9.2.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 37/10
Beroep ingesteld op 23 november 2007 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden
(Zaak C-521/07)
(2008/C 37/12)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. van Nuffel en R. Lyal, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden
Conclusies
—
vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40 van de EER-Overeenkomst door de dividenden uitbetaald aan vennootschappen gevestigd in Noorwegen of IJsland niet onder dezelfde voorwaarden vrij te stellen van inhouding van dividendbelasting als de dividenden uitbetaald aan Nederlandse vennootschappen;
—
het Koninkrijk der Nederlanden te veroordelen tot de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens de Nederlandse belastingwetgeving wordt de dividendbelasting niet ingehouden wanneer een Nederlandse vennootschap een dividend uitkeert aan een andere in Nederland gevestigde vennootschap die tenminste 5 % van de aandelen bezit in de vennootschap die het dividend uitkeert; daarentegen wordt de dividendbelasting wel ingehouden wanneer de vennootschap die het dividend ontvangt in Noorwegen of IJsland is gevestigd, tenzij de ontvangende vennootschap ten minste 25 % (Noorwegen) of 10 % (IJsland) van de aandelen bezit in de Nederlandse vennootschap die het dividend uitkeert.
De Commissie is van mening dat de Nederlandse belastingwetgeving zo een discriminatie creëert tussen de vennootschappen die in Noorwegen of IJsland zijn gevestigd en deze die in Nederland zijn gevestigd. Dit vormt een belemmering voor het vrij verkeer van kapitaal tussen de Nederland en Noorwegen en IJsland, in strijd met artikel 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1) („EER-Overeenkomst”) betreffende het vrij verkeer van kapitaal, een bepaling die, in essentie, overeenkomt met artikel 56 EG. De situatie van de Noorse en IJslandse vennootschappen die deelnemen in het kapitaal van een Nederlandse vennootschap is immers objectief vergelijkbaar met die van een Nederlandse vennootschap met een dergelijke deelneming. De Nederlandse regeling kan niet worden gerechtvaardigd. Weliswaar mogen lidstaten maatregelen nemen om misbruik te voorkomen, maar deze moeten in verhouding staan tot het beoogde doel, wat hier niet het geval is.
(1) PB L 1 van 3.1.1994.
Full & Egal Universal Law Academy