Zaak C‑568/07
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Helleense Republiek
„Niet-nakoming – Artikelen 43 EG en 48 EG – Opticiens – Vestigingsvoorwaarden – Openen en exploiteren van optiekzaken – Onvolledige uitvoering van arrest van Hof – Forfaitaire som”
Samenvatting van het arrest
1. Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van Hof waarin niet-nakoming wordt vastgesteld – Niet-nakoming van verplichting om arrest uit te voeren – Financiële sancties – Forfaitaire som
(Art. 228 EG)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van Hof waarin niet-nakoming wordt vastgesteld – Niet-nakoming van verplichting om arrest uit te voeren – Financiële sancties
(Art. 228 EG)
3. Lidstaten – Verplichtingen – Niet-nakoming – Rechtvaardiging op basis van interne orde – Ontoelaatbaarheid
(Art. 228 EG)
4. Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van Hof waarin niet-nakoming wordt vastgesteld – Termijn voor uitvoering
(Art. 228 EG)
5. Beroep wegens niet-nakoming – Arrest van Hof waarin niet-nakoming wordt vastgesteld – Niet-nakoming van verplichting om arrest uit te voeren – Schending van grondbeginsel van vrijheid van vestiging
(Art. 228 EG)
1. Om ervoor te zorgen dat een arrest waarbij een niet-nakoming werd vastgesteld, zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd, en herhaling van dergelijke inbreuken op het gemeenschapsrecht te voorkomen, moet de eventuele oplegging van een forfaitaire som in elk concreet geval gebaseerd blijven op alle relevante aspecten die zowel verband houden met de kenmerken van de vastgestelde niet-nakoming als met de houding van de lidstaat waarop de op grond van artikel 228 EG ingeleide procedure betrekking heeft.
Indien het Hof beslist om een forfaitaire som op te leggen, staat het bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid aan hem om deze zodanig vast te stellen dat zij in overeenstemming is met de omstandigheden en evenredig is aan zowel de vastgestelde inbreuk als de draagkracht van de betrokken lidstaat.
Om uitspraak te doen op het verzoek om een forfaitaire som op te leggen, moet dus rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de zaak, met name de houding van de betrokken lidstaat en de duur en de ernst van de inbreuk.
Voor de vaststelling van de hoogte van de forfaitaire som moet naast de genoemde omstandigheden ook rekening worden gehouden met andere factoren, zoals het feit dat de betrokken lidstaat de in het arrest vastgestelde niet-nakoming heeft beëindigd en geheel heeft voldaan aan de eisen van het arrest.
(cf. punten 44, 46-48, 58-60)
2. Het staat aan het Hof om in elke zaak en aan de hand van de omstandigheden van het geval dat bij hem aanhangig is gemaakt, alsmede naargelang van de mate van overreding en afschrikking die hem vereist lijkt, de financiële sancties vast te stellen die passend zijn om ervoor te zorgen dat het arrest waarbij een niet-nakoming werd vastgesteld, zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd, en herhaling van dergelijke inbreuken op het gemeenschapsrecht te voorkomen.
De oplegging van een dwangsom lijkt in het bijzonder geschikt om een lidstaat ertoe te brengen, zo snel mogelijk een einde te maken aan een niet-nakoming die zonder die maatregel wellicht zou blijven voortduren, terwijl de oplegging van een forfaitaire som veeleer berust op de beoordeling van de consequenties van de niet-nakoming van de verplichtingen van de betrokken lidstaat voor de particuliere en de publieke belangen, met name wanneer de niet-nakoming is blijven voortbestaan lang na het arrest waarin zij werd vastgesteld.
(cf. punten 45‑46)
3. Een lidstaat kan zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen.
(cf. punt 50)
4. Ofschoon artikel 228 EG niet bepaalt binnen welke termijn uitvoering moet worden gegeven aan een arrest waarin een niet-nakoming van een lidstaat is vastgesteld, moet onverwijld met die uitvoering worden begonnen en moet deze zo snel mogelijk worden voltooid.
(cf. punt 51)
5. Als het Hof in het kader van een beroep wegens niet-nakoming heeft geoordeeld dat de wettelijke regeling van een lidstaat het in artikel 43 EG neergelegde grondbeginsel schond, doordat zij het in andere lidstaten gevestigde vennootschappen slechts toestond om optiekzaken te openen en te exploiteren indien de meerderheid van de vennoten opticiens waren of indien, naargelang van het geval, de meerderheid van het kapitaal in handen was van opticiens, en er bijna 37 maanden verstreken zijn tussen de datum van het arrest en de datum waarop de lidstaat waarop dat arrest betrekking had, zijn wettelijke regeling geheel met dat arrest in overeenstemming heeft gebracht, moet worden vastgesteld dat de aan die staat verweten niet-nakoming lange tijd heeft voortgeduurd, vooral gelet op de omstandigheid dat de volledige uitvoering van het arrest niet erg ingewikkeld was; die niet-nakoming rechtvaardigt dat krachtens artikel 228, lid 1, EG een forfaitaire som wordt opgelegd.
(cf. punten 52‑53, 55, dictum 1‑2)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
4 juni 2009 (*)
„Niet-nakoming – Artikelen 43 EG en 48 EG – Opticiens – Vestigingsvoorwaarden – Openen en exploiteren van optiekzaken – Onvolledige uitvoering van arrest van Hof – Forfaitaire som”
In zaak C‑568/07,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 228 EG, ingesteld op 18 december 2007,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Zavvos en E. Traversa als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door E. Skandalou als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, K. Schiemann, J. Makarczyk, L. Bay Larsen en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 maart 2009,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof:
– vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van 21 april 2005, Commissie/Griekenland (C‑140/03, Jurispr. blz. I‑3177), de krachtens de artikelen 43 EG en 48 EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
– de Helleense Republiek te gelasten om aan de Commissie een dwangsom te betalen van 70 956 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het reeds aangehaalde arrest Commissie/Griekenland, te rekenen vanaf de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak tot de dag waarop het arrest Commissie/Griekenland geheel zal zijn uitgevoerd;
– de Helleense Republiek te gelasten om aan de Commissie een forfaitaire som te betalen, te berekenen door vermenigvuldiging van een dagelijks bedrag met het aantal dagen dat de niet-nakoming voortduurt, vanaf de dag waarop het reeds aangehaalde arrest Commissie/Griekenland is gewezen tot de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak zal worden gewezen, en
– de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
Toepasselijke nationale bepalingen
2 De toepasselijke nationale bepalingen zijn vervat in de volgende wetten: wet nr. 971/79 betreffende de uitoefening van het beroep van opticien en betreffende de optiekzaken (FEK A’ 223; hierna: „wet nr. 971/79”); wet nr. 2646/98 inzake de uitbouw van het nationale stelsel van sociale zorgverlening en andere bepalingen (FEK A’ 236; hierna: „wet nr. 2646/98”), wet nr. 3204/03 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving inzake het nationale gezondheidsstelsel en tot regeling van andere vraagstukken die behoren tot de bevoegdheid van het ministerie van Volksgezondheid en Welzijn (FEK A’ 296; hierna: „wet nr. 3204/03”) en wet nr. 3661/08 van 19 mei 2008 (FEK A’ 89; hierna: „wet nr. 3661/08”).
3 Op het voor het arrest Commissie/Griekenland relevante tijdstip luidden de artikelen 6, lid 6, 7, lid 1, en 8, lid 1, van wet nr. 971/79:
„Artikel 6
[...]
6. Onverminderd de bepalingen van lid 3 van dit artikel (vestiging in apotheken) en van artikel 8, lid 2 (overdracht aan familieleden), worden de optiekzaken persoonlijk beheerd door de houders van de vergunning voor de exploitatie ervan. Iedere opticien kan slechts één optiekzaak beheren [...]
Artikel 7
1. Optiekzaken mogen enkel worden opgericht door houders van een vergunning van opticien, en hun exploitatie is afhankelijk van een vergunning van de bevoegde overheidsinstantie.
[...]
Artikel 8
1. De exploitatievergunning van een optiekzaak is persoonlijk en onoverdraagbaar.
[...]”
4 Artikel 27, lid 4, van wet nr. 2646/98 luidde:
„Enkel erkende opticiens mogen een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap oprichten om een optiekzaak te exploiteren, op voorwaarde dat de persoon die de exploitatievergunning voor de optiekzaak bezit voor ten minste 50 % deelneemt in het maatschappelijk kapitaal van de onderneming. Een opticien kan nog vennoot zijn in ten hoogste één andere onderneming, voor zover de vergunning om de optiekzaak op te richten en te exploiteren is afgegeven op naam van een andere erkende opticien.”
5 Artikel 6 van wet nr. 971/79 is in de loop van de procedure die heeft geleid tot het arrest Commissie/Griekenland bij wet nr. 3204/03 aldus gewijzigd, dat het de opticiens/natuurlijke personen voortaan was toegestaan om meer dan één optiekzaak te exploiteren, op voorwaarde dat elke optiekzaak werd beheerd door een erkende gediplomeerde opticien.
6 Bij wet nr. 3204/03 is ook artikel 7 van wet nr. 971/79 als volgt gewijzigd:
„1. Optiekzaken mogen worden opgericht door:
(a) houders van een vergunning van opticien en
(b) vennootschappen, ongeacht hun rechtsvorm, mits:
1) voor de vennootschappen onder firma de meerderheid van de vennoten en de beheerder of de meerderheid van de beheerders houder zijn van een vergunning van opticien;
2) voor de vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid meer dan de helft van de vennoten die samen meer dan de helft van het kapitaal vertegenwoordigen, houder zijn van een vergunning van opticien;
3) voor de naamloze vennootschappen ten minste 51 % van het maatschappelijk kapitaal in handen is van opticiens die zijn gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie.
[...]”
7 Na het verstrijken van de termijn die de Commissie in deze zaak had gesteld in haar met redenen omkleed advies van 4 juli 2006, heeft de Helleense Republiek wet nr. 3661/08 van 19 mei 2008 vastgesteld, waarvan artikel 14 bepaalt:
„De leden 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 van artikel 7 van wet nr. 971/79 [...], zoals gewijzigd bij artikel 21, lid 3, van wet nr. 3204/03 [...], worden vervangen door de volgende tekst:
Optiekzaken mogen worden opgericht door: A) natuurlijke personen en B) vennootschappen, ongeacht hun rechtsvorm. Een vergunning van opticien is niet vereist.
De exploitatie van een optiekzaak is afhankelijk van de aanwijzing van een erkend opticien die verantwoordelijk is voor de naleving van de gezondheidsvoorschriften en die uitsluitend werkt in de betrokken zaak. De persoon in kwestie kan ook eigenaar van de optiekzaak zijn of vennoot van de oprichtende vennootschap, mits hij een erkend opticien is en in de zaak werkt.
Natuurlijke personen en vennootschappen mogen verschillende optiekzaken oprichten en exploiteren. Elk van die zaken moet beschikken over een afzonderlijke vergunning en een opticien die verantwoordelijk is voor de naleving van de gezondheidsvoorschriften.
[...]”
Arrest Commissie/Griekenland
8 In het arrest Commissie/Griekenland aanvaardde het Hof de eerste grief van de Commissie en stelde het vast dat de Helleense Republiek door het aannemen en handhaven van wet nr. 971/79, die het een gediplomeerd opticien/natuurlijk persoon niet toestaat meer dan één optiekzaak te exploiteren, de krachtens artikel 43 EG op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen (hierna: „eerste aanvaarde grief”).
9 In dat arrest aanvaardde het Hof ook de tweede grief van de Commissie, en verklaarde het dat de Helleense Republiek door het aannemen en handhaven van wet nr. 971/79 en wet nr. 2646/98, die de opening van een optiekzaak door een rechtspersoon in Griekenland afhankelijk stelt van de volgende voorwaarden:
– de vergunning om de optiekzaak op te richten en te exploiteren is afgegeven op naam van een natuurlijk persoon die een erkende opticien is, de persoon die de exploitatievergunning voor de optiekzaak bezit, neemt voor ten minste 50 % deel in het maatschappelijk kapitaal en in de winst en het verlies van de vennootschap, de vennootschap heeft de vorm van een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, en
– de betrokken opticien neemt ten hoogste deel in nog één andere vennootschap die een optiekzaak bezit, op voorwaarde dat de vergunning om de optiekzaak op te richten en te exploiteren is afgegeven op naam van een andere erkende opticien,
de krachtens de artikelen 43 EG en 48 EG op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen (hierna: „tweede aanvaarde grief”).
Precontentieuze procedure
10 In een aanmaningsbrief van 13 december 2005 stelde de Commissie dat de door de Helleense Republiek getroffen maatregelen geen volledige uitvoering gaven aan het arrest Commissie/Griekenland.
11 In zijn antwoord van 22 februari 2006 stelde deze lidstaat dat hij een wetsontwerp voorbereidde dat het alle vormen van vennootschappen mogelijk zou maken om optiekzaken te openen, zonder dat een meerderheidsdeelneming van opticiens zou zijn vereist.
12 Op 4 juli 2006 bracht de Commissie een met redenen omkleed advies uit waarin zij de Helleense Republiek verzocht alle maatregelen te nemen welke nodig waren ter uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland.
13 Bij brief van 8 september 2006 antwoordde deze lidstaat dat hij dat wetsontwerp aldus zou amenderen dat het arrest Commissie/Griekenland volledig zou worden uitgevoerd.
14 Bij brief van 22 december 2006 deelde hij de Commissie mee dat het amendement op het wetsontwerp op 15 december 2006 was ingediend bij het Griekse parlement.
15 Omdat zij van mening was dat de maatregelen ter uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland niet binnen de gestelde termijn waren getroffen, heeft de Commissie dit beroep ingesteld.
Ontwikkelingen in de loop van deze procedure
16 Op 19 mei 2008 werd in het staatsblad van de Helleense Republiek wet nr. 3661/08 gepubliceerd, waardoor volgens verweerster volledige uitvoering wordt gegeven aan het arrest Commissie/Griekenland.
17 Na onderzoek van de inhoud van die wet heeft de Commissie het Hof bij brief van 28 november 2008 meegedeeld dat zij van mening was dat de Helleense Republiek haar wetgeving in overeenstemming had gebracht met dat arrest.
18 Bijgevolg vordert de Commissie niet langer dat een dwangsom wordt opgelegd. Zij handhaaft echter haar vordering tot betaling van een forfaitaire som en het bedrag daarvan.
Niet-nakoming
Argumenten van partijen
19 De Commissie meent dat de Helleense Republiek op de in het met redenen omkleed advies gestelde datum het arrest Commissie/Griekenland slechts ten dele had uitgevoerd.
20 De Helleense Republiek betwist de niet-nakoming. Zij stelt dat wet nr. 3204/03 alle beperkingen van de vrijheid van vestiging van natuurlijke personen had opgeheven en de beperkingen van de vrijheid van vestiging van rechtspersonen had versoepeld. Deze wet had het aan natuurlijke personen opgelegde verbod om meer dan één optiekzaak te exploiteren, geschrapt, en had het mogelijk gemaakt dat vennootschappen, ongeacht hun rechtsvorm, optiekzaken konden bezitten en exploiteren.
21 In haar verweerschrift erkent de Helleense Republiek echter dat wet nr. 3204/03 één voorwaarde had gehandhaafd die niet geheel beantwoordde aan de voorwaarden van de tweede in het arrest Commissie/Griekenland aanvaarde grief, namelijk dat de meerderheid van de vennoten van een vennootschap die een optiekzaak exploiteert, opticiens zijn, en dat van naamloze vennootschappen ten minste 51 % van het maatschappelijk kapitaal in handen is van opticiens.
22 De Helleense Republiek meent dat zij met de vaststelling van wet nr. 3661/08 alle maatregelen heeft genomen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland.
23 In haar memories en ter terechtzitting heeft de Helleense Republiek gesteld dat de vertraging bij de vaststelling van de wetswijzigingen in kwestie te wijten was aan het feit dat verkiezingen zijn gehouden en dat het Parlement een eerste wetsontwerp daartoe heeft verworpen.
Beoordeling door het Hof
24 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden (zie met name arrest van 9 december 2008, Commissie/Frankrijk, C‑121/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 22).
25 Zoals de Helleense Republiek erkent, garanderen de wettelijke maatregelen die zijn vastgesteld vóór het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet de uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland wat de tweede in dat arrest aanvaarde grief betreft.
26 Verder staat vast dat wet nr. 3661/08 is vastgesteld nadat die termijn was verstreken, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden voor de beoordeling van het bestaan van de niet-nakoming.
27 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Helleense Republiek, door op de datum waarop de termijn is verstreken die was gesteld in het met redenen omkleed advies dat de Commissie heeft uitgebracht krachtens artikel 228 EG, niet alle maatregelen te hebben getroffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland, de krachtens artikel 228, lid 1, EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Geldelijke sanctie
Argumenten van partijen
28 In haar mededeling van 13 december 2005 betreffende de uitvoering van artikel 228 EG [SEC(2005) 1658; hierna: „mededeling uit 2005”] zet de Commissie uiteen hoe zij zich wil kwijten van de haar bij dat artikel opgedragen taak.
29 Zoals is aangekondigd in punt 10 van die mededeling stelt zij voortaan systematisch voor dat de in gebreke blijvende lidstaat wordt veroordeeld tot betaling van een forfaitaire som, en zal zij een dergelijke vordering handhaven en haar beroep niet meer intrekken, zelfs niet wanneer de lidstaat na het aanhangig maken van de zaak bij het Hof en voor het arrest op grond van artikel 228 EG wordt gewezen, zijn verplichtingen nakomt.
30 Zich baserend op het arrest van 12 juli 2005, Commissie/Frankrijk (C‑304/02, Jurispr. blz. I‑6263), en op haar mededeling van 13 december 2005, had de Commissie het Hof aanvankelijk verzocht de Helleense Republiek zowel een dwangsom als een forfaitaire som op te leggen.
31 Zoals in punt 17 van dit arrest in herinnering is gebracht, was de Commissie van mening dat de Helleense Republiek met de vaststelling van wet nr. 3661/08 haar wettelijke regeling in overeenstemming heeft gebracht met het arrest Commissie/Griekenland, en heeft zij geconcludeerd dat het Hof deze lidstaat enkel veroordeelt tot betaling van een forfaitaire som.
32 Tijdens de schriftelijke behandeling en ter terechtzitting heeft de Commissie gesteld dat de forfaitaire som moet worden berekend door een forfaitair basisbedrag van 200 EUR per dag te vermenigvuldigen met een coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk en een coëfficiënt voor de financiële draagkracht, die voor de Helleense Republiek 4,38 bedraagt.
33 In dat verband stelt de Commissie een coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk van 9 op 20 voor, gelet op het belang van de gemeenschapsvoorschriften die zijn geschonden en de gevolgen van die schending voor de algemene of bijzondere belangen.
34 In de eerste plaats beklemtoont de Commissie met betrekking tot het belang van de gemeenschapsregels die in casu zijn geschonden, dat door de niet-uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland een grove inbreuk op een fundamentele vrijheid is blijven voortbestaan, doordat een discriminatie is gecreëerd tussen natuurlijke en rechtspersonen die niet verenigbaar is met de artikelen 43 EG en 48 EG.
35 In de tweede plaats meent de Commissie dat de gevolgen van de inbreuk voor de algemene of bijzondere belangen zeer ernstig zijn, daar de wettelijke bepalingen in kwestie tot hoofddoel hadden de Griekse markt te beschermen en de toegang daartoe van in andere lidstaten gevestigde optiekondernemingen te beletten. De handhaving van die bepalingen vormde dus een zeer ernstige belemmering van de werking van de interne markt, aangezien deze bijdroeg tot de versnippering ervan.
36 In de derde plaats meent de Commissie met betrekking tot de verzwarende en verzachtende omstandigheden dat de Helleense Republiek gedurende verschillende opeenvolgende jaren en in volle bewustzijn van de gemeenschapswetgeving en van het arrest Commissie/Griekenland, heeft gepoogd de beschermingsregeling ten voordele van een bepaalde groep beroepsbeoefenaren te handhaven door de toegang van rechtspersonen uit andere lidstaten tot die markt te verbieden. Zij heeft zich aldus niets aangetrokken van de herhaalde aanmaningen en verwittigingen van de Commissie, die zij volstrekt heeft genegeerd.
37 De Helleense Republiek stelt primair dat het opleggen van een forfaitaire som niet gerechtvaardigd is, aangezien zij de noodzakelijke wettelijke maatregelen heeft genomen en het arrest Commissie/Griekenland op eigen initiatief en binnen een korte en redelijke termijn heeft uitgevoerd.
38 Subsidiair betwist deze lidstaat de door de Commissie voorgestelde coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk, en beklemtoont, kort gezegd, dat de Griekse wettelijke regeling geen protectionistisch doel nastreefde, maar beantwoordde aan dwingende redenen van algemeen belang betreffende de volksgezondheid.
39 De vertraging bij de uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland was niet te wijten aan een daartoe strekkend voornemen, maar aan interne moeilijkheden die verband hielden met het wetgevingsproces en het houden van verkiezingen.
40 Gelet op het voorwerp van de zaak en de inhoud van artikel 14 van wet nr. 3661/08, is er geen enkel concreet gevaar voor recidive.
41 Bovendien is de inbreuk volgens de Helleense Republiek niet zeer ernstig, aangezien zij zelfs vóór de vaststelling van wet nr. 3661/08 slechts sloeg op een deel van de tweede grief die in het arrest Commissie/Griekenland is aanvaard.
Beoordeling door het Hof
Dwangsom
42 Volgens vaste rechtspraak is de eventuele oplegging van een dwangsom krachtens artikel 228 EG in beginsel slechts gerechtvaardigd zolang de niet-nakoming wegens de niet-uitvoering van een eerder arrest van het Hof voortduurt (zie in die zin met name arresten van 18 juli 2006, Commissie/Italië, C‑119/04, Jurispr. blz. I‑6885, punten 45 en 46, en 18 juli 2007, Commissie/Duitsland, C‑503/04, Jurispr. blz. I‑6153, punt 40).
43 Nu de Commissie erkent dat wet nr. 3661/08 het arrest Commissie/Griekenland volledig uitvoert, is er geen reden om de Helleense Republiek een dwangsom op te leggen.
Forfaitaire som
44 De eventuele oplegging van een forfaitaire som moet in elk concreet geval gebaseerd blijven op alle relevante aspecten die zowel verband houden met de kenmerken van de vastgestelde niet-nakoming als met de houding van de lidstaat waarop de op grondslag van artikel 228 EG ingeleide procedure betrekking heeft (zie met name arrest van 9 december 2008, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 62).
45 De oplegging van een dwangsom lijkt in het bijzonder geschikt om een lidstaat ertoe te brengen, zo snel mogelijk een einde te maken aan een niet-nakoming die zonder die maatregel wellicht zou blijven voortduren, terwijl de oplegging van een forfaitaire som veeleer berust op de beoordeling van de consequenties van de niet-nakoming van de verplichtingen van de betrokken lidstaat voor de particuliere en de publieke belangen, met name wanneer de niet-nakoming is blijven voortbestaan lang na het arrest waarin zij oorspronkelijk is vastgesteld (arrest van 12 juli 2005, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 81).
46 Het staat aan het Hof om in elke zaak en aan de hand van de omstandigheden van het geval dat bij hem aanhangig is gemaakt, alsmede naargelang van de mate van overreding en afschrikking die hem vereist lijkt, de financiële sancties vast te stellen die passend zijn om ervoor te zorgen dat het arrest waarbij eerder een niet-nakoming werd vastgesteld, zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd, en te voorkomen dat dergelijke inbreuken op het gemeenschapsrecht zich vaker voordoen (zie arrest van 9 december 2008, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 59).
47 Indien het Hof beslist om een forfaitaire som op te leggen, staat het bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid hoe dan ook aan hem om deze zodanig vast te stellen dat zij in overeenstemming is met de omstandigheden en evenredig is aan zowel de vastgestelde inbreuk als de draagkracht van de betrokken lidstaat (zie arrest van 25 november 2003, Commissie/Spanje, C‑278/01, Jurispr. blz. I‑14141, punt 41).
48 Om uitspraak te doen op het verzoek om een forfaitaire som op te leggen, moet dus rekening worden gehouden met alle omstandigheden van dit geval, met name de houding van de Helleense Republiek en de duur en de ernst van de inbreuk.
49 Wat in de eerste plaats de houding van deze lidstaat betreft, staat vast dat hij aan de tweede in het arrest Commissie/Griekenland aanvaarde grief slechts volledig uitvoering heeft gegeven door de vaststelling van wet nr. 3661/08, hoewel er geen bijzondere moeilijkheden waren om de in dat arrest vastgestelde belemmeringen geheel op te heffen.
50 In dat verband kunnen de door de Helleense Republiek aangevoerde rechtvaardigingen, volgens welke de vertraging bij de uitvoering van dat arrest te wijten was aan interne moeilijkheden die verband hielden met het wetgevingsproces en het houden van verkiezingen, niet worden aanvaard. Het Hof heeft immers bij herhaling geoordeeld dat een lidstaat zich niet op nationale bepalingen, praktijken of situaties kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen (zie met name arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 38).
51 Wat in de tweede plaats de duur van de niet-nakoming betreft, moet eraan worden herinnerd dat ofschoon artikel 228 EG niet bepaalt binnen welke termijn uitvoering moet worden gegeven aan een arrest, vaststaat dat onverwijld met die uitvoering moet worden begonnen en dat zij zo snel mogelijk moet worden voltooid (zie arrest van 6 november 1985, Commissie/Italië, C‑131/84, Jurispr. blz. 3531, punt 7).
52 In casu zijn er bijna 37 maanden verstreken tussen de datum van het arrest Commissie/Griekenland en de datum waarop de Helleense Republiek haar wettelijke regeling geheel met dat arrest in overeenstemming heeft gebracht.
53 De aan de Helleense Republiek verweten niet-nakoming heeft dus lange tijd voortgeduurd, vooral gelet op de omstandigheid dat de volledige uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland niet erg ingewikkeld was.
54 Wat in de derde plaats de ernst van de inbreuk betreft, moet worden opgemerkt dat door de onderhavige niet-nakoming een belangrijke belemmering van de vrijheid van vestiging is blijven voortbestaan.
55 In het arrest Commissie/Griekenland was het Hof immers van oordeel dat de litigieuze wettelijke regeling het in artikel 43 EG neergelegde grondbeginsel schond, doordat zij het in andere lidstaten gevestigde vennootschappen slechts toestond om optiekzaken te openen en te exploiteren indien de meerderheid van de vennoten opticiens waren of indien, naargelang van het geval, de meerderheid van het kapitaal in handen was van opticiens.
56 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat een niet-nakoming als de onderhavige de belangen van in een andere lidstaat gevestigde vennootschappen en opticiens die in Griekenland een optiekzaak willen openen, aanzienlijk kan schaden.
57 Derhalve acht het Hof het gerechtvaardigd om de Helleense Republiek te gelasten een forfaitaire som te betalen.
58 Voor de vaststelling van de hoogte van deze forfaitaire som moet naast de overwegingen in de punten 49 tot en met 56 van dit arrest, nog rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden.
59 Zelfs voordat het arrest Commissie/Griekenland was gewezen, heeft de Helleense Republiek de in dat arrest vastgestelde niet-nakoming ten dele beëindigd. Verweerster had namelijk de litigieuze bepalingen die het opticiens/natuurlijke personen onmogelijk maakten meer dan één optiekzaak te exploiteren, gewijzigd, en had de meeste voorwaarden in verband met het openen en exploiteren van optiekzaken door rechtspersonen afgeschaft.
60 Voorts heeft de Helleense Republiek door de vaststelling van wet nr. 3661/08 in de loop van de behandeling van deze zaak geheel voldaan aan de eisen van het arrest Commissie/Griekenland.
61 Gelet op een en ander is met de omstandigheden van het onderhavige geval naar behoren rekening gehouden door de forfaitaire som die de Helleense Republiek moet betalen, op 1 miljoen EUR vast te stellen.
62 Derhalve moet de Helleense Republiek worden veroordeeld om aan de Commissie, op de rekening „Eigen middelen van de Europese Gemeenschap”, een forfaitaire som van 1 miljoen EUR te betalen.
Kosten
63 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Daar de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:
1) Door op de datum waarop de termijn is verstreken die was gesteld in het met redenen omkleed advies dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft uitgebracht krachtens artikel 228 EG, niet alle maatregelen te hebben getroffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van 21 april 2005, Commissie/Griekenland (C‑140/03), is de Helleense Republiek de krachtens artikel 228, lid 1, EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Helleense Republiek wordt veroordeeld om aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op de rekening „Eigen middelen van de Europese Gemeenschap”, een forfaitaire som van 1 miljoen EUR te betalen.
3) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy