26.1.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 22/20
Hogere voorziening ingesteld op 28 september 2007 door Clara Centeno Mediavilla, Delphine Fumey, Eva Gerhards, Iona M. S. Hamilton, Raymond Hill, Jean Huby, Patrick Klein, Domenico Lombardi, Thomas Millar, Miltiadis Moraitis, Ansa Norman Palmer, Nicola Robinson, François-Xavier Rouxel, Marta Silva Mendes, Peter van den Hul, Fritz Von Nordheim Nielsen, Michaël Zouridakis tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer — Uitgebreid) van 11 juli 2007 in zaak T-58/05, Centeno Mediavilla e.a./Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak C-443/07 P)
(2008/C 22/39)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwiranten: Isabel Clara Centeno Mediavilla, Delphine Fumey, Eva Gerhards, Iona M. S. Hamilton, Raymond Hill, Jean Huby, Patrick Klein, Domenico Lombardi, Thomas Millar, Miltiadis Moraitis, Ansa Norman Palmer, Nicola Robinson, François-Xavier Rouxel, Marta Silva Mendes, Peter van den Hul, Fritz Von Nordheim Nielsen, Michaël Zouridakis (vertegenwoordigers: G. Vandersanden en L. Levi, avocats)
Andere partijen in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
te vernietigen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 11 juli 2007 in zaak T-58/05;
—
bijgevolg toe te wijzen de vorderingen die rekwiranten in eerste aanleg hebben ingesteld, en derhalve
—
nietig te verklaren de indeling in de rang die aan rekwiranten is toegekend in de besluiten waarbij zij zijn aangeworven, voor zover die indeling is gebaseerd op artikel 12, lid 3, van bijlage XIII bij het nieuwe Statuut;
—
de loopbaan van rekwiranten te herstellen (met inaanmerkingneming van de ervaring die zij in de aldus gerectificeerde rang hebben opgedaan, van hun rechten op plaatsing in een hogere salaristrap en van hun pensioenrechten) vanaf de rang waarin zij hadden moeten worden aangesteld op basis van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek na afloop waarvan zij op de reservelijst waren geplaatst, hetzij in de rang die in de aankondiging van dat vergelijkend onderzoek was genoemd, hetzij in de rang die volgens de indeling van het nieuwe Statuut daarmee overeenkomt (en in de juiste salaristrap overeenkomstig de regels die voor 1 mei 2004 van toepassing waren), dit alles vanaf het aanstellingsbesluit;
—
rekwiranten vertragingsrente op de door de Europese Centrale Bank vastgestelde rentevoet toe te kennen over het totale verschil tussen het salaris dat overeenkomt met hun indeling in het aanwervingsbesluit en de indeling waarop zij recht hadden gehad, tot op de datum van het besluit waarbij zij volgens de regels in rang worden ingedeeld;
—
verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
Na allereerst te hebben opgemerkt dat het Gerecht hen in het bestreden arrest globaal heeft behandeld, zonder rekening te houden met de bijzondere situatie van elk van hen, en het zich heeft gebaseerd op de door hen betwiste premisse dat de wettigheid van hun indeling in rang slechts kan worden beoordeeld vanaf de datum van hun aanstelling, voeren rekwiranten ter ondersteuning van hun hogere voorziening twee middelen aan.
Met hun eerste middel verwijten zij het Gerecht dat het ten onrechte heeft geconcludeerd dat artikel 12, lid 3, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut wettig is. In dit verband beroepen zij zich in de eerste plaats op schending door het Gerecht van artikel 10 van het oude Statuut, omdat het Gerecht de vervanging van de rangen in casu heeft gelijkgesteld aan een „specifieke” aanpassing van de overgangsbepalingen naar de nieuwe loopbaanstructuur, waarmee wordt gerechtvaardigd dat het Comité voor het Statuut niet opnieuw werd geraadpleegd, terwijl de gevolgen, met name de financiële, van deze vervanging van de rangen voor de situatie van de betrokkenen aanzienlijk zijn en raadpleging van dit comité in ruime mate rechtvaardigden.
In de tweede plaats beroepen rekwiranten zich ter ondersteuning van ditzelfde middel op schending van het beginsel van verworven rechten. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, was de relevante vraag in casu niet die naar het bestaan van een verworven recht op aanstelling, maar van een verworven recht op indeling in geval van aanstelling. Ofschoon niet wordt betwist dat geen recht op aanwerving openstaat op grond van een aankondiging van vergelijkend onderzoek en de inschrijving op een lijst van geschikte kandidaten, roepen deze aankondiging en deze inschrijving voor de deelnemers aan dat vergelijkend onderzoek en, a fortiori, voor degenen die op de lijst van geslaagde kandidaten staan, echter een recht in het leven om overeenkomstig de aankondiging van vergelijkend verzoek te worden behandeld. Dit recht vormt de tegenhanger van de verplichting van het TABG tot eerbiediging van het kader dat het zich heeft gesteld in de aankondiging van vergelijkend onderzoek en dat overeenkomt met de vereisten van de te vervullen ambten en het dienstbelang.
In de derde plaats betogen rekwiranten dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door onderscheid te maken tussen de geslaagde kandidaten van vergelijkende onderzoeken die voor 1 mei 2004 en degenen die na deze datum zijn aangesteld, omdat het hypothetische karakter van de aanstelling van de geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek hoe dan ook geen afbreuk doet aan hun recht om zich bij daadwerkelijke aanwerving te baseren op de indelingscriteria die zijn neergelegd in de aankondiging van vergelijkend onderzoek en die derhalve van toepassing zijn op de aanwerving van alle geslaagde kandidaten van dat vergelijkend onderzoek. Bovendien heeft het Gerecht geenszins onderzocht of het verschil in behandeling van de twee betrokken categorieën ambtenaren kan worden gerechtvaardigd.
In de vierde plaats stellen rekwiranten schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen en onjuiste voorstelling van de bewijzen door het Gerecht. Het bij deze rechterlijke instantie ingediende dossier bevat namelijk talrijke aanknopingspunten voor de stelling dat aan partijen daadwerkelijk precieze toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot hun aanwerving in de rang die was aangegeven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek.
In de vijfde en de zesde plaats verwijten rekwiranten ten slotte het Gerecht te zijn voorbijgegaan aan de strekking van de artikelen 5, 7 en 31 van het Statuut en dienaangaande tevens de op de communautaire rechter rustende motiveringsplicht te hebben geschonden.
Met hun tweede middel betwisten rekwiranten het bestreden arrest voorts voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten tot hun aanstelling zijn verworpen op grond dat, ofschoon verweerster haar plicht tot het verstrekken van informatie vooraf, niet is nagekomen, deze onvolkomenheid op zich niet meebrengt dat de litigieuze besluiten onwettig zijn. Zij beroepen zich in dit verband op schending van zowel de zorgplicht als de beginselen van goed bestuur, doorzichtigheid, gewettigd vertrouwen, goede trouw, gelijke behandeling en equivalentie van ambt en rang.
Full & Egal Universal Law Academy