26.1.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 22/19
Hogere voorziening ingesteld op 24 september 2007 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer — Uitgebreid) van 11 juli 2007 in zaak T-351/03, Schneider Electric SA/Commissie
(Zaak C-440/07 P)
(2008/C 22/38)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Petite en F. Arbault, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Schneider Electric SA, Bondsrepubliek Duitsland, Franse Republiek
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 11 juli 2007 in zaak T-351/03, Schneider Electric SA/Commissie;
—
verwijzing van Schneider Electric SA in alle kosten van de Commissie.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante, die er vooreerst aan herinnert dat voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten een onrechtmatige gedraging, daadwerkelijk geleden schade en een rechtstreeks causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade, roept zeven middelen in ter ondersteuning van haar hogere voorziening.
Met haar eerste middel betoogt de Commissie dat het Gerecht, door vast te stellen dat zij had nagelaten om in de mededeling van punten van bezwaar van 3 augustus 2001 het verwijt van verbinding van de posities van Schneider en Legrand te vermelden en daarnaast dat het opnemen van deze vermelding „geen bijzondere technische moeilijkheid” opleverde, geen acht heeft geslagen op de kracht van het gewijsde, materieel onjuiste vaststellingen heeft gedaan, aan de aan zijn oordeel voorgelegde bewijzen een vertekend beeld heeft gegeven en heeft verzaakt aan de verplichting om zijn arresten met redenen te omkleden.
Met haar tweede middel betoogt de Commissie dat het Gerecht de feiten onjuist heeft gekwalificeerd, het recht verkeerd heeft toegepast en zijn motiveringsplicht heeft geschonden door te oordelen dat de procedurele onregelmatigheid die is vastgesteld in het arrest van 22 oktober 2002, Schneider Electric/Commissie (T-310/01), een „voldoende ernstige” schending oplevert van een rechtsregel die beoogt particulieren rechten toe te kennen.
Met haar derde middel beweert de Commissie dat het Gerecht tot materieel onjuiste vaststellingen is gekomen, aan bewijzen een vertekend beeld heeft gegeven, de betrokken feiten onjuist heeft gekwalificeerd en het recht onjuist heeft toegepast door te oordelen dat er een „voldoende rechtstreeks causaal verband” bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en het tweede onderdeel van de schade, te weten de vroegtijdige beëindiging van de onderhandelingen tussen Schneider en Wendel-KKR over de overnameprijs voor Legrand SA.
Met haar vierde middel verwijt de Commissie het Gerecht schending van de op hem rustende motiveringsplicht wegens tegenstrijdige overwegingen in zijn redenering betreffende het causale verband tussen de onrechtmatige gedraging en de verschillende vastgestelde schade-elementen.
Met haar vijfde middel betoogt de Commissie dat het Gerecht materieel onjuiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan, aan bewijzen een vertekend beeld heeft gegeven en het recht verkeerd heeft toegepast door niet vast te stellen dat het tweede onderdeel van de schade volledig aan Schneider moet worden toegerekend. Deze onderneming heeft immers op meerdere manieren verzaakt aan haar plicht om redelijke zorgvuldigheid te betrachten teneinde de schade te voorkomen of de omvang daarvan te beperken, meer bepaald door niet in kort geding aan de orde te stellen dat zij beweerdelijk verplicht was Legrand af te stoten, en door te besluiten deze onderneming af te stoten op een moment waarop zij daartoe geenszins verplicht was.
Met haar zesde middel verwijt de Commissie het Gerecht dat het ultra petita uitspraak heeft gedaan, de regels ter zake van de bewijslast terzijde heeft gelaten en de rechten van de verdediging heeft geschonden door schade vast te stellen die de verzoekende onderneming niet had gesteld.
Met haar zevende middel voert de Commissie ten slotte aan dat het Gerecht het recht verkeerd heeft toegepast door Schneider compensatoire interesten toe te kennen vanaf het ontstaan van het tweede onderdeel van de schade, te weten 10 december 2002.
Full & Egal Universal Law Academy