige voorraden die zij identificeren op basis van een lijst van criteria die in artikel 4, lid 2, van deze verordening zijn opgesomd. Tot deze criteria behoren de omstandigheden waaronder de voorraden zijn gevormd en het handelspatroon in de jaren vóór de toetreding. Hoewel deze lijst niet limitatief is, blijkt uit deze bepaling, gelezen tegen de achtergrond van de doelstelling, de gemeenschappelijke marktordeningen veilig te stellen, dat verordening nr. 1972/2003 zich er niet tegen verzet dat de gehele voorraad van een marktdeelnemer als overtollig wordt aangemerkt indien, gelet op alle relevante omstandigheden, blijkt dat deze vóór 1 mei 2004 is gevormd, niet in het kader van de normale ontwikkeling van een handelsactiviteit, maar teneinde voordeel te halen uit de gevolgen van de toetreding voor de landbouwprijzen.
59 Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat verordening nr. 1972/2003 zich er niet tegen verzet dat de totale voorraad waarover een marktdeelnemer op 1 mei 2004 beschikte, als overtollig wordt aangemerkt indien uit onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat deze voorraad in het licht van de activiteit van deze marktdeelnemer niet normaal is, maar om speculatieve redenen is gevormd.
Derde vraag
60 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof meer te vernemen over de bewijslast ter zake van de overtolligheid van de voorraden. Hij wenst te vernemen of artikel 4 van verordening nr. 1972/2003 en artikel 6 van verordening nr. 60/2004 zich ertegen verzetten dat een marktdeelnemer die minder dan een jaar vóór 1 mei 2004 een activiteit is begonnen, moet aantonen dat de omvang van de voorraad die op die datum bij hem aanwezig was, overeenkomt met de omvang van de voorraad die hij gewoonlijk kan produceren en verkopen of op andere wijze onder bezwarende titel of om niet kan overdragen of aanschaffen.
61 Volgens Balbiino verzet het gemeenschapsrecht zich ertegen dat de bewijslast uitsluitend op de marktdeelnemers rust. Aangezien deze laatste moeten worden geacht te goeder trouw te handelen, staat het aan de nationale autoriteiten om te bewijzen dat de op 1 mei 2004 vastgestelde voorraden overtollig waren.
62 De Estse regering en de Commissie benadrukken dat bij ontbreken van communautaire bepalingen over de verdeling van de bewijslast tussen de marktdeelnemers en de nationale autoriteiten, de lidstaten bevoegd zijn om die regels vast te stellen, waarbij zij over een beoordelingsmarge beschikken. De Commissie herinnert er in dit verband aan dat de lidstaten de gelijke behandeling van marktdeelnemers en de eerbiediging van het beginsel van behoorlijk bestuur moeten waarborgen.
63 Noch verordening nr. 1972/2003, noch verordening nr. 60/2004 bevatten bepalingen ter zake van de verdeling van de bewijslast tussen de marktdeelnemers en de nationale autoriteiten die belast zijn met het heffen van de belasting op de overtollige voorraad. Nu deze verordeningen daarover niets bepalen, moet deze vraag worden beslecht volgens de regels van het nationale recht, met inachtneming van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht en van de doelstellingen van de aan de orde zijnde verordeningen. In casu kan uit niets worden afgeleid dat deze beginselen en doelstellingen worden geschonden door een nationale maatregel volgens welke de marktdeelnemer moet bewijzen dat de omvang van de op 1 mei 2004 bij hem aanwezige voorraad normaal was, wanneer de staat niet over relevante vergelijkingsgegevens beschikt omdat de aan de orde zijnde activiteit nieuw is.
64 Op de derde vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 4 van verordening nr. 1972/2003 en artikel 6 van verordening nr. 60/2004 zich niet verzetten tegen een nationale maatregel op basis waarvan een marktdeelnemer die minder dan een jaar vóór 1 mei 2004 een activiteit is begonnen, moet bewijzen dat de omvang van de voorraad waarover hij op die datum beschikte, overeenkomt met de omvang van de voorraad die hij gewoonlijk kan produceren en verkopen of op andere wijze onder bezwarende titel of om niet kan overdragen of aanschaffen.
65 Gelet op dit antwoord hoeft het tweede onderdeel van de derde vraag niet te worden onderzocht.
Vierde vraag
66 De verwijzende rechter heeft twijfel over de vraag of het bestaan van een overtollige voorraad op 1 mei 2004 voldoende is om een marktdeelnemer te belasten dan wel of ook moet worden nagegaan of deze laatste winst heeft gemaakt bij de verhandeling van deze voorraad. Hij wenst te vernemen hoe de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 moeten worden uitgelegd, teneinde te bepalen of het bezit van een overtollige voorraad uitzonderlijk niet tot belasting kan leiden wanneer de marktdeelnemer kan aantonen dat hij geen winst heeft gemaakt bij de verhandeling van deze voorraad na 1 mei 2004.
67 Balbiino stelt voor te antwoorden dat de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 de nationale autoriteiten in een dergelijke situatie niet toestaan om de overtollige voorraad te belasten.
68 De Estse regering en de Commissie zijn het daar niet mee eens. Volgens de Commissie kunnen de marktdeelnemers niet op grond dat zij geen winst hebben gemaakt bij de verkoop van hun voorraden, worden vrijgesteld van de afschrikkende mechanismen die de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 hebben ingevoerd. Deze verordeningen hebben immers niet tot doel het gedrag van marktdeelnemers te beteugelen, maar de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten veilig te stellen in het algemene belang van de Europese Gemeenschap.
69 Zoals eerder in punt 57 van het onderhavige arrest is benadrukt, heeft verordening nr. 1972/2003 tot doel, te voorkomen dat een abnormaal handelspatroon de gemeenschappelijke marktordeningen verstoort. Deze verordening heeft niet tot doel, het speculatieve gedrag van de marktdeelnemers te bestraffen, maar beoogt aan de hand van een mechanisme van afschrikkende belasting te voorkomen dat om speculatieve redenen voorraden worden gevormd, alsmede de door de houders ervan verwachte economische voordelen te neutraliseren (zie naar analogie arrest van 15 januari 2002, Weidacher, C‑179/00, Jurispr. blz. I‑501, punten 22, 28 en 42).
70 Uit de punten 5 en 8 van de considerans ervan blijkt dat verordening nr. 60/2004 ook tot doel heeft, de gemeenschappelijke ordening van de suikermarkt veilig te stellen, wegens een „aanzienlijk risico dat de markten in de sector suiker worden verstoord doordat voor speculatieve doeleinden producten in de nieuwe lidstaten worden binnengebracht voordat deze zijn toegetreden”. Evenals verordening nr. 1972/2003 heeft verordening nr. 60/2004 dus niet tot doel, speculatieve gedragingen te bestraffen, maar beoogt zij de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten te beschermen, in casu die voor suiker en verwerkte producten.
71 Bijgevolg zijn, ongeacht of het gaat om de door verordening nr. 1972/2003 ingevoerde belasting op de overtollige voorraad of om de maatregelen waarin verordening nr. 60/2004 voorziet teneinde de voorraden van suiker en andere producten weg te werken, deze instrumenten, die de gemeenschappelijke marktordeningen beogen te beschermen, van toepassing op alle overtollige voorraden in de zin van deze verordeningen, los van de vraag of de houders ervan daadwerkelijk winst hebben gemaakt bij de verhandeling ervan.
72 Op de vierde vraag moet dus worden geantwoord dat de verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 zich niet verzetten tegen de heffing van een belasting op de overtollige voorraad van een marktdeelnemer, ook al zou deze kunnen bewijzen dat hij geen winst heeft gemaakt bij de verhandeling van deze voorraad na 1 mei 2004.
Vijfde vraag
73 Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 vermeldt onder de factoren die de nieuwe lidstaten in aanmerking kunnen nemen om de overtollige hoeveelheden suiker te identificeren, naast het type en de omvang van de activiteit van de betrokken marktdeelnemers, de „capaciteit van de opslagvoorzieningen”.
74 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of deze factor zelfstandig, los van de ontwikkeling van de economische activiteit van de marktdeelnemer, kan worden toegepast, zodat de stijging van de opslagcapaciteit in het jaar vóór de toetreding kan leiden tot een vermindering van de voorraad die als overtollig wordt aangemerkt.
75 Deze vraag vindt haar oorsprong in het feit dat de Põllumajandusminister in het hoofdgeding heeft geweigerd om de overdrachthoeveelheid van Balbiino te verhogen, ook al was de opslagcapaciteit van deze onderneming gestegen na de bouw van een nieuwe opslagruimte in 2003. De Põllumajandusminister was volgens de verwijzende rechter van oordeel dat de suikervoorraad van Balbiino in de periode 2000-2006 gelijk was gebleven, met uitzondering van de piek op 1 mei 2004, op welke datum de suikervoorraad meer dan negen keer groter was dan gewoonlijk. In deze omstandigheden was de Põllumajandusminister van mening dat Balbiino, onder gelijke omstandigheden, los van het bestaan van de nieuwe opslagruimte, in het normale kader van zijn activiteiten geen grote voorraden suiker aanschaft of in bezit heeft.
76 Zowel Balbiino als de Estse regering en de Commissie zijn het eens dat de stijging van de opslagcapaciteit, welke factor in artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 is vermeld, een van de factoren is waarmee bij de bepaling van de overtollige voorraad rekening moet worden gehouden.
77 Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 legt de nieuwe lidstaten de verplichting op om de overtollige hoeveelheden suiker of isoglucose te identificeren, waarbij „terdege in aanmerking” worden genomen het type en de omvang van de activiteiten van de betrokken marktdeelnemers en de „capaciteit van de opslagvoorzieningen”. Deze bepaling vereist dus enkel van de betrokken lidstaten dat zij de opslagcapaciteit van de marktdeelnemers in aanmerking nemen bij hun globale beoordeling van alle relevante factoren voor de identificatie van de overtollige voorraden. Deze lidstaten hoeven volgens deze bepaling echter niet stelselmatig de overtollige hoeveelheid te verminderen van de marktdeelnemers waarvan de opslagcapaciteit is gestegen. Slechts indien deze stijging van de opslagcapaciteit met een stijging van de omvang van de latere activiteit gepaard is gegaan, moet deze factor in aanmerking worden genomen om uit te maken of de voorraden die op 1 mei 2004 aanwezig waren, normaal of overtollig waren.
78 Bijgevolg moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 niet aldus kan worden uitgelegd dat een stijging van de opslagcapaciteit van een marktdeelnemer in het jaar vóór de toetreding rechtvaardigt dat de overtollige voorraad wordt verminderd, los van de latere ontwikkeling van de economische activiteit van de houder van deze voorraad, van de omvang van de verwerking en van de omvang van deze voorraad.
Zesde vraag
79 De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of artikel 10 van verordening nr. 1972/2003 zich verzet tegen de invordering van een belastingaanslag wegens overtollige voorraad die, hoewel hij is vastgesteld tijdens de periode waarin deze verordening van toepassing was, pas daarna door de adressaat is ontvangen.
80 Balbiino is van mening dat, aangezien verordening nr. 1972/2003 volgens artikel 10 ervan niet van toepassing is na 30 april 2007, een lidstaat, wanneer de nationale regeling daarover niets bepaalt, geen belasting op overtollige voorraad kan invorderen na deze datum. Zij beroept zich in dit verband op het rechtszekerheidsbeginsel.
81 De Commissie is het met de Estse en de Litouwse regering eens dat verordening nr. 1972/2003 de nieuwe lidstaten de verplichting oplegt om de uitvoeringsmaatregelen voor de bepaling van de overtollige voorraden te nemen vóór 30 april 2007, zonder echter te vereisen dat alle individuele situaties vóór deze datum het voorwerp waren van een definitieve beslissing of dat de belastingplicht van de marktdeelnemers afhangt van de datum van ontvangst van een belastingaanslag.
82 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1972/2003 bepaalt dat „de nieuwe lidstaten [...] belastingen op[leggen] aan de houders van op 1 mei 2004 aanwezige overtollige voorraden producten in het vrije verkeer”. Volgens artikel 10 ervan was deze verordening van toepassing van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2007. Tijdens deze periode moesten de nieuwe lidstaten dus krachtens artikel 4 van die verordening aan de houders van overtollige voorraad belastingen opleggen na de bepaling van de omvang van hun overtollige voorraad en van het bedrag van de belasting. De nieuwe lidstaten konden dus van 1 mei 2004 tot en met 30 april 2007 belastingaanslagen opleggen aan de houders van overtollige voorraden.
83 Verordening nr. 1972/2003 bepaalt echter niet dat deze belastingaanslagen tijdens die periode moesten worden ingevorderd. Een dergelijke verplichting opleggen zou in de praktijk neerkomen op een vermindering van de daadwerkelijke duur van de periode waarin deze verordening werd toegepast, en zou, zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen leiden tot uitstelmanoeuvres van de belastingplichtigen. Belastingaanslagen van vóór 30 april 2007 na deze datum invorderen, schaadt noch de rechtszekerheid noch de door die verordening nagestreefde doelstelling, te voorkomen dat de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten kan worden aangetast.
84 Met betrekking tot de vraag of een belastingaanslag die vóór het verstrijken van de periode voor de toepassing van verordening nr. 1972/2003 is opgelegd, maar daarna door de adressaat is ontvangen, geldig is, gelet op het verstrijken van de periode voor de toepassing van deze verordening, moet worden vastgesteld dat deze verordening daarover niets bepaalt. Bij ontbreken van bijzondere bepalingen moet, om redenen die analoog zijn aan die welke in het voorgaande punt zijn uiteengezet, worden geoordeeld dat artikel 10 van verordening nr. 1972/2003 zich niet verzet tegen de geldigheid van een belastingaanslag die door de marktdeelnemer die aan de belasting op overtollige voorraad is onderworpen, is ontvangen na 30 april 2007, wanneer vaststaat dat de nationale autoriteiten deze aanslag vóór of op deze datum hebben vastgesteld.
85 Bijgevolg moet op de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 10 van verordening nr. 1972/2003 zich niet verzet tegen de geldigheid van een belastingaanslag die door de marktdeelnemer die aan de belasting op overtollige voorraad is onderworpen, is ontvangen na 30 april 2007, wanneer vaststaat dat de nationale autoriteiten deze aanslag vóór of op deze datum hebben vastgesteld.
Kosten
86 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 4, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1972/2003 van de Commissie van 10 november 2003 betreffende de overgangsmaatregelen die voor het handelsverkeer van landbouwproducten moeten worden vastgesteld wegens de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, artikel 6, lid 3, van verordening (EG) nr. 60/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 houdende overgangsmaatregelen in de sector suiker in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en verordening (EG) nr. 832/2005 van de Commissie van 31 mei 2005 betreffende de bepaling van de overtollige hoeveelheid suiker, isoglucose en fructose voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, verzetten zich niet tegen een nationale maatregel, zoals de Estse wet inzake de belasting op overtollige voorraad (Üleliigse laovaru tasu seadus) van 7 april 2004, zoals gewijzigd op 25 januari 2007, volgens welke de overtollige voorraad van een marktdeelnemer wordt bepaald door de overdrachthoeveelheid, namelijk de met de factor 1,2 – die overeenstemt met de groei van de landbouwproductie in de betrokken lidstaat tijdens de hieronder vermelde periode – vermenigvuldigde gemiddelde voorraad van de marktdeelnemer op 1 mei van de vier voorgaande jaren, af te trekken van de voorraad die op 1 mei 2004 daadwerkelijk aanwezig was.
2) Verordening nr. 1972/2003 verzet zich er niet tegen dat de totale voorraad waarover een marktdeelnemer op 1 mei 2004 beschikte, als overtollig wordt aangemerkt indien uit onderling overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat deze voorraad gelet op de activiteit van deze marktdeelnemer niet normaal is, maar om speculatieve redenen is gevormd.
3) Artikel 4 van verordening nr. 1972/2003 en artikel 6 van verordening nr. 60/2004 verzetten zich niet tegen een nationale maatregel op basis waarvan een marktdeelnemer die minder dan een jaar vóór 1 mei 2004 een activiteit is begonnen, moet bewijzen dat de omvang van de voorraad waarover hij op die datum beschikte, overeenkomt met de omvang van de voorraad die hij gewoonlijk kan produceren en verkopen of op andere wijze onder bezwarende titel of om niet kan overdragen of aanschaffen.
4) De verordeningen nrs. 1972/2003 en 60/2004 verzetten zich niet tegen de heffing van een belasting op de overtollige voorraad van een marktdeelnemer, ook al zou deze kunnen bewijzen dat hij geen winst heeft gemaakt bij de verhandeling van deze voorraad na 1 mei 2004.
5) Artikel 6, lid 3, van verordening nr. 60/2004 kan niet aldus worden uitgelegd dat een stijging van de opslagcapaciteit van een marktdeelnemer in het jaar vóór de toetreding rechtvaardigt dat de overtollige voorraad wordt verminderd, los van de latere ontwikkeling van de economische activiteit van de houder van deze voorraad, van de omvang van de verwerking en van de omvang van deze voorraad.
6) Artikel 10 van verordening nr. 1972/2003 verzet zich niet tegen de geldigheid van een belastingaanslag die door de marktdeelnemer die aan de belasting op overtollige voorraad is onderworpen, is ontvangen na 30 april 2007, wanneer vaststaat dat de nationale autoriteiten deze aanslag vóór of op deze datum hebben vastgesteld.
ondertekeningen
* Procestaal: Ests.
Full & Egal Universal Law Academy