26.1.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 22/31
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 19 november 2007 — Associação Nacional de Transportes Rodoviários de Pesados de Passageiros (Antrop) e.a./Conselho de Ministros e.a.
(Zaak C-504/07)
(2008/C 22/56)
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal Administrativo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Associação Nacional de Transportes Rodoviários de Pesados de Passageiros (Antrop) e.a.
Verwerende partijen: Conselho de Ministros e.a.
Prejudiciële vragen
a)
Kunnen de nationale autoriteiten in het licht van de artikelen 73, 87 en 88 van het Verdrag en verordening nr. 1191/69 (1) openbaredienstverplichtingen opleggen aan een openbare onderneming die met het openbaar reizigersvervoer in een gemeente belast is?
b)
Zo ja, dienen de nationale autoriteiten hiervoor een vergoeding te betalen?
c)
Dient de vergoedingsplicht van de nationale autoriteiten in het geval dat zij niet verplicht zijn een aanbesteding uit te schrijven voor de verlening van een concessie voor het exploiteren van een vervoersnet, te worden uitgebreid tot alle ondernemingen die naar nationaal recht worden geacht in hetzelfde gebied openbare passagiersvervoersdiensten aan te bieden?
d)
Zo ja, op basis van welk criterium dient deze vergoeding te worden bepaald?
e)
Wanneer de staat busvervoersondernemingen die op grond van een openbare concessie hun activiteit uitoefenen binnen welbepaalde stadsgebieden waarvoor zij een exclusief recht hebben, maar die deze activiteit buiten de stadsgebieden waarvoor deze exclusiviteitsregeling geldt, ook uitoefenen in concurrentie met particuliere ondernemingen, jaar na jaar steun verleent ter dekking van de constante exploitatieverliezen van deze ondernemingen, vormt deze steun dan verboden staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG:
i)
indien niet op basis van betrouwbare boekhoudkundige gegevens het verschil kan worden bepaald tussen de kosten die zijn toe te schrijven aan dat deel van de activiteit van deze ondernemingen dat wordt verricht binnen het gebied waarvoor de concessie is verleend, en de overeenkomstige inkomsten, en het bijgevolg onmogelijk is om de extra kosten te berekenen die voortvloeien uit de nakoming van de openbaredienstverplichtingen waarvoor volgens de concessieovereenkomst staatssteun kan worden verleend?
ii)
indien deze ondernemingen hierdoor verder vervoersdiensten kunnen verrichten of deze diensten kunnen uitbreiden, waardoor de kans voor andere in deze of een andere lidstaat gevestigde ondernemingen om vervoersdiensten te verrichten kleiner wordt?
iii)
en dit ongeacht het bepaalde in artikel 73 EG?
f)
Wat is — gelet op de voorwaarden die volgens het Hof van Justitie, in het bijzonder volgens het arrest van 24 juli 2003, Altmark (2) (C-280/00, Jurispr. blz. I-7747), moeten zijn vervuld om te kunnen spreken van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG (voorheen artikel 92, lid 1, EG-Verdrag) („In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd. In de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen en in de vierde plaats moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen.”) — de betekenis en de draagwijdte van de uitdrukkingen (i) verlening van een voordeel dat (ii) de mededinging vervalst, in een situatie waarin de begunstigden het exclusieve recht hebben om het openbare passagiersvervoer in de steden Lissabon en Porto te verzorgen, maar ook lijnen naar deze steden exploiteren in gebieden waarin ook andere ondernemingen actief zijn? Met andere woorden, op basis van welke criteria dient te worden vastgesteld of de verlening van een voordeel de mededinging vervalst? Is het in dit verband relevant te weten welk percentage van de kosten van de ondernemingen betrekking heeft op de lijnen die buiten het exclusiviteitsgebied liggen? Kortom, is het nodig dat de steun in concreto een aanzienlijke weerslag heeft op de activiteiten buiten het exclusiviteitsgebied (Lissabon en Porto)?
g)
Zijn de handelingen die de Commissie krachtens de artikelen 76 en 88 van het Verdrag kan verrichten, de enige juridische weg om de verdragsregels inzake staatssteun te doen naleven of is voor de doeltreffende werking van het gemeenschapsrecht meer vereist, meer bepaald dat de nationale rechterlijke instanties deze bepalingen rechtstreeks kunnen toepassen op verzoek van particulieren die zich benadeeld achten door de verlening van een subsidie of van steun in strijd met de mededingingsregels?
(1) Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 156, blz. 131).
(2) C-280/00, Jurispr. 2003, blz. I-7810.
Full & Egal Universal Law Academy